Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Natascha Van Weezel, Nooit meer Fanta

23 april 2020

Natascha Van Weezel, Nooit meer Fanta

uitgeverij Balans 2020

Max van Weezel (Amsterdam, 1951-2019) was journalist en politicoloog. Hij werkte lange tijd voor Vrij Nederland, presenteerde de radioprogramma’s ‘Met het Oog op Morgen’ en ‘Argos’ en schreef een groot aantal boeken over de Nederlandse politiek. 

Teder vertelt het enig kind van Max en Anet Bleich, Natascha, in ‘Nooit meer Fanta’ ondermeer over hoe moeilijk rouwen is als je overleden vader een bekende publieke figuur is die daaraan zelf ook veel belang blijft hechten. Tot het einde toe.  

69. ‘Papa, heb jij ooit kunnen zeggen: “Ik ben goed zoals ik ben?”’

Mijn vader twijfelt even en schudt dan zijn hoofd. ‘Nee. Dat heb ik nooit zo gevoeld. Ik had altijd een sigaar nodig tegen de zenuwen, nog voor het ontbijt. Ik heb jarenlang slapeloze nachten gehad en bleef te lang hangen op feestjes met te veel drank. Ik was steeds bang dat ik mensen teleur zou stellen. Dat ik vergeten zou worden. Maar waarom eigenlijk? Nu is het te laat.’

99. ‘Mijn ouders kennen elkaar al bijna vijftig jaar. Ze ontmoetten elkaar op de eerste dag van hun studie aan de Universiteit van Amsterdam en hebben elkaar sindsdien nooit meer losgelaten. Nou ja, de eerste drie maanden kwam mijn vader iedere avond op bezoek in het studentenkamertje van mijn moeder om over politiek te spreken. Hij durfde geen initiatief te nemen en uiteindelijk was het mijn moeder die mijn vader na wekenlang praten voor het eerst zoende. Het is maar één keer kort uit geweest, een paar maanden na die eerste zoen. Mijn vader vond dat hij het te druk had met ‘de revolutie’ om ook een relatie te kunnen onderhouden. Binnen vierentwintig uur bedacht hij zich.’

127. ‘Mama en ik geven hem zijn pillen: langlopende morfine, kortlopende morfine, drie pancreastabletten, oxazepam, methadon en een maagbeschermer. Hij neemt ze aan en gooit ze vervolgens met een enorme kracht op de grond: ‘Rot op met die kutpillen!’ schreeuwt hij. ‘Ik wil wél chemo.’

Laat op de avond zit ik naast zijn bed.

‘Lieverd?’ zegt papa.

Zou dit het moment zijn waarop we alles tegen elkaar zeggen wat we nog moeten of willen? Gaat hij me nu vertellen dat hij van me houdt?

‘Ja?’ antwoord ik hoopvol.

‘Kun je mijn iPhone in de oplader doen? Anders loopt hij leeg.’

170. ‘De hierop volgende dagen klonk papa’s stem continu op de radio. Interviews die nog voor zijn dood waren opgenomen. Analyses van collega’s over zijn werkethos en karakter. Voor de laatste keer schitterde hij op het medium waarvan hij zoveel had gehouden.

Nu, een week later, is de rust enigszins weergekeerd. Toch word ik nog steeds aangesproken op straat door wildvreemden die me condoleren of zelf opeens in huilen uitbasten. Aan de ene kant is al die erkenning voor mijn vader ontzettend fijn. Aan de andere kant is het krankzinnig om iemand te moeten troosten die papa helemaal niet persoonlijk heeft gekend. Ik weet dat ik ‘de dochter van’ ben, maar soms wil ik liever gewoon even Natascha zijn.’

185. ‘Mijn vader wilde niet weten dat hij doodging, een gesprek daarover was vrijwel onmogelijk. Had ik dan op zijn sterfbed alsnog moeten vragen of ik zijn Facebook mocht overnemen?

Na een paar uur puzzelen kies ik voor een herdenkingspagina zonder volmacht. Ik mag niets meer met zijn account doen en alles wat hij zelf deelde blijft staan waar het stond. Met het grote verschil dat er nu ‘ter nagedachtenis van’ boven zijn naam te lezen valt.

De volgende dag krijg ik gewoon weer een aandenken aan papa van Facebook. Ook bij de gemeenschappelijke vrienden blijft zijn gezicht op mijn beeldscherm verschijnen. Het enige wat ik kan doen om dit te voorkomen is mijn dode vader ontvrienden.

Dan maar al die herinneringen.’

Reacties graag naar mailadres.