Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

M Leuven ? Rogier van der Weyden, de Passie van de Meester, van het portret en de abstractie

25 oktober 2009

M Leuven ? Rogier van der Weyden, de Passie van de Meester, van het portret en de abstractie.
Nog tot 06122009 in M

Het nieuwe strakke gebouw van St?phane Beel voor het Leuvense museum M blijkt een schitterende ingreep in de oude museumsite Vander Kelen-Mertens. Een prachtige constructie werd tussen straat, binnentuin en Hotel Savoye gepast. Van binnenuit heb je een schitterend overzicht op de Leuvense toppers en de armzalige uniforme herstelarchitectuur van de verwoesting in de eerste wereldoorlog. Het nieuwe gebouw lijdt echter onder de Mega-expositie over Rogier van der Weyden in een wirwar van ingewikkelde tentoonstellingsruimtes. Dit is des te lastiger voor normaal betalende bezoekers omdat de overrompeling van de tentoonstelling door talrijke extra- groepsbezoeken van hardhorige bejaarden een rustig bekijken van topstukken moeilijk maakt. In dit nieuwste museum horen de gidsen nog steeds hun stem luid te verheffen om de aandacht van hun groepen gaande te houden. In andere musea van dit niveau hebben gidsen een micro en hun volgelingen oordopjes om de sacrale stilte niet te verstoren van de andere bezoekers. In Leuven lijkt ‘M’ een marktplaats voor hardhorenden. Niet alle audiogidsen zijn even goed afgesteld en de chaos bij het begin van iedere uurslot is verbijsterend voor een museum en een tentoonstelling van dit niveau.
Ook de website van ?M? is er nog een van ?sorry?.

En toch is een bezoek zeer de moeite: Rogier van der Weyden (1400-1464) was een der eerste ? Vlaamse primitieven? en een der grootsten. Zijn portretten van Karel de Stoute en Filips de Goede zijn fenomenaal. Zijn kruisafnemingen en zijn Maria Magdalena lijken archetypisch. Zijn invloed op andere schilders, beeldhouwers, tapijtwevers was dermate groot dat zijn schetsen, poses en ensceneringen nog eeuwenlang herkenbaar blijven bij latere kunstenaars.
De audiogids levert boeiende toelichtingen. Benevens een wat lomp en ridicuul tweegesprek met commentaar als die van de ’ vox populi’ is er een interessante bespreking door Gabriel Rios die oorspronkelijk als leerling-schilder naar Belgi? emigreerde en die in de loop van zijn verblijf hier Rogier van der Weyden heeft leren kennen. Om de draagwijdte van zijn schilderijen te vatten, moet je ze immers leren lezen, leren appreci?ren. Niet alleen Gabriel Rios.
Het slotwerk van de Zeven Sacramenten wordt door kardinaal Daneels vakkundig en po?tisch mooi besproken als een ode aan zijn geloof en dat van de opdrachtgevers en Rogier van der Weyden.
Maar het meest fascinerend leken de digitale beeldcommentaren van Walter Verdin, The Sliding time, waarin hij op grote flatscreens fragmenten laat verglijden van de Kruisafname voor de Grote Gilde van de Voetboog van Leuven. Het werk hangt in het Prado te Madrid en wordt niet meer vervoerd.
Door Verdins trage verglijding van fragmenten herkend ik plots een ander aspect van Rogier van der Weyden: hij is naast een meester van de passie en de ingetogen expressie minstens zo indrukwekkend als abstract schilder.
Lang heb ik hem begrepen als een meesterlijk portrettist die tevens internationaal PR manager speelde voor de Vlaamse laken- en weefindustrie. Zijn aandacht en benadering van elk stuk textiel is verbijsterend.
Maar wanneer je hoofd en handen wegdenkt, zie je een subtiel spel van lijnen, golven,kleuren, grijstinten die minstens zoveel emotie uitdrukken als zijn ingetogen portretten.

Archief

Paul Verhaeghe Het einde van de psychotherapie. Uitg. De Bezige Bij 2009

18 oktober 2009

Paul Verhaeghe Het einde van de psychotherapie. Uitg. De Bezige Bij 2009

Het is goed dat er nog mensen zijn die erin slagen een historisch in- en overzicht te koppelen aan een intense nabijheid bij de andere, in casu de pati?nten.
Het is passend dat het gedaas van eenkennige mediageile pseudowetenschappers weersproken wordt.
Het is terecht dat de mechanismen van de macht in de gezondheidszorg, geestelijke en lichamelijke, ontrafeld worden opdat pati?nten en zorgverleners minder weerloos zijn wanneer ze zich overgeleverd voelen aan de kunstgrepen van de psychomedische commercie.

Het is dus de hoogste tijd dat ?Het einde van de psychotherapie? van de Gentse hoogleraar psychologie, Paul Verhaeghe, gespeld wordt door beleidsverantwoordelijken, politici, zorgverleners en pati?nten.

Samen met ?De Depressie epidemie? van zijn Groningse collega Trudy Dehue wordt in deze boeken de verschuiving gefileerd van ziekte naar tobbend onwelbevinden.

22. De combinatie van een hang naar kortetermijnwinsten met het dalende belang van kennis en ervaring doet verdwijnen wat groepen samenhoudt: loyaliteit en solidariteit. Angst wordt vandaag als een ziekte beschouwd waarvoor we best medicijnen slikken.
Net als depressie zijn deze twee psychiatrische klassiekers duidelijk in hetzelfde bedje ziek als de persoonlijkheidsstoornissen, en dat bed staat niet toevallig binnen een bepaalde sociaaleconomische context.
69. Dergelijke farmaceutische successen zijn slechts mogelijk omdat de modale mens niet beter vraagt dan een makkelijk antwoord, waarbij men noch het eigen aandeel hoeft te erkennen, noch zelf inspanning hoeft te leveren om er iets aan te doen. Ter overdenking: het merendeel van de hedendaagse pati?ntenorganisaties laat zich royaal sponsoren door Big Pharma, en vermeldt dit zelfs met enige trots op hun website… Onze toegenomen gezond- heid en levensduur, het verdwijnen van een religieus ge?nspireerd schuldgevoel, het neoliberaal opleggen van het genot, dat alles heeft, in de vrij treffende bewoordingen van James Le Fanu, een verschuiving veroorzaakt van echt ziek (?genuinely sick?) naar tobbend gezond (worried well?). Binnen een dergelijk vertoog vindt de idee van ?lifestyle- en andere pillen een uiterst vruchtbare grond en is er voor een meestal moeizaam verlopende psychotherapie die een eigen inzet vraagt, geen plaats meer. Geef mij een pil waardoor ik vanzelf vermager, een fantastisch seksleven heb, beter presteer op mijn werk en vrij ben van angst. Meer moet dat niet zijn.

Helder en indringend weet Paul Verhaeghe duidelijk te maken hoe het verdwijnen van een stabiel sociaal weefsel van gezin en gemeenschap geleid heeft tot het verlies van identiteit. Wie niet meer weet waar hij vandaan komt, waartegen zij zichzelf heeft afgezet of waaraan iemand zich spiegelde, kan doorgaans alleen nog bij zichzelf terecht: een obsessieve betrokkenheid op het eigen lijf, lid en leden. Automutilatie, piercings, tatoeages en alle mogelijk vertoon tot het verlangen naar onmiddellijke behoeftebevrediging.

De Rotterdamse socioloog Willem Schinkel merkte tijdens het VPRO Zomergasten programma vorig jaar op dat de hele mei?68 ? beweging, van studenten met of zonder arbeiders, een legitimatie opleverde voor een ander vorm van kapitalisme, postfordistisch, met ge?ndividualiseerde flexibele verhoudingen tussen mensen waarbij consumptie belangrijker is dan productie, een consumptiemaatschappij. De vrijheden die mei ?68 bepleitte zijn precies de vrijheden die passen bij dat type kapitalisme: seksuele vrijheid, emancipatie, individuele vrijheden los van collectieve structuren, los van familieverbanden. De hele idee van ?revolutie? was schijn, het was enkel de begeleiding van een nieuwe fase in het kapitalisme die er zat aan te komen. Men deed dat op basis van een ideologie, marxisme, bolsjewisme, mao?sme die toen al achterhaald was.

Wanneer de nieuwe generatie pati?nten vereenzaamd bewinbaar was gemaakt, kon de medicofarmaceutische combine hier meelevend ter hulp komen. Volgens hen zijn de oorzaken van ziekte en onbehagen het gevolg van externe factoren, dan wel worden ze genetisch aangeleverd.
Het spreekt voor zich dat dan soelaas kan en moet geboden worden door een medicijn tegen oud worden en eenzaam zijn.
Op een briljante manier weet Paul Verhaeghe de trieste geschiedenis en het tragische gebruik van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) te onthullen.

129. Bij gebrek aan een duidelijke achtergrondtheorie over het psychisch functioneren en met de verplichting om telkens ?evidence-based? te werk te gaan, concentreert de jonge clinicus zich uitsluitend op uitwendig observeerbare verschijnselen, zeg maar: het gedrag. Dit is de ?tabula rasa?-illusie van de onbevooroordeelde waarneming. Iets waarvan ongeveer elke filosofie en methodologie het illusoir karakter aangetoond heeft. Het resultaat – een schijnbaar objectieve ordening van wat men geobserveerd heeft – is grotendeels arbitrair en bij gebrek aan een ondersteunende theorie kan dit slechts leiden tot een psychodiagnostische botanica. De aldus verworven botanische categorisatie kent geen enkele sturende, conceptuele inbedding die toelaat te begrijpen waarover het gaat en een weging te maken. Bij gebrek daaraan moet onze jonge clinicus onvermijdelijk terugvallen op het plat normatieve en verglijdt zijn diagnose naar waardeoordelen, in termen van gewenst-ongewenst of aangepast-onaangepast gedrag. Anders gesteld: deze vorm van diagnostiek is vooral sociaal conformerend en hoort thuis in een ander register, meer bepaald het maatschappelijk-juri dische. Een diagnostische aanpak die beperkt blijft tot het gedrag leidt tot een negatief waardeoordeel vermomd als diagnose, zodat de behandeling slechts symptoomdempend en gedragscorrigerend kan zijn. Helaas is het succes van een dergelijke aanpak meestal zeer beperkt, wat menig jonge clinicus tot de overtuiging brengt dat die gedragsstoornissen een hardnekkige neurobiologische basis hebben. Het idee dat symptomen voor de pati?nt wel eens een psychologische functie zouden kunnen hebben, is niet meer van deze tijd. Het is dan ook helemaal geen toeval dat de geschiedenis van de DSM-Task Force vooral een steeds toenemende invloed van Big Pharma vertoont, want de voornaamste symptoomdempende behandeling vindt plaats met medicijnen. Voor alle duidelijkheid: dit is geen therapeutische consequentie, maar een commerci?le. Wat de antipsychiatrie probeerde te vermijden – de koppeling tussen botanica, justitie en het archief – heeft de DSM ten volle doorgevoerd. Een diagnostisch systeem dat geen aandacht wil besteden aan de oorzaken van een psychisch probleem en dat bovendien geen therapeutische bedoelingen wil hebben, hangt in het luchtledige.

Paul Verhaeghe heeft zich ook het hoofd gebroken over de vanzelfsprekendheid waarmee deze paradigmashift zich heeft kunnen ontwikkelen in ??n generatie: cijferfetisjisme als hulpmiddel om niet langer te moeten nadenken, laat staan te leren leven met twijfel, ook wetenschappelijke twijfel.

In ??n generatie is de farmaceutische industrie erin geslaagd de sociaal culturele visie op de psychische aandoeningen tot een overdiagnose van ?disorders? te drijven met een eng medische visie op etiologie en uiteraard medicinale behandeling.

55. Dat een groeiend aantal menswetenschappers zich gaat ontpoppen tot sci?ntisten (wetenschapsfundamentalisten) die m??r in de neurobiologie en de genetica geloven dan de eigenlijke neurobiologen en genetici z?lf, dat wekt wel verwondering. De redenen hiervoor liggen vermoedelijk in de noodzaak om wetenschappelijk voor ?vol? aanzien te worden in combinatie met wat Stephen Jay Gould (1981) laconiek als ?Physics Envy? benoemd heeft. Deze leuke woordspeling op ?penis envy? (penisnijd) interpreteert treffend de op minderwaardigheidsgevoelens gebaseerde jaloersheid van de menswetenschapper op de fysicus, dus op de harde wetenschappen.

De impliciete boodschap hiervan is zeer belangrijk: straks wordt niet alleen psychotherapie, maar ook psychologie overbodig en krijgen zij hoogstens nog een functie als ondersteunende begeleiding bij de ?chte behandeling die op de ?chte oorzaken inwerkt. Op het lichaam toch?
De grootste bok schoot onlangs de Belgische prof Willem Verbeke, niet toevallig hoogleraar sales management aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die verwacht dat werkgevers binnen vijf jaar hun sollicitanten zullen testen via een hersenscan.

Universiteiten proberen steeds meer financieel gesponsorde leerstoelen aan te trekken en verwachten dat de eminente wetenschappers hun oren niet naar de wensen van hun broodheren laten hangen. Na?viteit of onverschilligheid?

Ook in de journalistiek is het huilen met de pet op:

66. Het laatste nieuwtje zijn de zogenaamde ?infomercials? of ?publireportages? die we al kennen van weekbladen en kranten en die nu ook als ?radiomercials? op de officiele radiozenders komen, en straks ongetwijfeld op tv. In feite is dit platvloers bedrog en pure volksverlakkerij, waarbij reclame voorgesteld wordt als objectieve, ja, zelfs wetenschappelijke berichtgeving. Tijdens onze ochtendkoffie horen we binnenkort hoe een pseudojournaliste een pseudoresearcher interviewt die ons kond doet van de laatste geneugten van, inderdaad, de pseudowetenschap. Het is een teken aan de wand dat men het niet eens meer nodig acht een dergelijke strategie te verbergen. (?)Aldus glijden platte reclame en pseudowetenschap naadloos in elkaar over.

131. De specifieke oorzaak van psychische stoornissen is relatief onduidelijk in die zin dat er nooit enkelvoudige oorzaken aangewezen kunnen worden. Ondanks die onduidelijkheid was er tot voor kort een klinische consensus dat de omgeving daarbij een belangrijke rol speelde. De karikaturale uitvergrotingen daarvan – alles ligt vast voor het vijfde levensjaar; alles is gevolg van leerprocessen en conditionering – bevatten een impliciete aanname: problemen hebben een geschiedenis. Dit sluit aan bij een oerklassiek psychiatrisch ge- geven, dat al een halve eeuw voor Freud benadrukt werd, bijvoorbeeld door de Gentse krankzinnigenarts Jozef Guislain, en dat nu het ?dynamische gezichtspunt? heet. Psychische verstoringen kennen een evolutie, waarbij de geschiedenis van de pati?nt vaak een verklaring biedt. In de gevleugelde woorden van Guislain: ?Il faut conna?tre l?envers du d?cor?(je moet de achterkant van het decor kennen).

222. Dit betekent dat er op een ruimer, maatschappelijk vlak een verschuiving moet hebben plaatsgegrepen, weg van het Symbolische in de richting van wat men veronderstelt de ?chte werkelijkheid te zijn. De huidige dictatuur van het getal is daarvoor indicatief. Onze preoccupatie met cijfers, en dan liefst ?groeicijfers?(opiniepeilingen, kijkcijfers, beurskoersen, budgetten, salarissen, penislengte, et cetera) verbergt een onderliggende angst om te moeten denken. Alvorens men een discussie aangaat binnen een zogenaamd beleidsorgaan (aandeelhouders, faculteitsraad, ziekenhuiscommissie, politiek bureau) moet men eerst ?de cijfers? zien; heeft men die eenmaal gezien, dan is elke discussie overbodig.
Het getal wordt verondersteld vanzelf de waarheid te produceren over een verondersteld transparant gemaakte werkelijkheid. Dezelfde angst voor het denken verschijnt in goedbedoelde raadgevingen aan mensen in nesten: ?Je moet daar allemaal niet zoveel over nadenken, dat lost toch niets op, het maakt de dingen alleen maar erger.? De volgende logische stap is die naar het denken belemmerende medicijnen waarvan de benaming in het Frans ? ?des stup?fiants ? – zoveel duidelijker is dan het halfzachte ?tranquillizers?. Cijfers zijn slechts bruikbaar binnen een genuanceerd denkproces – daarbuiten zijn ze niets anders dan argumenten ter manipulatie van de niet zozeer zwijgende dan wel na?eve meerderheid.
Intu?tief weten, gestoeld op ervaring, telt niet meer mee omdat het niet cijfermatig uit te drukken is. Omgekeerd krijgt iets overtuigingskracht zodra er cijfers zijn. De huidige wetenschap hecht enorm veel belang aan falsifieerbaarheid (het kunnen weerleggen van een stelling), en met reden. Nog nooit was wetenschap zo makkelijk te vervalsen en zo eenvoudig te manipuleren, nog nooit verkreeg een vervalsing zo makkelijk zoveel overtuigingskracht als vandaag. Het stijgend cijferfetisjisme illustreert het dalend belang en zelfs de teloorgang van de taal. Niet alleen omdat cijferwetenschappers niet kunnen schrijven, maar vooral omdat het veronderstelde waarheidsgehalte van taal op zich verdacht wordt, en vervangen door de zekerheid die men in het getal meent te vinden.

Schitterend is ook de passage over de ?gelijke kansen?- meritocratie (Michael Young) en de DBC-codes ? DiagnoseBehandelCombinaties ? die nu reeds in Nederland een ravage aanrichten in tweedelijnsgeneeskunde en de psychotherapie: in een sfeer van zorgzame, zij het onpersoonlijke effici?ntie en berustend op de overtuiging van een perfect stuurbare wereld.

Paul Verhaeghe heeft de moed gehad om na te denken over zijn vakgebied, voldoende afstand genomen om een overzicht te krijgen van de geschiedenis van ziekte en gezondheid, de huidige diagnostische en therapeutische ellende (?meten is weten?!). Hij heeft vooral de moed gehad op te staan en te laten weten waar het volgens hem op staat. Hij heeft geantwoord op de debilisering van de grondslagen van de psychotherapie ? het in vertrouwen menselijke nabijheid bieden aan een pati?nt. Hij heeft de pseudowetenschappelijke pretenties van de farmaceutische heilsleer aan mootjes gehakt en de tragedie van de ?evidence based? – pillentherapie als een commerci?le succes maar therapeutische flop geduid.
Maar hij wijst ook op het merkwaardige fenomeen dat er nauwelijks of geen reactie komt, noch uit het vakgebied, noch uit de medische sector, laat staan vanuit de beleidsmakers en financiers van de gezondheidszorg. De collectieve reactie blijft uit: een illustratie van het probleem van de ??nzaamheid.

225. Volgens de klassieke formule lokt actie reactie uit. Het daarin besloten risico is dat psychotherapie verschuift naar wat Foucault (1972) aangeklaagd heeft bij het ontstaan van de psychiatrie, namelijk een sociaal dwingende en disciplinerende macht onder het mom van pseudowetenschap en pseudohumanitarisme. Tegenwoordig is dit zo mogelijk nog meer het geval, en bovendien in combinatie met een nooit geziene farmacologisering en steeds toenemende dwangmaatregelen. Alleen de collectieve reactie ertegen blijft uit. De ironie wil dat dit uitblijven een illustratie is van het probleem: ??nzaamheid.

Paul Verhaeghe Het einde van de psychotherapie

Archief

Tom Holland, RUBICON,Het einde van de Romeinse Republiek. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2006

14 oktober 2009

Tom Holland, RUBICON,Het einde van de Romeinse Republiek. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2006

In zijn eerst boek onderzoekt Tom Holland het einde van de Romeinse Republiek en het begin van het Keizerrijk.
Hij weet met schijnbaar gemak verschillende tijds- en machtslijnen te verknopen zodat een panoramisch overzicht van Rome voor, tijdens en na de caesuur bevattelijk wordt voor de lezer.
?Rubicon? begint van ver wegens de eerste Brutus die door de strijd tegen de laatste koning Tarquinius in 500 aCn de aanzet gaf tot de Romeinse Republiek. En eindigt lang na de Caesarsmoord door diens zoon, de andere Brutus die hiermee de Republiek hoopte te herstellen. Het draaide na de burgeroorlogen uit op het Imperium onder Augustus. De meeste Romeinen waren de hectische periode van burgeroorlogen zat.
Holland weet bij wijlen schitterende inzichten te presenteren, die hij graag spiegelt aan actuele politieke toestanden in de wereld van vandaag. De verhalen over het Midden Oosten, lang voor olie belangrijk werd, de terreur en het dubbelspel van piraten, de economische ramp en politieke instabiliteit van een slavenmaatschappij, de politieke technieken en gewoonten, de trukendoos in de machtscenakels, het publieke spel van populisten en het gewicht van mannen van eer zonder wapens noch soldaten maar met een enorm prestige zoals Cato.
? Rubicon? is niet alleen het fameuze riviertje dat Caesar met zijn legioenen uit Galli? overstak om in Rome de macht te grijpen, het is in de versie van Tom Holland een goed geschiedenisboek. Daaraan is grote nood in het middelbaar en hoger onderwijs zeker nu onderwijsdeskundigen en politici de kennis van het Latijn en Grieks en de daaraan gekoppelde cultuur- en literatuurgeschiedenis graag als ongelijke kansenpolitiek bestempelen.
Wie zijn verstand gebruikt, kan in ? Rubicon ? leren hoe je kansen kan cre?ren en grijpen als ze zich voordoen, met kennis van zaken en van de geschiedenis.

Hoe gedetailleerd Tom Holland ook de opgang en het succes van Augustus heeft getekend, ik snap niet waarom hij het fenomeen Ovidius nergens vermeld heeft. Slechts weinigen verkeerden op zo?n intieme voet met de jonge Octavianus en werden door Hem eens ?Augustus?, de verhevene, verbannen omdat Hij niet wou herinnerd worden aan wie Hij ooit geweest was.
Holland vergeet te vermelden hoe moeizaam de overgang van de Republiek naar het Keizerrijk is verlopen eens Augustus zijn macht als Goddelijk en Keizerlijk geconsacreerd had. Hij liet niet na alle eigendommen te confisqueren van wie de republikeinse idealen propageerden. Maar het zou nog tot Nero duren eer de stempels, logo?s en merknamen van deze werkplaatsen, steenbakkerijen, mijnen zouden vervangen worden door die van het Imperiale Huis dat de winsten opstreek.

Een prachtig geschiedenisboek, een verplichting voor het onderwijs, na ?Perzisch Vuur?, niet alleen chronologisch.

308. ‘Wanneer je in vredestijd deelneemt aan binnenlandse politiek,’ schreef hij aan Cicero, ‘is het van het grootste belang de kant te steunen die gelijk heeft – maar in tijden van oorlog moet je de sterkste kant kiezen.’ En in deze cynische opinie stond hij niet alleen. Er lag dezelfde overweging aan ten grondslag die Curio gemaakt had: dat steun aan Caesar de weg naar de macht kon bekorten. Gedreven door honger naar direct profijt keerde een hele generatie de wet de rug toe. Tussen de snelle jongens en de oudere staatsmannen van de senaat waren er altijd spanningen geweest, maar nu er voortdurend over oorlog gepraat werd nam de wederzijdse minachting werkelijk onheilspellende proporties aan.

Tom Holland Rubicon

Archief

Luxe in de Koekenstad: Delvaux 180 jaar ? Dooreman in Letterenhuis ? Sam Dillemans in de garage

11 oktober 2009

Delvaux 180 jaar Belgische luxe in ModeMuseum Provincie Antwerpen.

Nog tot 21022010 vult 180 jaar Delvaux als Belgische luxe de aangename leegte van het Antwerps Modemuseum.
Het is een fascinerende tentoonstelling van wat aan reis- en tassenparafernalia geproduceerd werd door en familiebedrijf dat zich bijna twee eeuwen in de beste der bochten kon wringen om te surfen op de geest van de tijd, het wel en wee van de bovenklasse en wie zich daar graag aan wou spiegelen. Interessant archiefmateriaal wordt moeilijk leesbaar gepresenteerd, maar boeit tot en met betwistingen over facturen en geleverde diensten
De collectie damestassen is indrukwekkend en soms van een tijdloze schoonheid. Nog indrukwekkender zijn de foto?s van de stielmannen en vakvrouwen die deze kunstwerken in de loop der tijden met de hand hebben gemaakt.
Het enthousiast aanleunen bij de koninklijke familie als pin-up voor de diverse handtassenlijnen oogt vaak aandoenlijk.
Zeker wanneer om het hoekje in een zwarte kamer de titel ?Rood? oplicht als eerbetoon aan de Franse revolutie. Het lijkt een bloederige opstapeling van koninklijke hoofden in prachtige Delvauxrode lederen handtassen bij de opening van de eerste Delvauxwinkel te Parijs in 1989.
Voorzeker, het succes van een familiebedrijf in luxeproducten drijft op de identificatiemogelijkheid van de potenti?le client?le met de Delvaux-producten.
Identiteit in traditie heeft een prijs, in kwaliteit, in fantasie, in geld. Maar het helpt om een eigen verleden te sprokkelen als houvast bij emotionele en culturele stormen.
Een handtas is ook een houvast.

Dooreman naar de Letter in het Letterenhuis.

Tot 030121010 een overweldigende collectie van het vakwerk van Gert Dooreman met indringende filmpjes ge?llustreerd door wie hem dankbaar is.
Hij heeft als vormgever een ongelooflijk oeuvre geperfectioneerd in lettertekens als boekomslagen, affiches, lettertypes. Maar hij maakt ook prachtige tekeningen.

Sam Dillemans in de Garage.

Heel veel in- en uitlopend volk voor een tentoonstelling van veelheid in boksers, vrouwen, mensen, mannen, paren en zelfportretten waar de schilder de afbouw en het opbreken demonstreert, de uitbraak en de opbouw demonteert. Onthullend, fascinerend in een garage van een advocatenkantoor aan de Napelsstraat 32-34 op het winderige Eilandje.
Tot 6 december, donderdag tot zondag, van 14 tot 18u

Archief

Koen Peeters De Bloemen Uitgeverij Meulenhoff/Manteau, 2009

4 oktober 2009

Koen Peeters De Bloemen Uitgeverij Meulenhoff/Manteau, 2009

Met vele mooie bloemen heeft Koen Peeters een teder huis behangen van wie voor hem kwam voor wie na hem komen. Hij is erin geslaagd de geschiedenis van zijn familie te onderzoeken onder het motto van Cesare Pavese ‘Generaties worden niet ouder. Iedere jongeman uit onverschillig welke tijd en onverschillig welke beschaving heeft altijd dezelfde mogelijkheden.’
Met schroom en ingehouden argwaan weegt hij de grootvader en de vader en hun aandeel in zichzelf, dankzij grootmoeder ? Stans van ?t Hoekske – die jarenlang correspondeerde met haar zonen op internaat in het Kleinseminarie van Hoogstraten. Op haar notities en recepten borduurt Koen Peeters met ? De bloemen? zijn zoektocht naar de God van wie voor hem kwam tot Die bij hem is gekomen.
Hij doet dat op een fraaie ondertoon, een melodisch thema dat een familie in de dorpsgemeenschap van Gierle vertrouwen kon inboezemen ondanks de dood van de kleine dochter door een slag van een molenwiek wanneer broer Ren? haar riep om mee te komen.

231. God heeft ons niet geschapen naar zijn beeltenis, wij hem naar de onze: hij is vaderlijk rechtvaardig, moederlijk zorgend. Of omgekeerd. Maar altijd helmboswuivend.

Hortence als ?mater familias? schrikt van het ?vloeken? van zoon Ren? wanneer deze thuiskomt van het seminarie met de mededeling:
?Dos moi pou sto kai kino t?n g?n, Moeder, geef me een plaats om te staan en ik til de wereld op, zoals Archimedes dat ooit gezegd heeft.? – ‘Zorgt gij maar dat ge later een goed pensioen hebt, dat is vooral belangrijk. (?) De schoonste deugd is de zelfopoffering. Ge moet bidden en altijd bereid zijn om hard te werken.?

Deze confrontatie zal het leven bepalen van Renaat Peeters, jarenlang CVP volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Turnhout.

212. Mijn grootvader is geboren in 1890, mijn vader is gestorven in 1999: hun twee levens overspannen samen een eeuw. Ik zie dat de twee verhalen samengeplooid zijn, het ene heeft zich halverwege gevoegd bij het andere verhaal en ze zijn nu gepooid tot een lange strook, wentelend om hun as, en ik voeg me daarbij met mijn dagelijkse notities, en als ik nu op de juiste manier verder kan schrijven, zal de tijd niet meer bestaan, wij zijn allen dezelfden. Mijn vader was gebiologeerd door het avontuur van het openbare leven. Misschien was hij zelfs verblind door het helse, politieke licht. Zijn beloning was een vorm van eer, een bewustzijn dat hij belangrijke dingen deed.
149. In de kerk op de begrafenis vroeg Ren? zich af wat hij van zijn vader ge?rfd had. Een gevoel voor juistheid en noodzaak van de wet, bedacht hij. Iets tussen onrust en koppigheid in, en verder eerder zijn jongensachtige verschijning: groot en mager. Ze zuchtten beiden op exact dezelfde, luide manier als ze handenarbeid verrichtten, en ze hadden een voorkeur voor zwarte schoenen en scherp gesneden pakken. Ook het nagelbijten, het fronsen en de slapeloosheid. Dat laatste was geen verkrampt zoeken van de slaap, maar eerder lang nadenken over de dag in de luwte van de nacht, zodat ze ?s ochtends meteen wisten wat ze moesten doen.

Koen Peeters weet erg mooie bloemen te formuleren voor zijn ouders en grootouders.

112. ? Het leven van een mens ontwikkelt zich vanuit een punt, wordt breder en succesvol, en krimpt daarna gewon. Alsof er een chemische formule is die alle verschijningsvormen bepaalt en verklaart, vanuit het niets begint de groei, maar dan veegt iemand de formule weg, ongemerkt en onbedoeld, met zijn mouw. Het schema op het bord is weg, en zoals het groeide, neemt het af, tot het weg is.?

De herkenning van zijn rol als politicus door Ren? Peeters in de rol van de Gilles in de Carnaval voor Binches is indringend en fascinerend. Een lafhartige klap met een boksbeugel te Zondereigen in 1968 leverde hem een ernstig nekletsel op. Zijn voordracht over de landbouwontwikkeling werd er niet in dank afgenomen door Vlaams-nationalistische kippenboeren. Hij verbleef na een lange periode van nek- en hoofdpijn en een complexe operatie voor een herstelperiode te Binche.

193. Gilles zijn dikke onhandige reuzen. Ze moeten elkaar een hand geven om niet te verdwalen, ze hebben trommels nodig om hun de weg te wijzen, Maar ze doen iets wat nodig is. Ze zijn zoals de politici dacht Ren?.
195. Boven de Grand Place brak plots de zon door. Ren? stond nu perplex van de rijzigheid van de Gilles, hun eensgezindheid en trots. Ze keken de hele tijd rond met hun beweeglijke hoofd, ze zweetten maar ze waren mooi, ze verzamelden de mensen rond zich. Ze gingen niet neerzitten, ze rookten niet of aten niet, namen geen vrouw of kind bij de hand. Zoals een politicus altijd bezig moet zijn, zichzelf niet ontziet, altijd licht potsierlijk werkt aan een hogere taak die amper uit te leggen valt.

Zoals er volgens een oud spreekwoord geen rozen zijn zonder doornen, was er in de Kempen ook geen hei zonder kneuters, geen rust zonder razernij, geen lust zonder last, geen god zonder duivel, geen hemel zonder hel. En daar blijft de lezer op zijn honger. Koen Peeters laat slechts hier en daar een glimp zien van de wereld achter het mooie bloemetjesbehang vol Kempense peis en vree. De wereld van verongelijkte woede, rancune en passie, voorkinderen en wezen, generatielange nijd en na-ijver lijkt beperkt tot het verre Zondereigen of een Gielsbos waar gekke ?Jaak? systematisch inbreekt in hun zelfgetimmerde buitenverblijf.

202. Maar het ging ook om iets kwetsbaars dat gekwetst was, een zaak van afgunst. Het ging om frustratie, en minderwaardigheidsgevoel dat omsloeg in kwaadheid.

Wie zoals Koen Peeters god weet te vinden, moet ook de duivel ontmoet hebben. De ene kan niet zonder de andere. Ze zijn een en ondeelbaar in de afspiegeling van het menselijke denken. Zeker in een dorp in de Kempen. Niet voor niets ontstonden de jacqueries in arme streken waar het leven voor heikneuters op het scherp van de snee diende geleefd. In Gierle is zeker in de eeuw van zijn vader en grootvader veel gezwegen om erger te voorkomen. Jonge mensen ? slechts enkele jaren ouder dan Ren? Peeters – hebben door hun zwijgen dit dorp veel ellende bespaard tijdens en na de tweede wereldoorlog.
Maar er is ook veel vergeven en dat heeft aan deze dorpsgemeenschap de mogelijkheid van nieuw leven gegeven. Onderwijzers, pastoors en schrijvers die bij hun gemeenschap blijven, zijn onmisbaar in hun rol als geweten, geheugen en biechtstoel voor wat mensen elkaar blijven aandoen. Het vereist veel moed en liefde om desondanks te midden van de kudde te blijven leven. Respect voor de grijze zone, voor kleine verschuivingen, voor de indirecte taal, de schuine blik en het tedere spel van geven en nemen, van veinzen en liegen kan een bevrijdende onbevangenheid toelaten.
Met ‘De Bloemen’ onthult Koen Peeters dat hij dit als schrijver kan. De liefde voor wie voor hem kwam en wie na hen komen zullen hem wellicht sommeren.

218. Zullen we het verleden dan nu klasseren? Voortaan zul je zwijgen, schrijf ik aan mezelf in gedachte, je zult in stilte herhalen wat men je heeft meegedeeld en daarna zul je mooie dingen bedenken.