knee compression sleeve

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Lea Ypi, Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis

9 december 2021

Lea Ypi, Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis.

uitgeverij De Bezige Bij 2021

Indrukwekkend verhaal, ontroerend, teder, boos, scherp over opgroeien onder de lichtbaken van het socialisme in Europa, ook toen het licht uitging: Albanië. 

41. Mijn oma zei altijd dat we niet weten hoe we over de toekomst moeten nadenken; we moeten naar het verleden kijken. Ik begon na te denken over mijn levensverhaal, over mijn geboorte, over hoe de wereld eruitzag voor ik er was. Ik probeerde details te checken die ik misschien door elkaar had gehaald omdat ik te jong was geweest om ze correct te onthouden. Het was een verhaal dat ik talloze malen had gehoord, het verhaal over een vaststaande werkelijkheid waarin ik geleidelijk mijn rol had gevonden, hoe ingewikkeld ook. Dit keer was het anders. Dit keer waren er geen ijkpunten, alles moest van het begin af aan opnieuw worden opgebouwd. Het verhaal van mijn leven was niet het verhaal van de gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden in een gegeven periode, maar het verhaal van zoeken naar de juiste vragen, de vragen die nooit in me waren opgekomen.

53. Succes was altijd te danken aan de juiste mensen die de juiste keuzes maakten, die hoop koesterden wanneer die gerechtvaardigd leek en feiten interpreteerden op een manier die hoop scheidde van illusie.

Uiteindelijk zijn we allemaal de baas over ons eigen lot, zei mijn oma. Je ‘biografie’ was van cruciaal belang om de grenzen van je wereld te kennen, maar wist je die grenzen eenmaal, dan stond het je vrij om te kiezen en werd je verantwoordelijk voor je beslissingen. Je zou nu eens wat winnen, dan eens wat verliezen. Je moest vermijden dat je je liet meeslepen door overwinningen en leren hoe je je verlies moest nemen. Het was net als met de schaakzetten die mijn moeder beschreef: je kon het spel spelen als je de regels onder de knie had.

 

69. De truc was altijd om te weten wanneer welke regel relevant was, en in het ideale geval of hij versoepelde in de loop van de tijd, of hij ooit zo serieus was bedoeld als je dacht, of dat hij in sommige opzichten heel erg streng was maar in andere opzichten minder, en hoe je het verschil te weten zou kunnen komen om te voorkomen dat je er te laat achter kwam. De subtiele scheidslijn kennen tussen het volgen en schenden van de regels was, voor ons kinderen, de echte graadmeter van groei, volwassenwording en maatschappelijke integratie.

108. Jaren later ontdekte ik dat er twee soorten groepen waren: de realisten en de dromers. De dromers behoorden tot marginale marxistisch?leninistische groeperingen. Zij kwamen voor het grootste deel uit Scandinavië en waren woedend op de maatschappelijke puinhoop die de sociaal?democratie werd genoemd. Ze namen lekkernijen mee om uit te delen aan de lokale bevolking, die ze zelden aannam. Ze aanbaden ons land als het enige ter wereld dat erin was geslaagd om een principiële, compromisloze, socialistische samenleving op te bouwen. Ze bewonderden alles van ons: de duidelijkheid van de slogans, de ordelijkheid in onze fabrieken, de puurheid van onze kinderen, de discipline van de paarden die onze karren trokken en de overtuiging van de boeren die zichzelf ermee verplaatsten. Zelfs onze muggen hadden iets unieks en heroïsch, zoals zij het bloed uit mensen zogen, niemand spaarden, zelfs de toeristen niet. Deze groepen toeristen waren onze internationale kameraden. Ze vroegen zich af hoe ons model kon worden geëxporteerd. Ze zwaaiden en lachten altijd, zelfs vanuit de verte. Ze geloofden in een wereldrevolutie.

Dan was er nog de tweede groep, de rusteloze westerlin? gen, die genoeg hadden van de stranden van het Balatonmeer en Bali, en zich erover beklaagden dat Mexico en Moskou tegenwoordig werden overlopen door toeristen. Ze hadden zich aangesloten bij gespecialiseerde reisclubs en exclusieve touroperators verkochten hun nu het ultieme exotische avon? tuur: een plek in het hart van Europa, op slechts een goed uur vliegen van Rome en twee uurtjes van Parijs. Een plek die met zijn vijandige bergen, zijn dromerige stranden, zijn ontoegankelijke mensen, zijn verwarrende geschiedenis en zijn ingewikkelde politiek zo geïsoleerd was, dat alleen de meest begeesterde reiziger de reis durfde te maken. Ze kwamen om de code te kraken, de waarheid te ontdekken. Maar het was een waarheid die voor hen al vaststond. Ze hadden het erover gehad toen ze cocktails dronken op Bali en wodka’s naar binnen goten in Moskou. De waarheid was politiek. Ze hadden maar één politieke opvatting: het socialisme stond haaks op de menselijke natuur, overal en in elke vorm. Ze hadden het altijd al vermoed. En nu wisten ze het zeker. Ook zij zwaaiden soms. Lachen deden ze niet zo vaak. Ze hadden ook snoep bij zich en wilden een praatje aanknopen. Soms slaagden ze erin. Als ze het nog eens probeerden, zwaaide er niemand terug, niemand had belangstelling voor snoep. Ze zouden nooit een inschatting kunnen maken of de plaatselijke bewoners die hen deelgenoot hadden gemaakt van hun opvattingen willekeurige voorbijgangers waren geweest of geheim agenten. Dat had allebei gekund. Ze wisten dat het onderscheid moeilijk te zien was. Maar ze probeerden het altijd.

126. Hij moet een parallel hebben getrokken tussen de kritiek op de repressieve staat en zijn eigen hachelijke situatie. Terroristisch geweld, zei hij, zou niet nodig zijn als revolutionaire groepen tegen de staat zouden kunnen vechten met alle wapens waarover een gewoon leger de beschikking heeft. Hij gruwde van alle oorlogen, hij was pacifist. Maar hij romantiseerde de revo? lutionaire strijd. Hij was een vrije geest die klem zat in een uiterst rigide politiek systeem, een man met een biografie die hij niet zelf had gekozen, maar die wel allesbepalend was voor zijn plaats in de wereld. Hij moet manieren hebben gezocht om trouw te blijven aan zichzelf, om te leven naar zijn morele overtuigingen zonder dat deze of gene ze voor hem interpreteerde – iemand die betekenis probeerde te geven aan iets wat op mij overkwam als een betekenisloos feit, namelijk dat zijn naam toevallig overeenkwam met die van een voormalige premier.

145. Ik kwam te weten dat de voormalige premier die ik in mijn jeugd had leren verfoeien en die dezelfde naam had als mijn vader, niet toevallig dezelfde voor? en achternaam had. Hij was mijn overgrootvader. Zijn leven lang had de ballast van die naam alle hoop van mijn vader verpletterd. Hij kon niet studeren wat hij wilde. Hij moest zijn biografie uitleggen. Hij moest zich verantwoorden voor een onrechtmatige daad die hij nooit had begaan en zich verontschuldigen voor standpunten die hij niet deelde. Mijn opa, die het zo oneens was met zijn eigen vader dat hij in Spanje de Republikeinen, aan de andere kant van de strijd, had willen versterken, had de bloedverwantschap moeten bekopen met vijftien jaar gevangenisstraf. Ik zou er ook voor hebben moeten boeten, en wie weet op welke wijze, zeiden mijn ouders. Ik zou ervoor hebben moeten boeten als mijn familie niet tegen me had gelogen om het geheim te houden.

‘Maar ik was een pionier,’ wierp ik tegen. ‘Ik werd als eerste van mijn leeftijdsgroep pionier.’

‘Iedereen wordt pionier,’ antwoordde mijn moeder. ‘Je zou niet zijn toegelaten in de jeugdorganisatie. Je had nooit lid kunnen worden van de Partij.’

149.  ‘We raakten alles kwijt,’ zei ze. ‘Maar we zijn onszelf niet kwijtgeraakt. We hebben onze waardigheid niet verloren, want waardigheid heeft niets te maken met geld, onderscheidingen of titels. Ik ben nog dezelfde als altijd,’ benadrukte ze. ‘En ik houd nog steeds van whisky.’

Dit alles legde ze rustig uit, ze trok duidelijke scheidslijnen tussen alle fases van haar leven, deed moeite om ze te onderscheiden, af en toe controleerde ze even of ik het kon volgen. Ze wilde dat ik me haar levensloop zou herinneren en zou weten dat zij de auteur van haar leven was: dat ze ondanks alle obstakels die ze onderweg was tegengekomen, haar lot altijd in eigen hand had gehouden. Ze was nooit níet verantwoordelijk geweest. Vrijheid, zei ze, is je bewust zijn van noodzaak.

153. Al voor het wegkwijnen van de staat, kwijnde de taal weg waarmee het streven zelf werd uit? gedrukt. Het socialisme, de samenleving waarin we leefden, was verdwenen. Het communisme, de samenleving waarnaar we streefden, waar de klassenconflicten zouden verdwijnen en de talenten van iedereen in vrijheid en volledig tot ontplooiing zouden komen, was ook weg. Het was niet alleen als ideaal verdwenen, niet alleen als stelsel van regels, maar ook als gedachtecategorie.

Er was maar één woord over: vrijheid. 

189. Bij mijn oma was dat anders. Zij was altijd rustig en beheerst, in staat zich aan te passen aan de meest veeleisende omstandigheden, ze overwon moeilijkheden met een gemak dat de indruk wekte dat de grootste hindernissen die er bestaan, hindernissen zijn die we zelf op? werpen en dat de wil om te slagen de enige vereiste was om ze te overwinnen. Ze had me ervan overtuigd dat ons heden altijd een voortzetting is van ons verleden en dat je in alle schijnbaar toevallige omstandigheden rationele kenmerken en motieven kunt ontdekken. Haar uiterlijk, haar houding, haar manier van praten droegen stuk voor stuk bij aan het overbrengen van deze indruk.

250. Op een bepaald ogenblik in zijn leven was hij tot de slotsom gekomen dat iro? nie meer was dan een retorisch middel, het was een manier om te overleven. Hij maakte er overvloedig gebruik van en vond het meestal leuk als mijn broer en ik hem probeerden te imiteren.

268. Het socialisme had hem de mogelijkheid ontzegd te zijn wie hij wilde, fouten te maken, daarvan te leren en de wereld te ontdekken op zijn eigen manier. Het kapitalisme ontzegde dit ánderen, de mensen die afhankelijk waren van zíjn besluiten, de mensen die in de haven werkten. De klassenstrijd was niet voorbij. Dat was hem wel duidelijk. Hij wilde niet dat de wereld een plek zou blijven waar de solidariteit is vernietigd, waar alleen de sterksten overleven en waar de tol voor het welslagen van de een betekent dat de hoop van anderen de bodem wordt ingeslagen. In tegenstelling tot mijn moeder, die meende dat mensen van nature geneigd waren elkaar schade toe te brengen, geloofde hij dat er in ieder mens een kern van goedheid huisde en dat de enige reden waarom die niet naar buiten kwam, was dat we in de verkeerde samenlevingen leefden.

Maar hij kon geen rechtvaardige samenlevingen noemen, hij kon niet met voorbeelden komen van bestaande landen waar alles wel goed ging. Hij wantrouwde grote theorieën. ‘Stop met dat gefilosofeer!’ vermaande hij me vaak. Hij was opgegroeid met socialistisch?realistische romans en Sovjet? films die uitlegden wat goed en fout was, hoe rechtvaardigheid ontstaat, hoe vrijheid wordt verwezenlijkt. Hij bewonderde de intenties, maar aarzelde om hun voorschriften goed te keuren. De wereld die hij wilde zien verschilde altijd van de wereld waarin hij leefde.

325. Elk jaar begin ik mijn colleges marxisme aan de London School of Economics met te vertellen dat veel mensen het socialisme zien als een theorie van materiële verhoudingen, klassenstrijd of economische rechtvaardigheid, maar dat het in werkelijkheid is geïnspireerd op iets fundamentelers. Het socialisme, houd ik mijn studenten voor, is vooral een the? orie over menselijke vrijheid, over hoe je aankijkt tegen de vooruitgang in de geschiedenis, over hoe we ons aanpassen aan de omstandigheden, maar die ook proberen te ontstijgen. Vrijheid wordt niet opgeofferd als anderen ons vertellen wat we moeten zeggen, waar we naartoe moeten, hoe we ons moeten gedragen. Een samenleving die claimt dat ze mensen in staat stelt hun capaciteiten te benutten, maar die er niet in slaagt de structuren te veranderen die verhinderen dat iederéén tot ontplooiing komt, is net zo repressief. Toch raken we ondanks alle beperkingen nooit onze innerlijke vrijheid kwijt: de vrijheid om te doen wat juist is.

328. ‘Wat jullie hadden, was geen écht socialisme,’ zeiden ze dan, met nauw verholen ergernis.

Mijn verhalen over het socialisme in Albanië en verwijzingen naar alle andere socialistische landen waarmee ons socialisme zich had gemeten, werden op zijn best getolereerd als de gênante opmerkingen van een buitenlander die nog moest leren integreren. De Sovjet?Unie, China, de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Vietnam, Cuba; die landen hadden ook niets socialistisch. Zij werden gezien als de waardige verliezers van een historische strijd waaraan de echte, authentieke dragers van die titel nog moesten deelnemen. Hun socialisme was duidelijk, helder en lag in de toekomst. Het mijne was smerig, bloederig en dateerde uit het verleden.

En toch kwam de inspiratie voor de toekomst die zij nastreefden, en die socialistische landen ooit hadden belichaamd, uit dezelfde boeken, dezelfde kritiek op de samenleving, dezelfde historische figuren. Maar tot mijn verbazing deden ze dit af als een ongelukkig toeval. Alles wat er aan mijn kant van de wereld misging, kon worden verklaard door de wreedheid van onze leiders of de ongekende achterlijkheid van onze instituties. Ze geloofden dat ze er maar weinig lering uit konden trekken. Het risico om in dezelfde fouten te vervallen bestond niet, er was geen enkele reden om na te denken over wat er was bereikt of waarom het stuk was gemaakt. Hun socialisme werd gekenmerkt door het triomferen van vrijheid en gerechtigheid; het mijne door het gebrek eraan. Hun socialisme zou worden ingevoerd door de juiste mensen, met de juiste motieven, onder de juiste omstandigheden, met een juiste combinatie van theorie en praktijk. Met dat van mij kon je maar één ding doen: het vergeten.

Reacties graag naar mailadres.