Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Nino Haratischwili, De kat en de generaal. 

25 november 2019

Nino Haratischwili, De kat en de generaal. 

Vert. Elly Schippers en Jantsje Post. uitg. Meridiaan

Een lovenswaardige poging om haar meesterstuk ‘Het achtste leven’ te herhalen, dit keer in Tsjetsjenië. Dat lukt niet echt. De opening is interssant en het slot spannend. Maar het eindeloze heen en weer is niet van die aard om mij als lezer te blijven boeien. 

 

680. ‘We hebben steeds gebogen voor de wil van anderen en onszelf wijsgemaakt dat het onze eigen beslissing was. Denk je dat je ook maar één seconde in je leven vrij bent geweest? Geloof je dat ook maar één Rus op de wereld vrij is? Of het ooit is geweest? Onze vrijheid is gekocht met onzichtbaarheid en zwijgen, of ze eindigt in een werkkamp of in het gunstigste geval in een cel van drie bij drie. Onze vrijheid is stilstand en apathie of angst. En daarom moeten we voortdurend iemand anders van zijn vrijheid beroven, moeten we als ongenode gasten ergens binnenvallen en ons die vrijheid toe-eigenen. Omdat we er niet tegen kunnen als iemand iets heeft wat wij nooit hebben gehad en ook nooit zullen hebben, en weet je waarom dat zo is, Borja? Omdat we elkaar allemaal om zeep zouden helpen, zoals gebeurde toen ze ons voor korte tijd de langverwachte vrijheid gunden. Wij kunnen helemaal niet vrij zijn. We willen niet vrij zijn. Kom op, je bent een ontwikkeld man, je hebt er toch weleens over nagedacht waarom bepaalde dingen zijn zoals ze zijn?

14. ‘Je moet je concentreren! Fantasie gaat niet samen met willekeur en al helemaal niet met slordigheid. Je moet heel precies zijn als je je verbeelding laat werken!’ 

64. ‘Hij moet zo zijn, hij moest zo worden om te overleven,’ zei hij plotseling, terwijl hij uit zijn jaszak een pakje papirosy haalde, zijn favoriete sigaret; alle westerse merken die je opeens kon kopen, versmaadde hij. ‘Hij moest onkwetsbaar worden, anders zou zijn verleden hem de keel dichtsnoeren, hij zou stikken,’ zei hij zoals altijd rustig, bijna zacht. ‘Hij moest overleven, hij had geen andere keus.’ Haar vader nam een vrij lange pauze, waarin hij zijn papirosa opstak en diep inhaleerde. Het puntje gloeide in het regenachtige avondlicht. ‘Soms dient het licht alleen als camouflage voor het donker,’ zei hij, waarna hij weer zweeg.’ 

184. ‘Zijn geheime passie was boeken lezen: elke vrije minuut besteedde hij daaraan. Boeken vormden de beste toevlucht voor de eenzaamheid van zijn kinderjaren.’ 

229. ‘Haar vader, een bekend archeoloog, was in de jaren dertig het slachtoffer van de stalinistische zuiveringen geworden en dus was het haar als dochter van een ‘volksvijand’ niet vergund een universitaire wetenschappelijke loopbaan te kiezen, want een proefschrift van haar hand was ‘niet gewenst’, zoals de faculteit haar zonder veel omhaal te verstaan had gegeven. En zonder academische titel was het zinloos om de wetenschap in te gaan.’ 

232. ‘Sesilia was niet meer de jongste, ze wist dat ze haar beste tijd had gehad en samen met veel anderen zoals zij zou worden uitgerangeerd, omdat men dacht dat het verleden moest worden uitgewist om in de toekomst te kunnen kijken. Iedereen predikte dat het anders moest, maar niemand wist te vertellen hoe.’ 

279. ‘Bijna alle gasten die daar zaten, waren op een dag vertrokken, weggegaan, op zoek naar een betere wereld, omdat ze die waarin ze gevangenzaten dachten te haten. Ze vervloekten die wereld, wilden er nooit meer iets mee te maken hebben, waren er rotsvast van overtuigd dat ze die voorgoed vaarwel hadden gezegd. En toch, toen ze eenmaal in een nieuwe toekomst, een nieuwe werkelijkheid waren aangekomen, ijverig een nieuw leven opbouwden, moeizaam de ene steen op de andere stapelden, merkten ze dat ze terugverlangden naar de hel die ze zo vastberaden de rug hadden toegekeerd. Want die hel stonk weliswaar nog steeds naar zwavel, maar het was hun hel, ze kenden er elk hoekje, hadden er strijdmakkers en lotgenoten, waren koning in hun vervallen rijk. Maar in hun nieuwe leven, zo ver van huis, waren ze niet meer dan vreemdelingen, bannelingen, migranten, kinderen van het gehate socialisme, die in hun jeugd op de zwarte markt in westerse platen hadden gehandeld en hunkerden naar het kapitalisme als reddende ideologie, die de plotseling opgedoken VHS-videorecorders als een revolutie hadden verwelkomd en illegale videoavonden hadden georganiseerd, als conspiratieve filosofiedebatten in de jaren twintig, alleen discussieerden ze niet over Marx of Hegel ‘maar keken ze naar Rambo en Tango & Cash en identificeerden ze zich met de oer-Amerikaanse mythe van één-man-tegen-de-hele-wereld.’ 

 

Reacties graag naar mailadres.