knee compression sleeve

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Orlando Figes, Tragedie van een volk, de Russische Revolutie 1891-1924 (1996)

4 oktober 2023


Uitgeverij Nieuw Amsterdam



Wim Berkelaar In Historisch Nieuwsblad : 



De Russische Revolutie is altijd met mythen omgeven. Links heeft de Revolutie jarenlang voorgesteld als onvermijdelijk. De klassentegenstellingen en het despotische regime van de achtereenvolgende tsaren werden uitvergroot om de onontkoombare greep naar de macht van Lenin en de zijnen beter te doen uitkomen.



Ter rechterzijde van het politieke spectrum werd de Oktoberrevolutie daarentegen misprijzend voorgesteld als een ordinaire staatsgreep van de bolsjewieken, die maar weinig steun onder de bevolking zou genieten. Als voor de Eerste Wereldoorlog de hervormingen maar waren doorgezet, beweerden conservatieve historici, dan zou Rusland geen communistische dictatuur hebben gehad, maar had het land kunnen uitgroeien tot een moderne democratie.



Na de ondergang van het communisme in 1991 zijn beide visies vakkundig ondergraven door verscheidene historici. Niemand deed dat grondiger dan de Britse historicus Orlando Figes, wiens A People’s Tragedy: The Russian Revolution 1891-1924 (1996) al jaren wachtte op een Nederlandse vertaling. Enkele jaren na het succes van Natasha’s dans, Figes’ briljante cultuurgeschiedenis van Rusland, is nu dan een uitstekende Nederlandse vertaling van dit imposante werk voorhanden.





Figes onderscheidt zich van andere historici door zijn geschiedenis vroeg te beginnen. Hij neemt geen korte aanloop om snel bij het revolutiejaar 1917 te belanden, maar analyseert uitvoerig het oude Rusland. Aan het einde van de negentiende eeuw vervreemdde de tsaar zich van zijn volk, hoewel hij nog heilig geloofde een ‘mystieke band’ met de boeren te hebben. De bureaucratie, in beginsel de motor achter de noodzakelijke industrialisering, werd door het hof gewantrouwd en geminacht. Anders dan Peter de Grote, die in de zeventiende eeuw zelf de modernisering najoeg, waren de negentiende-eeuwse tsaren uit op het behoud van de agrarische samenleving.



Van hen was Nicolaas II veruit de zwakste persoonlijkheid. Hij steunde op de landadel, die zich bedreigd wist door de tegen heug en meug doorgevoerde hervormingen. Die hadden niet veel om het lijf, maakt Figes duidelijk. Ook de vooruitstrevende minister-president Stolypin (1862-1911), naderhand alom bewierookt als hervormer, kon geen potten breken. Figes vergelijkt hem met de laatste Sovjetleider, Michail Gorbatsjov: hij was onhandig, liep te hard van stapel en onderschatte de tegenwerking. Dat hij in 1911 werd vermoord, zorgde wel voor een schokgolf in Rusland, maar daarmee moet zijn rol niet worden overschat.



Ontluisterend
Toch werd zo geen ‘onvermijdelijke’ weg naar oktober 1917 geplaveid. Niet alleen vormden de bolsjewieken voor de Eerste Wereldoorlog een verwaarloosbare sekte, hun wereldvreemde leiders hadden ook nog nooit een boer of een arbeider in de ogen gezien. Vooral Lenin kende de noden van de boerenstand (arbeiders telde Rusland rond 1900 nog amper) niet. Figes schetst een ontluisterend portret van Lenin: hij was wreed, kende geen scrupules tegenover anderen, maar was in zijn persoonlijk leven uitgesproken laf. Hij had zich als banneling jarenlang in het buitenland opgehouden, waardoor hij ieder contact met de turbulente Russische ontwikkelingen had verloren. Daar stond tegenover dat Lenin een groot instinct voor macht had en ook zonder contact met de boeren wist wat ze wilden: vrede en land. Dankzij Figes wordt duidelijk dat Lenin niet zozeer een groot marxistisch denker was, maar veeleer een opportunistisch politicus, die wortelde in het Aziatisch despotisme dat Rusland al eeuwenlang teisterde.



Zijn instinct voor de macht demonstreerde Lenin in het chaotische revolutiejaar 1917. Figes laat zien dat wie in februari 1917 zou hebben voorspeld dat de bolsjewieken in oktober van dat jaar de macht zouden grijpen, niet goed snik was. De Februarirevolutie was een enorme uitbarsting van al langer sluimerende onvrede over de uitzichtloze oorlog en de daarmee gepaard gaande economische schaarste. Figes ontzenuwt de later door conservatieve emigranten in het leven geroepen mythe dat de Februarirevolutie een liberale en tamelijk geweldloze revolutie was. Het tegendeel was het geval: bloed stroomde door de straten van Sint-Petersburg. Niet Lenin, maar de liberaal Alexander Kerenski (1881-1970) trad naar voren als man van de toekomst. Kerenski was na de val van de tsaar in maart 1917 minister van Justitie en later dat jaar minister van Oorlog en premier. Figes schetst een schitterend portret van de retorisch begaafde Kerenski, die zichzelf vol eigendunk beschouwde als een Russische versie van Napoleon. Kerenski was niet de enige die dat geloofde: ook de Russen stelden massaal hun hoop op de kleine jurist.



Maar Kerenski maakte een fatale fout door te willen vechten voor een ‘vrede zonder voorwaarden’. De boeren wensten slechts land en vrede – desnoods tegen elke prijs. Lenin speelde op die wens in, waardoor de sympathie van boeren en vooral soldaten verschoof naar de bolsjewieken.



Rode wraakzucht
Tegen de tijd dat de bolsjewieken de macht grepen, werd de revolutie tamelijk breed gedragen. Wat na oktober 1917 gebeurde, doet denken aan wat gebeurde na de Franse Revolutie van 1789: een extreme uitbarsting van vooral jeugdig geweld, aangemoedigd door het jakobijnse regime, waarbij Lenin als een eigentijdse Robespierre de leus verkondigde dat het tijd werd ‘de plunderaars te plunderen’. De laagste instincten kregen ruim baan in postrevolutionair Rusland: wie eens rijk was of er ook maar ‘rijk’ uitzag, werd onteigend, mishandeld of vermoord. Tienduizenden mensen verloren het leven dankzij dit ‘evangelie van de afgunst’, zoals de fel anticommunistische Winston Churchill het socialisme ooit treffend typeerde.



De burgeroorlog die Rusland tussen 1918 en 1922 in de greep had, deed daar nog een schep bovenop: die eiste meer slachtoffers dan honderd jaar tsaristisch bestuur. Toen extreem- links nog heel gewoon was (in de jaren zeventig van de vorige eeuw), werden deze doden vaak op het conto geschreven van de reactionaire witte legers die het, gesteund door al even reactionaire kapitalisten, gemunt hadden op de nobele en prille Sovjetstaat. Figes leert anders: het leeuwendeel van de terreur en de moordpartijen kwam voort uit rode wraakzucht, gevoed door eeuwenlange onderdrukking en achterstelling (dat wel), en gestimuleerd door een gewetenloze bolsjewistische partijleiding onder Lenin en Trotski.



Onmiddellijk na 1918 begon ‘de geschiedenis van onze riolering’, zoals Alexander Solzjenitsyn het ondergrondse systeem van strafkampen, executies en martelingen in De Goelag Archipel (1974) omschreef. Wat is die dissident destijds in het Westen verketterd door linkse intellectuelen… Ze wilden nog wel toegeven dat het onder Stalin was ‘misgegaan’. Maar aan Lenin, ‘filosoof van de revolutie’ (zoals de marxistische historicus Ger Harmsen hem in 1970 plechtig omschreef), moest je niet komen.



Harmsen is dood en de linkse intellectuelen liggen met hem op de mestvaalt van de geschiedenis. De inmiddels 87-jarige Solzjenitsyn schrijft daarentegen nog altijd door en kan in zijn spaarzame vrije uren zijn gelijk nog eens nalezen in dit voortreffelijke boek van Figes. Soms is de geschiedenis rechtvaardig.’



46. ‘Hoe het ineenstorten  van de dynastie te verklaren?  Ineenstorten is zeker het  juiste woord om te gebruiken. Want het regime van de Romanovs ging ten onder aan het gewicht van haar eigen interne tegenstellingen. Het werd niet omvergeworpen. Net als  bij  alle moderne revoluties werden de eerste  scheurtjes zichtbaar  aan de top. De  revolutie begon niet met de arbeidersbeweging – wat linkse historici  in  het Westen zo  lang hebben willen geloven. Evenmin lag  het begin bij  de opkomst van nationalistische bewegingen in  de  periferie. Net als bij  de ondergang  van het  sovjetrijk, dat was gebouwd op de ruïnes van dat van de Romanovs,  was de nationalistische  opstand  een gevolg van de  crisis  in het  centrum, niet de oorzaak  ervan.’



47. ‘Zij waren zich er  bijvoorbeeld van bewust dat zij een moderne industriële economie nodig hadden  om te kunnen concurreren  met  de westerse landen, maar tegelijkertijd stonden zij buitengewoon  vijandig tegenover de politieke eisen en sociale transformaties van de stedelijke industriële  samenleving. In plaats van de hervormingen  te accepteren, bleven zij hardnekkig vasthouden aan hun  eigen archaïsche visie op  de autocratie. Het was  hun tragiek  dat  zij  juist op het moment dat Rusland  de 20e eeuw binnenging, probeerden  het  terug te voeren naar de  17e eeuw.’



‘Dit is  waar de wortels van de revolutie liggen: in de groeiende  tegenstelling tussen een  samenleving die steeds meer verstedelijkte, steeds  complexer werd,  steeds  meer goed opgeleide mensen telde,  en een  verstarde  autocratie die de nieuwe politieke eisen niet wenste in te  willigen.  Dat  conflict kwam tot een –  waarachtig revolutionaire –  uitbarsting na de hongersnood van 1891, waarbij de regering machteloos  stond en de liberale  burgerij politiseerde  toen zij haar  eigen hulpcampagne opzette. ‘



271. ‘Ervan overtuigd dat hun eigen ideeën de  sleutel  boden tot de toekomst van de  wereld, dat het lot van de mensheid afhing  van de  uitkomst van hun  eigen doctrinaire worstelingen,  verdeelde de Russische intelligentsia de wereld  in enerzijds de krachten van ‘de  vooruitgang’  en  anderzijds die van ‘de reactie’, oftewel  vriend en vijand van de  zaak van het volk, zonder enige ruimte  daartussen. Hier ligt  het ontstaan van het totalitaire wereldbeeld. Ook al had geen  van beiden het graag willen toegeven: Lenin en Tolstoj hadden veel  gemeen.



Schuldgevoel was de psychologische inspiratiebron voor de revolutie. Bijna  al deze  radicale intellectuelen waren zich pijnlijk  bewust van hun  eigen weelde en  bevoorrechte positie.’



297. ‘Het idee  dat  het  marxisme Rusland  dichter bij  het Westen kon  brengen was misschien nog  zijn voornaamste aantrekkingskracht. Het marxisme werd  gezien als ‘de  weg van de rede’ (in de  woorden  van Lydia  Dan), die leidde naar de moderniteit, Verlichting en beschaving. Of  zoals  Valentinov, een andere  veteraan van de marxistische beweging,  zich herinnerde  in de jaren ’50 van  de  20e  eeuw:



“We werden aangetrokken  door het marxisme, omdat we werden  aangetrokken door zijn sociologische en  economische optimisme:  het sterke geloof,  gesteund door  feiten  en cijfers, dat  de ontwikkeling  van de economie, de ontwikkeling  van het kapitalisme,  door het  demoraliseren en uithollen van de funderingen  van  de oude samenleving, nieuwe sociale krachten zou oproepen (inclusief onszelf) die zeker het autocratische regime  en al  zijn ontsporingen  zouden  wegvagen. Met het optimisme van onze  jeugd hadden we gezocht naar een ideeënstelsel dat  ons hoop kon bieden en dat vonden we  in het marxisme. Ook de Europese  aard ervan  sprak  ons  aan. Het  marxisme kwam  uit  Europa. Het was  niet muf  en provinciaal, maar nieuw en opwindend. Het marxisme hield de belofte in dat we niet altijd een half-Aziatisch  land zouden  blijven, maar dat we deel van het Westen zouden worden met zijn cultuur, instituties en kenmerken van een vrij politiek systeem. Het  Westen was ons lichtend  voorbeeld.”



496. ‘Lenins karakter  had een  sterk  puriteins trekje, dat later  zou  terugkeren in  de politieke cultuur  van zijn regime. Ascetisme kwam  veel  voor onder  revolutionairen  van  Lenins generatie. Allemaal  waren ze  geïnspireerd door de zichzelf opofferende revolutionaire  held  Rachmetjov in Tsjernysjevski’s roman  Wat te doen?  Door zijn eigen gevoelens te  onderdrukken, door  zichzelf de  genoegens van  het leven te ontzeggen, probeerde  Lenin  zijn wil te sterken en zichzelf, net als Rachmetjov,  ongevoelig te maken voor  het lijden van  anderen. Hij  geloofde in de  ‘hardheid’ waarover elke succesvolle revolutionair moest beschikken: de vaardigheid bloed te  vergieten voor politieke doeleinden. ‘Het verschrikkelijke bij Lenin,’ zo merkte Struve eens op, ‘was de combinatie in één  persoon van  zelfkastijding,  die  het  wezen is van alle echte ascese,  en de kastijding  van andere mensen in de  vorm van abstracte  sociale  haat en ijskoude politieke wreedheid.’ 



1115. ‘Na  de overwinningen  in de burgeroorlog was  het voor de  bolsjewieken ongetwijfeld verleidelijk het Rode Leger te zien  als een  model  voor de organisatie van  de rest van de samenleving.  Voor de bolsjewieken stond  po voennomoe (‘op de manier  van het leger’) gelijk aan efficiëntie. Als  het met militaire middelen mogelijk  was  geweest de Witten te verslaan, waarom zouden  die dan  niet kunnen worden ingezet  om  er het socialisme  mee op te bouwen? Het  leger  hoefde  daartoe alleen maar naar het  economische front te  worden gedirigeerd, zodat elke arbeider een voetsoldaat in  de  planeconomie  werd. Trotski had altijd al  beweerd dat  fabrieken  op  militaire  wijze geleid dienden te worden.*  Nu,  in de  lente van 1920,  zette hij  zijn heerlijke  nieuwe wereld van communistische arbeid op  poten, waarin  de  ‘hoofdkwartieren’ van de planeconomie ‘bevelen  gaven  aan het arbeidsfront’ en er ‘op het hoofdkwartier elke avond duizenden telefoons zouden rinkelen met  het laatste nieuws  over de overwinningen aan  het arbeidsfront’.  Trotski beschouwde  als belangrijkste  voordeel  van het socialisme boven  het kapitalisme dat het een  arbeidsplicht kon opleggen.  Wat  Rusland aan economische  ontwikkeling tekortkwam, kon het compenseren  met de inzet van  de dwingende macht van de staat.  Waar vrije arbeid  leidde tot  stakingen  en chaos, zou  de staatscontrole van de arbeidsmarkt  discipline  en orde creëren. Deze redenering ging uit van  de  veronderstelling, die  Trotski met Lenin deelde, dat  de Russen slechte en luie arbeiders waren  die nooit echt aan de  slag zouden gaan,  tenzij ze  er met  de zweep in de hand toe werden gedwongen. De Russische adel  had  in de tijd  van  de lijfeigenschap hetzelfde  idee  aangehangen, en dat was dan ook  een systeem waarmee het bolsjewistische  bewind veel gemeen had. Trotski stak de  loftrompet over de zegeningen  van  de gedwongen arbeid van  de lijfeigenen om zijn  economische plannen  kracht bij te zetten.  Hij hield  zich  doof voor T waarschuwingen  van critici dat de  inzet van  dwangarbeid  onproductief zou zijn. ‘Als  dat zo is,’ zei hij  in april 1920 tegen een  vakbondscongres, ‘dan kan er een groot kruis door het  socialisme worden gezet.’



1122. ! Een nieuwe ‘verbeterde versie’ van de mens voortbrengen: ziedaar de toekomstige taak van het communisme. En om  die te kunnen volbrengen, dienen  we eerst alles over  de mens te  weten te komen: zijn anatomie, zijn fysiologie en dat deel van  zijn fysiologie dat de psychologie wordt genoemd. De mens moet zichzelf zien als een  grondstof, of op  zijn best een halffabrikaat,  en tegen zichzelf zeggen:  ‘Eindelijk, m’n  beste homo sapiens, zal ik met jou aan de slag  gaan.’



De  Nieuwe Sovjetmens, zoals die na de revolutie  werd bezongen  in futuristische  romans en  utopische traktaten, was een soort Prometheus van  het  machinetijdperk. Hij was  een  rationeel, gedisciplineerd en collectief wezen, dat alleen  leefde voor  het belang van het  grotere geheel, als een  cel in een levend organisme. ‘



1146. ‘Lenin zat  met zijn tayloristische  ideeën  helemaal  op deze  lijn. Hij was al lange tijd gecharmeerd  van de  ideeën van de Amerikaanse ingenieur F.W.  Taylor over  het ‘wetenschappelijk management’: het  gebruik van ‘tijdbewegingsstudies’ om  werktaken  in de industrie onder  te  verdelen in losse eenheden en  te automatiseren. Lenin zag hierin een middel om  de  psychologie  van de  arbeiders om  te vormen, hen  te veranderen in gedisciplineerde  werknemers, en zodoende de samenleving als geheel langs mechanistische lijnen te hervormen. Lenin moedigde de  tayloristische  cultus die op dat  moment in Rusland bestond van  harte aan. De wetenschappelijke methoden van Taylor en Henry  Ford zouden de sleutel vormen tot een  glanzende, welvarende toekomst. Zelfs in afgelegen dorpen was de naam van Ford bekend  (sommige dorpelingen dachten dat hij een soort god was die het  werk van Lenin en Trotski  bestierde).  De bolsjewistische ingenieur en  dichter Aleksej  Gastev (1882-1941)  voerde de tayloristische principes tot in het extreme door. Hij stond aan het hoofd van  het Centraal Instituut  van  de Arbeid, dat in 1920  was opgericht, en voerde experimenten  uit met als  doel de arbeiders  zo op te leiden dat  ze  zich als machines gingen gedragen.



1240. ‘Om het falen van de democratie te verklaren moeten we teruggaan in de  Russische  geschiedenis. Eeuwen  van lijfeigenschap  en  autocratische heerschappij voorkwamen dat gewone  mensen het bewustzijn  van burgers  ontwikkelden. Er  kan een directe lijn getrokken worden van  deze  cultuur van horigheid naar het despotisme van  de bolsjewieken. Het abstracte concept van  een  ‘politieke natie’, een constitutionele structuur van burgerrechten waarop  de Franse  Revolutie was gestoeld,  stond ver af van  de Russische boeren in hun afgelegen dorpen.  De Russen bleven macht zien in termen  van overheersing door middel van  dwang en quasi-religieuze autoriteit, eerder ontleend aan  de  tradities van  horigheid en autocratie dan aan de moderne rechtsstaat, met zijn  duidelijk omschreven burgerrechten en  -plichten.  De alledaagse macht zoals de  boer die kende – de macht van de landkapitein en  de politie  – was  willekeurig en gewelddadig. Om zichzelf  tegen dit despotisme te verdedigen, koos  hij er niet voor om aanspraak op wettelijke rechten te maken – hij  kopieerde het despotische geweld zelfs in de gewelddadige behandeling  van  zijn vrouw en kinderen – maar ontdook hij liever de officiële  regels. Macht betekende voor  de boer autonomie, vrijheid van de  staat. Dat moest bijna wel een nieuwe  onvrije staat in het leven roepen, vooral  omdat dat  anarchistische  streven de dorpen welhaast  onbestuurbaar maakte. Er waren in  1917 momenten  waarop  de boeren  zelf vroegen om de ‘hand van een meester’, een  ‘volksautocratie’ van de  sovjets om  orde te scheppen in de revolutionaire  dorpen. Het anarchisme  van de boeren zat  vaak ingesponnen in  een cocon van  autoritarisme. In de Russische cultuur werd macht  niet opgevat in termen van recht, maar in termen van dwang en hegemonie. Het was  een kwestie  van  heren  en horigen, van  een  dominante  partij die de anderen zijn wil  oplegde.  



1260. Geen  van de  bolsjewieken van  1917 had verwacht  dat het communistische  Rusland  alleen zou  komen  te staan – en nog minder dat het  alleen zou kunnen overleven. De machtsgreep  in  oktober werd gedaan vanuit de veronderstelling dat die  de vonk zou  vormen voor een socialistische revolutie in heel  Europa, misschien zelfs tot in de koloniale gebieden  aan toe.  Toen  die revolutie uitbleef, zagen de bolsjewieken zich  bijna onvermijdelijk genoodzaakt een  strategie te  kiezen die, al was het maar in het belang van de  landsverdediging, industrialisatie boven alles moest  stellen. Maar omdat het sovjetmodel zo vaak – en  op  uiteenlopende plekken als China, Zuidoost-Azië,  Oost-Europa, tropisch Afrika en Cuba – tot zulke desastreuze gevolgen  heeft geleid, is de enige echte conclusie dat het fundamentele probleem meer met  principes dan met  historische toevalligheden  van doen  heeft.’ 



‘De staat kan, hoe groot hij  ook is, mensen niet tot gelijkere of betere  mensen  maken.  Het enige wat de staat kan doen is al zijn  burgers gelijk  behandelen en stimuleren hun in vrijheid ontplooide activiteiten te richten op het algemeen welzijn. Na een eeuw  die in het teken heeft gestaan van de totalitaire  tweeling  communisme en fascisme, valt alleen maar te hopen dat dit een les is die we hebben geleerd.  Bij het ingaan van de 21e eeuw moeten we proberen onze democratie te  versterken, zowel als  bron van  vrijheid als van  sociale gerechtigheid, anders zullen  de  misdeelden en  gedesillusioneerden haar opnieuw verwerpen.  Het is geenszins een  uitgemaakte  zaak  dat de  opkomende burgerlijke samenlevingen van het voormalige Sovjetblok zullen proberen het  democratische  model na te  streven. Er is geen tijd voor het soort liberaal-democratisch  gejuich waar de val van de Sovjet-Unie door veel mensen in het Westen op werd onthaald. Oude en  nieuwe communisten kunnen het bij verkiezingen  nog steeds goed doen – en zelfs via  verkiezingen weer  aan  de  macht komen  –  zolang het  gros van de gewone mensen zich vervreemd  voelt  van  het politieke systeem en zich uitgesloten  weet van de voordelen van het oprukkende kapitalisme. ‘Misschien nog zorgwekkender is dat  het  vacuüm na  de val van het communisme deels is opgevuld door een autoritair  nationalisme en  het in zekere zin opnieuw heeft uitgevonden. Niet  alleen zijn veel van deze nationalisten voormalige communisten, ook hun agressieve retoriek,  hun  roep om discipline en  orde,  hun verongelijkte  afwijzing  van de ongelijkheden die door de uitbreiding  van het kapitalisme zijn  veroorzaakt en  hun xenofobe verwerping van  het Westen, zijn  van de bolsjewistische traditie afgeleid.



De spoken van  1917 waren nog altijd rond.’


Reacties graag naar mailadres.