Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Patrick Bassant, De vlinder in de inktpot.

10 september 2020

Patrick Bassant, De vlinder in de inktpot. 

Wereldbibliotheek 2020

‘Het gaat hem om de menselijke kant van het conflict: de twijfel over de juiste keuze, de moeite om zelfstandig te blijven denken, de angst voor verraad aan de eigen idealen, de onontkoombare teleurstelling waar iedereen vroeg of laat mee te kampen kreeg.’

Na een reeks toelichtingen over tijd en personages – ongetwijfeld een noodzakelijke voorwaarde voor de niet ingewijde en nog jonge lezers – gaat ‘De vlinder in de inktpot’ in een stevig tempo door met bijzonder rake en pijnlijke typeringen van de grote namen uit de grote heldenstrijd van de Spaanse burgeroorlog. Alleen daarom al vind ik het boek de moeite van het lezen meer dan waard. 

De vlinder in de inktpot is geen volmaakte roman, aan de constructie valt nog wel wat aan te merken, maar ze is met grote vaart, tomeloze inzet en kennis van zaken geschreven. Bassant weeft een kleurrijk tapijt van feiten en fictie dat een hechte eenheid vormt. Knap weet hij de episodes waarin Pit de hoofdrol speelt in een wat arbeideristische toon te zetten, terwijl de wederwaardigheden van Johan Brouwer, de licht arrogante intellectueel, meer vormelijk worden beschreven. Maar wat mij het meest aanspreekt is de ambitie die uit De vlinder in de inktpot spreekt. Het is een wervelende, caleidoscopische roman over oorlog, verraad, vriendschap, vrijblijvend engagement en diepe betrokkenheid. Patrick Bassant is een schrijver die de grote greep niet schuwt. 

Recensie: Patrick Bassant – De vlinder in de inktpot

161. Hij meent het woord voor woord. Iedereen die zijn bek opentrekt, wordt door de GPOe, de geheime politie, opgepakt en ondervraagd. Als je dan geluk hebt, stoppen ze je in een communistisch heropvoedingskamp. Daar mag je tot het eind van de oorlog zelfkritiek uitoefenen, jezelf verbaal geselen tot leegbloedt. Of ze slepen je voor een geïmproviseerde krijgsraad en dan beschuldigen ze je van trotskistische ideeën. Komen er twee agenten die je de kamer uit slepen. De een geeft je een nekschot en de ander slaat met de kolf van zijn geweer de  gouden tand uit je  lijk, omdat je  de revolutie belangrijk vindt, of omdat je kritiek op de legerleiding hebt, of omdat je denkt dat er mogelijk nog een andere visie is op de wereld in het algemeen en deze oorlog in het bijzonder. En ze zitten overal, die informanten. Werkelijk waar, Marty heeft al honderden brigadiers laten fusilleren. Er zit hier in Albacete een apart GPOe-regiment om dwarse rekruten op te sporen. Die ene Joegoslaaf, Moreno, die is de baas.

231. Later hoorde Pit een andere versie: Dos Passos was zijn geloof in de revolutionaire idealen van de Communistische Partij kwijtgeraakt, toen een of andere troep rabauwen zijn vriend en Spaanse vertaler hadden opgepakt en tegen de muur gezet wegens spionage. Ferno mompelde iets over stalinistische zuiveringen, maar toen Pit hem vroeg wat hij daarmee bedoelde, stapte Ferno snel op een ander onderwerp over. Daar moest Pit misschien wel het meest aan wennen: dat er hier in Spanje altijd meer verhalen waren, nooit was er simpelweg één waarheid. En hoe naïef je ook was, je kon niet alles geloven. Soms moet je kiezen.  Niet te veel vragen stellen, daar werden mensen alleen maar nerveuzer van. En dat was ook wat Dos Passos te horen had gekregen. Hij zou de zaak geen goed doen als hij ging poken en poeren. `We moeten niet kinderachtig gaan lopen doen over een verkeerd geplaatsteelleboogstoot, want voor het belang van de strijd is het minder erg dat er tien onschuldigen lijden dan dat er één spion ontsnapt.’

De groep producenten had nog een Amerikaanse schrijver in Europa beschikbaar. Zo verscheen deze uit zijn shirt knappende padvinder op de set. Op het eerste gezicht een typische yank: brallerig en niet gehinderd door veel politiek besef. Pit leerde al snel dat dat betekende dat iemand wel degelijk een linkse mening kon hebben, maar als hij geen onvoorwaardelijke volger van de Communistische Partij was, had hij dat felbegeerde `besef’ niet. Hemingway leek niet te beroerd om te leren en omarmde Djoris als zijn persoonlijke politiek commissaris. `Noem me Hem en toon me de juiste weg, amigo!’

254.`Aan alle fronten vechten de antifascisten schouder aan schouder. Ook  de partijlozen zijn vanuit het hele land tot ons gekomen, omdat zij ook begrijpen wat een overwinning van het fascisme voor ons land zou betekenen. En de opgeblazen generaals, die incapabele vandalen, hebben uit Marokko huurlingen van het Vreemdelingenlegioen en inheemse troepen gehaald; er werd hun een rijke buit beloofd. Maar het is beter om staande te sterven dan op je knieën te moeten leven.’ Woeste kreten klonken uit de loopgraven, een wild en agressief soort overtuiging. Hemingway herkende elementen uit de stierenarena: een elkaar tot grote hoogte opzwepende groep bloeddorstigen. Hij vroeg zich af wat er zou gebeuren met een stadion waar deze vrouw sprak. De vlammen zouden eruit slaan. Hij keek opzij naar Joris en trok zijn wenkbrauwen op. Ivens moest schreeuwen om boven de donderbus uit te komen: `Dit is La Pasionaria, de beste redenaar van de Spaanse Communistische Partij. 0, wat een vrouw…’  Hij deed er verder het zwijgen toe en stond bewegingloos te luisteren.

Ferno boog zich over naar Pit en fluisterde in zijn oor: `Ik las twee maanden geleden in een Antwerpse krant dat ze een bordeelhoudster is die elke geestelijke die ze op haar pad vindt, de neus afbijt. Ik denk dat ik haar wel mag…’Pit voegde eraan toe: `Geen idee wat ze zegt, maar het klinkt alsof ze gelijk heeft. Ze mag me vastbinden en de hele nacht zo tegen me praten.’`Soldaten, zonen van het volk! Schaart u vastberaden aan de kant van de regering, van het werkende volk, aan de kant van uw vaders en broeders. Strijdt voor het Spanje van 16 februari 1936. ‘

285. ‘Now you will take a long, hard listen to me’. De partij is altijd vele malen gevaarlijker dan je je kunt voorstellen, om de simpele reden dat de partij een doel heeft, zo groot dat jij en ik daarmee vergeleken het formaat en het belang van luizen hebben. Ieder lid wil deelnemen aan een groter geheel en is tot veel bereid: tot veel geweld, tot veel verraad van vrienden en tot veel kritiekloos kuddegedrag. Ik geef jou op een briefje dat Last zijn tijd heeft gehad als hij Gide niet afvalt. Als ik de partij was, gaf ik zijn goede vriend Nico Rost, die prinzipienreiter, opdracht om hem bij zijn enkels af te zagen. En kijk, is me dat even toevallig! Precies die Rost is ook op het congres! En als ik in Jef Lasts laarzen stond, zocht ik een goed heenkomen en hield ik dit addernest zo ver van mijn borst als mogelijk.’ Pit schonk nog eens in. `Maar bang is hij niet, ik begreep dat hij samen met Ludwig Rein en Bodo Uhse van het front wordt opgehaald. Is dat dapperheid of naïviteit? Jij gaat daar achter komen. Vuurwerk verzekerd!’

376. Mathieu Corman, de ene journalist, keek hem wat meewarig aan. In Brussel hebben hier een goede uitdrukking voor, Hem. Je hebt zojuist een prima gelegenheid gemist om je kop te houden. Wat zeg je  nou? Dat je  je  status van observant, van neutrale persvertegenwoordiger hebt misbruikt? We weten het hier allemaal — niemand is neutraal. We willen ook helemaal geen neutrale journalisten hier. Niemand zit erop te wachten dat de waarheid naar buiten komt — de waarheid dat we hier met een slecht bewapend, ongetraind, amateuristisch geleid en gedemoraliseerd zootje ongeregeld een oorlogje nabootsen, maar dat we vooralsnog weinig tegen de vier generaals in het geweer hebben weten te brengen. Dat betekent nog niet dat journalisten naar believen kunnen gaan schieten, dat lijkt me een grensoverschrijding en ook een aantasting van je geloofwaardigheid, kameraad.’ Hemingway, die niet gewend was zo een veeg uit de pan te krijgen, keek Corman smerig aan en nam nog een slok. Merkwaardig dat jij dit zegt, amigo. Jij vocht met de grote Buenaventura Durruti, je was zijn adjudant in Santander en Teruel. Ik los een schot, een enkel schot, en ik ben een rotte in het journalistengilde. Jij hebt honderd keer meer bloed je handen.’

`Ik? Wie ben ik? Een boekhandelaar uit Oostende die de wereld rondreist en daarover vertelt. Ik ben niemand. Jij daarentegen — jij bent die bekende schrijver uit Amerika. Jij hebt een miljoenenpubliek. Waarom zou je dat riskeren?’

`Ik weet nog zo net niet of niemand jou kent. Je had in Ce Soir de wereldwijde primeur met je verslag over Guernica.’

`Ach, je doet wat je kan; maar dat was wel een half jaar na mijn actieve dienst bij de anarchistische militie.’

`Ik ben natuurlijk in mijn diepste wezen schrijver, hè. En weet je…’ Hemingway goot een flinke scheut van het troebele bruine goedje in zijn keel, veegde zijn hele mond- en snorzone met zijn mouw af en keek betekenisvol in de verte. De stilte die hij liet vallen, was zo retorisch dat Corman begreep dat het gesprek afgelopen was: de grote schrijver zou nog een fraaie uitspraak doen en dan was het klaar voor vandaag. Natuurlijk wisten alle journalisten allang dat Hemingway helemaal geen Moorse mortierschutter had gedood — omdat hij het zielig vond. `Een schaap wordt nooit een tijger, al vreet-ie van de heg,’ had Ferno wel eens geschamperd. Corman was benieuwd of Hemingway vasthield aan zijn versie. `En weet je, je moet een goed verhaal nooit laten dwarsbomen door de waarheid.’

Reacties graag naar mailadres.