Joke J. Hermsen Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst. Arbeiderspers 2009
Joke J. Hermsen Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst. Arbeiderspers 2009
Haar boek opent met een vers van Gerrit Kouwenaar uit ‘De tijd staat open’ (1996)
Het is laat zoals ieder jaar,
de tijd zit krap in zijn heden,
vandaag is steeds weer geweest
steek dus het licht aan dat de toekomst nog uitspaart,
spreek het brood aan dat nog niet doof is,
maak de taal waar achter zijn tekens,
spel het vlees, stil de tijd, leef nog even –
Joke J. Hermsen heeft met haar werk een aanlokkelijk pleidooi geschreven voor een langzame toekomst, vooral tijdens vakantieweken in midden Italië, Etrurië rondom de navel van de wereld in het Bolsena meer. Ze doet dat met een aangename eruditie en een verleidelijke stijl. Ze weet moeilijke filosofische begrippen invoelbaar en begrijpelijk te presenteren. Ik heb ervan genoten, zelfs in Rotterdam bij nacht en ontij.
Haar pleidooi nodigt uit tot reflectie bij de lezer. Zo durft ze Ernst Bloch met ‘Das Prinzip Hoffnung’ ruimte te geven om weer illusies te leren hanteren als drijvende kracht tot verandering, ondank de ellende waarin maakbaarheidsideologieën mensen hebben geleid.
‘De belangrijkste functie van de utopie is volgens Bloch dat zij ons in staat stelt te bekritiseren wat er reeds is. Zodra samenlevingen dit vermogen verliezen en de utopie als een gevaarlijke illusie uitbannen, belanden zij op een even gevaarlijk als dood spoor. In een interview uit 1964 met de Duitse filosoof Adorno stelt Bloch dat hij dit zowel voor als achter de Berlijnse Muur heeft waargenomen: beide ideologieën hebben de hoop verbannen en verstarren op gevaarlijke wijze in hun eigen dogmatiek: ‘Zowel het Oostblok.als de westerse samenlevingen zijn aan boord gegaan van een sinister schip dat elk utopisch verlangen verboden en verbannen heeft.’ (155)
Ernst Bloch: ‘ Ik ben, maar ik heb mijzelf niet. Daarom word ik.’ De meest kenmerkende ervaring van de mens is dus een onvoltooidheid, een niet volledig bij zichzelf thuis zijn en dus een onderweg –zijn, een voortdurend in wording zijn. (…) De zin van het menselijke bestaan schuilt juist in het wordingsproces zelf. Mens-zijn betekent een voortdurende zelfoverschrijding en verkenning van de mogelijkheden die zich in de duistere kern van onze subjectiviteit schuilhouden. (160).
Ze heeft ook een mooie argumentatie uitgewerkt waarom ook bij de oude Grieken de toekomst herkend werd als achter ons liggend.
Niet alleen de Aymara uit de Andes bleken deze tijdsbeleving te hebben, ook de Oude Grieken hadden een andere visie op de tijd van nu, morgen en vroeger.
20. Niet voor niets stamt het woord ‘ school’ af van het Griekse woord ‘scholè’, dat ondermeer rust betekent. Pas in rusttoestand, in het interval tussen twee handelingen, kunnen we tot bezinning en reflectie komen. Pas als we nietsdoen opent zich de ruimte van het denken en van de creativiteit, verschijnselen die zich door geen vooropgesteld doel of economisch nut laten sturen of opjagen.
47.Want Bergson had wel degelijk oog voor die tragiek, die hij met name in de vervreemding van de mens ten opzichte van zichzelf zag, en die daarmee ook een gemakkelijke prooi voor manipulatieve, totalitaire doctrines kon worden. Want de mens als een ‘meestentijds van zichzelf vervreemde automaat’, die alleen nog in staat is ‘op praktische wijze op de prikkels uit zijn omgeving’ te reageren is volgens Bergson niet alleen zijn vrijheid maar ook zijn geweten
en menselijkheid kwijt.
De Franse filosoof Merleau-Ponty was een van de weinigen die later openlijk zouden toegeven dat ‘we geen zorgvuldige lezers van Bergson zijn geweest. Hadden we dat wel gedaan, dan zou hij ons dingen geleerd hebben die we nu als de ontdekkingen van de existentialistische filosofie zijn gaan beschouwen.’
Sartres kritiek op de mechanisering van het wereldbeeld door de wetenschap en zijn pleidooi voor de ontwikkeling van een niet objectgericht bewustzijn kan inderdaad met Bergsons denken vergeleken worden, maar zijn idee van vrijheid staat er eerder haaks op. Voor Sartre zijn we immers pas authentiek – of onszelf – als we onze absolute vrijheid op ons nemen. Het bewustzijn van die vrijheid leidt voor Sartre echter onherroepelijk tot angst; niet angst voor iets
specifieks, maar, in de voetsporen van Heidegger, angst voor het niets. Een groter verschil met Bergson is nauwelijks denkbaar. Authenticiteit en vrijheid ontstaan bij hem juist tijdens de schaarse momenten waarop de ervaring van de tijd als duur door de mechanische en onvrije handelingen van het door kloktijd geregeerde ik heen kan breken.
61. We staan, sinds de kwantumfysica, niet alleen voor een grondige herziening van ons wetenschappelijke wereldbeeld, maar ook voor de opgave om een van de meest structurerende principes van ons bestaan – de tijd – te herinterpreteren.
Want we leven niet zozeer in de tijd en we hebben niet alleen veel of weinig tijd, ‘we zijn ook de tijd’, zoals Bergson schreef.
Zoals we over de tijd denken, zo denken we over onszelf. ‘Er zijn twee ervaringen bij de mens die belangrijk zijn’, stelt Ilya Prigogine. ‘Er is de ervaring van de herhaling: de zon die opkomt, de getijden, het repetitieve. Daarop zijn de mechanische en rationele wetten gebaseerd. Maar er is ook de creativiteit
en de drang tot vernieuwing bij de mens. Bergson maakte zo veel indruk op mij, omdat hij stelde dat creativiteit een universele ervaring is en tijd altijd vernieuwing. Einstein zei nog: tijd is illusie. Voor mij (evenals voor Bergson) is tijdrealiteit, Als er een gemeenschappelijk ding is in het universum, dan is het wel tijd. Dus heb je een fysica nodig waarin de tijd een belangrijke rol speelt. We staan nu in zekere zin weer aan het begin in de wetenschap. We weten nu zeker dat het niet de geometrische, statische wereld is die we dachten te zien.
73. Neurowetenschappers als John Eccles en Wilder Penfield betogen, eveneens in overeenstemming met Bergsons gedachtengang, dat de hersenen als een soort ‘ boodschapper van het bewustzijn’ beschouwd moeten worden, als een gecompliceerd orgaan dat bewustzijn registreert, selecteert en doorgeeft.
134. Literatuur richt zich voor Bachmann op datgene wat nog niet gezegd is, op het utopische van de taal, en is daarom altijd in een strijd met het onzegbare verwikkeld. Het onzegbare verwijst enerzijds naar datgene wat er in de naoorlogse tijd allemaal ongezegd bleef en verzwegen werd, en anderzijds
naar datgene waarvoor de tijd nog niet gekomen is. De literatuur moet zich, wil zij iets nieuws kunnen zeggen, op een taal richten die nog niet bestaat en kan in die zin met Ernst Blochs concept van de hoop vergeleken worden, zoals we in
het volgende hoofdstuk zullen zien. Literatuur probeert volgens Bachmann te vertrekken uit de Gaunersprache, waarmee ze de triviale, alledaagse taal bedoelt die de betekenis van de woorden vervlakt en uitholt en waarbinnen de sleetse meningen, stereotiepe uitdrukkingen, clichés en vooroordelen overheersen.
De literatuur voert strijd tegen deze taal, maar kan dit alleen doen als ze zich daarbij richt op een andere taal: ‘De literatuur dus, hoe dicht ze ook bij de tijd en de gewone taal moet blijven, moet geroemd worden vanwege haar wanhopig
onderweg zijn naar een taal die nog nooit geregeerd heeft, en is alleen daarom roem en hoop van de mensen.’
201. Ook Seneca in zijn De brevitate Vitae ging uit van een toekomst die achter ons ligt, en daarom voor ons niet zichtbaar is. Als die toekomst wél voor ons lag, dan zouden we wel beter met onze tijd omgaan, zo vermaant hij de lezers. (…) De toekomst dut of dringt van achteren, en het volume of gewicht waarmee ze dat doet zijn de mogelijkheden die nog voor ons in het verschiet liggen.
207. Dit soms tamelijk neurotisch plannen van de toekomst en voortdurend gericht zijn op wat er komen gaat, doet velen van ons westerlingen het nu, het leven bij de dag, vergeten. Volgens Van Hasselt leven de Grieken juist heel erg bij de dag, en vinden ze langer dan een paar dagen vooruitkijken al bijna een
onmogelijke opgave. Ze zijn heel goed in staat bij het uur te leven, zonder zich over welke toekomst dan ook veel zorgen te maken. Dit gaat zelfs zover dat tot voor kort alle Griekse bioscopen de films achter elkaar door draaiden en men op ieder gewenst moment de zaal kon binnengaan en de draad van het verhaal gewoon ergens halverwege oppakte. Het ging om de scène die nu draaide, wat eraan vooraf was gegaan, deed er eigenlijk niet zoveel toe. Met deze carpe-diem-houding, gecombineerd met het zwakke besef van controle over de tijd, bevinden zij zich volgens Van Hasselt op het snijvlak van de oosterse en de westerse cultuur.