Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand. Atlas 2009

13 januari 2010

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand. Atlas 2009

‘ Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was en dat het geen zin had mijn lucifers bij de brand af te strijken’, aldus M. Vasalis
Voor de ook in 2009 overleden vader heeft Luc Devoldere zijn Lucifers bij de brand gehouden.

Met dit ‘ Boek als werkplaats’ heeft Luc Devoldere lezers van het nachtkastje indringende nachten te bieden. Hij streeft niet naar de waarheid, hij is geen lamerende nostalgicus. Geen pleitbezorger van verkrampte idealen. Hij zwelgt niet in een cultuur die nooit bestaan heeft, behoudens in het gesloten denken van verborgen maakbaarheidsideologen.
‘ Lucifers bij de brand’ pleit niet hoogdravend voor geestelijke adelbewijzen.
Luc Devoldere houdt zich verre van protserig etaleren van zijn opmerkelijke eruditie als classicus en hoofdredacteur van Ons Erfdeel.

Ik hoorde hem voor het eerst op het 28ste Medisch-Psychologisch weekend van de toen nog Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen te Blankenberge, begin oktober 1997.
Hij sprak daar na een briljant discours over taal en betekenis door de diep betreurde Patricia De Martelaere en een reeks doordenkers van Sam Ijsseling over de macht van het woord. Ijsseling was net gewipt als filosofieprof aan de Leuvense faculteit geneeskunde omdat hij volgens de decaan met zijn verwarrende woorden alleen maar twijfel zaaide bij de aankomende artsen, die wel wat anders dan twijfel nodig zouden hebben in hun vakgebied.
Devoldere hield voor de verzamelde Vlaamse huisartsen die dieper wensten te graven in de twijfels over hun vakgebied een lezing over
‘LITERATUUR LIEGT DE WAARHEID, Over macht en onmacht van het woord, over vergelijkingen en koolstofatomen’.

Hij begon met het vers van Judith Herzberg.

Ziekenbezoek

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

Hij duidde voor de aanwezige huisartsen aan de hand van citaten van de Siciliaanse Griek Gorgias de retorica: de peithous dèmiourgos is de vervaardiger, bewerker van de overreding, die ook altijd verleiding is. Het woord is niet alleen machtig. Het verleidt ook, het fascineert. De tragedie (die) bedriegt, maar op zo’n manier dat de bedrieger rechtvaardiger is dan wie niet bedriegt, en de bedrogene verstandiger dan wie zich niet laat bedriegen.

Door de macht van die woorden werden wij wegens herkenning geraakt en besmet. Het hielp ons nadenken over de positie van een huisarts als bewaarder van de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem. Het leerde ons beter begrijpen waarop ons helen steunde wanneer wij in een vertrouwensrelatie met een patiënt die we noch naar taal, noch naar gedrag konden verstaan toch genezende woorden konden spreken en helpende handelingen konden verrichten, een essentiële houding voor een vertrouwensdokter, behoedzaam met machtsmiddelen.

Het was een verademing op die manier te mogen nadenken over je vak als huisarts.
Intussen zijn we beiden vele jaren verder op onvermoede wegen, langs peilloze ravijnen over twijfelachtig drijfzand van eens zo geroemde wetenschappelijke zekerheden.

Een verslag van die tocht krijgt de aandachtige lezer van Luc Devoldere aangereikt in ‘Mijn Italië’.
Met ‘Lucifers bij de brand’ gaat hij verder en mag de lezer een heel eind mee.

189. De mooiste zin die ik hoorde is deze: ‘ S’il y a blessure, il y a deux lèvres, er ces lèvres laissent l’ espace aux paroles. (…) L’ écrivain donne a la douleur le repos de la forme.’

‘ Toen hij nog jong was, dacht hij dat cynisme ‘ een wind was en geen mes’, dat het ‘ bloeide uit de gletsjerspleet’. Zo schreef hij het toch op. Cynisme was toen nog een literaire pose, de maliënkolder van een adolescent. Nu ademt hij fijn stof in tussen mensen met messen op zak.’

Soms hilarisch, soms heel persoonlijk, soms ontroerend, vaak met schitterende commentaren bij bedenkingen van anderen en zichzelf dwingt Luc Devoldere de lezer van steunbeen te wisselen om een nieuw evenwicht te zoeken. Hij doet het niet brutaal, noch ruw, maar heel behoedzaam, zoals egeltjes het plegen te doen.
Een millennium van oorlogen heeft het Westen (immers) sterk gemaakt, een eeuw van ‘psychologie’ heeft het in het nauw gedreven‘ aldus Emile Cioran.
Dat vereist enige omzichtigheid ook al loeit het laaiende vuur.
Daarom laat Devoldere ons schroomvol toe bij zijn volstrekt overbodige pogingen om lucifers af te strijken bij het vuur.
Een fascinerende – bittere, verzengende, louterende – werkplaats, voor de lezer.

‘Dingen zijn producten geworden; situaties heten voortaan opportuniteiten, vriendenkringen netwerken en van werk veranderen is een uitdaging. In de politiek worden de studiediensten vervangen door communicatiecellen. Communicatie heeft conversatie gedood. Opleiding neemt het over van vorming; informatie van kennis. Vaardigheden hebben kennis overigens verdrongen. Welkom in de eenentwintigste eeuw.’

Luc Devoldere heeft met zijn ‘Lucifers bij de brand’ niet alleen voor zijn vader een volstrekt overbodig maar waardevol monument geconstrueerd.
Voor ons, zijn lezers, heeft hij een uitnodiging geschreven: ‘HOSPES COMESQUE’ waardoor we ons telkens weer eventjes zijn gast en gezel kunnen voelen.

Zijn vergelijking tussen Descartes en Montaigne is snijdend en zal vele al dan niet zelfbenoemde wetenschappers een ferme opkikker bieden.
Spinoza’s Ethica, Emile Verhaeren en de donkere wateren van de Schelde bij Sint Amands, Nietzsche, Cioran, Margueritte Yourcenar, vader en zoon en de zoon die zelf vader is geworden, samen en afzonderlijk in een esthetische verleiding.
Lucifers lezen is verleidelijk.

66. Het is een andere democratie dan de onze, die Atheense. Pericles legt de nadruk op isonomia (gelijkheid voor de wet) en isèaoria (gelijk spreekrecht). Onze vrijheid van meningsuiting is eerder de parrhèsia van de cynici: het spreken te allen prijze, het spreken zonder remmingen, voorbij de schaamte.
Voor Pericles zijn dan weer de ‘ongeschreven wetten’ van groot belang: zij creëren cohesie in de samenleving. Je kan hierbij niet anders dan aan de ‘normen en waarden’ denken waar tegenwoordig zo hard om geroepen wordt. Pericles herinnert er ons aan (net zoals veel later en op een andere manier Wittgenstein) dat het geen zin heeft om erom te róépen: ze moeten er gewoonweg zijn.
Het is een wondere tekst. Pericles heeft het over het dagelijks genot van fraai ingerichte huizen dat de zorgen verdrijft, over talloze vormen van ontspanning (wedstrijden en godsdienstige feesten) die de Atheners de ongedwongenheid geven die hen superieur maakt in de oorlog tegen de kadaverdiscipline van de Spartanen. Hij noemt net niet de oogverblindende bouwwerken op de Acropolis, waarvan de constructie met het geld van de bondgenoten is betaald. Athene is een open samenleving, heet het, die meer rekent op de moed van het ogenblik, dan op de kramp van een opgelegde, afmattende training.
En dan staat daar die mooie, duistere zin: ‘Wij waarderen schoonheid zonder te verkwisten en waarheid zonder laf te zijn.’ (Ik zou het tweede zinsdeel eerder vertalen als: ‘Wij streven wijsheid na zonder aan kracht in te boeten.’) En Pericles gaat verder: ‘Onze rijkdom benutten wij om op het juiste moment daden te stellen, niet als reden tot grootspraak. Armoede beschouwen wij niet als schande, maar des te meer de onwil iets te ondernemen om eraan te ontkomen.’ Het is voor Pericles heel goed mogelijk privébelangen na te streven en het algemeen belang te dienen.
Maar het is duidelijk dat wie het laatste verwaarloost, niet beschouwd wordt als ‘iemand die niet tot last is, maar als iemand aan wie je niets hebt’.

80. De roman is in wezen ironisch in de betekenis die Richard Rorty aan ironie gaf.
De eerste karakteristiek van ironie is immers het afstand nemen van zichzelf en zijn overtuigingen. Men mag ze hebben, men moet ze misschien hebben, maar men moet ook weten dat ze contingent zijn: ze zijn er maar ze hadden ook anders kunnen zijn, ze zijn niet noodzakelijk gefundeerd, want een onwrikbaar fundament bestaat niet. Wie dat beseft, kan echt openstaan voor de overtuigingen van anderen. Literatuur is de geprivilegieerde plaats waar de overtuigingen van anderen aan bod komen: de schrijver laat iemand anders aan het woord – ook als hij ‘ik’ zegt. Want het ‘ik’ in een tekst valt niet volledig samen met het biografisch-historische ‘ik’: het is opgenomen in een eigen wereld die begint bij de eerste regel en eindigt bij de laatste. In die zin is de roman dus, sinds de Don Quichote van Cervantes, ‘ironisch’ te noemen; een spel, een dans van overtuigingen, stellingen, wereldbeelden.
De roman is een Europese uitvinding, zoals de cartografie en de atoombom dat zijn. Alleen in een roman is de vrijheid van meningsuiting absoluut. De zaak Rushdie heeft ons echter voor het eerst met de neus op de feiten gedrukt dat de wereld Europa niet altijd volgt in de aanvaarding van de roman als een vrije dans van meningen. Ik ben in elk geval van mening dat we deze vrijheid die in de roman gevierd wordt onverkort moeten handhaven, hak in het zand.
De roman is niet onderhandelbaar.
In Flauberts tijd had het woord nog macht, was het tremendum ac fascinans. Ook vandaag heeft het nog magische kracht.

137. Ongelovigen en gelovigen gijzelen elkaar met hun arrogantie: beiden denken in het licht te leven terwijl de ander in de duisternis dwaalt. Ze leven in andere werelden. Ze spreken een andere taal. Ze kunnen elkaar niet begrijpen.

138. Op het kerkhof van Somesville liggen twee stenen in het gras: op de ene staat de naam van Grace Frick, met de tekst ‘HOSPES COMESQUE’ (gast en gezel) – een fragment uit het gedichtje van Hadrianus over zijn zieltje, ‘gast en gezel’ van het lichaam. Op de andere staat de naam van Yourcenar, twee data en een citaat van Zeno, de held van L’CEuvre au Noir: ‘PLAISE À CELUI QUI EST PEUT-ETRE DE DILATER LE COEUR HUMAlN A LA MESURE DE TOUTE LA VIE.’
Dat citaat heeft context nodig. In het begin van het boek ontmoet Zeno op weg naar Spanje de jonge avonturier Henri-Maximilien die zijn geluk wil beproeven in Italië. Er ontspint zich een gesprek:
‘Qui serait assez insensé pour mourir sans avoir fait au moins le tour de sa prison? Vous le voyez, frère Henri, je suis vraiment un pèlerin. La route est longue, mais je suis jeune.’
‘Le monde est grand,’ dit Henri-Maximilien.
‘Le monde est grand,’ dit gravement Zénon. ‘Plaise à Celui qui Est peut-être de dilater le coeur humain à la mesure de toute la vie.’
In zo een grafschrift kunnen velen zich wellicht vinden: de wens, de aarzeling over Zijn bestaan, de opening en verruiming van het eigen ik.
‘Wie zou zo dwaas zijn te sterven zonder althans zijn gevangenis te hebben verkend? Gij ziet het, broeder Henri, ik ben werkelijk een pelgrim. De weg is lang, maar ik ben jong.’
‘De wereld is groot,’ zei Henri-Maximilien.
‘De wereld is groot,’ zei Zeno op ernstige toon. ‘Moge het Hem die misschien is behagen het menselijk hart te verruimen tot de omvang van het hele leven.’

150. Volgens Frank Ankersmit is Tocqueville de meest loepzuivere conservatief. Conservatieven zijn mensen wier hart bij het oude ligt, maar die zich toch intellectueel met het heden en (de voorzienbare) toekomst kunnen verzoenen. Daarom zouden ze doorgaans de scherpste en meest interessante observators van hun eigen tijd zijn.

151. In Spinoza’s tijd was het meetkundig traktaat de zuiverste en hoogste vorm van wetenschap, en er was maar één meetkunde, die van Euclides.
Men was nog niet op de gedachte gekomen dat, als een meetkundig systeem berust op axioma’s (onbewezen vooronderstellingen), het mogelijk moet zijn op basis van andere axioma’s andere bouwwerken op te trekken. Spinoza zag een systeem van waarheden dat de volledige werkelijkheid perfect weerspiegelde. Wij zien bouwwerken die op fundamenten berusten die zelf in het ijle zweven. Waarheid is voor ons geen overeenkomst meer tussen begrip en werkelijkheid, maar hoogstens coherentie binnen een systeem. Zolang je in Spinoza’s systeem meegaat, binnen de logica ervan leeft, klopt alles. Je kunt het vergelijken met een bedwelmende spreker waarvan men zegt: zolang hij spreekt, heeft hij gelijk.

193. Over de ware en bescheiden aard van de Nederlandse tolerantie
De zeventiende-eeuwse Republiek der Nederlanden was een bestuurlijke lappendeken, waar de macht van autoriteiten in de regel niet verder reikte dan tot de volgende stad of provincie. De feitelijke macht werd er verkaveld tussen de Staten-Generaal, de Nederlands Hervormde Kerk en de stadhouder en zijn hof. De Staten-Generaal, waarbinnen Holland de andere provincies domineerde, bleef een bonte verzameling van ideologisch verdeelde provincies en steden, die veroordeeld was om consensus te bereiken. De suprematie van de calvinistische Kerk bleef aangevochten door sterke minderheden. Het stadhouderschap werd nooit een absoluut koningschap en bleef kampen met stadhouderloze perioden en sterke tegenspelers.
In deze constellatie was een voortdurend schipperen geboden, tussen rekkelijkheid en striktheid, gedogen en zuiveren.
Tolerantie was in het kader van dit complexe raderwerk, dat altijd van buitenaf bedreigd werd ondanks economische en militaire successen, geen groot, theoretisch principe, maar eerder een prettig gevolg van de omstandigheden, ingegeven door pragmatische en vaak opportunistische overwegingen, en door handelsgeest. De onderhandelingsruimte over wat kon en niet kon, werd lokaal bepaald en voortdurend opnieuw gedefinieerd. Het belangrijkste criterium daarbij was de openbare orde. Zo kwam men in de praktijk tot het naast elkaar bestaan en gedogen van elkaar: misschien is co-existentie dan ook een accuratere term dan tolerantie.

200. Si je désire une eau d’Europe, c’est la flache
Noire et froide où vers le crépuscule embaumé
Un enfant accroupi plein de tristesse, lâche
Un bateau frêle comme un papillon de mai.?(Rimbaud Bateau Ivre)

Als mij een water in Europa kan behagen,
Is’t die kilzwarte plas waar avondbalsem zweeft,
Terwijl een neergehurkt kind er terneergeslagen
Een boot broos als een meivlinder de vrijheid geeft.
(vert. Paul Claes)

Ergens in Nederland. Een onvoorzien probleem doemt op in de vergadering. De ingehouden vertwijfeling wordt bezworen met de vraag: ‘Hebben we daar beleid voor?’
Ziedaar het troosteloze genie van de maakbaarheid.
Alles moet kunnen worden afgezet tegen regelgeving in dit land.
Ook het onvoorzien, ook de chaos.

Reacties graag naar mailadres.