Gyà¶rgy Konrà d, Zonsverduistering
György Konràd, Zonsverduistering, De Bezige Bij 2004
Warm, wellustig en weldadig.
197. Het was een feest om in de oceaan van geleuter een solide eiland aan te treffen. In de jaren van censuur was lezen een vlucht, een elke avond weerkerende emigratie, een tijdelijke opschorting van de valse verhalen die de woning binnen drongen. Een goed boek in mijn tas was een compensatie voor de frases die ik lijdelijk had moeten aanhoren, en een bron van genot, zoals de theesalon of het bordeel dat voor opgeschoten jongens was. Met behulp van de literatuur kunnen we streng zijn tegenover onze medemensen, maar als we leren lezen kunnen we hun ook vergeven, ons zelfs in hen verlustigen. Sedert mijn gymnasiumtijd stel ik mij voor dat de mensheid in standgehouden wordt door aanhoudende conversatie tussen dicht geschreven teksten.
93. 183-184. 197. 213. 280 281. 236. 339. 361. 389.
Op school merkte meneer Salànky op de gang eens op dat het niet erg was als ik maar weinig van deze boeken begreep omdat het deel dat ik wel begreep méér was dan wanneer ik een slecht boek helemaal begreep.
De recensenten vonden de wereld van mijn eerste roman een helse. Ik eerder een gebruikelijke, ik dacht dat de mens door onvolmaaktheid eindig wordt, en dus werkelijk. Moraalfilosofie kan alleen op menselijke onvolmaaktheid worden gebaseerd en op het feit dat we daarmee kunnen leven. Vreemd gedrag maakt anderen aan het schrikken, ze denken dat dat misdadig is of ziek en dus in een gevangenis of een ziekenhuis thuishoort, alsof een mens net zoiets was als een auto, die we naar een reparatiewerkplaats brengen. Gekken bestaan, maar de meesten van hen overleven wel ergens daarbuiten, sommigen geven het spel echter op en vertrouwen zich toe aan een instituut. Zwakheid en verlatenheid hebben een helpende bemoeienis nodig.
Hoe rijker en ontwikkeld een land is, des te eerder komt het de zwakheid tegemoet. Dat bestendigt bij de mensen een angstiger, afhankelijker en kinderlijker verhouding tot wat er met hun lichaam en geest gebeurt, tot de praktijk van hun sterfelijkheid, tot hun ziekten, angsten en hun verdriet. Ze raken in paniek van de voortekenen van een natuurlijke dood, ze zijn niet gehard tegen problemen en smarten. Is er iets niet helemaal in orde, dan voelen ze zich onwel. Ook al strekt zich tussen het zich helemaal lekker voelen rn het zich onwel voelen die zone uit die het grootste deel van het leven beslaat. Ik pakte iemands hand beet, keek naar zijn rimpels, daar huisde niet alleen de dood in, maar ook een kleinkind dat graag nog wat had willen blijven.
Wat is iedere tirannie toch lichtgeraakte! Ze leeft gemeenheden en maakt alles kapot wat ze in handen krijgt, maar als ze gewaarschuwd wordt, wordt ze furieus van gekwetstheid. Zelfs een lichte spot maakt dat elk van haar vertegenwoordigers dodelijk serieus wordt, ze sluiten zich af en fronsen de wenkbrauwen: dit is geen grapje meer. Als ze een tekst lezen die de dingen bij de naam noemt, kunnen ze van verontwaardiging niet eens hikken of snuiven en protesteren ze tegen de aantijging met het rode gelaat van mensen die een beroerte gehad hebben. Ze voelen zich het slachtoffer van de laaghartigheid van de mens. Hadden ze hun slachtoffer eerst een paar tikjes uitgedeeld, nu moest het echt hard te grazen genomen worden, omdat het zo gemeen geweest was om te beweren dat ze hem tikken hadden gegeven.
Na het mislukken van de revolutie trof ik in de geconsolideerde jaren 60 die lichtgeraaktheid alleen daar niet aan waar ik niet keek. Hier was niet alleen de commissaris van politie maar ook de huismeester zijn de heiligheid de staat zelve. Dit hadden ze gekregen, en praktisch niets anders, dit recht op nobele woede, om in naam van de staat wraak te mogen nemen op andere staatsburgers. En als een burger van een andere staat hen beledigd had? Dan was de machteloosheid van de overheidsmensen echt hartverscheurend. Je kon hem er niet uitgroeien, niet achter tralies zetten, niet vertrappen, de wond te beleven branden in de ziel van de stadsmensen, ze konden op niemand anders wraak nemen dan op de plaatselijke vrienden van de vreemdeling die beledigende worden gesproken had. Zeg maar: op zijn vermoedelijke vrienden. Denk niet dat ogenschijnlijk verstandige, gemoedelijke, beschaafde mensen niet buiten zichzelf van woede raakten als de grote gelegenheid daar was, als ze zich beledigd mochten voelen in naam van de staat. Het meeste haatten ze degene die liet merken hoe overbodig hun dagelijks verraad was. Die ontkenden de zin van hun bestaan en het excuus van hun verleden. In wie anders zou een verrader zijn doodsvijand zien dan in iemand die geen verrader is?
Omdat de omgeving schrijvers van geval tot geval streng bestrafte voor wat ze geschreven hadden en dat in de helft van de wereld vandaag de dag nog doet, moest de schrijver die zijn weg bewandelt er rekening mee houden in de gevangenis terecht te komen. Dat dreigement komt als een donderslag bij heldere hemel. Er zijn altijd een dozijn of wat landen op aarde waar het risico van een gewelddadige dood, dat tot dan toe niet meer dan een weggewuifde fantasievoorstelling was geweest, ineens aan de horizon opdoemen. Het slachtoffer is het zegel dat het kunstwerk authenticiteit verleent, denken de verschrikkelijke gelovigen.(…)
Het was een feest om in de oceaan van geleuter een solide eiland aan te treffen. In de jaren van censuur was lezen een vlucht, een elke avond weerkerende emigratie, een tijdelijke opschorting van de valse verhalen die de woning binnen drongen. Een goed boek in mijn tas was een compensatie voor de frases die ik lijdelijk had moeten aanhoren, en een bron van genot, zoals de theesalon of het bordeel dat voor opgeschoten jongens was. Met behulp van de literatuur kunnen we streng zijn tegenover onze medemensen, maar als we leren lezen kunnen we hun ook vergeven, ons zelfs in hen verlustigen. Sedert mijn gymnasiumtijd stel ik mij voor dat de mensheid in standgehouden wordt door aanhoudende conversatie tussen dicht geschreven teksten.
Mijn dagen verliepen in het teken van Lev Tolstoj. Naast de resten van de opgeblazen Elisabeth brug, op de stenen trappen van de Donau over gezeten, las ik Biecht. 1961.
Het is een boek dat de dingen ongeëvenaard helder ziet, vooral in de eerste helft, maar wat eraan ontbreekt is het hogere besef van de persoonlijke nederigheid tegenover het Al. Het geheel is een eerlijke en hartstochtelijke samenvatting van een pessimistische, existentialisme, ontkenende filosofie. Het verstand ervaart, zodra het loskomt van de mechanische levenswil, van de denkbeeldige muur van de dagelijkse besognes en plichten, zodra het zijn identiek-zijn met het bestaan in de Tijd ontkent, dus twijfels krijgt over het leven en de dood voor zich ziet, voor het besef waarvan het tot dan toe aan verbeeldingskracht en aan vrijheid ontbroken had, dat verstand beschouwt het sterfelijke bestaan als tegelijkertijd vertwijfeld vergeefs, walgelijk en beschamend, en zoekt vruchteloos iets van een doel of missie, van een hogere en bovenpersoonlijke richting, waarin het zijn unieke bestaan in verzoening zou kunnen doen opgaan.
Wetenschap is aanvaardbaar zolang ze niet dichtbij het menselijke komt, zolang ze zich met de zielloze natuur bemoei. In onszelf treffen we geen ander doel en geen andere toekomst aan dan een opgejaagd worden naar de teloorgang. Het verstand is onverenigbaar met het leven. Consequent verstandelijk doordenken leidt tot zelfmoord.(…)
Hier hield zijn gedachtegang halt, hier begon de apostel te spreken, die ik niet meer volgen kon, noch in zijn genadeloos moraliseer, noch in zijn gebaren van terug snoeien en van plotselinge stilstand, noch in zijn idealiseren van armen en boeren, noch in zijn landherenschuldbesef, noch in zijn antibeschavingsromantiek.
Mijn eigen ervaringen met armen, met handarbeiders, met de naar de onderkant van het leven gedrevenen, hebben de beweringen van Tolstoj niet gestaafd, en mijn idee was dat de ontwikkelingsstadia van de denkende mens voor ons allen onontkoombaar zijn. Ik heb juist kunnen laten zien dat er zich hier in Boedapest, in het Chicago genoemde deel van Elisabethstad, een soort rauw, volks existentialisme ontwikkeld heeft, een vulgair, ruziënd en uitzichtloos problematisch geworden soort levens, met een zelfde eenzaamheid en ontsteltenis die ook ons, relatief ontwikkelden, treft.
Door onszelf aanhoudend te overtreffen kunnen we een gemeenschappelijk punt bereiken, of verwijderen we ons er soms helemaal niet van? Een dergelijke stilstand is slechts schijn. Er moet enorm veel werk voor verzet worden, anders worden we onophoudelijk meegesleurd door modieuze stromingen die zich verenigen met onze eigen zwakten.
Een beunhaas gaat prat op zijn werk en bedreigt de klant als zijn spullen hem niet bevallen.(…)
Qua instelling was ik een burger en alleen uit noodzaak en dissident. Verboden zijn is een rare, onzinnige toestand. Over gebrek aan vrijheid en over het bestaan dat door ge- en verboden rijk aan gebeurtenissen was, wist ik al een heleboel, ik had het gevoel dat er nu best iets interessant mocht komen. Het is een zekere wereld als daarin het geschreven woord zo onzinnig belangrijk lijkt te zijn, waar het dat in werkelijkheid niet is. Want het voornaamste bindmiddel van het systeem dat ter ziele was, was zijn geest, zijn tekst, zijn leerstof. Ik produceerde dus elke ochtend zinnen die ervan verdacht konden worden opruiend te zijn tegen de staat.(…)
Als je niet aangevallen kunt worden om je gelijk, dan heeft je gelijk geen gewicht. In diverse elkaar op volgende regimes heb ik op uiteenlopende manieren gevaarlijk kunnen worden zonder dat ik daar naar gestreefd had, al was het alleen al door mijn keuze voor mijn dappere ouders. Mijn aanwezigheid was neerslachtigheid, mijn afwezigheid onderduiken. Met het feit dat ik hier leefde, in Oost Europa, had ik me voorbereid op de nederlaag, op de achterstand, en wie hier leefde zag zich soms genoodzaakt het menselijke zelf in twijfel te trekken.
Het bestaan hier is angstvallig, sarcastisch grapjes maken, balorig zijn, afkerigheid, aanraken met een trillende vingers. Wie noch het een noch het andere is, wat is hij dan? Een echte despoot bestaat ook niet, alleen maar verdrukten die in de rij staan en die zich verbeelden dat degene và³à³r hen in de rij de opperspion is en diegenen achter hen een onverantwoordelijke anarchist. Maar als de dagelijkse praktijk om verraad draait, als de verrader de modelmens is, wat valt er dan nog te verraden? Vergeleken met wat voor waarheid liegt de leugenaar dan?
Van mijn kinderjaren tot 1989 heb ik in het besef geleefd dat je, als je je eigen weg bewandelt, erop moet rekenen dat je verdwaald raakt tussen wachttorens. Als je je leven vormgeeft, heb je meer kans dat je door anderen gedood wordt en minder dat dat door zelf verwaarlozing gebeurt. De zorgelijke ijver dat het leven maar zolang mogelijk moge zijn, is in werkelijkheid een wijze van zelfmoord plegen. Aan het eind van de oorlog leek het dat de wetsovertreders eerder in leven gebleven waren dan zij die de wetten hadden gerespecteerd. Ze wisten dat hun leven de inzet van het spel was, maar ze hadden tenminste gespeeld.
Als het kind groter wordt en zijn leven leeft, krijgt de ouder steeds meer het gevoel dat hij er niet veel meer voor kan doen. Het is best mogelijk dat het kind het gevoel heeft dat het niet van het leven gekregen heeft wat het graag had gehad, Joost mag weten wat. De ouder is het gelaat van het lot, hij is de verantwoordelijke.
Ik kan me ook voorstellen wat schoonheid is voor een geest die verder wil en die zich tot een gebonden vorm gedwongen ziet. Voor die spanning dienen de lijst, de kaft van het boek, de 14 regels van het sonnet, de twee à drie uren van het drama, de tijd die we eraan kunnen besteden. Is het mogelijk dat de spanning tussen de eindigheid van de vorm en de innerlijke oneindigheid van de inhoud in een beleving van schoonheid resulteert? Soms grote stappen zette met zevenmijlslaarzen en soms bij wijze van spreken pas op de plaats maken, als iemand die voelt dat er een schat onder zijn voeten ligt.
Een roman wordt omlijst door de datum waarop eraan begonnen is en de datum van verschijnen. Hij is niet meer in ontwikkeling, is ertoe veroordeeld om zo te zijn, hij is klaar. Het schilderij is bedroefd vanwege zijn lijst, de dansbeweging is bedroefd vanwege de zwaartekracht, de film is bedroefd om het feit dat alleen te zien is wat te zien is. Tegenover het uiterlijke einde dient de innerlijke onsterfelijkheid in het geweer te komen, die echter hoe langer hoe vaker blijft steken bij datgene wat aan de dood voorafgaat. Uit die opstoppingen ontstaat de literatuur, en ook uit de stilte na de storm en de levenslust na de rouw. Het schone is het object van mijn verlangen, ik wil dit moment maken tot één dat op zichzelf staat, om in deze vergankelijke tijdseenheid de eeuwigheid te kunnen aanschouwen.
Allemaal illusies die geen dood kennen, of alleen maar op de achtergrond, omdat op de voorgrond het opgefokte leven staat, de menselijke woestheid die een aanloop neemt. Een teleurgesteld iemand troost zich met de gedachte dat het schone datgene is wat is. Dan heeft hij een draait aan zijn gezichtshoek en zegt: laat de duivel maar naar het onbereikbare smachten! Deze vervallen dorpskroeg is ook mooi, en de modder ervoor is ook mooi, en ja, deze kapotte fiets is ook mooi.(…)
Omdat het hier en nu niet bevredigend is, corrigeer je het. In de eenzaamheid, alleen achtergebleven, haal je vroegere gelukkige momenten op, vertel je van je vroegere grote successen en je mooie minnaressen. Het geheugen trekt zich terug van de voorgevallen gebeurtenis, kan er afstand van nemen en kan het gebeurde steeds indringender benaderen. In de achteruitkijkspiegel wordt de werkelijkheid een sprookje. Je behandelt je herinneringen net zoals de wijnboer zijn wijn, wijn lijkt ook niet op most, is tijdens de behandeling getransformeerd.
Het beeld van vroeger kan ook vergeleken worden met een adres, als je wilt ga je erheen, je gaat naar binnen, loopt door het huis, je strijkt eventueel voor een tijdje neer. Als je er heengegaan bent en er lang verwijlt, kun je er de gevangene van worden. Vroeg of laat moet je dat huis uit omdat je in een andere tegenwoordige tijd zit waaruit je niet voorgoed weg kunt. Bij het ouder worden zinken je herinneringen naar de bodem van een meer en je kunt ze er niet meer uit ophalen.
We hebben een huis in het dorp gebouwd, we passen erin, in deze kamer heb ik draaglijk geschreven en hier regel ik ook wat ik van elders heb meegebracht. Dit zich terugtrekken om te kunnen observeren geeft vrijheid. In Berlijn ben in Boedapester, in Boedapest Berlijner, in beide hoofdsteden iemand uit Hegymagas.
Ik verkoop mijn gebrom aan het publiek, zolang ik nog enigszins in de markt lig.
Ik schrijf, ik spreek, van andere dingen heb ik geen verstand, de manifestaties bevruchten elkaar en vermeerderen zich ongeremd.
Laat het huis vol zijn, laat iedereen komen!