Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Roberto Calasso, De droom van Baudelaire.

12 mei 2013

Roberto Calasso, De droom van Baudelaire. 

uitgeverij Wereldbibliotheek 2013 – prachtig vertaald door Els van der Pluijm 

 

Alweer een handboek van Calasso, een reisgids voor de XIX de eeuw, haar schilders, schrijvers, poëten en exegeten.

Roberto Calasso helpt je met ‘De droom van Baudelaire’ uit je eigen dromen en nachtmerries over die moeizame eeuw. Hij doet het met schilders en fotografie, over Ingres, Delacroix, Courbet, Millet, Boucher, Guys, Degas en heel veel Manet, met of zonder Berthe Morisot.

Zo dichtbij, en toch weer te ver om de fabels makkelijk te doorgronden.

Met de afbeeldingen en de tegenhangers tegenwoordig op internet beschikbaar is het fraai zoeken, rustig lezen, verrast achteroverleunen met  vingerbijtende inzichten die hij eens te meer met gratie uitstrooit over de gretige lezer.

Zijn analyse van de populaire dag- en weekbladpers en de opkomst van de reclame is verhelderend.

 

283. Toen hij, in een opwelling van woede en ongeduld, een aantal opmerkingen op papier zette over de Jean-Christophe van Romain Rolland – een schrijver die er prat op ging dat hij niets wist van dit alles – noteerde Proust in steno wat denken voor hem betekende: ‘Uiteindelijk komt heel mijn filosofie, zoals elke ware filosofie, neer op het rechtvaardigen, het reconstrueren van wat is.’ En in dat ‘rechtvaardigen’ echode, zonder dat Proust het wist of zich daarom bekommerde, ‘de esthetische rechtvaardiging van het er zijn’ waarover Nietzsche had geschreven. Proust streefde dus niet naar een onbezonnen degradatie van het verstand, maar naar een herschikking van de machten die ons gaande houden, vaak miskend (het ‘verbeten genie’ dat Racine beheerste, was niets anders dan de inmiddels tot psychopathologie gereduceerde bezetenheid) of overgewaardeerd (het verstand dat garant staat voor een innerlijke politie).

46. Baudelaire was de eenzame, onverschrokken voorvechter van het onvervreemdbare recht zichzelf tegen te spreken. ‘In de ellenlange lijst van de rechten van de mens die de negentiende eeuw in haar wijsheid zo vaak en zo zelfingenomen herhaalt, zijn twee van de belangrijkste vergeten, en wel het recht om onszelf tegen te spreken en het recht om weg te gaan.’ Vooral dit laatste zou weleens een kostbare bijdrage ) van Baudelaire aan het nog steeds onduidelijke uitgangspunt van de rechten van de mens kunnen zijn. De culturele industrie – een uitdrukking van Adorno en Horkheimer die al vlak nadat ze was geïntroduceerd verouderd klonk – beleefde haar officiële begin in Parijs, in de eerste jaren van Louis Philippe. Dat moment voldeed aan alle voorwaarden die onontbeerlijk waren voor de manifestatie van dat verschijnsel: ten eerste verhoogde de dagbladpers – die zich in de toekomst zou vertakken tot velerlei medIa, maar die destijds nog allemaal omvatte – haar oplagen aanzienlijk, verlaagde ze de prijzen al even aanzienlijk en nam ze voor het eerst structureel haar toevlucht tot de reclame. Aan welk brein was die fatale innovatie te danken? Vooral aan Émile de Girardin, die de prijs van een abonnement op La Presse dankzij de betaalde advertenties halveerde. Tegelijk hiermee diende zich een andere noviteit aan: de introductie van de roman in afleveringen, het feuilleton, eerst door de tijdschrift pers, in La Revue deParis, later door de dagbladpers, in Le Siècle en La Presse. Drie jaar later, in 1839, mocht Sainte-Beuve zijn essay ‘De la littérature industrielIe’ publiceren in La Revue des Deux Mondes. Het eerste en magistrale voorbeeld van dat verwerpelijke vakgebied dat de sociologie van de literatuur zou worden. En dat ook een uiterst scherpzinnige beschrijving gaf van een aardverschuiving in het literaire landschap, dat Sainte-Beuve elke dag afspeurde en waarvan hij de details beter kende dan wie ook. Zo veroverde, naast de stoommachine en de fotografie, ook de reclame een plaats te midden van de belangwekkende vernieuwingen in de eerste helft van de negentiende eeuw. Reclame betekent vooral dat bepaalde objecten beginnen te spreken en beelden te produceren. Een proces dat aanvankelijk lachwekkend en onbeholpen is, maar onvoorspelbare ontwikkelingen belooft. Ontstaan als bijverschijnsel van de productie, zal de reclame op zekere dag kans zien de verhoudingen om te draaien: objecten worden geproduceerd om bepaalde beelden, bepaalde namen, een bestaansgrond te geven. Mode is een hulpmiddel om deze onafgebroken stortvloed aan beelden erotischer te maken, door ze aan te passen aan de voortdurende veranderlijkheid van -het verlangen. Voorbeeld en fundament van de reclame is de ongeneeslijke rusteloosheid van het gedachteleven, waarvan het land van herkomst de delectatio morosa is.

149. Het wordt tijd om het mysterie van die eeuw te onthullen, dat tegelijk het mysterie van Le Siècle is. Opgericht in 1836 door Armand Dutacq, ‘de Napoleon van de pers’ genaamd, was Le Siècle, samen met La Presse van Émile de Girardin, een eerste voorbeeld van de kranten met een lage prijs en een hoge oplage die in die centrale jaren van Louis-Philippe aan de wieg stonden van de dagbladpers in de vorm die sindsdien in wezen ongewijzigd is gebleven. Voor het eerst verscheen het grote publiek ten tonele.

275. Sainte-Beuve klaagde op verongelijkte toon dat Flaubert (in Madame Bovary)en Stendhal (in zijn Chartreuse de Parme) bij hun personages een plaats hadden willen of kunnen inruimen voor een paar figuren met een goede, onbedorven en nobele inborst. In Madame Bovary beweerde hij de aanzet tot een dergelijk personage alleen te herkennen in de jonge Justin, leerling van Monsieur Homais. Maar dat betrof ‘en ‘onopvallend’ figuur. Zodoende kwam hij tot een bedenkelijke conclusie: in Madame Bovary ‘is het goede al te afwezig’. Zijn oordeel over La Chartreuse is nog bondiger en resoluter. Hoe kan iemand beweren dat uit een roman die ‘van begin tot eind (als we de eerste bladzijden buiten beschouwing laten) niets anders is dan een spitsvondige Italiaanse maskerade’ oprechte gevoelens spreken? Toen hij eenmaal zo ver was, kon Sainte-Beuve zich niet langer bedwingen en spuide hij al zijn wrok, die meer te maken had met het verdedigen van beschaafde omgangsvormen dan met literatuur.

276. Nog een paar jaar en die bezwaren zouden zich uitkristalliseren in het Sovjetconcept van het positieve personage. De armoede en de schande van die tijden kwamen op dat moment aan het licht. Maar de kiem ervan moest verder terug worden gezocht, bij de inmiddels vergeten Sainte-Beuve. Die uiteraard niets gemeen had met de animus van de Sovjet politiestaat. Toch was hij als eerste gealarmeerd geweest door een zekere vooringenomenheid en partijdigheid in de kunst (bij Stendhal en Flaubert, en ook bij Balzac en Baudelaire). Maar Sainte-Beuve formuleerde zijn stelling sluwer, alsof de kunst een statistisch gezien betrouwbaar tijdsbeeld moest geven. ‘De waarheid, als we alleen daar naar op zoek zijn, ligt overigens niet geheel en noodzakelijk aan de kant van het kwaad, de kant van de menselijke domheid en verdorvenheid. In die levens in de provincie, waar men te maken heeft met allerlei problemen, vervolgingen, zinloze ambities en speldenprikken, bestaan ook goede en nobele zielen, onschuldig gebleven, beter bewaard en ingetogener dan elders.’ Met deze argumenten, afkomstig uit de sociologie en niet langer uit de literatuur, probeerde Sainte-Beuve een opvatting door te drukken di niet te rijmen viel met de literatuur zelf: dat ze altijd dingen uitsluit en andere insluit, en een vlijmscherpe bundel strijklicht op de wereld laat vallen, zonder zich erom te bekommeren wat ze in het duister laat, omdat ze wordt uitgedaagd het geheel ook in het meest troosteloze en ongerijmde detail te laten ademen.

279. Dus, suggereerde Sainte-Beuve, werd het hoog tijd dat de regering – bij monde van de Société des Gens de Lettres – zich deed gelden en ‘een moreel richtsnoer voorstelde voor de werken van de geest, aangaf welke onderwerpen te behandelen, en dat alles liet doorgaan voor steun waar behoeftige auteurs recht op hebben’ Kortom Sainte- Beuve presenteerde hier zijn geloofsbrieven als een allereerste Zjdanov. Die brief werd een paar maanden na zijn dood – en vlak na het einde van het Seconde Empire – ontdekt.

 

 

 

 

De droom van Baudelaire

Archief

DVD reeks Borgen 3

12 mei 2013

Borgen 3

De derde reeks is niet slecht, het spel is gespeeld, de acteurs gekend, sommigen gloeien nog eens op in de mist der politieke tijden.

Sidse Babett Knudsen speelt weer met flair haar ‘Brigitte Nyborg’ rol en werd  intussen ook op de Vlaamse nieuwszenders door Vlaamse journalisten aangegaapt als een incarnatie van de Deense eerste minister . Er is nog een laatste opleving van het politieke verhaal wanneer ze met haar Nieuwe Democraten de verslonzing van haar oude Middenpartij met succes bestrijdt. Maar ze heeft de wijsheid en de moed om zich niet te laten vangen door de eer en het geluk als nieuwe minister-president. Ze presenteert zich als sleutelfiguur in de coalitievorming voor Denemarkens landsbelang, nlk. voor alles een stabiele regering.

Er zit een hele mooie journalistenplot in waar de nieuwshoofdredacteur de nieuwe kijkcijfergoeroe van de directie moeizaam maar finaal met zelfrespect succesvol het hoofd weet te bieden.

Ook de boeren en de hoeren komen ruim aan bod.

Seks is weer erg variabel gesuggereerd en preutsheid voert de toon.

Borstknobbel puncties worden staand uitgevoerd met kleren en bh aan. De oncologie in Denemarken laat zich hier lijmen voor commerciële successen op officiële zenders in derde landen: een al te preuts publiek eist een ferme scheve schaats.

Familiale problemen lijken op te lossen, liefdesleven vernieuwt en zelfs de politiek wordt wat gezelliger en braver.

Toch weet Borgen 3 de kijker snel en snedig naar het vervolg te leiden. En dan wordt er toch nog in schoonheid afscheid genomen.

De thematische quotes bij iedere aflevering zijn navenant:

“With Law Shall Nation Be Built” (Codex Holmiensi)

“I like the dreams of the future better than the history of the past.” – Thomas Jefferson

“You can fool some of the people all of the time, and all of the people some of the time, but you can not fool all of the people all of the time.” – Abraham Lincoln

“To dare is to lose one’s footing momentarily. Not to dare is to lose oneself.” – Søren Kierkegaard

“Nearly all men can stand adversity, but if you want to test a man’s character, give him power.” – Abraham Lincoln

 

Archief

vrt deredactie.be blog: ‘Na priesters verschijnen specialisten’

10 mei 2013

Na priesters verschijnen specialisten

Ondraaglijk steeg de voorbije week een spanning die nauwelijks te harden leek want harteloze politici zouden beslissen over het verdere leven van Viktor. Het jongetje lijdt aan een uitzonderlijke ziekte waarvoor een levensreddende maar extreem dure behandeling bestond wat geen normaal gezin ooit zou kunnen betalen.

Een loopje met de waarheid

Bijna dagelijks werd de spanning opgedreven met berichten over de stand van terugbetaling verlucht met beelden van de vrolijke jongen omringd door het wel erg fragiele geluk van zijn ouders. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen bracht een negatief advies uit, de minister zou volgen, de ouders zouden niet kunnen betalen en Viktor zou een gewisse dood sterven.
Het dilemma van Viktors onbetaalbare behandeling was tot de treinramp te Wetteren een hartenbreker die een eindeloze reeks bedenkingen, bespiegelingen, discussies over ethiek tot zelfs politiek vuurwerk opleverde.
Terecht, al bleek snel dat hier en daar een loopje met de waarheid werd genomen.

Nuchter blijven

Alexion blijkt als spin off van de Amerikaanse Yale universiteit dank zij academisch wetenschappelijk onderzoek intussen honderden miljoenen dollars aan winst te genereren, voornamelijk op hun commercialisering van Soliris als een meer selectieve blokker van het afweersysteem.
Vorige week durfde alleen Katelijne De Nys, hoofd van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen met verstand, empathie en redelijkheid enig licht te laten schijnen in de coulissen van Big Pharma : ‘Bij elk terugbetalingsdossier denk ik aan de patiënten erachter. Ik probeer zo integer mogelijk te handelen, als dokter, als moeder, als collega. In onze commissie willen we met iedereen rekening houden. Iemand moet nuchter blijven als iedereen zich laat meeslepen door emoties. Anders geef je gewoon toe aan de farma-industrie, en dat is onhoudbaar.”

Dwanglicenties

Federaal minister van Volksgezondheid Onkelinx bereikte na een te sterk opgedreven chantage-tactiek van Alexion een beperkte prijsdaling van Soliris in ruil voor tegemoetkoming door de ziekteverzekering. Ondanks de vrije markttheorie blijft de overeenkomst geheim want niemand mag weten van de prijsvoering elders. Dat zou als referentie kunnen leiden tot concurrerende prijsdalingen in verschillende landen.
Toch kan de overheid ook dwanglicenties gebruiken om patenten te verbreken in geval van ernstige ontwrichting van de gezondheidszorg door exorbitante prijzen. Dit was bijvoorbeeld het geval met het patent van Bayer op ciprofloxacin wat door de Amerikaanse overheid werd verbroken uit angst voor een antrax epidemie na 9/11. Deze week werd dan duidelijk hoever Alexion durfde te gaan in haar strategie voor misbruik van patenten en buitensporig winstbejag.

Belangenverstrengeling

De 43 jarige Nederlandse Maryze Schoneveld-Van der Linden – die zelf lijdt aan de zeldzame spierziekte van Pompe – bleek via een Nederlandse patiënte met dezelfde ziekte als Viktor zijn ouders benaderd te hebben met de dringende oproep om publiek te gaan in de pers om via verontwaardiging bij de bevolking de terugbetaling van Soliris af te dwingen. Ook in de Franstalige media die meer invloed hebben op de achterban van de bevoegde minister.
Zelf haalde Schoneveld in juli vorig jaar ruim de Nederlandse pers omdat de vergoeding ter discussie werd gesteld van Myozyme van het farmaceutische bedrijf Genzyme. Zij verklaarde maar al te graag dat haar levenskwaliteit met de spierziekte van Pompe erg verbeterd was door dit medicijn wat jaarlijks 400 tot 700 duizend euro kost.

Patiëntenreclame voor farmaceuten

Mevrouw Schoneveld baat namelijk zelf een PR bureau uit voor farmaceutische bedrijven. Via G+Europe werd zij door Alexion gevraagd een patiëntenvereniging op te zetten om de tegemoetkoming in de kosten voor het peperdure Soliris af te dwingen.
Nogal wat patiëntenverenigingen blijken (mee-)gefinancierd te worden door farmaceutische bedrijven. Wanneer slechts één enkel bedrijf het patent heeft op een ‘weesgeneesmiddel’ dreigt belangenverstrengeling tussen producent en patiënt. De Nederlandse Stichting Code Geneesmiddelenreclame stelt dat ervaringsverhalen van patiënten over specifieke (recept)geneesmiddelen als reclame moeten beschouwd worden, wat niet toegestaan is voor geneesmiddelen.

Omerta onder specialisten

Bij mijn weten maakte slechts één medisch specialist de voorbije week een kritische opmerking in de pers. Het medicijn ‘Soliris-eculizumab’ van de firma Alexion zou in vijftig procent van deze uitzonderlijke ziekteprocessen effectief zijn. Over spontane genezing, nevenwerkingen zoals infectierisico’s werd met geen woord gerept. Zou er sprake kunnen zijn van een omerta binnen (academische) medische kringen?
Wondermedicijnen leveren geen mirakels zonder nevenwerkingen, ook niet voor heel veel geld. Wonderen bij bezwerende geestelijke voorgangers en hun biddende gelovigen is vooral een geloofskwestie, eerder dan een medisch fenomeen.
Het succes van priesters, exorcisten, imams en andere religieuze leiders inzake ziekte en gezondheid is voor de meeste mensen gekeerd ten voordele van wetenschappelijke specialisten.
Maar ook deze hooggeleerde specialisten lijden wel eens onder waarheden die liever geen kritiek of nuancering verdragen in het belang van het hogere medische doel, de patiënt en de financiering van wetenschappelijk onderzoek. Zeker nu zelfs universitaire leerstoelen mee gefinancierd worden door farmaceutische firma’s.
Dan maken ze liever plaats voor patiënten(-verenigingen), filosofen, ethici tot zelfs politici.

Geen monniken in een klooster

Net voor het Nederlandse kroningsfeestje verscheen in de New York Times een uitgebreid achtergrondartikel over Diederik Stapel, weggestuurd als hoogleraar sociale psychologie aan de universiteit van Groningen en Tilburg. Professor-oplichter Stapel werd in de zomer van 2011 ontmaskerd als grossier in zelfverzonnen wetenschappelijk bewijs voor verbanden zoals die tussen rommel en racisme, tussen vlees eten en wangedrag. In het interview verklaarde Stapel ondermeer: ‘Mensen zien wetenschappers graag als monniken die in het klooster op zoek zijn naar de waarheid. In de kerk hebben ze geen vertrouwen meer, in de wetenschap nog wel.’
Blijft de vraag waarom ook zijn collega’s professoren, onderzoekers en Hollands sterjournalisten jarenlang zijn populaire borreltafelonderzoeken gretig wisten te appreciëren.
Het finale rapport over zijn oplichterspraktijken onthulde hoe de arrogante professor Stapel zijn omgeving intimideerde en zijn medewerkers manipuleerde. Maar ook hoe het bestuur van de universiteit het toch zo goed met de briljante wetenschapper kon vinden, want die bracht zoveel naam en faam en centen voor allerlei mooie onderzoekjes aan. Ook politici konden bij hem terecht voor een wetenschappelijk onderbouwd verhaaltje bij gebrek aan eigen programmapunten.

Niet alleen in Nederland

Diederik Stapel heeft met zijn jarenlange oplichterspraktijken midden het zwijgen of wegkijken van zijn collega’s en bestuurders enorme schade toegebracht aan wetenschappelijke waarheidsclaims.
Uit een anonieme enquête van Eos-magazine eind vorig jaar bleek dat acht procent van de medische onderzoekers in Vlaanderen toegeeft data te verzinnen of te ‘masseren’ om een hypothese te doen kloppen. Bijna de helft ziet zulke frauduleuze praktijken om zich heen gebeuren. Als een van de oorzaken wijzen de onderzoekers naar de grote publicatiedruk, de hogere belangen. In maart viel aan de VUB een jonge en beloftevolle professor in de farmacologie door de mand omdat hij de onderzoeksresultaten naar medicijnen voor epilepsie vervalst had. Een negatief resultaat zou de financiering van zijn onderzoek onderuit halen en wellicht ook zijn wetenschappelijke carrière kraken.

‘Reclame betekent vooral dat bepaalde objecten beginnen te spreken en beelden te produceren. Een proces dat aanvankelijk lachwekkend en onbeholpen is, maar onvoorspelbare ontwikkelingen belooft. Ontstaan als bijverschijnsel van de productie, zal de reclame op zekere dag kans zien de verhoudingen om te draaien: objecten worden geproduceerd om bepaalde beelden, bepaalde namen, een bestaansgrond te geven.’ Roberto Calasso, De droom van Baudelaire.

 

Archief

Johan de Boose, Gaius.

28 april 2013

Johan de Boose, Gaius. 

Het eerste deel van de romantrilogie ‘Het Vloekhout’ - De Bezige Bij Antwerpen 2013

Johan de Boose  kan volgens mij alles. Hij kan zijn lezers leiden door het oosten, naar het oosten en nu met ‘Gaius’ zelfs vanuit het oosten. Hij schrijft boeiend over Oost Europa, baanbrekend over Bloedgetuigen en hun reizen naar het oostfront en dan nu een scabreus reisverhaal over een theaterdecorbouwer, – dorps- en tijdgenoot van de Joodse profeet uit Nazareth – over Efese en Pergamon, Athene en Salona (nabij Split) langs Rome op de vlucht naar Ename. Ik ken in het Nederlandse taalgebied nauwelijks een auteur die zo’n uitgebreid register aan culturen, verledens en toekomstdromen met virtuoze stijl en literair gemak kan bespelen.

‘Ducunt volentem fata, nolentem trahunt – De lotsbeschikkingen leiden hem die wil, hem die niet wil sleuren ze mee,’ van Seneca wordt als leidraad van  de trilogie ‘Vloekhout’ vooropgesteld.

69. ‘Dat hout, die vruchtenschaal, weet je, heeft een triest verhaal. Sommige krijgers vieren de dag van hun grootste nederlaag om zich te wentelen in het slachtofferschap. Ik was die dag ook een slachtoffer, een slachtoffer van de passie, en toen de soldaten de palen waaraan Jesjoea zou worden vastgenageld op maat hakten, viel er een stuk voor mijn voeten neer. Ik heb het meegenomen. Ik had een stutplank nodig voor een decorstuk, en dit had de goede afmetingen, en het was bovendien gemaakt van elzenhout…’

Voor Johan de Boose neigen mensen de ramp waarvoor ze bang zijn, zelf eerder dichterbij te brengen, precies door hun eigen angsten: ‘Als je iets graag wil, zal alles ertoe bijdragen dat het ook echt gebeurt. Wil je iets niet, dan zal het lot ervoor zorgen dat je door de gebeurtenissen wordt meegesleurd’.

Het verhaal van Gaius ontwikkelt snel en meeslepend naar een caleidoscopisch einde in de oude Romeinse villa onder de ruïnes van de abdij van Ename.

Onderweg biedt de auteur naast scabreuze bespiegelingen ook boeiende filosofische en psychologische beschouwingen.

Niet in het minst over mannen en christenen.

96. ‘Je begrijpt de ongeschreven regels van het spel niet.’ ‘Welk spel?’ ‘Het spel dat bepaalt dat mannen elkaar nooit helemaal de waarheid vertellen.’ ‘Waarom niet?’ ‘Alles is hierop gebaseerd. In de politiek, in het theater, in de vriendschap…’ ‘Wat verzwijgt u voor elkaar?’ ‘Wat ons extra kwetsbaar maakt. Wat ons herinnert aan onze donkerste kant. Wat vragen stelt waarop het antwoord onverdraaglijk zou zijn.’

301. Areta zegt: ‘Ik raadde je aan het hem zelf te vragen, maar jij antwoordde dat het deel uitmaakte van een spel tussen mannen, dat ze elkaar nooit helemaal de waarheid vertellen, omdat… die hen extra kwetsbaar zou maken, en omdat… die vragen stelt waarop het antwoord onverdraaglijk zou zijn.’

117. Er waren christenen bij. Ik herkende hen aan hun voldane glimlach vol minachting voor al wat hen omringde, zelfs voor zichzelf, voor hun eigen lijf, een zwijgende glimlach waarin de ramp zich misschien al had voltrokken en het ophanden zijnde leed slechts een futiliteit was. Misschien was die superieure glimlach, hun ingegeven door een hooghartige godheid, juist de reden van hun vervolging. In een flits dacht ik dat zij misschien zelfs een blik in de toekomst, een echt verre toekomst, hadden kunnen werpen en dus meer wisten, alles wisten, alle oplossingen van alle raadsels. Vandaar hun stilte, hun hoogmoed.

Wijsheid, kracht, schoonheid

78. ‘Toen de taal uit het theater verdween, bleef alleen het menselijke lichaam over. Het kon zich ontplooien zoals het dat nog nooit had gedaan. Begrijp je wat voor een ommekeer dat was? Het lichaam kon zich in extase laten zien, ongegeneerd, ongemaskerd. Het kon zichzelf laten zien in zijn pracht en in zijn aftakeling, het kon zelfs zichzelf uitputten. De ziel liet haar masker vallen. Toen dacht ik: er is maar één stap nodig naar die andere, ultieme schoonheid: die van het leed, de pijn en de dood.’ ‘Als wij denken dat we het hoogste punt van beschaving hebben bereikt, vergissen we ons. Wij kunnen nog een trap hoger gaan; we kunnen de schoonheid en de kracht ervan nu zelf vernietigen, op een poëtische manier. Begrijp je wat dat betekent? Dat was… de grootste vergissing die ik kon maken. Ik wilde het voorstellingsvermogen vullen met hogere werkelijkheid. Je vroeg of schoonheid groter wordt als ze immoreel is. Toen geloofde ik van wel. Ik stelde schoonheid boven alles, boven de moraliteit van de gewone mens, boven het menselijk bestaan, zelfs boven de liefde.’

225.“Het betekent dat de ware kunstenaar boven de zedelijkheid staat en dus ook, zo u wilt, boven de plichtenleer van de gewone burger. (...) Wat dicteert ons de logica? Dat alleen hij die boven de wet staat maximale schoonheid kan nastreven. Schoonheid waarvoor alles moet wijken.”

227. “Welk opperwezen?” Petronius lachte. “Dat van de Joden of dat van de christenen, dat de toekomst lijkt op te eisen? Zij dromen van een opperwezen dat de wereld omarmt met liefde, met de slogan ‘Heb uw vijanden lief ’, met gesuikerd bedrog, en als je ’t mij vraagt is dat alleen maar een vrijgeleide voor barbaren om het rijk te veroveren. Het opperwezen waaraan ik denk, geeft de kunstenaar het recht om boven de plichtenleer te staan. Hij is amoreel. Hij smeekt om schoonheid. Hij smeekt erom dat alles wijkt voor schoonheid. Hij lijkt in niets op deze zielige, hondsgeile, onbenullige helden die men goden noemt.

304. ‘Hebben wij niet allemaal gedroomd van een leven in schoonheid? Wij zijn het kind dat ontwaakt en mijmert over de dag die aanbreekt. Wij zijn een maagd die zich geeft. Ha! Is er geen moment in ieders bestaan waarop hij zich bekommert om de dood van een kat of een worm, onze lagere broeders, of zelfs om een mens? Zelfs om een mens… Wanneer, o wanneer houdt het op? Waar gaat het fout?’

Overtreding

107. ‘Hij sprak over de geest van de negatie, of beter over de geboorte van het nee. Hij zei dat de wet, en hij bedoelde natuurlijk de wet van zijn god, de overtreding uitlokt. Overtreding is altijd aantrekkelijk.’

Schuld en straf

200. ‘De schuld is bijkomstig. De straf zou dienen als voorbeeld.’ ‘Het Romeinse recht zou er anders over oordelen.’ ‘Waarom wind je je telkens op over het lot van minderwaardige zielen? Hadden we het medelijden met de zwakke medemens niet begraven? De maatschappij bestaat uit klassen, en iedereen moet zijn plaats kennen.’

Symfora

264. Had ik empathie? Natuurlijk. Zonder empathie is het onmogelijk om de pijn te begrijpen die je moet creëren. En het geweten? Kijk, ik was een collaborerende ambtenaar. Als ik de opdracht niet had uitgevoerd, had iemand anders het gedaan. Ik was een instrument in handen van een crimineel beleid. Dat wist ik. Uit zelfbehoud kweet ik me van mijn elementaire taak. Geleerden noemen dat cognitieve dissonantie: je weet dat het fout is, maar je doet het toch. Maar er was natuurlijk meer. Ik ontdekte dat er naast lichaam, ziel en thymos, de drie positieve krachten waaruit de mens bestaat, mogelijk een vierde element bestaat, dat verborgen zit in een kelder in het lichaam, wellicht zelfs in de ziel, en dat in normale omstandigheden niet naar buiten treedt. Gelukkig maar, want het is de destructiefste kracht die een mens zich kan indenken, een kracht die in staat is om al wat de mensheid heeft opgebouwd in één ogenblik te vernietigen. Ik noem dat element symfora. In het Grieks heeft het een dubbele betekenis: het is zowel “voorspoed, lot, ontwikkeling der gebeurtenissen”, als “ongeluk”! Symfora is als een demon of een dier dat voortdurend opgesloten zit. Als je de poort openmaakt, komt symfora naar buiten. Tijdens mijn werk als foltertuigbouwer liet ik die poort onophoudelijk openstaan. Een krankzinnige onderneming, die een soort van permanente dronkenschap veroorzaakte. Achteraf gezien leek ik een toeschouwer in de arena van mijn eigen leven. Ik keek toe wat de demon symfora, die uit mijn eigen ziel tevoorschijn stormde, aanrichtte. Soms vervulde het mij met leedvermaak, maar meestal ook met verdriet.

 

 

Archief

vrt deredactie.be blog: Over Echte Mensen en anderen

27 april 2013

Over Echte Mensen en anderen – Jan Van Duppen

Met de tv-serie ‘Äkta människor – Real Humans – Echte Mensen’ had de Zweedse televisiezender SVT1 (vergelijkbaar met één in Vlaanderen) in 2012 een spraakmakend verhaal. Dit najaar wordt de serie wegens groot succes vervolgd.

Met ‘Real Humans’ lijkt een nieuwe inspiratiebron voor verslavende Scandinavische reeksen aangeboord, na de krimi en de politiek nu ook over relaties tussen echte mensen en anderen.

‘Echte Mensen’ spiegelt een maatschappij van vandaag met SF allures. Menselijke robots – hubots waarvan voortdurend meer op mensen gelijkende generaties op de markt komen – blijken zeer bruikbaar voor moeilijke, vervelende, vuile en andere taken die echte mensen liever niet uitvoeren.

Gelijkheid

De reeks ontwikkelt spannend en realistisch met verschillende verhaallijnen rond een gefrustreerd arbeidersgezin en een betere middenklasse familie. Het wordt zeer herkenbaar door de realistische angsten van arbeiders die op het werk plaats moeten maken voor de hubots, voor echte mensen die hun partners inruilen voor jonge en gewillige hubots. Relationele spanningen, een puberende zoon en opa, problemen op het advokatenkantoor van de moeder leiden de kijker naar controversiële reflecties over denkpatronen. De moeder is bereid om als advocaat op te treden in een zaak van gelijke rechten voor hubots.

En daar omheen draait de hele tv-reeks: hoe behandel je wezens die gelijkend en toch anders zijn, die in de nieuwste versies eigen wensen en verlangens hebben, die zich niet meer tevreden stellen met een dienende functie. Wat is het onderscheid tussen wij en zij? Wie bepaalt dat en hoe ga je ermee om?

Vrijheid

Doorheen het verhaal dwaalt een groep ‘vrije’ hubots – die geen eigenaar meer hebben en die beschikken over een klooncode. Ze zeggen te zoeken naar vrijheid, gelijkheid en broederlijke erkenning. Zij kruisen geregeld het pad van de echte mensen en zijn nauwelijks nog te onderscheiden. Zeker zij die eigenschappen van hubots en echte mensen in zich verenigen: een bijzonder spannend gegeven voor de Zweedse staatsveiligheid die ook door hen geïnfiltreerd werd.

Maar de boeiendste uitdaging van ‘Real Humans’ is de voortdurende vraag hoe je om kan gaan met wie anders is dan de leden van je eigen gemeenschap. Laat je die ‘andere’ toe, stel je die gelijk of bewaar je onderscheid en afstand om ‘echte mensen’ af te schermen. Of beoordeel je iedere situatie, persoon, hubot anders naar gelang behoefte en aanbod? ‘Real Humans’ stelt de kijker vragen over hoe mensen omgingen met slaven, krijgsgevangenen, menselijke oorlogsbuit. Hoe gaan echte mensen vandaag om met migranten uit andere culturen, met een ander geloof, huidskleur, gewoonte, met allochtonen, illegalen, asielzoekers.

Broederlijkheid

Bestaande morele en sociale concepten blijken niet goed te werken en vooral moeilijk op iedereen toepasbaar ondanks het beleden religieuze en filosofische gelijkheidsprincipe. Het uitgangspunt van gelijkheid en broederlijkheid kan niet zonder meer veralgemeend worden. De kerkgemeenschap van een lesbische dominee wijst haar gastvrijheid af voor de vrije hubots als ‘mensengelijken’. De belevingswereld van de vrije hubots en hun referentiekader blijft verschillend van die van echte mensen. Ook zij blijken steevast vanuit hun eigen ideaalbeeld de anderen te benaderen.

De appreciatie van de ander wordt aangeleverd door en voor degene die waarneemt, en niet vanuit het object van de waarneming.

In het eerste seizoen bereidt ‘Real Humans’ de kijker voor op de stelling dat wie beroep wil doen op gelijke rechten en gelijke behandeling dit moet verdienen. Voor wat hoort wat. Alleszins een interessante denkpiste en materiaal zat voor nieuwe afleveringen.

Cultuurrelativisme

Artikel 1 van de Nederlandse grondwet behandelt het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie : “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

De kernvraag van artikel 1 zit ‘in gelijke gevallen’ want die worden bepaald door wat vooraf ging. Het steunpunt van de vergelijkende weegschaal wordt afgesproken door de groep, de clan, de gemeenschap, de samenleving, de cultuur waarbinnen de weging gebeurt.

Maar wanneer die gemeenschap of samenleving vanuit een zichzelf tuchtigend cultuurrelativisme haar eigen verhaal ondermijnt, zullen de nieuwkomers besluiten tot: “Ik begrijp ze niet. Er zijn geen waarden meer. Mensen hebben zichzelf niet meer onder controle,” zoals Tamerlan Tsarnajev, de 26 jarige Tsjetsjeen die van de Bostonbommen wordt verdacht, aan zijn familie liet weten.

Verscheidenheid

Prima geïntegreerd in hun Amerikaanse droom bleken Tsjetsjeense broers uit Boston verloren in een materialistische vrijheid waar ze als individu geen zingeving durven te vinden. Vrijheid is verzet tegen het opsluiten van de mens in religieuze of nationale eenheden. Wie nog jong in die vrijheid niet leven kan, neigt makkelijk tot het vullen van die leegte met een religieuze illusie, met fanatisme en activistisch strijdgewoel. Met hun vernietigende heldendaad hopen ze de identiteit van een martelaar te verwerven in de ogen van wie er voor hen nog wel toe doet.

‘Niet verscheidenheid is de basis van een menswaardig samenleven, maar net andersom: menswaardigheid is de basis van de verscheidenheid. De import van allochrone waarden via de islam dreigt, samen met de endemische onbeslistheid van de actuele westerse wereld, de idee zelf van een menselijke cultuur te zullen vernietigen.’ (Peter De Graeve, Gilles Deleuze en het materialisme).

 

Archief

Mohsin Hamid – HOE WORD JE STINKEND RIJK IN HET NIEUWE AZIË?

21 april 2013

Mohsin Hamid – HOE WORD JE STINKEND RIJK IN HET NIEUWE AZIË?

uitg De Bezige Bij 2013

 

De auteur van ‘De val van een fundamentalist’  presenteert zijn nieuw boek als een handleiding ‘Voor Dummies’ met 12 adviezen die als tussentitel de toon zetten:  Trek naar de stad – Volg een opleiding – Word niet verliefd – Mijd idealisten – Ga bij een  meester in de leer – Werk voor jezelf – Wees bereid geweld te gebruiken – Sluit vriendschap met een bureaucraat – Word klant bij het krijgsbedrijf – Doe de schuldendans – Concentreer je op de wezenlijke zaken – Zorg voor een exitstrategie.

Mohsin Hamid heeft op die manier een teder, grappig, soms hilarisch, vaak bijtend en cynisch kleinood geschreven over het ware leven in een Pakistaanse stad waar de plattelandsbevolking in enorme migratiegolven naartoe gedreven wordt. Een jongen en het mooie meisje worden  gedurende heel hun lange leven gevolgd als een praktische toepassing van voormelde handleiding. De rauwe werkelijkheid van de ‘groei-economie’ wordt blootgelegd, net als het moeilijke liefdesleven.

De fundamentalistische invulling van de leegte aan zingeving en het gebrek aan empathische communicatie speelt op de achtergrond als een oplossing voor de veel jongere echtgenote van de hoofdrolspeler. Wanneer zijn zakelijk succes de top heeft bereikt en onderuit gehaald wordt door zijn zwager, keert het leven naar een mooi en langdurig sterven: “Minder hebben betekent minder hebben om je te verdoven tegen je leven”.

225. We zijn allemaal vluchtelingen uit onze jeugd. En dus zoeken we ons heil, onder meer, in verhalen. Een verhaal schrijven, een verhaal lezen, is ontvluchten aan de vluchtelingenstaat. Schrijvers en lezers zoeken een oplossing voor het probleem dat de tijd verstrijkt, dat zij die weg zijn weg zijn en dat zij die nog weg zullen gaan, dat wil zeggen, wij allemaal, weg zullen gaan. Want er is een moment geweest waarop alles mogelijk was. En er komt een moment waarop niets meer mogelijk is. Maar in die tussentijd kunnen we creëren.

De organisatie.  

67. Veel van de leiders binnen je organisatie zijn achter in de dertig en al bijna zo lang als jij leeft zogenaamd student aan de universiteit. Wat dat betreft ben je niet van plan in hun voetsporen te treden. Maar je geniet wel van de nervositeit die je verschijning nu teweegbrengt bij rijkere studenten en corrupte functionarissen. Jullie organisatie is, zoals alle organisaties, een economisch bedrijf. Het product dat hij verkoopt is macht. Er zitten zo’n dertigduizend studenten op jouw universiteit. Samengevoegd met die op andere onderwijsinstellingen in de stad neemt het straatvullend vermogen van deze jonge mensen ontzagwekkende proporties aan, een vertoon van macht dat ongewenste wetgeving, beleid en taal moet doen sidderen. Politieke partijen trachten dat gegeven uit te buiten door op de campus afdelingen op te richten, en de jouwe is er daar een van. In ruil voor je lidmaatschap geniet je een maandelijkse toelage in de vorm van geld, eten, kleding en een slaapplaats in het studentenhuis. Je geniet tevens bescherming. Niet alleen van andere studenten, maar ook van universiteitsmedewerkers, buitenstaanders, en zelfs van de politie. Als je nu zo door de straten van de stad fi etst, weet je je geen geïsoleerd en verpauperd individu, een zwakke prooi voor de maatschappelijk sterken, dat met een klap kan worden gestraft omdat het buiten zijn schuld bij een aanrijding tussen zijn fiets en een auto betrokken is. Nee, je bent onderdeel van iets groters, iets rechtvaardigs. Iets wat, indien er een beroep op wordt gedaan, volstrekt meedogenloos is.

78. Op de universiteit dringen leden van je organisatie erop aan dat je niet te veel blijft rouwen, in elk geval niet langer dan de voorgeschreven periode. Ze zeggen dat het anders gelijkstaat aan het verwerpen van wat het lot heeft bepaald. In plaats daarvan zeggen ze je je energie te richten op de taken die je worden opgedragen, je kameraden als je ware familie te zien, en je voor de organisatie in te zetten teneinde je bestemming te vinden, zoals je moeder de hare gevonden heeft. Maar je vindt die suggesties te veel bedacht en te vrijblijvend, en bovendien heeft je introspectieve en melancholieke toestand van dit moment je zin voor het eten, de kleding en de familieband die de organisatie biedt, alsook voor de bescherming die ze zegt te bieden, danig verminderd. Je leider begint je in de gaten te houden, en zegt vervolgens je kameraden die hij het meest vertrouwt je ook in de gaten te houden. Hij maakt zich zorgen over je apathie en je lusteloosheid, over het cynische geluid dat je in gesprekken en op bijeenkomsten laat horen. Je past ervoor op hem nooit willens en wetens te provoceren, maar hij is zich bewust van de negatieve invloed die je inmiddels verspreidt als je hem buiten gehoorsafstand waant. Het kost hem weinig tijd om een hoeveelheid bewijzen te verzamelen die voldoende is om je een stevige en gezien zijn wispelturige karakter, mogelijke pijnlijke, reprimande te geven, maar als hij zijn rechterhand stuurt om je naar hem toe te brengen, ben je nergens te vinden.

Het vaderschap 

126. Je boekhouder vermoedt dat hij niet lang meer te leven heeft. Zijn gezicht is nu al een masker geworden, de gedeeltelijke stijfheid herinnert hem aan het gezicht van zijn vader, in de uren na diens overlijden, nadat hij gewassen maar nog niet aan de aarde was toevertrouwd. Hij stelt zich vaak voor hoe het is om kleine bloedvaatjes in zijn hoofd te voelen knappen, een zintuiglijk bruisen, als de prikkeling in een slapende voet. Maar hij draagt zijn lot grotendeels met gelatenheid. Zijn zoons hebben werk. Zijn dochter is getrouwd – met jou – een familielid met de juiste normen en waarden en uitstekende vooruitzichten. Daarmee heeft hij het belangrijkste volbracht wat een vader te volbrengen heeft, en hoewel het verlangen naar een nieuwe kans om jong te zijn ons allen tart, is hij sterk genoeg om vast te hou- den aan de waarheid dat tijd niet zo werkt.

De bureaucraten.

146. Bureaucraten, die staatsuniformen dragen terwijl ze stiekem hun privé-belangen behartigen. En bankiers, die privé-uniformen dragen terwijl ze stiekem hun belangen door de staat laten behartigen. Beider hulp heb je nodig. Maar in het nieuwe Azië, waar bureaucraten de dienst uitmaken, hebben bankiers de neiging te volgen, en dus is het bestendigen van je succes in hoge mate afhankelijk van vriendschappelijke banden met de juiste bureaucraat

De hefboomwerking van geleend geld.

186. Met geleend geld kan een bedrijf investeren, aankopen doen en groeien. Lenen is hefboomwerking kopen, en hefboomwerking is een vleugelpaar. Hefboomwerking is vliegen. Hefboomwerking is voor klein een manier om groot te worden en voor groot om gigantisch te worden. Hefboomwerking is een schitterende abstractie, de belofte van morgen vandaag, ja een bevrijding van de tijd, een klinkende overwinning van de menselijke wil op de treurige, aan de chronologie geketende fysieke werkelijkheid. Hefboomwerking is onsterfelijk zijn. En zo niet, verzekert je rechterhand je, dan is het omgekeerde in elk geval waar.

Geofferd worden om de kudde te laten doordraven 

197. In de maanden daarna ontvang je anonieme doodsbedreigingen en heb je afspraken met politici die je voor bondgenoten hield, maar die nu hun leedvermaak amper blijken te kunnen verhelen. Je raakt verwikkeld in een van die cynische campagnes rond aansprakelijkheid die periodiek door de gevestigde orde in je stad worden gevoerd, je wordt voor de wolven van de publieke opinie gegooid, ongefundeerde geruchten over je schimmige praktijken krijgen schandelijk veel aandacht in de pers. Je hebt er nooit bij gehoord, en je bent eindelijk aangeschoten wild. Het is niet meer dan normaal dat je wordt opgeofferd opdat de rest van de kudde kan doordraven. Als de uitkomst eenmaal vaststaat, aanvaard je je lot zonder al te veel verzet, voor de vorm nog wat tegenspartelend, voornamelijk uit gewoonte en verantwoordelijkheidsgevoel jegens je ex-werknemers. Het lijkt haast alsof je het op een perverse manier ergens wel leuk vindt om zo te worden vernederd, alsof je een krankzinnige drang voelt om je rijkdom af te schudden, als een dier dat in het najaar zijn huid afwerpt. Misschien draagt dat bij aan het fanatisme waarmee je wordt aangevallen. Als alles achter de rug is, zitten er enkel nog wat minuscule reepjes van het vroegere vlees op je financiële botten, maar je bent toch niet helemaal kaalgeplukt. Je bent niet behoeftig. Je blijft op vrije voeten. Je bent een oude man op een hotelkamer, je neemt je medicijnen, kijkt door het vuile raam naar de straat beneden, verplaatst je per taxi als het moet. In het dagelijks leven lijk je soms wat timide, aarzelend, al valt onmogelijk te zeggen of die verandering nu aan je economische tegenspoed of aan je verminderde gezondheid te wijten is. Je bent geconfronteerd met de harde realiteit dat een mens met het vorderen van de leeftijd dingen worden ontnomen, vaak zomaar opeens en zonder enige waarschuwing. Je huurt geen huis voor jezelf en koopt ook geen tweedehands auto. In plaats daarvan blijf je in je hotel, met weinig bezittingen, niet meer dan er in een enkel stuk bagage zouden passen. Je vindt het prima zo. Minder hebben betekent minder hebben om je te verdoven tegen je leven.

De breder wordende kloven tussen jongeren.

210. Je hoort berichten dat het grondwaterpeil blijft zakken, dat de dorst van vele miljoenen de ene na de andere stalen boor steeds dieper de aquifer in drijft om talloze poreuze pijpen en lekkende onbeklede kanalen te vullen, fenomenen die je maar al te bekend zijn en waar je van geprofiteerd hebt, maar die nu op sommige plaatsen een merkbare verdroging van de bodem in de hand werken, een verandering van vochtige, vruchtbare, hybride modder in gebarsten, dorre zuivere aarde. Intussen lijken er vergelijkbare pogingen, officiële en niet-officiële, te worden ondernomen om de maatschappij zelf te laten verdorren, via onder meer sluipenderwijs beperkende bepalingen aangaande festiviteiten en het openlijk zoeken van plezier in het algemeen, met een eender resultaat: barsten, steeds breder wordende, zichtbare kloven tussen jongeren, die je sterker verdeeld voorkomen dan ooit, opgesplitst in tal van ondoorgrondelijke stammen, die hun affiliaties tonen door middel van een autosticker, een blote schouder, of een mysterieuze permutatie in de mogelijkheden tot gezichtsbeharing

 

Archief

MOOOV Turnhout – El muerto y ser feliz van Javier Rebollo

21 april 2013

El muerto y ser feliz, Javier Rebollo

‘Voor alles is een medicijn, behalve voor de dood’

De dode man en gelukkig zijn’ is een Argentijnse ‘roadmovie’ over wegen, honden en pistolen. De hoofdrolspeler is een oude Spaanse huurmoordenaar die zijn leven met een terminale pancreaskanker zelf wil afronden. Hij laat zich een koffer morfine bezorgen door de verpleegster die hem in het ziekenhuis ook genitaal verzorgde en vertrekt met zijn oude stationwagen door de Argentijnse landschappen. Onderweg treft hij een jonge vrouw die hem gezelschap houdt en geleidt naar waar zij ooit haar jeugd beleefde eer ze er kon wegvluchten uit liefde voor de nutteloze en onnodige honden die haar vader fokte.

De vrijheid die ze allebei zoeken is beperkt in de tijd die hem rest en wordt gekort door hun verleden. Maar hun vrijheid biedt ook de rust om te sterven ondanks het mantra van de namen van zijn slachtoffers.

De film is boeiend en humoristisch, mede door de afstandelijke commentaar die off screen wordt gegeven over het denken en doen van de protagonisten en de Argentijnse samenleving.

Weten dat je dood nadert, kan ook rustgevend zijn.

 

Archief

MOOOV Turnhout – openingsfilm ‘The Attack’ van Ziad Doueiri.

21 april 2013

Met ‘The Attack’ en premier Elio Di Rupo opende het nieuwe MOOOV filmfestival als geheel Vlaamse opvolger van Open Doek te Turnhout. De Libanese schrijver en regisseur Ziad Doueiri, liet via een videoboodschap weten dat hij niet kon komen wegens nodig in Libanon waar zijn film verboden werd. Hijzelf ook, zoals zou blijken uit het interview met hem in MO* waar hij onder de titel ‘Ik kies partij voor wie de waarheid zoekt’ een en ander probeert te verduidelijken.

En dat was ten zeerste nodig, wegens geen simpele en ook geen mooie film. Maar wel een die tot verrassende inzichten leiden kan, tenminste voor wie verder wil zien dan de gebruikelijke spiegeling van solidaire platitudes. ‘The Attack’ naar het boek van Yasmina Khadra (pseudoniem van de Algerijnse schrijver Mohammed Moulessehoul) werd meegefinancierd door The Belgian Federal Government Tax Shelter  wat de premier en alle andere hoogwaardigheidsbekleders in hun toespraken spijtig genoeg vergaten te vermelden, maar wat wel herhaaldelijk op de aftiteling stond te blinken.

In een interview achteraf voor Gazet van Turnhout wist de eerste minister nog te melden: “Het was een hele goede openingsfilm. Hij neemt je gedurende anderhalf uur bij de keel en is ook een heel mooi voorbeeld voor de samenleving, met respect voor andere culturen.”

Wat zijn ‘heel mooi voorbeeld’ wel mag zijn en aan welk ‘respect voor andere culturen’ hij denkt is niet helemaal duidelijk, zeker niet voor wie de film heeft gezien.

Want ‘The Attack’ gaat in wezen over verraad, over gruwelijk en langdurig verraad, over misbruik van vertrouwen, over leugen, jaloezie, bedrog, machtswellust, onmacht en een zinsverbijsterend verlangen naar een atavistische betekenisvolle vruchtbaarheid.

De Arabisch-Israëlische arts Amin Jaafari wordt in Tel Aviv gelauwerd om zijn medisch wetenschappelijk werk. De dag na de huldiging wordt zijn ziekenhuis overspoeld met de slachtoffers van een bomaanslag tijdens een kinderfeest in een restaurant: 17 doden en 11 zwaar gewonde kinderen. Ook zijn vrouw, Shiham, een christelijke Palestijnse is bij de slachtoffers.

Erger nog, zij wordt al snel beschouwd als de zelfmoordterroriste die de aanslag heeft gepleegd met een bommengordel, als was ze zwanger. Hij kan dit niet geloven, wordt aangehouden en ondervraagd, weer vrijgelaten en gaat dan zelf op zoek naar de waarheid, naar een verklaring voor de gruweldaad van zijn geliefde, waarmee hij 15 jaar gehuwd was.

Het leidt hem naar zijn eigen familie in Nabloes waar zijn schoonbroer, zuster en neef haar jarenlang stap voor stap hebben voorbereid om van haar onvruchtbaar en leeg luxeleven als echtgenote van een topchirurg iets geheel nieuws en vruchtbaar verlossend te kunnen maken. Haar zelfbeeld werd geleidelijk geprepareerd want na al die huwelijksjaren had ze hen niet eens een dochter gebaard.

De sjeik van Nabloes, die graag profeet speelt, de orthodoxe priester van haar christelijke geloof en hun heldhaftige entourage hebben de hele stad volgeplakt met haar portret als martelaar voor de rechtvaardige eisen van de Palestijnse kinderen die door Israel zozeer worden onteerd. Als heldin wordt zij, die hem jarenlang verraden heeft, inmiddels geëerd. Volgens de zoon van haar schoonzus die tevens haar contactpersoon was met de Palestijnse ronselaars voor zelfmoordaanslagen kwam de mentale omslag er na de confrontatie met de ruïnes van Jenin waarop ‘Ground Zero’ gekalkt.

In maart 2002 pleegde Hamas een zware zelfmoordaanslag tijdens het Joodse Sederfeest in een hotel te Netanya waarbij vooral bejaarden waaronder holocaustoverlevers de uittocht uit Egypte herdachten. Als vergelding viel het Israëlische leger begin april 2002 het vluchtelingenkamp in Jenin binnen en richtte er een enorme ravage aan.

De Palestijns-Israelische chirurg Amin Jaafari keert in verwarring terug naar Tel Aviv en probeert in een mentale zoektocht doorheen zijn huwelijksjaren aanwijzingen te vinden: het verraad van zijn zo geliefde echtgenote, aan hem, aan haar familie, aan hun vrienden, aan haar en zijn toekomst. Hij wordt verscheurd tussen loyauteit aan zijn levensdoel als topchirurg en zijn familie die hem jarenlang als een bastaard behandelden: ‘De bastaard is niet wie zijn vader niet kent, de bastaard is wie zijn wortels niet kent’, werd hem ingepeperd.

Zelf kiest hij finaal voor verraad aan zijn collega’s, zijn vrienden en zijn levensideaal. Decennialang heeft hij gestudeerd, gewerkt, gevochten voor zijn kennis en kunde. Hij heeft met veel succes alle kansen benut die hij als Palestijn in Israel kon krijgen. Hij kiest finaal voor de familieclan die hem met het verhaal over zijn vermeende wortels probeert te lijmen. Hij weigert zijn informatie door te spelen aan de Israëlische politie. Ondanks alle emotionele en reële gruwelen is hij er niet in geslaagd afstand te nemen van de leugens en het bedrog.

In zijn boek ‘Gilles Deleuze en het materialisme’ formuleert de filosoof Peter De Graeve inspirerende kritieken op de vragen die ‘The Attack‘ open laat en die onze eerste minister Elio Di Rupo ontkende: “ De film neemt je gedurende anderhalf uur bij de keel en is ook een heel mooi voorbeeld voor de samenleving, met respect voor andere culturen.”

210. Het ‘verraad aan het verraad’ is dus een verzet tegen slaafsheid en bekrompenheid. De politieke of religieuze organisatie van leenidentiteiten is tirannie. Krachtige individuatie is het verzet tegen die tirannie. Vrijheid volgens Spinoza bestaat in het behoud van de actieve openheid. Ze is het verzet tegen het opsluiten van de mens, door de mens, in de engheid van religieuze of nationale eenheden

211. Het verraad van grote individuen aan hun gemeenschap is in feite verraad aan de idee van gemeenschappelijke slaafsheid en bekrompenheid. De gemeenschap wordt niet verraden opdat de individuen zelf vrij zouden zijn (bevrijd van gemeenschapsbanden), maar met de bedoeling het grotere geheel, de gemeenschap, te bevrijden uit z’n verslaving aan de bekrompen vereniging. Zolang de idee van de gemeenschappelijkheid passief blijft, louter gericht op de bestaande eenheid en op de individualisatie van daaruit, zolang ze met andere woorden niet actief wordt in het ideaal van een gemeenschappelijke vrijheid, kan er slechts sprake zijn van slaafsheid. De grote vraag van het spinozisme (en van Deleuze) is dan ook: waarom toch vechten mensen altijd voor hun onvrijheid alsof hun heil ervan afhing? Het antwoord op die vraag ligt in de interpretatie van het materialisme verborgen. Mensen zijn geneigd om alleen naar het hier en nu te kijken, naar de materiële en actuele realiteit. Ze laten zich leiden door hun geaffecteerd-worden door de wereld. Maar dat is een passieve houding, die uiteindelijk uitmondt in droefheid. Al wat droevig is, is slecht, en maakt ons slaafs. Wat ons binnen het bereik van de droefheid houdt, drukt iets tirannieks uit. Door zich niet enkel op het materiële en actuele te richten, maar te leven volgens de rede, of de idee (in de taal van Deleuze: door de gerichtheid op het virtuele), kan de mens erin slagen een actief leven, een vreugdevol bestaan, op te bouwen.

212. De morele versie van de zijnsformule luidt dan ook: verraad het verraad = bevrijd de vrijheid = volhard in het bestaan. Word blijmoedig.

279. Fanatisme en activisme zijn verwant in hun houding tegenover het nihilisme. De activist is een ‘laatste mens’ (Nietzsche), die zo hard hij kan weg wil rennen van de hedendaagse waardeloosheid, maar die in zijn tijgersprong naar de toekomst zijn nihilistische heden met zich mee sleurt. De religieuze fanaticus holt dan weer het niet-zijn van een idyllisch verleden achterna met een dolheid die het hier en nu verscheurt, maar laat in zijn kamikazeduik naar het verloren paradijs het gebeuren van het nihilistische heden ongemoeid. Uiteindelijk is ook de zelfmoordterrorist maar een consument, eropuit zichzelf te adverteren en zich tijdens het adverteren te consumeren. (Inderdaad, 11 september was niet het kunstwerk dat Stockhausen erin wilde zien. Het was een reclamestunt.) Hoe kordaat ze zich ook voordoen, de fanaticus en de activist zitten allebei vast in de werelddag van de onbeslistheid.’

 

Archief

Norman Davis, Vergeten Koninkrijken – De verborgen geschiedenis van Europa.

20 april 2013

Norman Davis, Vergeten Koninkrijken – De verborgen geschiedenis van Europa.

De Bezige Bij 2013

 

‘Een mens stelt zich ten doel de wereld in kaart te brengen.
In de loop van de jaren bevolkt hij een ruimte met beelden van provincies, van koninkrijken, van bergen, van baaien, van schepen, van eilanden, van vissen, van kamers, van werktuigen, van sterren, van paarden en van personen.
Kort voor hij sterft, ontdekt hij dat zich in dat geduldige lijnenlabyrint het beeld van zijn eigen gelaat aftekent. ‘ Jorge Luis Borges.

Norman Davis heeft met ‘Vergeten Koninkrijken’ een aanvulling geschreven bij Geert Mak met ‘In Europa, reizen door de XXste eeuw’. Maar dan wel een heel belangrijke en noodzakelijke verdieping over de fundamenten waarop Europa werd gebouwd en waarvan zeer weinigen nog het precieze verloop kennen, laat staan begrijpen. Toch blijkt de ligging van die fundamenten essentieel voor het begrijpen van historische gebeurtenissen die zich in de XXste én de XXIste eeuw voorgedaan hebben en nog te verwachten zijn.

Soms wijdlopend, soms langdradig, een enkele keer wat teveel toeristische folders geciteerd, maar vaker verbluffend, verdiepend en verhelderend.

Norman Davis is erin geslaagd om van geschiedschrijving opnieuw een broodnodige wetenschap te maken.

Zijn ‘Vergeten Koninkrijken’ is even handzaam als een Trotter met allures van een Baedekker of  de Guides Bleus van Hachette. Maar dan met een historische onderbouw om lang over te reflecteren.

Hij opent met een vlijmscherpe kritiek op de academische wereld van ultra gespecialiseerde historici. (15)

En in een moeite door wijst hij op de relativiteit en de vergankelijkheid van staten, landen en koninkrijken. (17)

De Saksen-Coburgs-Gota dynastieke beslommeringen en hun metamorfoses in zowat alle Europese vorstenhuizen van de XIX en XX ste eeuw worden in ‘Vergeten Koninkrijken’ met brio gefileerd. (614)

Dankzij ‘Vergeten Koninkrijken’ begin ik eindelijk te begrijpen waarom het antisemitisme tegen de joden in Midden en Oost-Europa zo virulent en gruwelijk kon tekeer gaan. (305)

Ook over de betekenis van het gemenebest Polen – Litouwen laat hij een verhelderend licht schijnen. (311)

Fascinerend is zijn analyse van Italie, Groot Brittannie en Belgie, als kanshebbers op het uiteenvallen in de nabije toekomst.

‘Succesvol opgroeiende staten zijn in feite schaars en gezegend. Gezondheid en levenskracht, geluk, goedwillende buren en een bewuste inzet zijn vereist om de groei te stimuleren en volwassenheid te bereiken. Alle meest bekende politieke gemeenschappen ter wereld hebben die toets in hun kinderschoenen moeten doorstaan en vele ervan hebben een gezegende leeftijd bereikt. De gemeenschappen die de toets niet hebben gehaald, zijn ten onder gegaan zonder hun stempel na te laten. In de kroniek van politieke gemeenschappen is dat, net als voor de menselijke gezondheid in het algemeen, sinds mensenheugenis een ijzeren wet.’(796)

15. De ultraspecialisatie onder de wetenschappers maakt de zaken er niet beter op. Onze wereld, gedomineerd door het internet, wordt bedolven onder een tsunami aan informatie ; de aantallen nieuwe tijdschriften die je zou moeten lezen en bronnen die je kunt raadplegen stijgen exponentieel. Vandaar dat veel jonge historici geen andere mogelijkheid zien dan zich te beperken tot korte tijdperken en nietige lapjes grondgebied. Hen wordt geleerd hun werk te bespreken in een esoterische academische taal, gericht tot alsmaar slinkende gezelschapjes van gelijkgestemde collega’s. Elders klinkt overal de waarschuwende kreet : ‘Dat is mijn tijdperk niet !’ Het gevolg is dat, aangezien het academisch debat, ja, de kennis als zodanig, zich ontwikkelt doordat nieuwkomers de methoden en conclusies van hun voorgangers willen verslaan, historici van alle leeftijden sterker worden belemmerd in het uitbreken naar onontgonnen terreinen of in pogingen een grootschalig, omvattend panorama van een onderwerp te schetsen. Op een enkele – soms heel waardevolle – uitzondering na, houden de academici zich aan de gebaande paden. Hugh Trevor-Roper het probleem in de voor hem kenmerkende elegante stijl heeft gesteld : “Tegenwoordig ‘specialiseren’ de meeste historici zich. Ze kiezen een tijdperk, soms erg kort, en binnen dat tijdperk proberen ze in een wanhopige concurrentie met de alsmaar uitdijende kennis alle feiten te kennen. Aldus gewapend verschaffen ze zich een gerieflijke positie om elke amateur neer te schieten die (…) hun zwaar bewaakte terrein (…) durft te betreden (…) Ze leven in een statische wereld. Ze hebben een zelfvoorzienende economie, een Maginotlinie en omvangrijke voorraden (…) maar ze hebben geen filosofie. Historische filosofie is immers onverenigbaar met zulke nauwe grenzen. Die moet zich richten op de mensheid in elk tijdperk. Om die te toetsen moet de historicus bereid zijn op reis te gaan en ook vijandig terrein te betreden ; om die te verwoorden moet hij bereid zijn essays te schrijven over onderwerpen waarvan hij misschien niet genoeg weet om er boeken over te schrijven.

En in een moeite door wijst hij op de relativiteit en de vergankelijkheid van staten, landen en koninkrijken.

17. “Sinds de val van het Groot- Duitse Rijk in 1945 zijn voor verscheidene Europese staten overlijdensberichten geschreven : de Duitse Democratische Republiek (1990), de Sovjet-Unie (1991), Tsjechoslowakije (1992) en de Federale Republiek Joegoslavië (2006) bijvoorbeeld, en er zullen er ongetwijfeld meer komen. Maar de vraag wie de volgende zal zijn is moeilijk te beantwoorden. Te oordelen naar zijn huidige disfunctionaliteit zou België weleens de volgende dodo van Europa kunnen worden, of misschien Italië. En niemand kan voorspellen of de laatstgeborene van de Europese familie der naties, de Republiek Kosovo, zal drijven of zinken. Maar wie zich verbeeldt dat de wet van de vergankelijkheid niet voor zijn eigen land geldt, leeft in Nephelokokkygia (een woord bedacht door Aristophanes om zijn publiek aan het denken te zetten)

De Saksen-Coburgs-Gota dynastieke beslommeringen en hun metamorfoses in zowat alle Europese vorstenhuizen van de XIX en XX ste eeuw worden in ‘Vergeten Koninkrijken’ met brio gefileerd. (614)

Dankzij ‘Vergeten Koninkrijken’ begin ik eindelijk te begrijpen waarom het antisemitisme tegen de joden in Midden en Oost-Europa zo virulent en gruwelijk kon tekeer gaan. 

305. Een van de meest opvallende maatschappelijke en culturele kenmerken van Polen-Litouwen aan het begin van de zeventiende eeuw is een verschijnsel dat de ‘joods-adellijke alliantie’ is gedoopt. In het groothertogdom nam, net als in de Oekraiense palatinaten die er nu van afgescheiden waren, de invloed van de grondbezittende magnaten toe. En een geletterde klasse van joodse managers, juristen en bestuurders werd uit Polen geimporteerd om de landgoederen te leiden en de kleine stadjes te koloniseren. In de stadscentra hadden de Joden vaak met discriminatie te maken gehad, vooral van de gilden. Maar in het oosten van de staat, dat minder geürbaniseerd was, hadden ze minder obstakels te overwinnen. In Vilnius vestigden ze een zeer sterke gemeenschap die de Jiddische cultuur koesterde en waar vooraanstaande Tora-geleerden met open armen werden ontvangen. Het groothertogdom was ook een toevluchtsoord voor radicale religieuze denkers. Een groep Poolse antitrinitariers vestigde zich in Troki, waar ze samen met joodse Karaieten Bijbelteksten analyseerden. Het Hizzuq Emunah (‘bolwerk van het geloof ’) van Isaac ben Abraham van Troki (1525- 1586) werd, hoewel het pas in 1681 in het Latijn werd vertaald, door de philosophes van de Verlichting beschouwd als een van de bronnen van hun denken.  ‘Zelfs de meest verstokte vrijdenkers’, schreef Volatire, ‘hebben praktisch niets voorgesteld wat niet al in Le Rampart de la Foi du Rabbin Isaac te vinden is.‘Het compliment zouden de Karaieten van Troki hebben gewaardeerd, maar niet de verwijzing naar een van hun leidende intellectuelen als een rabbi.

325. In 1800 was de Joodse gemeenschap van het voormalige groothertogdom uitsluitend gedefinieerd in termen van religie. In 1900, na te zijn blootgesteld aan een ongekende demografische explosie, aan pogroms en aan een reeks moderniseringsbewegingen, was ze tot een erkende nationaliteit uitgegroeid. De Haskalah of ‘Joodse Verlichting’ waarbij Joden werden aangemoedigd in het openbare leven te assimileren maar prive hun religieuze praktijken te handhaven, was gedurende de hele eeuw werkzaam. De chassidische beweging, die nieuwe vormen van strikte religieuze naleving eiste, werkte echter in de tegenovergestelde richting. Een van de meest vooraanstaande sekten daarvan, de Lubavicher, kreeg in de zuidelijke districten veel aanhang. Het zionisme daarentegen kwam voort uit de Joodse seculiere cultuur en de Hebreeuwse wederopleving, dat wil zeggen, de campagne om de Hebreeuwse taal aan te passen voor dagelijks gebruik. Het Tweede Zionistische Congres, gehouden in Minsk in 1902, bracht het bestaan aan het licht van een volwaardige Joodse nationalistische beweging. Deze had als voornaamste doelstellingen het versterken van de Joodse identiteit tegenover andere nationaliteiten, het bevorderen van de emigratie naar Palestina en, net als bij nationalisten overal ter wereld, het aan de kaak stellen van discriminatie en vervolging (in dit geval zeer terecht, na de aanname van de discriminerende ‘meiwetten’ van 1882). De beweging kwam onvermijdelijk in botsing met de Bund, die juist probeerde de Joden te verzoenen met hun buren en voor iedereen een betere wereld op te bouwen.

Ook over de kwestie Polen – Litouwen laat hij een verhelderend licht schijnen. 

311. Tijdens de drie decennia van Stanis?aw-Augusts bewind ontvouwde zich een dramatisch spektakel zoals het in de Europese geschiedenis zelden is vertoond. Een van de grootste staten in Europa vocht voor zijn leven terwijl de grappenmakers van de Verlichting, onder leiding van Voltaire, spotten met zijn onvermogen. Stanis?aw-August en zijn vertrouwelingen probeerden wanhopig de Rzeczpospolita weer gezond en levensvatbaar te maken, terwijl de zogenaamde ‘verlichte despoten’ hem niet alleen probeerden tegen te werken, maar ook de kwetsbaarheid van hun slachtoffer probeerden uit te buiten en herstelmaatregelen ongedaan te maken. Een maritieme metafoor is hier misschien op zijn plaats. De kapitein en de bemanning proberen dapper hun getroffen vaartuig drijvend te houden, terwijl langszij enterende piraten zich stukje bij beetje het hout van het schip toe-eigenen. De kapitein wordt dan (door de piraten) als een slecht zeeman afgeschilderd en de boot als een wrak dat het behouden niet waard is. Het drama staat meestal in de geschiedenisboeken beschreven als de ‘Poolse Delingen’, maar dat is natuurlijk een verkeerde benaming. De staat die werd ontmanteld was niet ‘Polen’, maar het dubbele ‘gemenebest Polen en Litouwen’. Bovendien was de catastrofe op den duur minder catastrofaal voor Polen dan voor het groothertogdom. Hoewel het koninkrijk net als het groothertogdom uiteen werd gereten, zouden grote delen van Polen later worden teruggewonnen. Het wrak van het groothertogdom zonk voorgoed. De Eerste Deling in 1773 werd uitgevoerd als straf voor een decennium van vooruitgang en succes. Ze was het idee van Frederik II van Pruisen, goedgekeurd door Catharina de Grote en vervolgens opgedrongen aan een, naar verluidt, onwillige keizerin van Oostenrijk, Maria Theresia. De Pruisische koning verklaarde : ‘Ze huilde terwijl ze het accepteerde, en hoe meer ze huilde, hoe meer ze accepteerde.’ Aangezien de Rzeczpospolita in wezen weerloos was, konden de internationale bandieten grote stukken grondgebied voor zichzelf afsnijden en vervolgens het slachtoffer overhalen deze plundering met een formeel verdrag te aanvaarden. De Pruisen pikten een plakje Noord-Polen in. De Oostenrijkers kregen een groter stuk in het zuiden. De Russen annexeerden grofweg een kwart van het groothertogdom, inclusief de palatinaten Polatsk, Vitebsk en Mtislav. Een koor van Russische zegslieden en apologeten verklaarde dat de edele keizerin enkel haar rechtmatig eigendom weer in bezit nam.Desalniettemin beleefde de Poolse Verlichting in daaropvolgende decennia haar hoogtijdagen. De leidende figuren van de beweging, geïnspireerd door de koning-groothertog zelf en veroordeeld tot onbenullige politieke activiteiten, maakten grote stappen vooruit op het gebied van onderwijs, landbouw, bestuur, geschiedenis en kunst. Er werden moderne scholen geopend, er werd een nationaal geschiedenisproject gelanceerd, ambtenaren werden opgeleid, en schrijvers en schilders kregen financiële steun. De magnaten speelden hun eigen rol : sommigen verklaarden vrijwillig hun lijfeigenen vrij. Het verbod op de jezuietenorde in 1773 leek een fatale klap voor het onderwijs, maar de nationale onderwijscommissie die tot taak had de crisis het hoofd te bieden zette een wijdvertakt schoolsysteem op dat tot ver in de negentiende eeuw bleef functioneren. Meerdere generaties zouden in dit systeem worden opgeleid in de taal, de cultuur en het erfgoed van de Rzeczpospolita. ‘Als er over tweehonderd jaar nog steeds mensen zijn die zichzelf als Polen beschouwen,’ verklaarde Stanis?aw-August, ‘zal mijn werk niet voor niets zijn geweest.’

316. De kwestie is vooral relevant voor de neveneffecten van de opheffing van het groothertogdom Litouwen. De volken van het voormalige groothertogdom verdwenen eind achttiende eeuw uit beeld en verschenen, met een korte uitzondering tijdens de Russische Revolutie, pas eind twintigste eeuw weer. Plotseling, in 1989-1991, raakte de wereld ervan doordrongen dat de westelijke regionen van de Sovjet-Unie nooit echt Russisch geweest waren. Nieuwe natiestaten als Letland, Litouwen, Wit-Rusland en Oekraïne verschenen als uit het niets, en maar bitter weinig commentatoren konden verklaren waar ze vandaan waren gekomen

 

Lees verder »

Archief

vrt deredactie.be blog: Over de kunst van stervensbegeleiding

13 april 2013

Over de kunst van stervensbegeleiding.

 

Tijdens de herfstvakantie van 1999 spoedden we ons naar de uitgang van de Londense National Gallery, wanneer ik mijn kinderen even uit het oog verloor bij het zien van een groot schilderij tegen een zijwand. In de hoek van mijn blikveld was me een knielende jonge vrouw in het wit opgevallen die ondersteunend omarmd werd door een oude man in een zwarte jas met vossenbont. Dichterbij zag ik de scène waarvan ik al die jaren titel noch schilder zou kennen wegens de haast waarmee het beeld zich in mijn geheugen nestelde. Omwille van de herkenning leek het mij te gaan om een dokter die een jonge vrouw begeleidde naar haar dood.

Langer verwijlen kon niet want mijn nog jonge kroost had me gevonden. Voor hen was het een erg triest schilderij, helemaal niet mooi en het museum ging sluiten. Jaren later heb ik patiënten die naar Londen verhuisden om titel en foto van het werk gevraagd. Het is er nooit van gekomen.

Oradour sur Glane

Intussen waren mijn ervaringen als huisarts steeds verder gedestilleerd tot een bitterzoet elixir bij stervensbegeleiding en euthanasie. Je probeert als dokter je patiënt niet in de steek te laten in het uur van de dood. Hoe pijnlijk hun angst en jouw onmacht ook voor jezelf kan zijn. Je doet afstand van je eigen leed om wie zich aan jou toevertrouwt te behoeden voor erger. Dit beeld bleef al die jaren een behoorlijk reflectiepunt. Hoe ouder ik werd hoe beter ik mijzelf hierin kon vinden.

In de woning van goede vrienden hing naast de toegangsdeur tegenover de vestiaire een grote foto die zij gemaakt hadden van de uitgebrande Peugeot 202 van Dr. Descourteaux , huisarts van Oradour sur Glane (nabij Limoges) . Op 10 juni 1944 parkeerde hij net terug van zijn huisbezoeken zijn blitse wagen voor de apotheek op het plein. Duitse en Elzasser grenadiers van de Panzerdivision Das Reich sommeerden hem zich bij de overige mannelijke dorpsbewoners te voegen. De nazi-troepen zouden onder het voorwendsel van verborgen wapendepots het dorp doorzoeken en misschien wel gijzelaars nemen als weerwraak voor verzetsacties in de wijde regio. Kort nadien vermoordden ze 624 mannen, vrouwen en kinderen. Het was de grootste massamoord door de nazi’s in Frankrijk.

Oradour sur Glane (Limoges) 10 juni 1944 Peugeot 202 Dr. Descourteaux

Stervensbegeleiding

In mijn nog jeugdige verontwaardiging en woede leek mij het dilemma dat zo’n huisarts minstens probeerde te ontsnappen. Of met de hele groep mannen een simultane vluchtpoging in alle mogelijke richtingen organiseren met vermoedelijk veel meer overlevenden.

Ook een lerares van de school had haar leerlingen zo rustig mogelijk begeleid naar de dorpskerk waar ze met 350 vrouwen en kinderen werden opgesloten. Prille twintigers van de Waffen SS lieten er een kist met granaten exploderen en schoten hun mitrailleurs leeg op de vrouwen en kinderen.

Een mij dierbare lerares – intussen gepensioneerd – beantwoordde ooit mijn dilemma met ‘Natuurlijk ga je in zo’n omstandigheden mee met je leerlingen. Je kan niet anders dan bij hen blijven en hen steunen. Denk je eens in als je zelf zou kunnen vluchten en zij allemaal vermoord worden. Hoe kan je daarmee ooit nog verder leven?’

Sweet Lady Jane

Dank zij Facebook verrees met Pasen na al die jaren ‘The Execution of Lady Jane Grey (Febr. 12, 1554)’ van Paul Delaroche uit 1833 voor mijn ogen.

The Execution of Lady Jane Grey (Febr. 12, 1554) – Paul Delaroche 1833 – National Gallery London

Iemand had het detail van dit schilderij op Facebook geplaatst dat ik iconisch in mijn herinneringen had opgeslagen. Het was nu wel niet een verrijzenis en de oudere man was ook geen dokter, maar de houding, het onzeker zoeken met de handen van de geblinddoekte zeventienjarige ‘Koningin van Negen Dagen’, de beschermende omarming van John Bruges waren al die jaren accuraat in mijn geheugen geborgen.

Bij lijden en dood kan je als dokter belangrijk zijn voor je patiënten, meer nog dan bij helen en genezen. Iedereen sterft zijn eigen dood, maar voor iedereen is het de eerste keer. Als arts kan je daarin ervaring opdoen. Je leerde hoe pijnstilling werkt, hoe woorden en aanrakingen rust kunnen brengen. Je weet hoe respect voor de wensen van wie sterven zal, hun angst verzacht.

http://www.flickr.com/photos/59276281@N00/8619268468

Medisch monopolie.

Naar aanleiding van hulp bij zelfdoding door een medewerker van de Stichting Vrijwillig Leven oordeelde een Nederlandse rechter onlangs dat dit voor niet-artsen strafbaar is. De Nederlandse wetgever heeft met de euthanasiewet een ‘medisch monopolie’ gewild en ingesteld.

Stichting Vrijwillig Leven ijvert voor het afschaffen van dat medisch monopolie bij de wens om waardig te sterven. Vaak krijgen mensen die euthanasie wensen geen gehoor bij de medici. Burgers worden steeds mondiger, ook in het aanschijn van de dood. Bij sterven en een zelfgewenst levenseinde lijkt het mij moeilijk en ook niet wenselijk het medisch monopolie gesloten te houden. De Nederlandse psychiater Boudewijn Chabot promoveerde met een groot bevolkingsonderzoek waaruit bleek dat veel mensen nu al in eigen regie hun leven beëindigen in gesprek met naasten en dat dit even vaak voorkomt als regulier euthanasie door artsen. In zijn boek ‘Uitweg’ wijst hij hulpwegen en middelen aan voor zo’n ‘zelfeuthanasie’.

Toch lijkt mij de optie van een deskundige begeleiding voor de meeste mensen de minst beangstigende en ook de veiligste.

‘Iedereen gaat dood op een manier die op hem lijkt. Sommigen in stilte, op hun tenen, anderen lopen achteruit, terwijl ze om vergiffenis of toestemming vragen. Sommigen gaan heftig discussiërend of om uitleg vragend, en sommigen banen zich vechtend en vloekend een weg erheen. Anderen omarmen hem. Sommigen sluiten hun ogen, weer anderen huilen.’ Eduardo Galeano

 

Archief

Griet Op de Beeck, Vele hemels boven de zevende.

4 april 2013

Griet Op de Beeck, Vele hemels boven de zevende. uitg Prometheus 2013

Zo’n debuut als dat van Griet Op de Beeck kan tellen. Zo’n spel van personages als verhaal, zo’n taalgebruik gebonden aan tijd en leeftijd, dat kan alleen maar door iemand die heel behoedzaam observeert bij zichzelf en anderen, die zoekt naar het effect van interactie tussen mensen die elkaar soms al te nabij zijn.

‘Niet geheimen bewaren is moeilijk, maar ze verdragen, elke dag weer, dat is onverdraaglijk.’ (76)

De verteltechniek met verschillende personages – Lou is twaalf, Eva zesendertig, Elsie tweeënveertig, Casper zesenveertig, en Jos eenenzeventig – zuigt de lezer in het herkenbare leven van mensen van vandaag en hun vreugde, twijfels en ellende van vroeger en nu.

Luister naar jezelf

‘Mensen moeten naar zichzelf leren luisteren, dat is beter dan naar anderen, zelf als die anderen ik zijn.’ Het zijn de woorden van Casper, één van de vijf personages uit Vele hemels boven de zevende, de debuutroman van Griet Op de Beeck.

Stijn Vanheule

Naar zichzelf leren luisteren. Dit is exact wat de hoofpersonages uit dit boek doen, of althans wat ze proberen

‘Het is een psychologisch eerlijke roman over hoe mensen aanmodderen en stap voor stap hun eigen weg zoeken. Veel bestemd ons voor om de dupe te blijven van wat we geworden zijn. Deze roman toont hoe het ook anders kan. Door rustig te luisteren naar onszelf, naar wat ons beweegt, kunnen we ons loswrikken. Jos parafraserend is het misschien wel zo, dat sommige dingen in het leven ons gewoon overkomen. Dit kan ons vullen met verdriet. Dit verdriet hoeft ons echter niet te verhinderen om ook te kiezen. De brokken die in ons leven gemaakt worden kunnen ons op weg zetten naar iets anders. Vele hemels boven de zevende is fictie van de bovenste plank die ons toont  dat dit kan. Zoiets verzin je niet, dat is duidelijk.’

 

Archief

Marja Pruis ‘Als je weg bent. Over Patricia De Martelaere’.

4 april 2013

Marja Pruis, Als je weg bent, over Patricia De Martelaere. uitg. Prometheus 2013

 

Filosofe Patricia De Martelaere overleed in 2009 op 51-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hersentumor. Mij heeft ze met haar ‘Verlangen naar ontroostbaarheid’ fors geraakt toen een goede oude vriendin een einde aan haar leven maakte, intussen ook al weer 19 jaar geleden. Toch was ze amper bekend bij het grote publiek. De schrijfster-filosofe heeft ons als huisartsen bij de WVVH eens ferm bij de les gehouden met een hoogstaande uiteenzetting over de Engelse taalfilosofie. Ze deed dat met brio en wreef de aanwezige huisartsen met de neus in verrassende maar aloude talige communicatie als essentie van hun beroep. Met haar analyse van ‘Thuis. Een plaats om beu te worden’ heeft ze ons in diezelfde periode mee behoed voor de aankoop van een kloosterruïne in de Gers. Er zou nogal wat werk mee gemoeid zijn waardoor te weinig tijd tot vervelen.

Met David Hume wist ze ons te doordringen van diens stelling dat de betekenis en waarde van iets afkomstig is van degene die het ziet, en niet van de dingen zelf. (88)

Verder leeft ze voor ons voort in een wat mysterieuze herinnering als camera- en mediaschuwe BV. Marja Pruis probeert met haar boek toch de persoon van Patricia De Martelaere te naderen. Ze doet het met een onderzoek van haar filosofisch en literair werk. Ze zocht mensen die haar kenden en willen praten, wat niet zo evident is want van de eigen familie noch de nauwe vrienden en collega’s wou niemand praten behalve Anne Teresa de Keersmaeker en Kristien Hemmerechts.

Vanuit het werk van Patricia De Martelaere doordringen tot in de persoon blijkt niet haalbaar.

‘Als je weg bent’ is des te handzamer als overzicht van haar filosofisch en literair werk.

‘Elk persoonlijk bestaan is op geheimen gebaseerd, en misschien is dat voor een deel de reden dat een beschaafd mens zo krampachtig probeert te bewerkstelligen dat zijn persoonlijke geheim gerespecteerd wordt.’ (147)

‘Filosofie is niet voor alle mensen. Postzegels verzamelen of parachutespringen trouwens evenmin; niets is voor alle mensen.’ uit: ‘Over zoeken en vinden’, ‘Verrassingen’ (133)

 

26. Aan het eind van haar essay benadrukt Patricia de Martelaere nog maar even voor de zekerheid dat de melancholicus degene is die alleen voorlopig niet sterft voor zijn geloof of liefde. Voorlopig heeft hij iets dat beter is dan de dood: het onuitputtelijke verdriet waarmee hij zijn absolute trouw aan het object bewijst ( ... ). Ontneem hem zijn lijden en hij heeft niets meer. Ontneem hem zijn pijn en hij kiest de dood.

39. ‘We sterven op de meest ongelegen ogenblikken’; de dood is geen belevenis. Daarom kan zelfmoord van een extreem creatieve en artistieke impuls getuigen. Hetzelfde zegt ze in de inleiding bij Pavese, over de briljantheid van de zelfmoordenaar. Een zelfmoordpoging maakt van het leven iets met een einde. In feite beëindig je zelfs jezelf. Verbonden met de artistieke wens zo’n zelfbeëindiging te kunnen beleven, is het verlangen ‘een ander’ te zijn. De Martelaere haalt een gedicht van Pessoa aan waarin hij het geluk bezingt ‘niet mij’ te zijn. Het mooist zou zijn een dubbelganger van jezelf te kunnen worden. Dat zou het mogelijk maken om binnen dit leven de waarnemer te worden van het leven dat je leidt. Hier komt ze tot een antwoord op haar vraag waarom juist een schrijver afgehouden wordt van zelfmoord. Het schrijverschap biedt de mogelijkheid van het waarnemerschap, zij het surrogaat. Een schrijver lijkt volgens haar qua karakter ook op een zelfmoordenaar, in zijn zelfbewustheid, zijn controledwang, zijn infantiele agressie. Een schrijver kan zichzelf menige zelfmoordpoging besparen door die agressie bot te vieren op zijn personages, en ze bijvoorbeeld aan het eind te laten verongelukken.

48. In het officiële, gepubliceerde interview, dat verscheen in januari 1999, komt ze terug op haar essay over het verlangen naar ontroostbaarheid, dat zes jaar daarvoor was verschenen. Ik denk dat Freuds diagnose juist is dat ongelukkige mensen eigenlijk niet willen veranderen, maar houvast beleven aan hun ongeluk. Waarom weigeren ze anders getroost te worden als ze iets verloren hebben? Als je je laat troosten, stem je in met verandering. Dan zeg je: ach, het was al met al niet zó erg. Ik kom het wel te boven. En mensen lijken dat niet te willen. Vroeger idealiseerde ik die houding nogal. Ik vond eigenlijk dat mensen die weigeren zich te laten troosten, gelijk hadden. Vanuit een soort revolte: je moet ontroostbaar zijn. Blijf dat maar. Dat lees ik nu tussen de regels van mijn essaybundel. En dat zou ik nu niet meer zeggen. Ik zou nu zelfs heel radicaal zeggen: gedaan met die nonsens!’ Vanwaar die ommekeer? Het fenomeen van de rouw houdt mij al een tijdlang bezig. Ik heb in korte tijd behoorlijk wat verliezen geleden. Ik moest daardoorheen, en dat viel- het klinkt vreemd – eigenlijk erg mee. Door deze gebeurtenis heb ik me gerealiseerd onder welk een kolossale sociale druk een mens staat om te rouwen. Eigenlijk word je door je omgeving verplicht om excessief te treuren. Als je dat niet doet, denken de anderen: die heeft eigenlijk niet van de gestorvene gehouden. De gedachte dat je door je ontroostbaarheid moet bewijzen dat iemand iets voor je betekende, is een volkomen onlogische gedachte. Maar voor heel veel mensen van centraal belang. Dat maakt dat er geen eind komt aan een rouwproces.

55. En het eet ook zoals een amoebe, het sluit zich om een bacterie heen en laat die in zijn lichaam verdwijnen. Wat is eten ooit anders. Wat is liefde. In het openingsessay van Verrassingen (1997), ‘Thuis. Een plaats om beu te worden’, oorspronkelijk verschenen in 1993 in Dietsche Warande & Belfort, staat de prangende zin: ‘Er is thuisblijven en er is vreemdgaan.’ Met behulp van Freud weidt De Martelaere uit over de twee onderling tegenstrijdige gevoelsstromen in de menselijke psyche: die van het affectieve en die van het seksuele. De eerste is de oudste en richt zich op de objecten in de huiselijke kring: vader, moeder, broers en zussen. De seksuele verlangens komen pas in de puberteit en richten zich aanvankelijk op de beminde huisgenoten. Maar aangezien daarop het incesttaboe rust, moet de begeerte de wereld in, ‘op zoek naar het vreemde’. En omdat het vreemde eenmaal geannexeerd ook weer het bekende zal worden, zal er altijd een gespleten verlangen blijven bestaan. Aan de ene kant is er de aseksuele affectie, aan de andere kant de affectieloze seksualiteit. ‘De tragiek van het huwelijk is die van het huis,’ schrijft ze. ‘Het is de tragiek van de minnaar die echtgenoot wordt.’ Waarop ze haar essay een onverwachte wending laat nemen door de lof te bezingen van de verveling en de sleur. ‘Na de slaap is de verveling de meest radicale vorm van psychische ontspanning.’ Men moet zich heel veel verveeld hebben om tot grote prestaties in staat te zijn, haalt ze Van Gogh aan. En juist thuis is de plaats waar verveling een kans krijgt.

Lees verder »

Archief

Kandinsky & Russia in Brussel KMSK

4 april 2013

Kandinsky & Russia in de KMSK

Voor een eerder didactische tentoonstelling straalt de lopende ‘Kandinsky & Russia’ in de KMSK te Brussel in de duurdere categorie: 17,5 Euro toegang tijdens het weekend. In de commerciële traditie van het lokken van bezoekers met een forse reclamecampagne wordt het museumpubliek steeds vaker gemolken.

Voorzeker, er zijn enkele mooie werken te zien, voorzeker er wordt heel veel aandacht besteed aan visuele reconstructies van mogelijke invloeden van de Russische volkscultuur op Wassily Kandinsky (1866-1944), voorzeker hij was een van de eerste van zijn generatie die naar een bepaalde vorm van abstracte kunst evolueerde.

Hij deconstrueerde beelden maar was zeker niet de eerste, erger nog hij was zeker niet bij de beste.

De weergave van textielpartijen bij de Vlaamse primitieven en landschappen met of zonder wolken van Turner en Constable – een eeuw voor Kandinsky – waren hem uitgebreid voorgegaan.

Er was in 1913 al een eerdere Kandinksy tentoonstelling te Brussel die niet bepaald enthousiast werd onthaald. De criticus van toen – aan het woord  in de overigens interessante audiogids – merkte op dat zijn blauwe Munrau-landschappen uit de periode te Munchen  tot het beste van zijn werk behoren.

Dat vind ik honderd jaar later nog steeds.

Naar verluidt zou deze collectie van 150 werken voor het eerst in België getoond worden. De didactiek van de tentoonstelling vereist vier deeltentoonstellingen:  “Schilderkunst beleven”, “Schilderkunst beluisteren”, “Temidden de natuur” en “Kandinsky en de mythologie”.

In de voorlaatste zaal wordt een werk van Kandinsky geplaatst tegenover Kasimir Malevitsj en de Christusicoon. Dit is wellicht didactisch het boeiendste item, waarna  nog een slotpresentatie over zijn invloeden later op Cobra, Alechinsky en zo.

Kandinsky lijkt in het KMSKB zowat uit het niets te verschijnen. De stellingen zijn allemaal ongetwijfeld heel belangrijk, maar hoe vaak hebben we dit ale niet gehoord en gezien. Net als Mondriaan vanuit bomen, molens en tulpen tot zijn lijn-kleur abstractie kwam, zo vertrok Kandinsky vanuit Russische volkskunst en iconen tot een vorm van abstracte schilderkunst die in wezen niet veel nieuwer noch anders is dan wat de iconoblasten en traditionele patronen reeds te vertellen hadden. Dan nog liever Kasimir Malevitsj als iconoclast en iconoblast, als vernietiger en maker van beelden.

 

 

Archief

vrt deredactie.be blog: Over de kunst van het fietsen

30 maart 2013

Over de kunst van het fietsen 

Een eindeloze stroom winterse onthullingen over medische toppreparatie van wielrenners – nu ook weer cortisonen op recept – kunnen liefhebbers van blikkerende wielen niet ontnuchteren. Zij blijven staren naar bewegende beelden van kleurig opgetuigde sandwichmen in bevroren voorjaarsklassiekers. Het gaat supporters noch kijkers om de werkelijkheid. Het is hen eerder te doen om de illusie waarmee ze hun identificatie onderbouwen.

Dat renners daarvoor hun lichamelijke en geestelijke gezondheid – tot soms zelfs hun nageslacht – offeren als slaven van het asfalt, doet blijkbaar niets ter zake. Ministers en parlementairen loven en bieden op topsport als drive voor een Vlaanderen in beweging. Even later pleiten ze met een pokerface voor preventie van druggebruik.

Narren

Het heeft iets van voetbalsupporters die zich op zoek naar een identiteit graag bekennen tot een favoriete ploeg, ook al weten ze dat hun spelers overbetaalde huurlingen zijn met dito kapsones. Ook al weten ze dat voetbalwedstrijden gemanipuleerd worden ten behoeve van wereldwijd gokkapitaal.
Voor een flatterend zelfbeeld bij hun potentiële kiezers tooien zelfs nationale politici zich met de zotskap van de rode duivels en smeken ze als hyperactieve narren: ‘Aanbid mij want ook ik ben zoals gij’.

Maar er bestaat ook een andere vorm van bewegen, een ander soort fietsen.

“Op de fiets wordt een mens optimistisch. Dan ervaar je dat willen, kunnen en uitvoeren, één kunnen zijn in een ronddraaiend fiets-pantheïsme. Dan wil je wel juichen: Es geht, es geht, es geht!’, aldus de Duitse filosoof Peter Sloterdijk.

Overgangsritueel

Doorheen ons eigen bestaan bleken lange fietstochten onderdeel van een initiatieritus. In tegenstelling tot het gewone voetenwerk vermenigvuldigt een fiets louter eigen kracht tot een grotere dimensie in tijd en ruimte. En dit voor weinig geld.
Amper twaalf jaar oud rondden mijn broer, een vriend en ik met drie versnellingen een ronde van het landelijke Nederland. Dat kon op die leeftijd nog – midden de jaren zestig – en we hielden er een heuse Kröller-Müller beleving aan over.
Een zomer later leden we onder het betere klim- en daalwerk van Luxemburg, Moezel en Rijn. Jeugdherbergen waren nog goedkoop Spartaans en we leerden zelf technische problemen oplossen en lijfelijk lijden draaglijk te maken.
Uitputting en pijn bleken weliswaar broederlijkheid te kunnen splijten. Een eenzame fietser kromgebogen over het stuur kon een sterker mediterend gevecht met zichzelf leveren.
Vijftien jaar later ging het via de Bourgogne en de Route Napoléon naar Nice. Het jaar nadien nog een tocht naar het naturisme aan de Cèze en de Ardèche als schuchtere aanloop voor het grote werk: Athene – Antwerpen. De twijfel van de prille dertiger werd gewogen onder het lezen van het toen pas verschenen boek van Ronald Commers “De overbodigheid en de noodzakelijkheid van de moraal” .
Dat lag handig op mijn stuurtas en vergde om de paar bladzijden een eigen reflectie. Het verlichtte de wentelende eenzaamheid op wielen gedurende de paar duizend kilometer van het zuidoosten naar het noordwesten.

Ballingschap

Dik twintig jaar later werd mijn politieke carrière in de knop gebroken.
Omdat de fietsverhalen van vroeger bij onze zoon interesse had gewekt naar het geheim van de altijd wentelende wielen, leek een pelgrimstocht naar Marseille haalbaar. Zeker als ontwenningsritueel met het oog op een langdurige ballingschap als huisarts in Rotterdam.

Met zijn vriend maalden we langs oude spoorwegbermen, vergeten Romeinse heerbanen, Franse kanalen en rivieren, departementale routes bijna anderhalf duizend kilometer af tot Marseille.
Omdat zij als vijftienjarige veulens konden wedijveren, groeide hun begrip voor mijn ongeoefend lijden. Tijd zat om naast elkaar peddelend alle vragen van het komende leven en de reeds genoten literatuur te stellen.

De jonge goden streden op wielen over Boons Voorstad groeit, over Marquez’ 100 jaar eenzaamheid, over Multatuli’s Max Havelaar die ze het allerbeste boek ooit vonden. Het Verdriet van België deed voor hen nog onder voor De Metsiers.

De laatste Wereld

In talloze fiets- en tafelgesprekken werden moeilijke thema’s aangesneden. De Laatste Wereld van Christoph Ransmayr hielp de verhouding Octavianus – Ovidius te wegen bij diens verbanning naar Tomi. Het was niet wegens gescharrel met Augustus’ nymfomane dochter, Julia, zoals wel eens wordt beweerd, en ook niet wegens zijn Ars Amatoria – een liefdesleerboek dat al acht jaar een bestseller was, waarover Augustus boos zou geweest zijn wegens een inbreuk op zijn Ethisch Reveil. In onze wielergesprekken werd Ovidius verbannen omwille van de Metamorphosen. Juist wanneer Octavianus zich laat vergoddelijken als Augustus Divus en een altaar opricht voor zijn Gens Julia, presenteert zijn oude drinkebroer Ovidius met de Metamorphosen een kaakslag voor potentaten en partijbonzen.
Zoals ijzige halfgoden kunnen ook toppolitici enkel aanblijven door emoties los te koppelen van hun denken en doen. Nochtans leiden precies emotie en passie tot verandering. Niet dus bij autistische goden zonder mededogen.

Jaagpad

Aan de hand van Olivier Rolin ‘Papieren Tijger’ deden we het een jaar later nog eens dunnetjes over op de jaagpaden van Le Canal du Midi. Het weer was ijzig, wind en hagel evenzeer.

Wat is er dan mooier om dezer dagen opnieuw de bijtende waterkou te trotseren in de Morvan op het jaagpad van le Canal du Nivernais.
Al heb ik nu elektrische BionX assistentie om van mijn rustig peddelende zoon te kunnen horen hoe hij die wereld ontmantelend leest tot in de virtuele leegte waarop ieder van ons een eigen leven construeert.

‘Revolutie maken betekende niet zozeer de machtsovername voorbereiden, het was veeleer leren doodgaan. Dat lijkt nuttig als je erg jong bent. Vervolgens kwam de tijd dat jullie niet langer naar de bioscoop gingen, revolutie mocht met zulke beuzelarijen geen tijd verliezen, maar jullie leefden als het ware in een film, een low budget detective.’ Olivier Rolin, Papieren tijger.

 

Archief

Louis Van Dievel, Het Gewemel – stationsroman.

18 maart 2013

Louis Van Dievel, Het Gewemel – stationsroman. Uitgeverij Vrijdag Antwerpen 2013. 

Louis Van Dievel heeft als auteur iets van Leo Pleysier, naar beeld en klank met een fijngevoelig oor voor woorden en intonaties bij menselijke interactie.

Bij Van Dievel is de ruis op de achtergrond van het leven in zijn negende roman ‘Het Gewemel’ die van een spoorwegstation, meer bepaald dat van Mechelen. Tussen Brussel en Heide.

Op de voorgrond proef je zijn liefde voor het woord van de gewone man en vrouw en hoe ze met elkaar, hun werk, hun leven, hun wereld proberen klaar te komen.

Hij bouwt daartoe met de traagheid van rangerende treinen een plot op die onafwendbaar uit het gewemel opdoemt nu eens razend versnellend met een bulderende lach, dan weer besmuikt en luchtig voorbij denderend. Hij leert de lezer ervan te genieten hoe je medereizigers de biecht afneemt of laat afnemen en hoe ze zonder absolutie verder moeten: de biechtvader van de kleine luiden, de Franciscus van Neckerspoel en Heide.

Je ziet het glinsteren van de natte sporen in de lage zon op het enorme rangeerstation van het leven. En je weet als reiziger nauwelijks welke trein op welk spoor zal verschijnen. Een dagelijkse bron van spanning en twijfel voor veel pendelaars, niet alleen in de eerste maanden van 2013.

De auteur van ‘Het Gewemel’ houdt de cadans van al zijn personages op het ritme van den ijzerenweg dat onweerstaanbaar en overweldigend het leven van de pendelaars bepaalt. Allemaal hebben ze met elkaar te maken en allemaal kruisen ze mekaar op de wissels van de sporen.

‘Het Gewemel’ is bij mijn weten een van de eerste Nederlandstalige stationsromans die zich afspeelt op, onder, boven en naast de sporen.

Als motto draagt Het Gewemel een citaat van de Duitse arts, psychiater en schrijver Alfred Döblin uit Berlijn Alexanderplatz: ‘Het leven is van ijzer, als een stoomwals komt het zwaar en langzaam dreigend op ons toe. Daar helpt geen weglopen aan, daar komt het al, daar is het al vlakbij.(...) Daar nadert het en niemand kan eraan ontkomen. Hoort die machine bonzen en stampen. Als het straks weer licht wordt, zullen we zien wat er overgebleven is.’

Siegfried Bracke had het in zijn feestelijke voorstelling over de titel: ‘ Deze roman heeft als titel Het Gewemel. Dat woord ‘gewemel’ is een van onze mooiste Nederlandse woorden. Men weet naar verluidt niet waar dat woord precies vandaan komt, maar interessant is dat het een zogeheten frequentatief is van wemen, wat kwetsen betekent. Ik kom hier nog op terug. Gewemel, dames en heren, is wat God ziet als hij naar de mensen kijkt. En omdat elke schrijver per definitie God is in zijn eigen roman, én omdat wij allemaal God zijn in het diepste van onze gedachten, weten wij wat het is, Gewemel. Het is hoe wij de anderen zien. Mensen op, door, in, over, naast, met elkaar. Bij Louis Van Dievel is dat het station. Een van de personages zegt het letterlijk: ‘Dat is zo met een station, daar is altijd gewemel.’ Het stationsgewemel als metafoor van het algemeen Gewemel. Daarover gaat Het Gewemel.”

Het spreekt voor zich dat Het Gewemel voor de NMBS zeer zinvol kan dienen als genoegdoening aan haar klanten en personeel voor de zoveelste afgelasting of vertraging van treinen: ‘Ik had Isolde opgegeven, daar kwam het op neer. Alles slijt, ook het verdriet, ook de liefde.’  

Archief

vrt deredactie.be blog: Hoe Dionysos verscheen in Haren… en elders.

18 maart 2013

Hoe Dionysos verscheen in Haren… en elders.

Vorig jaar ging een via Facebook publiek gemaakte ‘sweet sixteen party’ in de Nederlandse gemeente Haren ‘viraal’. Op 21 september raasden zowat 5000 jongeren als in de ‘Project X’ – film uitzinnig door de deftige landelijke gemeente onder de rook van Groningen. Naar goede Nederlandse gewoonte werd na afloop een commissie opgericht onder leiding van de vroegere PvdA coryfee Job Cohen die recent een rapport presenteerde onder de titel: ‘Twee werelden. You Only Live Once’.
Kortom het YOLO gevoel was in Haren aan de orde geweest.
Volgens deze overigens boeiende analyse botsten te Haren twee werelden. Het was Dionysos, de Griekse god met het wijnglas in de hand, versus Apollo, de god van de orde. Tegelijkertijd was het ook een botsing van de volwassenen- en de jongerenwereld. Twee werelden met dusdanig verschillende perspectieven dat de groepen elkaar niet goed begrepen en de ingezette interventies van de autoriteiten niet het gewenste effect sorteerden bij de jongeren.

Friedrich Nietzsche…
Zoals Geert Mak in 1996 onderzocht ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ om te begrijpen wat er in de 50 jaar na de oorlog in de luwte van het Friese boerenleven veranderd was, rijst vandaag voor politici en politie de vraag of die god van de uitzinnigheid, Dionysos, ook elders zal verschijnen.
De commissie besluit dat volgende omstandigheden daarvoor bepalend kunnen zijn: jongeren zien onvoldoende risico’s en worden lang niet altijd voldoende afgeremd in hun zoektocht naar uitdaging; de gegroeide feestcultuur in Nederland; onvoldoende bescherming van de openbare orde doordat de autoriteiten onvoldoende voorbereid waren; verkoop en gebruik van alcohol.
Ik geef toe, ik stond enigszins paf van de moed van de commissieleden en vooral van de voormalige burgervader van Amsterdam en gesjeesde PvdA leider, Job Cohen, om in deze oud en schrijnend zeer van Friedrich Nietzsche over Dionysos op te poetsen.

... en de vervoering.
Roberto Calasso waarschuwde in ‘De bruiloft van Cadmus en Harmonia’: ‘Apollo en Dionysus zijn schijnvrienden en ook  schijnvijanden. Onder het oppervlak van hun twisten, hun ontmoetingen en verwisselingen, ligt iets dat hen voor altijd verbindt en van alle andere goddelijke metgezellen onderscheidt: de vervoering. Zowel Apollo als Dionysus weten dat vervoering de hoogste vorm van kennis en de hoogste vorm van macht is. Dat is de kennis, dat is de macht die ze verlangen.’
Menselijk gedrag wordt immers niet geleid door wijsheid tegen passie, ratio versus emotie. Het gaat niet over schoonheid tegenover enthousiasme (het zichzelf als goddelijk dromen). Menselijk gewemel is op zoek naar vervoering tussen Apollo (muziek en schone kunsten) en Dionysos (theater en dans).

Theater van de morele verontwaardiging.
Een ander voorbeeld van vervoering krijgen we bijna dagelijks opgevoerd in het theater van het goede om het goede, dat van de morele verontwaardiging. Onmisbaar om angst te laten renderen.
Met de beelden van de vloedgolf door de zeebeving op 11 maart 2011 voor de Japanse stad Sendai met nadien de meltdown van de kerncentrale ven Fukushima werd het woord ‘tsunami’ nog eens ferm gemunt. Sindsdien geldt ‘tsunami’ voor al wat ons verschrikkelijk en onverwacht zal overkomen wanneer we morele plichten zoals preventie blijven negeren.
Populair is tegenwoordig de tsunami van de vergrijzing met bij voorkeur dementerende bejaarden. Daartoe moet gespaard en bespaard worden en ook geïnvesteerd in Alzheimeronderzoek.
Morele verontwaardiging spat van het beeldscherm wanneer Duitse bejaarden opgevangen worden in Hongaarse verpleegtehuizen. Pensioenen zullen niet langer volstaan en kinderen moeten (dementerende) familieleden  laten aanleunen in hun woning.

Het genot van een jeremiade.
Dat er dit en de volgende jaren onvoldoende onderwijzend personeel en schoollokalen voorzien werden voor een nieuwe generatie schoolplichtige kinderen, is wel degelijk verontrustend. Een dergelijke demografische evolutie doemt reeds enkele jaren op en was perfect te voorspellen. Kinderen sterven immers niet massaal in vredestijd. Bijgevolg hebben de beleidsmakers onmiskenbaar gefaald.
Maar een jeremiade over de tsunami van vergrijzing is een vorm van vervoering die de profeten en hun entourage tot orgastische zelfbevrediging voeren.
Vooreerst leiden mensen een eindig leven, ze sterven gewoon. De een al wat vroeger dan de andere. Demografische schattingen zijn in deze nooit zo accuraat als het aantal te verwachten schoolplichtige kinderen.

De fabels voorbij.
Bovendien veranderen de verwachtingen van mensen met de jaren. Al droomt iedere beleidsmaker van electoraal succes door het belijden van ‘vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid’ – de meeste bejaarden zijn lang niet zo dom.
Hoe ouder iemand wordt, hoe makkelijker deze door het theaterspel tot in de coulissen kan kijken. Levenservaring helpt om het verhaal achter de fabels te vatten. Dat heeft te maken met hun houding tegenover het leven, doorgaans zonder veel angst en nog minder geloof en met veel relativerende herinneringen aan bedrieglijke fabels uit hun jeugd.
De last der jaren vormt niet alleen bezwaren maar leert ook beperkingen aanvaarden. Recht op vrijheid en gelijkheid en broederlijkheid leidt vooral tot vervoering van jongere mensen. Gelukkig kan je ouderen dat soort fabels amper nog slijten.

‘We dachten dat we in een verlichte en ontnuchterde wereld leefden, aantoonbaar en verifieerbaar. In plaats daarvan verkeren we in een wereld waar alles een ‘fabel‘ blijkt. Hoe moeten we ons oriënteren? Op welke fabel moeten ons verlaten, terwijl we weten dat die misschien door een andere fabel aan het oog wordt onttrokken? Dat is de verlamming, de kenmerkende onzekerheid van de moderne tijd, een verlamming die we sindsdien allemaal gewaarworden.’  Roberto Calasso De literatuur en de goden.

Archief

Johann Wolfgang von Goethe – Wandrers Nachtlied II (1780)

15 maart 2013

Wandrers Nachtlied II (1780)

 

Über allen Gipfeln

Ist Ruh,

In allen Wipfeln

Spürest du

Kaum einen Hauch;

Die Vögelein schweigen im Walde.

Warte nur, balde

Ruhest du auch.

 

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832)

 

Wandelaars Nachtlied II

 

Boven alle toppen

heerst rust,

nergens in het lover

merk je een zucht;

de vogels houden

zich stil in het woud.

Wacht nu maar,

die rust komt gauw

ook voor jou.

 

 

Archief

vrt deredactie.be blog: Het belang van familiefoto’s

28 februari 2013


vrt deredactie.be blog: Het belang van familiefoto’s


Archiveren is een verantwoordelijkheid die correleert met de last der jaren. Je kan je hele hebben en houden in woord en daad, papier en beeld overlaten aan stof, mijt en houtworm. Je kan het overleveren aan de herinnering van wie na je komen en aan hun fantasie. Of niet.




Niets licht nog zo spannend op in mijn herinnering als het verbranden van zolderarchieven na de dood van mijn grootmoeder. Ruim een halve eeuw geleden mocht ik als oudste zoon mijn vader helpen de resten van zijn vrijgezellenleven aan de vlammen toe te vertrouwen. Nadien zouden ze niemand nog tot last zijn. Ook hem niet. Ik was een jaar of acht en merkte zijn opluchting.




Het zingen van de tijd


Helpen bij een open vuur in de oude tuin was voor mij nieuw zoals de geur van vernietiging. De vlammen dienden gevoed met vergeeld papier, verbleekte foto?s, oude tijdschriften, kranten en verkruimelde boeken. Hij maande me tot haastige spoed terwijl ik telkens weer weten wou wie toch al die mensen waren geweest in zijn – en dus ook mijn – leven. Oude schoolrapporten, schriften, brieven aan zijn ouders, waardeloze aandelen uit verre landen en papiergeld vol nullen werden tot as herleid.

Mijn nieuwsgierigheid was de vertragende factor bij zijn offervuur.
Mijn enthousiasme zijn excuus om de laatste vlammen nog voor het donker te doven.




In zak en as


Bleek hij dan pas zijn polshorloge te missen. Bleek dat hij die op een handkar terzijde had gelegd. Bleek dat ik om zijn ritme te volgen de stapels kranten van op die kar meteen in het vuur had gemikt.
Uit de as peuterde hij ?s anderendaags in de ochtendzon de geblakerde resten van zijn gouden uurwerk.
Het bleef tussen ons een pijnlijke herinnering die ik hem graag had willen vergeven.

Op de zolder van zijn huis schuilen nu archieven van zijn kinderen.
Wegens zijn kleinkinderen veel ouder dan ik toen, kan dit hen niet meer boeien. Open vuren stoken mag niet meer. En dus zullen ze zonder boosheid of pijnlijke herinneringen in de shredder verdwijnen.
Al schrijven wij liefst ieder onze eigen herinneringen, zwijgen is soms wijzer.




Lichtdrukmaal


De familiefoto?s werden reeds vroeger van de zolder gered.
Bijna een jaar lang heb ik deze tijdens mijn wekelijkse bezoeken op de achterkant voorzien van mijn moeders herinneringen.
Eindelijk ben ik begonnen met het digitaliseren van het familiale beeldarchief van vroeger en later. Ook om te vermijden wat Guido Gezelle dichtte: ? ?t En is van u hiernederwaard geschilderd of geschreven mij, moederken, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven. Geen teekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van steene, ?t en zij dat beeld in mij, dat gij gelaten hebt, alleene.’




Tijd kromt de ruimte


Het tijdrovende scannen wordt allengs een teletijdscapsule. Vaak prettig, soms ongemakkelijk. Vandaag blijken de foto?s van toen kleiner dan in mijn geheugen. Zoals tijd en ruimte langer en groter herinnerd worden, wegens vroeger zelf veel ongeduriger en veel kleiner.

Toch staat een foto-herinnering los van de eigen groei. Het is eerder een gevolg van de beeldenvloed op schermformaat en mijn veranderde manier van kijken.
Foto?s die ik jarenlang heb gekoesterd, blijken na veertig jaar minder indringend. De afstand tot mijn toenmalige zelf groeide. De intensiteit van vroeger is milder geworden. De perimeter van mijn gezichtsveld ruimer.
Voortschrijdend inzicht wordt met pijn en tijd verworven.




Barmhartigheid


Onthutsend zijn dan weer familie- en groepsfoto?s. Decennia na het poseren meet je makkelijk de afstand tussen personages onderling en hoe die zal evolueren. Soms zie je bij vrienden van vroeger of toenmalige leden van de familie de blik al afgewend of in de schaduw van hoed, pet, sjaal of hand.

Zoals een gezinsfoto therapeuten kan helpen een pati?nt te begrijpen in zijn of haar verleden, zo herken je soms in foto?s van je eigen verleden wat nog zou komen.

Digitaliseren van een familiaal fotoarchief is een werk van barmhartigheid. Je oefent mildheid zonder vergeten. Je ontfermt je over wie na je komen omdat ook zij de kans krijgen te zijner tijd erbarmen te voelen bij de aanblik van die digitale lichtdrukmalen.




?(...)Herinneren is vermoeiend, dat wordt ons niet geleerd, herinneren is een uitputtende bezigheid, het vreet energie en is een aanslag op je spieren. En zo zag ik Maya dus op haar zij in slaap vallen, haar gezicht naar het mijne gedraaid, en toen ze eenmaal sliep, zag ik haar hand onder het kussen schuiven, alsof ze het omhelsde of zich eraan vastklampte, en weer gebeurde het: ik zag hoe ze als kind was, ik twijfelde er absoluut niet aan dat in dat gebaar het meisje schuilde dat ze geweest was, en ik hield op een bizarre, vage manier van haar. En daarna viel ik zelf ook in slaap.? (Juan Gabriel V?squez, Het geluid van vallende dingen).







 

Archief

Sus van Elzen, In lood gegoten – Israel en de tragedie van de Joodse staat.

23 februari 2013

Sus van Elzen, In lood gegoten – Israel en de tragedie van de Joodse staat.

uitg. De Bezige Bij Antwerpen 2011

 

Hoe ouder je wordt, hoe langer je verleden, hoe lichter de geschiedenis die je achter je aansleept. Geschiedenis verlicht namelijk met de last der jaren, met de tijd die (alle) wonden pleegt te helen wegens de multifocale blik op stereofonische waarheden van de vele verhalen.

Er zijn van die mensen die hun spiegeling amper nog kunnen genieten behoudens in de roep om gerechtigheid om het lot van vele slachtoffers van onrecht, wraak en vrijheidsberoving.

In Nederland is dit jaarlijks vaste prik naar aanleiding van Prinsjesdag waarop de Gouden Koets weer eens door de residentie dendert en schande hoort gesproken over de kunstzinnig vergulde taferelen van gelukkig ogende zwarte slaven die de Majesteit dank en eer betuigen. Er is de 1 juli viering bij het Nationaal Monument Slavernij-Verleden in het Amsterdamse Oosterpark waar jaarlijks de afschaffing van de slavernij in Nederland in 1863 wordt herdacht.

In Vlaanderen bestaan er nu ook initiatieven om groot onrecht uit het verleden te herdenken en valoriseren. Zo komt er een onderzoek naar het wel en wee van Afrikaanse en Filippijnse figuranten op de wereldtentoonstelling te Gent, Antwerpen en Brussel.

Maar de tijd heelt veel wonden en latere uitbarstingen van verontwaardiging dempen vaak in g?ne.

Zo vraag ik me nog steeds af waar, wanneer en waardoor de massale sympathie van links in West-Europa voor Israel plaats maakte voor onverschilligheid en nadien zelfs haat, gepaard aan toenemend begrip voor en solidariteit met de ‘Palestijnen’. Mij lijkt het keerpunt ergens te situeren tijdens de oorlog in Libanon (midden jaren ?80) die de PLO verloor, waarna hun leiders en strijders naar Tunesi? dienden te vertrekken.

Het was een uiterst droevige bedoening met immense pogingen om een overwinning te claimen voor de afgevoerde PLO strijders. Maar vanaf dan lijkt me Israel het statuut van de door progressieven gekoesterde? underdog kwijt gespeeld ten voordele van de PLO en later zelfs een tijdje Hamas. Binnen Israel kwam er steeds meer protest tegen het optreden van het leger van Sharon in Zuid Libanon en tegen het bezettingsleger dat op tv beelden van de eerste Intifada stenengooiende knapen van het lijf moest houden.

De sociaal democraten in de Tweede Internationale waar Shimon Peres voordien altijd een goeie verklaring oplepelde, verloren de macht in Israel en hun geestesverwanten elders verloren hun interesse.

 

Sus Van Elzen heeft met ?In lood gegoten? een uitgebreid en boeiend werk geschreven over de loden tijd in het Midden Oosten. Het is geen opbeurend boek, het is geen receptuur voor oplossingen. Het is eerder een onthulling van mogelijke belangen, krachtsverhoudingen en spelers in de coulissen.

?In lood gegoten? laat de patstellingen zien en de loden last van de tijd die dan weer mogelijkheden voor een oplossing immobiliseert. Niet in het minst die van de demografische tijdbom.

Lood heeft een relatief laag smeltpunt en plooit makkelijk. In de nabije toekomst lijkt het oorlogsvuur alweer fors te worden opgepookt. Niet in het minst door Iran voor weifelend intern gebruik. Terwijl de soennitische regimes na de Arabische Lente in een druilerige herfst verzeilen, is de religieuze hoop ijdel gebleken.

Misschien kan vanuit een geseculariseerde jeugd over de rancune en het ressentiment heen een nieuwe toenadering worden gerealiseerd.

Over de religieus-ideologische pretenties van ieders Ene en Ware heen.

 

194.

Anderzijds ging de generale staf op regeringsvlak een steeds grotere rol spelen. Daar is wel wat over geschreven, net als over de militaristische cultuur in Isra?l. Soms kon men denken dat de regering eigenlijk door de militairen overgenomen was. Isra?l werd inderdaad bestuurd vanuit een ?veiligheidscultuur?

die in haast alle problematieken absolute prioriteit kreeg ? en die door het publiek over het algemeen blindelings geaccepteerd werd. De meeste auteurs (zoals Yoram Peri in zijn verhelderende boek Generals in the Cabinet Room) gaan akkoord met de meeste militairen die, daarover ondervraagd, stellen dat de generaals alleen politiek tussenbeide komen als de politici hun werk niet doen. Dat wil zeggen, als de ministers in de regering een vacu?m laten ontstaan waar generaals in passen. Dat is een niet eens zo impliciete kritiek op verschillende regeringen en hun eerste ministers, en bevat ongetwijfeld een goed deel waarheid, maar het gaat wel voorbij aan een sociologisch aspect dat meer met de militaristische cultuur dan met onmiddellijke personeelsvragen te maken heeft. Dit namelijk, dat de belangrijkste politici in Isra?l, hun medewerkers en adviseurs, bijna allemaal eveneens ex-militairen zijn, die de denkwijze van het leger met de paplepel hebben binnengekregen en ervan doordrongen zijn. Yitzhak Rabin, Ehud Barak, Ari?l Sharon waren generaals, Bibi Netanyahu kapitein bij de commando?s. Yitzhak Shamir was voormalig aanvoerder van een terroristische groep. Levi Eshkol had in het oppercommando van de Hagana gezeteld. Het is niet nodig nog actief onder de wapens te zijn om een militaire manier van denken te behouden, zeker als men die goed geassimileerd heeft, en dat hadden en hebben deze mensen. Het Isra?lische leger heeft zijn reputatie een van de drie sterkste en meest professionele ter wereld te zijn, niet gestolen. D??r zit dan ook, moet men wel denken, eerder dan in complotten of rechtstreekse be?nvloeding vanuit de generale staf of uit de Militaire Inlichtingendiensten, de bron van de Isra?lische neiging om bij elk probleem allereerst aan een militaire oplossing te denken. In die mate zelfs dat bij sommige gelegenheden de politici oorlogszuchtiger waren dan de militairen. Want de algemene geobsedeerdheid met veiligheid komt daar bovenop, plus een tikje ideologie.

    Het is een verschijnsel dat men al eerder gezien heeft. De omstandigheden zijn er om met de Palestijnen tot een doorbraak te komen, het publiek is ervoor gewonnen of staat er onverschillig tegenover, de demografische factor dringt, de eerste minister is lucide en zal beslissingen nemen, maar tijdens zijn ambtstermijn doet hij dat niet en daarna kan hij alleen nog praten. De regeringen komen, de regeringen gaan, de politiek naar de Palestijnen blijft dezelfde. Eigenlijk is die politiek, behalve in de terminologie ? die ook haar belang heeft ? onveranderd gebleven sinds Ben-Gurion. Nadenkend over de Joodse staat vraagt men zich dan af, waar zit dit op vast ? Om het al te eenvoudig te stellen, wie heeft in Isra?l de macht om hierover te beslissen?

    ?Een diepe staat??

    In Turkije bestaat een politiek fenomeen dat men daar ?de diepe staat? noemt. De diepe staat is de blijvende machtsstructuur van de staat die buiten de democratie staat en niet wisselt met de regeringen, en die de door ministers genomen beslissingen uitvoert, of ze niet uitvoert. De wereld van hoge ambtenaren bijvoorbeeld. Wellicht is daar niet eens een machtscentrum en is er niemand echt de baas, geen generaal, geen grijze eminentie, is er alleen maar een consensus. Waar, als men het zoeken zou, zou men dit fenomeen zoeken in Isra?l ? Het leger, het militaire en inlichtingencomplex, zou een eerste kandidaat zijn. ?De permanente regering?, zoals iemand ze noemde bij Tanya Reinhart. Het militairculturele complex waar Baruch Kimmerling van schreef. Maar het leger is verdeeld, zoals we zagen. Het kan zijn mening wel opdringen aan de regering als de regering dat toestaat en er zelf geen heeft, maar die meningen verschillen al eens. Tijdens Oslo was het leger eerder voor Oslo. Daarna, tijdens Camp David, niet meer. En ook de inlichtingendiensten verschillen van mening. Het is zeker niet het leger alleen. Je moet in de economie zoeken, zei Didi Remez, die de blog Coteret maakt. Er zijn zeven families of acht die de Isra?lische economie in handen hebben. Misschien tien. Dit zijn zeer grote bedrijven, hun directies zitten vol ex-militairen, of ex-militairen die na hun militaire loopbaan ook politicus zijn geweest, of die nu gerekruteerd zijn en later politici zullen worden. Er is een verwevenheid die in elk land teruggevonden kan worden en die op zich over de natuur van de staat niets zegt. Men zou een studie kunnen ondernemen over de relaties tussen Isra?l en Turkije, en dan met name onder meer tussen het Isra?lische veiligheidsestablishment en de Turkse generaals. Tussen de twee was er jarenlang een nauwe militaire samenwerking. Dan zou men wellicht constateren dat de traditionele vriendschappelijke relaties tussen Isra?l en Turkije op de helling kwamen te staan toen de Turkse regering van premier Tayyip Erdogan de generaals aanpakte waardoor, naar men vermoedt, de ?diepe staat? een groot stuk van zijn macht verloor. Ook dat zou op zichzelf over Isra?l niet veel zeggen, en er waren ongetwijfeld veel andere motieven in het spel in snel veranderend Turkije, om ineens afstand te nemen van Isra?l. Maar Isra?l is een bijzondere staat, bijvoorbeeld omdat het permanent in staat van oorlog leeft, al zo lang als het onafhankelijk is en langer. Daardoor heeft het dat heel sterke leger en die veiligheidsconsensus ontwikkeld. Die hebben, zoals we zagen, een eigen politiek meegebracht. Daardoor heeft het ook een zeer belangrijke wapenindustrie ontwikkeld, die deels ? grotendeels, zeggen sommigen ? uit staatsbedrijven bestaat (zoals Rafael) en deels uit priv?bedrijven (zoals Elbit Systems).

     

    249.

    Wat gebeurt er als de Joden hun meerderheid verliezen in die dan als ?Joods? erkende staat ? Dat is een vraag waar geen antwoord op komt, tenzij van de tegenstanders van die eis : die zeggen, dan wordt Isra?l een apartheidsstaat. Of anders, is het een democratie, dan kunnen die Arabieren met hun meerderheid de grondwet veranderen. Maar kunnen ze dat niet ook als ze Isra?l w?l als Joodse staat erkend hebben ? Zo wordt de politiek bepaald door twee krachten. Enerzijds de angst uit het verleden, dat de Palestijnen zullen komen en wraak nemen. Ze zullen een Arabische eerste minister verkiezen en de rechten van de vrouwen tenietdoen, zegt de overigens wijze Yulie Cohen, en als dat gebeurt zal zij het land verlaten. Ze zullen de Joodse staat tenietdoen. Anderzijds de hebzucht naar het land, heel het land van de Jordaan tot aan de zee en misschien toch ook Libanon tot aan de Litani-rivier. Alle politieke constructies, spelletjes, plannen en voorstellen zijn pogingen om de twee te verzoenen. Vandaar de patsituatie. Niemand kan nog een kant uit, en intussen blijven de Palestijnen aangroeien. In juli 2010 kwam de harde rechterzijde met een onverwacht plan voor vrede. Onder leiding van onder anderen oud-minister van Defensie en van Buitenlandse Zaken Moshe Arens hadden die een voorstel geformuleerd voor het opgeven van de Tweestatenoplossing en de constructie van een eenheidsstaat. Daarin zouden de Palestijnen van de Westoever een paspoort krijgen, en na verloop van tijd ? tien of dertig jaar of zo ? alle gelijke rechten die de Joden van Isra?l ook hebben, op voorwaarde dat ze trouw zweren aan Isra?l als Joodse staat. Maar toch had men eigenlijk liever dat ze weggingen. Lijkt het niet waarschijnlijk dat het voorstel in enige operationele fase raakt ? de weerstand bij de Joden van Isra?l tegen een binationale staat en samenleven met de Palestijnen is eindeloos groot, de Tweestatenoplossing is internationaal de offici?le politiek, al doet men er in de praktijk niets aan om die ook te realiseren ? Moshe Arens en zijn medestanders vertrekken duidelijk van een paar moeilijk te ontkennen feiten. Enerzijds heeft Isra?l hoe men het draait of keert nu al een gemengde bevolking, met ongeveer twintig procent Palestijnen erin. Anderzijds wil de strekking waar Arens toe behoort de Westoever en Oost-Jeruzalem in geen geval afgeven ? de Gazastrook integendeel w?l, met geestdrift. Daarop bouwend zoekt hij naar een oplossing.

     

    261.

    Maar voor Joden, hoe ze het ook aanpakken, is de Thora ? de versie van het Boek die zij hanteren ? de basistekst, religieus, voor het juda?sme, ?n etnisch, voor het Joodse volk. Het is de tekst die het volk bindt, enerzijds met zijn halacha, zijn zeer groot aantal voorschriften en verbodsbepalingen, anderzijds met zijn geschiedschrijving. Het Boek en de studie ervan hebben geleid tot schier eindeloze filosofie en wijsheid ; de voorschriften hebben het Joodse volk verplicht tot speciale gedragswijzen die de Joden in de diaspora afzonderden van de samenleving waarin ze verkeerden ? en hielpen zo het volk bij elkaar houden en tegen verdwijning behoeden. Gebruikt als bron van historische informatie heeft het de Joden een nationale mythologie gegeven met een mengeling van etnische en religieuze elementen. Dit is centraal. Waarschijnlijk is het een groot stuk van de Joodse identiteit. In dat perspectief is het dan verder niet zo belangrijk of dit alles echt waar en echt gebeurd is.

    Een tweede bepalend deel van de Joodse identiteit is de herinnering aan twee millennia van ballingschap, vervolgingen en ellende, culminerend, na eeuwen van christelijk antisemitisme, in het moderne Europese antisemitisme en de Holocaust. De combinatie van goddelijke wet en diaspora leidden tot het Joodse dilemma : de godsdienst en de band met God loslaten, de voorschriften aan de kant zetten en opgaan in de omringende samenleving ? en als volk verdwijnen ; ofwel religieus en anders blijven, zich afzonderen van de samenleving en periodiek gehaat en vervolgd worden.

    Veel Joden zullen daarop zeggen dat ook de eerste tak van het dilemma vals is, want de geschiedenis heeft hun geleerd dat ze vervolgd zullen blijven, ook als ze zich aanpassen en als volk onzichtbaar zouden worden. Dan maar anders zijn, zich afzonderen en daar een zaak van maken.

    Het logische gevolg daarvan op lange termijn was de Joodse staat. Het is in dat perspectief ook niet zo belangrijk of het Joodse volk uitgevonden is dan wel altijd bestaan heeft.

    De dynamische geschiedenisprofessor Shlomo Sand van de universiteit van Tel Aviv komt in zijn boek Comment le people juif fut invent? tot het besluit dat er nauwelijks nog een genetische band kan bestaan tussen de hedendaagse Joden die uit de diaspora naar de Joodse staat gegaan zijn ? de Joodse Isra?li?s ? en de Joden van het jaar 70 AD die er volgens de tekst uit verjaagd werden. Niet ?cht, schrijft hij, die exodus is nooit gebeurd, de Romeinen deden zulke dingen trouwens niet : wat ?cht gebeurde is dat het juda?sme zich sterk uitbreidde langs de Middellandse Zee en door zijn proselytisme massaal Joden bijmaakte, op een religieuze, niet op een etnische manier, terwijl de Joden van Palestina bleven waar ze waren.

    Zo ontstond een religieuze gemeenschap die uit godsdienstige en rituele gronden formeel naar Jeruzalem en het beloofde land bleef verwijzen.

    Pas in de negentiende eeuw, in de sfeer van Europees nationalisme, volkeren en natiestaten, gingen literatoren en historici de Bijbel gebruiken als geschiedenisboek van een Joods volk ? dat wel moest bestaan aangezien het er was en zij er deel van uitmaakten. In die zin lijkt de aanbreng van Shlomo Sand, de athe?stische historicus, plausibel en ook relevant in de mate dat hij de heersende mythologie van Isra?l onderuithaalt door ze te tonen voor wat ze is, een mythologie.

    En kan men op basis daarvan dan een etnische staat bouwen ? Waarschijnlijk hebben de meeste andere natiestaten geen solidere etnische basis.

    Dus over wat Joden zijn blijft twijfel bestaan, zelfs puur religieus gezien want er zijn verschillende soorten die elkaar niet noodzakelijk als Joods erkennen, en ook daarover wordt, onafhankelijk van Shlomo Sand, een ernstige discussie gevoerd.

    Een andere discussie gaat erover hoeveel van de Bijbel men als geschiedenisboek ernstig moet nemen. Heeft koning David ooit bestaan ? Misschien is er wel iemand van die naam geweest, maar zelfs dat is verre van zeker.

    Jeruzalem is in het Midden- Oosten altijd een relatief onbeduidende stad gebleven, tot de religieuze twisten het belang ervan opgeblazen hebben. Is daar ooit een tempel van Salomon geweest ? Palestijnen kunnen wel zeggen dat ze daar nog nooit van gehoord hebben, maar Palestijnen ? of Yasser Arafat ? zijn misschien niet de beste autoriteit in de materie.

    Maar heel wat ernstige archeologen, schreef Uri Avnery, zijn er zeker van dat, ?ls er al een tempel van Salomon bestaan heeft, die wellicht niet op de Tempelberg stond, en een klein, onooglijk bouwsel geweest zal zijn ; en dat, als de Joden in bijvoorbeeld de Klaagmuur of elders op de Tempelberg resten van een tempel zouden vinden, dat dan niet die van Salomon maar die van Herodes geweest is.

    Opnieuw zijn de feiten wellicht niet zo belangrijk : wat de Joden ervan geloven en diep in hun identiteit dragen is belangrijk, omdat zij daardoor hun handelingen laten be?nvloeden. Hetzelfde geldt voor Judea en Samaria, de Bijbelse ? nu zionistische ? namen voor de Westoever.

    Bijbels gezien is dit het hartland van het Jodendom ? in Sichem bij het huidige Nabloes zou Mozes de stenen tafelen van God gekregen hebben ? maar intussen is Nabloes een zeer Palestijnse stad. De vraag wordt, wat is waar, als Isra?l het perspectief is, de feiten of de mythologische constructie ? Ook daarover wordt door Joden, zeker in Isra?l, heftig gediscussieerd.

    Voor veel seculiere en zelfs voor moderne gelovige Joden is de obsessie van bijvoorbeeld de religieuze kolonisten met land en oeroude heiligdommen ? het Graf van Jozef, het Graf van Rachel ? die wellicht nooit zoiets geweest zijn, een vorm van heidendom. Afgoderij. En dat is weer een splitsing.

     

    Archief

    vrt deredactie.be blog: Vraatzucht in de gezondheidszorg

    18 februari 2013


    Vraatzucht in de gezondheidszorg.


    Tijdens het tv programma ?Buitenhof? van de Nederlandse televisie op zondagochtend deed minister voor volksgezondheid, Edith Schippers, een oproep aan alle betrokkenen in en om de sector tot bezuinigingsvoorstellen. Er moet en zal anderhalf miljard euro per jaar bespaard worden op de basiszorg.




    Van de 75 miljard euro die in Nederland jaarlijks aan gezondheidszorg besteed wordt, gaat 60 procent naar de medische zorg en 40 procent naar verpleegzorg.
    Aan het huidige tempo zal een gemiddeld huishouden dat vandaag een vijfde besteedt aan zorgkosten in 2040 de helft van het inkomen moeten offeren.
    Deze vraatzucht in de zorg kan zo niet verder en dus deed de minister alvast via het tv-programma een warme oproep voor idee?n: de basiszorg kost nu 33 miljard en moet op jaarbasis met anderhalf miljard krimpen. De overige zorg blijft individueel te verzekeren.
    Telkens een bezuinigingsvoorstel uitlekt vanwege het ministerie of het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) start een mediaprocessie van geweeklaag en geknars der tanden vanuit de betrokken sector en worden de lobbyisten in stelling gebracht.




    Psychiatrie


    Toen de plannen van CVZ uitlekten om de vergoeding in het basispakket voor psychiatrische aandoeningen te schrappen, reageerde de geestelijke gezondheidszorg laconiek. Het conceptadvies was duidelijk geschreven door mensen achter een CVZ-bureau die geen idee hebben van psychiatrie.
    Vorig jaar werd overwogen om dure medicatie voor zeer zeldzame aandoeningen te schrappen (tot 800.000 euro per jaar voor individuele medicatie met onduidelijke effecten bij de ziekte van Pompe en Fabry) . De lobbygroep kreeg ruim gehoor in de landelijke pers en het plan verdween schielijk.




    Doe-het-zelf


    Twee jaar geleden opteerde ministers Schippers nog voor kostenbesparing door meer marktwerking in de zorg en scherpe concurrentie tussen huisartsen en specialisten. Intussen is ze de wanhoop voorbij en kwam de liberale minister – die als een der weinigen in het huidige kabinet een tweede termijn doet – met een nieuw lumineus idee: de zorgsector krijgt een half jaar om effici?nte bezuinigingsvoorstellen uit te werken. Indien na die termijn de oogst te schraal is, zet de regering zelf de bijl in de zorg.

    Een eerste tip kreeg de minister vorig jaar reeds. Maar daar had de liberale excellentie geen oren naar.
    Driekwart van de Nederlandse artsen en medische studenten zien de afschaffing van de marktwerking in de zorg als een belangrijk middel tot betere zorg aan lagere kost, aldus 86% van de huisartsen en 69% van de specialisten.




    Kassa!


    Daarnaast kunnen de onverzadigbare preventie campagnes afgeblazen worden. Zij genereren – doorgaans overbodige – forse kosten aan geld en leed.
    Armlastige ziekenhuizen die door slecht maar duur management in de problemen komen, verzinnen gerichte preventieve onderzoeken. Zo puren ze uit hun pati?ntenbestand eenieder boven de 50 jaar die ooit een botbreuk heeft gehad. Deze mensen krijgen dan rechtstreeks een uitnodiging voor een dexascan – botdichtheidsmeting: ?Indien de arts het, naar aanleiding van de uitslag van de dexascan, nodig vindt, wordt er aansluitend bloedonderzoek verricht en aanvullende foto?s van de wervelkolom gemaakt. Mocht er inderdaad sprake zijn van osteoporose, dan bestaan er tegenwoordig medicijnen welke de kans op een nieuwe fractuur in de toekomst aanzienlijk verkleinen. Wij verzoeken u een afspraak te maken en contact op te nemen…?
    Wie al dan niet in overleg met de huisarts daarop niet wenst in te gaan, krijgt een nieuw schrijven waarbij het verzoek nog eens ?met klem? herhaald wordt: kassa!




    Iedereen gelukkig, toch?


    Tien jaar geleden werden met eenzelfde osteoporosescan menig burgemeester en schepen in Vlaamse gemeenten gelukkig gemaakt. Een farmaceutische firma die dure medicijnen tegen botontkalking in de markt probeerde te zetten, stuurde geheel gratis uitnodigingen rond met de gemeentelijke hoofding en ondertekend door de burgemeester en bevoegde schepen aan alle vrouwen boven de 50 jaar. In de lokale sportzaal werden de metingen verricht. Bij vermoeden van broze botten werden de huisartsen verblijd met een consult voor verder onderzoek…

    Waarlijk een briljante vondst: vrouwen in de middenleeftijd en lokale politici voelden zich eindelijk nog eens gewaardeerd, ook wederzijds. De commercie van medici, paramedici en farmaceuten kreeg een boost. Iedereen gelukkig toch?

    Ivan Illich wist in 1976 duidelijk te maken dat naast een aanvankelijke verbetering van leefomstandigheden bij een medisch-technische evolutie grotere afhankelijkheid van artsen ontstaat die dure kunsten bedrijven. De gezondheidsindustrie verdient miljoenen klanten door hen vooral van de onmisbaarheid van producten en diensten te overtuigen.
    Gewiekste politici surfen graag mee in het zog van die zorg.




    Ik beken…


    Graag beken ik dat het bij mij als huisarts en politicus ook lang geduurd heeft eer ik de precieze mechanismen van preventie als angstgenerator begon te snappen. En nog langer duurde het eer ik mijn eigen woord en daad als huisarts en politicus daaraan durfde te spiegelen.

    Je moet al zeer wijs of hardvochtig zijn om niet ieder mens alle zorg te gunnen. Vaak is ?alle mogelijke en allerbeste zorg? het begin van een eindeloze lijdensweg. Beter is peilen naar de wensen van redelijke mensen dan naar uitputtende diagnostische en therapeutische mogelijkheden.

    Je moet al zeer wijs of doortrapt zijn om het gelijkheidsbeginsel onderuit te halen en mensen te behoeden voor de medische mallemolen: ?Ik heb toch ook recht op alle zorg, dokter. Ik ben ervoor verzekerd!? Op dit mechanisme teert de angstregie van mediareclame voor medische, chirurgische en farmaceutische wonderen.
    Je moet al zeer wijs of ervaren zijn om beter te genezen dan te voorkomen.
    Behandel zieken en laat gezonden met rust.




    Behoeden en bescherming beloven was en blijft een strategische topper voor religieuze, politieke, economische en medische belangengroepen.
    Wie angst kan zaaien, weet zijn oogst immers vruchtbaar.
    Intensieve veeteelt (ook van en bij mensen) is een goeie bodem voor snel uitbreidende epidemische ziektes. Bij dicht op elkaar levende dieren staan hygi?ne met schoon drinkwater, afvalverwerking, gevarieerde voeding, veilige werkomgeving en stressbeperking voor zinvolle preventie. Soms kunnen vaccinaties helpen tegen levensbedreigende virale en bacteri?le aandoeningen.

    Maar door het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dit escaleren tot een pijnlijk dure en hilarische heisa zoals tijdens de ?pandemie? van de Mexicaanse griep waarvoor Nederland 32 miljoen vaccins heeft besteld, betaald en nadien voor tweederde vernietigd.
    Het actief veralgemenen van elke preventieve strategie helpt de potenti?le pati?nt ?n de gemeenschapskas van de regen in de drop.
    Wie het gelijkheidsbeginsel wil veralgemenen ongeacht de individuele situatie, verklaart graag het Mattheus-effect te willen bestrijden. Preventie campagnes richten zich zo op wie niet tot de ruime middenklasse behoort. Wie de weg in de gezondheidszorg reeds kent, consumeert namelijk al meer en beter.
    Net zoals ieder mens een potenti?le pati?nt is, vormt iedere bejaarde – ook zonder klachten – een ferme bron van zorgkost. Zelfs wanneer ze hun leven als afgerond beschouwen.
    In Vlaanderen wenst 90 procent een waardig levenseinde om pijnlijke en mensonwaardige behandelingen te vermijden. Bij Nederlanders zijn deze cijfers vergelijkbaar. Het massaal propageren van cholesterolverlagers en osteoporosepillen is ongezond en zinloos. Intussen draaien de eindeloze margarinecampagnes met linolzuur uit op een pijnlijke commerci?le grap. Ook al worden die door sommige ziekenfondsen mee gefinancierd, als klanten wervende preventie.


    ?We have to transform the art of medicine into the science of care? – Ted Kaptchuk
    .




     

    Archief

    Gustave Caillebotte, impressionist en de fotografie – Gemeentemuseum Den Haag

    14 februari 2013

    Gustave Caillebotte, impressionist en de fotografie – Gemeentemuseum Den Haag

    nog tot 20 mei 2013

    In het zoals steeds prachtige Haagse Gemeentemuseum hangt de Parketschrapers (1875) van Gustave Caillebotte (1848-1894) uit het Mus?e d?Orsay prominent. Het werd destijds geweigerd op het Salon te Parijs wegens vulgair en shockerend als uiting van het dagelijkse zwoegen van proleten om de burgerlijke schoonheid van Parijse appartementen mogelijk te maken.? Van dit adembenemende werk bestaat een tweede meer gesofisticeerde versie uit 1876 waar de toon lieflijker, de krullen beschaafder en het zweet genoeglijker lijkt.

    Caillebotte bekeek zijn wereld ook vanuit andere, ongebruikelijkere perspectieven, naar vorm en inhoud.

    Gustave Caillebotte kon leven van zijn erfenis en speelde mecenas van o.m. Renoir en Monet. Hij bekeek de wereld door het oog van een fotograaf, de nieuwste kunst. En dat merk je aan zijn schilderijen.

    Er hangen 50 van zijn werken in Den Haag. Een handvol ervan is zeer de moeite: op Pont de l?Europe (1876) flaneren de burgers langs de staalconstructies van de brug over de spoorlijnen. Ook de Vluchtheuvel op de Boulevard Haussmann (1880) en menige balkonsc?ne met of zonder hoge hoed zijn origineel. ?Kalfskop en ossetong? en ?De Yerres bij regen? behoren tot zijn beter werk.? Van ?Rue de Paris, temps de pluie? wordt een boeiende foto op grootte van Thomas Struth gepresenteerd die genomen werd in het Metropolitan New York. Van Monet hangt er een prachtige Blauwe Regen. In het Gemeentemuseum wordt het schilderwerk gelardeerd met 150 historische foto?s waaronder heel wat uit de 19de eeuw.

    De fotoreeks Vespasiennes is veruit de beste. Haarscherpe urinoirs waar heren water en zaad konden maken.

    Maar aan schilderijen ontbreekt het niet in het Gemeentemuseum: door de grootse renovatiewerken aan het Mauritshuis worden 100 topstukken uit dit museum naast Caillebotte tentoongesteld.

    En daar hangen Gezicht op Delft van Johannes Vermeer, De Stier van Paulus Potter en De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp van Rembrandt van Rijn en ook Portret van een man van Michiel Sittow.

    Naast de eigen collectie is ook het Wonder van Delftsblauw een ommetje waard.

     

     

     

    Archief

    Tine Quadens, Leven op de top van een vulkaan

    14 februari 2013

    Tine Quadens, Leven op de top van een vulkaan

    uitg. Schrijverij Mooi Mens 2012

     

    Lang geleden, toen de dieren nog leken te spreken, verklaarde? Prof. Dr. Kanunnik Joseph Remi Nuttin (1909 – 1988) – gemeenzaam den Ouwen Nuttin – psychologie prof aan de Leuvense Alma Mater aan kandidaat geneeskunde studenten die hij onderwees in zijn vakgebied dat hij dat zo graag deed, dat lesgeven aan mensen die niet aan psychologie geinteresseerd waren omwille van hun eigenste problemen, zoals het gebruikelijk was in zijn eigen faculteit.

    Den Ouwen Nuttin vergiste zich wel meer. Zeker in onze ogen, in die prille jaren ?70 van de vorige eeuw.

    In de geneeskunde studenten aan de KU Leuven waren de getormenteerden? makkelijk te herkennen aan de randen van en binnen extreem links van SVB over MLB, anarchisten, aanhangers van Camilo Torres en Che Guevara of bij diep gelovige katholieken van de nieuwe stempel met een oecumenisch kruisje van Taiz? om de nek. En ook in de spiegel was er veel te erkennen.

    Later verscheen dit fenomeen ook weer aan de Antwerpse opleiding geneeskunde, bij docenten en studenten. Leven op de top van een vulkaan was ook daar niet uitzonderlijk. De duurtijd van de studie, de fysieke en psychische belasting leek naast een initiatieritus ook een afvallingskoers. Het was goed die vele jonge jaren samen aan te vatten en bij elkaar steun te vinden en aanmoediging en praktische hulp.

    Een van hen was Tine Quadens (Duffel, 1960) die het ondanks nog zeer jong en tegenslagen toch maar mooi bleef volhouden, waarna ze met haar geliefde naar het Nederlandse Geldermalsen trok in de praktijk van zijn vader-huisarts. Inmiddels is ze daar meer dan 25 jaar huisarts en moeder van 2 kinderen.

    De Belgische huisarts, die een tikkeltje ?plezant gek? is zoals ze zelf zegt, was een opvallend figuur in dat kleine Geldermalsen. Dat er meer aan de hand was, bleek pas veel later: Tine Quadens leed aan een bipolaire stoornis die niet herkend werd. ?Het heeft me 20 jaar gekost en dat in een milieu van artsen en hulpverleners. Het was een opluchting voor me: ik heb een diagnose!?

    ?Mijn type stoornis kent geen psychoses. Ik was altijd bezig, maar ook oververmoeid en angstig. Ik was vaak of te somber of te vrolijk ?? In mijn manische fase schrijf ik schriften en kladblokken vol, ik heb plannen voor 100 jaar en 100 mannen. Ik wil de top bereiken, ik heb voortdurend de drang om wereldberoemd te worden.? Drie keer kreeg ze een burn-out. In therapie heeft ze grenzen leren stellen. Na jaren van veel te hard werken, werkt ze nu parttime. Ze zit op zang- en tekenles, volgde een mindfulness-cursus en heeft eindelijk geleerd: ?Goed genoeg is beter dan perfect?.


    Tine Quadens heeft de moed en het lef gehad hierover een boek te schrijven zodat iedereen kan meelezen in haar leven. Vaak po?tisch, mooi, soms tenen krullend, stout, ontluisterend. Het lijkt me een zinvolle getuigenis voor wie professioneel, familiaal, praktisch of bij zichzelf vergelijkbare fenomenen kent.
    Leven op de top van een vulkaan is haar debuut. Het boek is opgedragen aan 3 mannen in haar leven: Rik, Erik en Kik. Rik is een onbereikbare jeugdliefde. Aan hem vertelt ze in het boek haar levensverhaal in briefvorm. Met Erik woonde ze 9 maanden samen, ze zouden gaan trouwen, maar hij bleek manisch depressief en pleegde su?cide. De derde man is Kik met wie ze nu al jaren een relatie heeft. ?Kik is een niet softe psychotherapeut? en samen hebben ze een zoon.

    Leven op de top van een vulkaan, met illustraties van bloemen van de hand van Tines tekendocent Paul Mattijsen, is verkrijgbaar via Schrijverij Mooi Mens. Een deel van de opbrengst gaat naar de Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen.


     

     

    106.

    Wat de dosis Zyprexa betreft ben ik gisteravond gestopt en heb ik niet gemerkt dat ik drukker ben, het gaat de goeie kant op of de depressieve kant, maar vandaar nog dat snufje Anafranil. Ik was wel wat ongerust dat ik niets meer van jou gehoord had na zaterdag en dat brengt me in parano?de waandenken. Ik ben dus psychiatrisch pati?nt en arts en wend mijn ervaring aan bij het helpen van psychische pati?nten. Een vrouw met diepe depressies vroeg me een keer: “Maar dokter, hoe heeft u dat dan gedaan tijdens die depressies?” “Wel, ik had een hulp en oppas, ik ging slapen en trok de deur dicht tot ik weer het woordje pap kon zeggen.” Het is ondertussen wel algemeen bekend dat ik dip maar daardoor ook goed ben in het helpen bij psychische klachten, en ik vind het ook fijn om zelf te weten wat die mensen doormaken. Voor hen is het geruststellend een dokter te hebben die hen kan begrijpen, het geeft een gelijke verhouding.

    164.

      Jaren geleden was ik vaak ochtendmisselijk en voelde de spanning van het onverwachte wat zich dagelijks voordoet in mijn werk, voeg daarbij mijn hoog streefniveau en een draaiend plateau van angst en onzekerheid is geschapen. Zal ik dit keer door de mand vallen en terechtgesteld worden door een peloton rechtsprekende pati?nten? Ondertussen met lithium ben ik echt ontspannen. Ik voel me een goede arts (good enough) en ben in staat de meeste problemen op te lossen. Laat ze maar komen. Tussen de middag neem ik tegenwoordig altijd een pauze van minimaal twintig minuten, de hond kan dan zijn pootjes strekken en ik weid me aan mijn noodzakelijke ademhalingsoefening. Dan weer gerust aan de bulot. Tot zes uur. Op het werk rook ik niet, uit principe en uit zorg dat ik dan steeds meer zou gaan roken. Ondanks dit alles probeer ik mensen te ondersteunen met stoppen met roken, ik begrijp ze niet, ik heb ze door! Ik help ze om bij hun autonomie te komen. Zij zijn de kapitein, we motiveren volgens Socrates anders kan je er beter niet aan beginnen. In mijn hulpkit beschik ik over twee soorten pillen om het verslavingsgevoel te temperen. Roken zou gepaard gaan met extra ziektegedrag maar roken geeft ook een lagere levensverwachting van tien jaar. Ik word 94 en dat vind ik wel genoeg. Hoe ze de berekeningen maken dat stoppen met roken goedkoper is weet ik niet. De duurste tijd van je leven is je laatste half jaar, het terminale stadium kost bakken vol geld.

      Ik behoor nu tot de paria’s, de uitgestotenen staan buiten in weer en wind bij kroeg of restaurant enige medemenselijkheid te voelen van een glinsterende asbak met zijn verfomfaaide peuken, als indianen om hun stoofpot je. Een van mijn leukste verjaardagsfeesten was antirook. Samen met de rokers zetelden we ons op de houten trap van mijn boerderij woning en hadden veel plezier.

      Kik kon stoppen, vier jaar geleden, dankzij onze overbuurvrouw Margo die met mij de afwas deed en hem de ruimte gaf te joggen langs het strand of in het bos. Hij bemoeit zich niet met mijn rookbeleid en dat vind ik heel knap. Roken geeft structuur aan je dag, het schept de mogelijkheid om de dag op een licht dwangmatige manier in te delen. Voor het eten, na het eten, voor het boodschappen doen of erna, nog ??n sigaret voor het slapen gaan. Hoeveel heb ik er nog, moet ik nog de deur uit vanavond voor een pakje?

      Op dit moment wil ik het niet laten, het geeft me een denkbeeldig houvast die me sturing geeft aan mijn onstandvastigheid. Veel mensen met psychiatrische stoornissen roken, de zalen zien er blauw van.

      Ik help mensen met COPD, totaal uitgerekte longen die zo benauwd zijn dat ze voorovergebukt gaan onder hun kortademigheid. Ze doen een moord om lucht te krijgen. Het is pappen en nat houden, er helpt niets meer aan, de dokter is placebo geworden. Longkanker rukt op en vooral bij de vrouw. Elke actie om op ieder pakje een waarschuwing aan te brengen werkt averechts, het heeft nog meer aantrekkingskracht.

      176.

      Het uitblijven van het voor mijn ogen normale inlevingsvermogen dreef me in de hulpeloosheid van een kleuter: wie wil er mij nu nog? Het zorgde voor een foute diagnose alhoewel ik ook wel borderlinetrekken heb, zie mijn impulsiviteit en spaarzame woede-uitbarstingen. Het luisteren naar pati?nten breekt me op in mijn hypomane fase, ik wil graag gehoord en gezien worden, ik word te loslippig en vertel meer over mezelf wat de relatie niet bevordert. Ik heb het ook teruggevonden in eerdere schrijfsels waarin ik mezelf, mijn familie, onze naam over de daken wil schreeuwen.

      Lachende Rik, hoe het is als ik depressief ben kan ik je nu niet vertellen, want ik ben het niet en daarom schrijf ik door tot ik de hele cyclus gehad heb. Ik ben blij met je voorzichtige kritiek en kan deze wel plaatsen, binnen wat ik tot nu gefabriceerd heb. Ik had je niet gevraagd of je het goed vond, wel watje ervan vond (ik val weer door de mand dat ik alles letterlijk neem, dus geen kleine lettertjes als je ze er niet bij zegt, beetje PDD-NOS). Het van de hak op de tak springen is een niet bewuste stijlfiguur die volledig past binnen mijn spraakzaamheid en snelle denkvermogen waarbij het associ?ren op taalklanken een vanzelfsprekendheid is.

      Ik ben zoals de vulkaan, ze stoot haar lava in vele grote en kleine erupties naar buiten. Dat hoort zo. De aanwezigheid van getallen heeft te maken met dwangmatigheid en controle en ik denk dat de lezer het nodig heeft om de verhalen in de tijd te plaatsen, maar ik ga er wel naar kijken.

      Het feit dat ik mezelf tentoonstel is de inhoud van de manie, ik wil mezelf aan iedereen laten zien zoals ik ben en dat is goed genoeg. Ik meen te merken dat je exhibitionistische trekken minder waardeert dan introverte en dat je hunkert naar meer metafysische beschouwingen.

      Volgens Kik ga ik de breedte in en hij de diepte, een essentieel verschil als verklaringsmodel voor onze karaktertrekken. Zelfonderzoek, mezelf doorgronden doe ik inderdaad tegen betaling zodat mijn therapeut er auto van kan rijden en ik mijn zelfhaat en onvolkomenheden minder verwerp en bij contactproblemen mijn excuses kan aanbieden.

      Daarbij is mijn autoriteitsconflict verminderd en heb ik haast geen aanvaringen meer met pati?nten omdat ik mijn empathisch vermogen heb ontwikkeld. En dat is het me waard. Je zult nog wat geduld moeten hebben voor het zien van mijn kleine kant maar ik ben bang dat dat een afgezaagd station is. En gedichtjes zoals jij ze schrijft moet ik nog uitproberen, dat komt waarschijnlijk als mijn vader dood gaat. Ondertussen krijg ik schrijfsels van mijn vader, die ook aan zo’n levensverhaal begonnen is. Ik vind de mijne beter maar ik kon er wel om lachen.

       

      192.

      Ik kan gaan leren leven, vanuit mezelf, niet vanuit wat de ander van mij verwacht. Ik ga nu tweemaal per week naar therapie. Van Kik leer ik het bestaan van de intermediaire ruimte tussen twee mensen, ook al heb je een verschil van mening, er is een onderhandelingsgebied tussen beiden om hierover te praten. Mijn afstand tot mijn therapeut is genaderd tot op drie meter, het werkelijke verschil.

      De hectiek van het vak bevalt me steeds minder. Ik verdiep me in een studie psychologie of het omscholen tot psychiater. Dit gaat me echter zoveel inspanning kosten dat ik er niet aan begin, en ik voel me steeds meer een goeie huisarts. Ik droom over een buitenlandse vrouw die ik omarm om te troosten, die vrouw ben ik ook zelf. Ik kan mezelf troosten, ik kan op mezelf zijn en heb minder compassie nodig van een ander.

      Mijn status is nog steeds die van vreemdeling. Ik krijg meer ruimte om te onderzoeken. Mijn therapeut wordt mijn gesprekspartner, hij is geen vijand meer. Ik wil niet meer meegesleurd worden in de mallemolen van het werk, ik wil mezelf kunnen blijven, ook met tijdsdruk. Ik droom vaak over trouwen met mijn lief (dat zijn er verschillende) en ik heb geen trouwkleed en trek dus iets moois aan dat nog in de kast hangt.

      Dit wil zeggen dat ik het kan doen met wat ik heb. Ik heb genoeg in huis.

      Het huis is af, nu jezelf nog laten zien, zegt mijn therapeut. Ik wil gaan werken vanuit wat ik graag wil, waar ligt mijn grens, hoe kan ik het makkelijk aan? Ik droom dat ik op een analysebank lig bij een warme vrouw, ze omarmt me, kort daarvoor was ik nog een klein jongetje, met een piemel, dat zelf kan plassen: bij mijn moeder was het veiliger om een jongen te zijn.

      Als ik ergens geen zin in heb, komt dat omdat ik niet bij mezelf weg wil gaan, ik vertrouw meer op mezelf.

      Het feit dat ik ga roken is een overwinning op mijn ouders, het is vieren dat ik iets zelf beslis, ook al is het niet goed voor mij. Ik heb het onderzoeksrapport opgevraagd van het NPI en overweeg een second opinion in Halsteren.

      Ik schrik me dood van de beoordeling Borderline en zie dat als een motivatie voor een nieuw testonderzoek. Ik praat hier vaak over met mijn therapeut, ook over de mogelijkheid om drie dagen op de bank te gaan liggen.

      Mijn therapeut wil dat niet. Ik ben razend, ik wil hem pijn doen, hij zal me moeten missen, zijn ‘dochter’.

      Hij: “Je voelt je in de steek gelaten omdat ik jou niet vertrouw.” Ik ben woest: “Verdraag het maar, ik stop ermee, afgelopen!”

      Een week later zijn er gevoelens van verliefdheid, het tot elkaar veroordeeld zijn op een eiland. Vriendschap voor een man bestaat niet of ik loop ervoor weg. Zie jeugd: als ik verliefd was op een jongen toonde ik dat niet.

      Nog een week later ga ik het zelf weer doen. Ik heb opgeruimd, schoon schip gemaakt. Het vertrouwen in de helende kracht van therapie wankelt, mijn gevoelens van minderwaardigheid zitten diepgeworteld en dat heeft veel tijd nodig.

      In november 2007 barst ik opnieuw uit naar aanleiding van een conflict met Robert. Ik ben zeer boos en druk en laat niemand meer uitpraten. Het lijkt erop alsof de manie de uitweg is in de sleur. Ik begin met Lithium. Ik heb bipolaire twee. Sinds december 2008 mag ik toch ??n maal per week gaan liggen, ik word hypomaan, ditmaal zonder boosheid naar anderen.

      Er is recht geschied. Ik begin aan dit boek

       

      Archief

      Maarten van Roozendaal, Doden met verlof.

      11 februari 2013

      Doden met verlof

       

      Je geeft me heet water

      Je geeft me je zakje

      Je geeft me de suiker

      Zoals iedere keer

      Het was weer oorlog, m’n liefste

      En ik heb weer geslagen

      En nu sluiten we vrede

      Want dat doen we steeds weer

       

      Straks lach je

      En dan grijp je m’n hand

      We bedrijven de liefde

      Of we doen weer alsof

      We zijn doden, m’n liefste

      Alleen maar doden, m’n liefste

      Doden met verlof

       

      Want al het geluk, zeg je

      En alle ellende, zeg je

      Het is allemaal extra

      Het is allemaal iets

      En we zijn hier om te leren, zeg je

      En dan kan er iets fout gaan

      Maar ik blijf van je houden

      Het geeft allemaal niets

       

      En dan lach ik

      En dan grijp ik je hand

      We bedrijven de liefde

      Of we doen weer alsof

      Ach, we zijn doden, m’n liefste

      Alleen maar doden, m’n liefste

      Doden met verlof

       

      Want zo groot als de wereld

      Zo klein is ons leven

      Het begint altijd met meppen

      En het eindigt met moord

      Wij zijn niet anders, m’n liefste

      We zijn slaaf van de wetten

      Doden met verlof

       

      Dus, geef je me water

      En kom hier met je zakje

      En de suiker Voor de laatste keer

      Want het zal altijd zo blijven

      Er zal nooit iets veranderen

      En dat we van elkaar houden

      Dat helpt ons niet meer

       

      Dus ik sta op

      En ik geef je een hand

      Dan neem ik afscheid

      Of doe ik weer alsof

      Ach, we zijn doden, m’n liefste

      Alleen maar doden, m’n liefste

      Doden met verlof…

       

       

      Maarten van Roozendaal

       

      http://www.youtube.com/watch?v=0_2Ul3abBU8

       

      Archief

      Anna Enquist, Een kooi van klank

      4 februari 2013

      Tamboer

       

      We horen hem wel, de tamboer in de verte,

      maar luisteren niet. De maat van zijn stokken

      bepaalt onze stappen. Ook nu. Verwijlen

       

      wil ik bij een wals van vroeger, een dans,

      kind op de arm. Het spant ondraaglijk

      tussen toen en vandaag. Aan de mars valt niet

       

      te ontkomen. Woedend doe ik een greep

      in de muziekdoos van het geheugen, waar

      haar te vinden voor ik omval? Maar kijk,

       

      de trommelaar brengt ons het kleinkind,

      verlokt ons tot een nieuw lied, zadelt ons op

      met de laatste vreugde voor de eindstreep.

       

      Anna Enquist, Een kooi van klank. Gedichten 2012

       

       

      Archief

      vrt deredatie.be blog: Geen woning, geen kroning?

      2 februari 2013








      Geen woning, geen kroning?


      30 / 01 / 2013

      Bijna 33 jaar geleden maakte Nederland zich op voor de grootste rellen in vredestijd ooit: het kroningsoproer. De toenmalige kraakbeweging was er in een periode van economische crisis in geslaagd woede om schrijnende woningnood te koppelen aan onrust over de pompeuze kroning van Beatrix tot nieuwe Oranjevorstin.

      De slag om de Blauwbrug

      ?Geen woning, geen kroning? leidde tot feestelijke en grimmige confrontaties in de straten van Amsterdam, met traangas op de Dam en een ware slag om de Blauwbrug. Drie jaar later opende A.F.Th. van der Heijden er zijn magistrale cyclus mee: ?De tandeloze tijd?.

      Zolang de Here Jezus op aarde heeft verkeerd om zijn opdracht te volbrengen, zolang zal Majesteit met Zijn hulp ook aan haar opdracht gewerkt hebben. ?God zij met ons? liet ze ter verduidelijking als randschrift in de 2 Euro munten van het Koninkrijk der Nederlanden graveren.
      Dat de tijd tandeloos was, werd door weinigen toen reeds begrepen.
      Voor velen leek de toekomst strijdbaar rood te gloren aan de oosterse kim.

      Kruisraketten

      De kraakbeweging radicaliseerde tot een gewelddadig lustrum en onderwijl werd er in West-Europa heel wat af betoogd voor vrede, tegen de plaatsing van kruisraketten met kernkoppen en tegen ?Kernenergie, neen bedankt!?

      In 1979 besloten de NAVO-lidstaten in Europa 572 kruis- en Pershing-II-raketten te plaatsen, waarvan 48 in Woensdrecht in Nederland en evenzoveel in Florennes in Belgie. De kernwapens in Oost Europa en de Sovjetunie vroegen volgens de NATO om een adequaat antwoord.
      Kort voordien waren de voordelen van de nieuwste neutronenbom bekend geworden: ?Mensen gingen dood, maar gebouwen bleven staan.?

      De christelijke vredesbeweging trok mee op tegen de dreigende vernietiging van de mensheid. De angst zat er goed in bij de bevolking. Maar toch besliste de Nederlandse en de Belgische regering om de plaatsing van de kernwapens door te laten gaan.

      Vredesbetogingen

      Op 21 november 1981 kwam in de slipstream van kroningsoproer en krakersrellen bijna een half miljoen mensen bij elkaar in Amsterdam tegen de plaatsing van de kernwapens. Omdat de organisatoren op 40.000 deelnemers hadden gehoopt, overspoelde de manifestatie de hele binnenstad al bleef het vooral een vreedzame bedoening van jong en oud, links en extreem links, vrijzinnig en gelovig.

      De rotten meebetogende Nederlandse soldaten in uniform en de processies van psalmenzingende religieuzen in habijt waren indrukwekkend.
      In 1983 volgden nogmaals op 23 oktober een half miljoen betogers door de straten van Brussel terwijl de roomsblauwe regering Martens V het fiat reeds had gegeven voor het invliegen van de kruisraketten.
      Op 29 oktober manifesteerden in Den Haag nogmaals 550.000 mensen tegen de plaatsing van de kernraketten. De grootste manifestatie ooit in Nederland.

      In datzelfde jaar kwam de film ?The Day After? uit op de Amerikaanse tv met op slag 100 miljoen kijkers. Het verhaal over de dag na een kernoorlog hakte er ook in West-Europa keihard in.

      De tandeloze tijd

      Achteraf bleek het waarlijk een tandeloze tijd.
      Met de oliecrisis van 1973 begon een periode van economische neergang gepaard aan de afbouw van de zware industrie. In Nederland werd de V.U.T. (vervroegde uittreding) een razend succes want oudere werklozen behielden zowat hun vroeger loon. De werkgevers konden op die manier hun dure arbeidskrachten vlotjes dumpen.

      In Belgi? probeerde men de stijgende werkloosheid te keren door oudere werklozen een bedrijfstoeslag te geven wat leidde tot brug- of prepensioen. Zo zouden jonge mensen makkelijker kunnen instromen op de arbeidsmarkt. Allerlei nepstatuten werden gecre?erd gaande van het Bijzonder Tijdelijk Kader (BTK) – Derde Arbeidscircuit (DAC) – Interdepartementaal Begrotingsfonds (IBF) tot tewerkgestelde werklozen. En later nog het exotisch klinkende Gesco met ook nog een heilzame arbeidstijdverkorting tot 40 uur per week, later 38, zelfs 36 en soms 32 uur per week.

      Babyboomers

      Geen van deze maatregelen kon verdoezelen dat er teveel werkzoekenden bleven toestromen in een krimpende economie. De naoorlogse babyboomers verschenen in groten getale op de arbeidsmarkt en werden vaak afgescheept met nep-statutern.

      Het tandeloze van die tijd bleek uit het eindeloos rekken van allerlei verlokkingen en douceurtjes zonder fundamentele vernieuwingen in de organisatie van de productie en de arbeidsmarkt. De Rotterdamse socioloog Willem Schinkel merkte op dat de hele mei?68 ? beweging, van studenten met of zonder arbeiders, een legitimatie opleverde voor een ander vorm van kapitalisme, postfordistisch, met ge?ndividualiseerde flexibele verhoudingen tussen mensen waarbij consumptie belangrijker is dan productie, een consumptiemaatschappij.

      Vrijheden die in de nasleep van mei ?68 bepleit werden, zijn precies de vrijheden die passen bij dat type kapitalisme: seksuele vrijheid, emancipatie, individuele vrijheden los van collectieve structuren, los van familieverbanden. De hele idee van ?revolutie? was schijn. De theoretische basis ervan een ideologie – marxisme, bolsjewisme, trotskysme, mao?sme – die toen al achterhaald was.

      Intussen zijn we ruim 30 jaar verder en werd de tijd nog meer opgerekt.

      In Nederland boomt het zzp-statuut – zelfstandig zonder personeel – want dat maakte de vroegere werknemer helemaal vrij om te ondernemen, te handelen, toch?
      Jonge mensen vermijden de confrontatie op de ?arbeidsmarkt? wegens onaantrekkelijk of kansloos. Dus maar verder voor een hogere, ruimere en bredere opleiding.
      De al jaren aangekondigde uittocht van de oude babyboomers levert niet de verwachte ruimte op voor de jongeren van vandaag.

      Varkenscyclus

      Maar in een varkenscyclus van grote overschotten – vooral in de socio culturele en ict – sector – valt er niet veel te ondernemen.
      De tijd van studeren voor je plezier is helemaal voorbij al proberen hogescholen en universiteiten nog steeds hun varkenscyclus hoog te houden met prachtige toekomstvoorspellingen bij een instortende vraag.
      Goed opgeleide twintigers komen weer terecht in nep-banen voor het leven. Al is de woningnood ruim opgelost, mede door de intussen failliete woningco?peraties, met een stagevergoeding of vrijwilligerswerk hebben jonge mensen nog steeds geen hoop op een eigen woning.

      Tijdens het koningschap van Beatrix is Nederland veranderd van een vrolijk, zelfbewust, creatief, sociaal en balorig land tot een angstige, onzekere, individualistische en balsturige borderline natie.

      Koningin Juliana was niet alleen haar moeder, maar ook die van het verzuilde vaderland. Koningin Beatrix wordt nu alom geprezen om haar professionalisering van het koningschap, waarbij ze wordt vergeleken met een geslaagde CEO in het bedrijfsleven. De bevolking zit intussen wat verweesd te kijken naar de goed georkestreerde oranje gekte. Premier Rutte verkondigt alvast een viering met stijlvolle bubbels in plaats van ranja met prik.

      ?Ze bedacht dat wreedheid in de wereld veel meer voorkwam dan mededogen, en dat mededogen soms zelf een vorm van wreedheid was.? Amos Oz, Onder vrienden.






       

      Archief

      ?Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten’

      27 januari 2013

      ?Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten’

       

      Het nieuwe Dossin Museum staat recht tegenover de Mechelse Dossin kazerne van waaruit de nazitransporten van Joden uit Belgi? plaatshadden tijdens de tweede wereldoorlog.

      Deze kazerne was vroeger reeds omgebouwd tot binnenplaats met ruime lofts, waar ook de voorganger van het huidige museum onderdak had gevonden. Dus werd de overzijde waar een oude gevangenis huisde, geruimd voor een reusachtige en helder gekleurde blok met een roestig ijzeren schuifdeur als portaal. Een beetje zoals het classicistische fronton dat tegen het Museum M in Leuven lijkt gekleefd.? ?M? werd bekleed met travertijn waardoor de kleurvoering in Mechelen vergelijkbaar is. In beide locaties wordt aan de voorgevel de toon gezet. Al is het feestelijke Mechelse vlaggenpatroon tussen beide gebouwen wat merkwaardig.

      De enkele resterende treurwilligen volstaan immers ruim om het nieuwe Dossinblok in een wat menselijker evenwicht te brengen.

      Binnen noodt het gelijkvloers naast de balie en de eenzame man in een hoek uitgesloten van de rest tot bezoek aan de videofilmen over onrecht in de wereld.

      Het bezoek is een klim van Massa op de eerste verdieping, naar Angst op de tweede en Dood op de derde. De vierde heeft een prachtig ramenuitzicht over Mechelen en een inkijk op de binnenplaats van de Dossinkazerne waar? het allemaal begon.

      De opstelling van herinneringen is goed doordacht en handig voor de talloze schoolrondleidingen. Ondanks bijzonder weinig origineel materiaal wordt een boeiende toelichting gegeven bij het ontstaan van het nazisme, de Jodenhaat en het leven van Joden in Belgie voor de tweede wereldoorlog. Ook aan de zigeuners wordt een hoofdstuk van stigmatisering en registratie gekoppeld. Binnen de getuigeniskasten is de audiogids handzaam om de verhalen te begrijpen van de vele typerende levensverhalen.

      Angst behandelt rassenhaat en vervolging, in Antwerpen. De registratie, Jodenster, razzia?s en het verzet.

      Dood gaat over de situatie in de echte Dossinkazerne aan de overkant, getto?s en uitroeiing.

      Ook aan onderduiken wordt kastenwand gewijd. Maar op de geografische spreiding van de onderduikadressen (19.1) wordt de barmhartige stede Geel niet vermeld, ook al werden daar talloze Joden en Joodse kinderen verborgen voor deportatie en vernietiging.

      Er wordt ook aandacht besteed aan de bestraffing van de nazi?s en hun medewerkers: ?In Antwerpen kwam het noch voor burgemeester Delwaide, noch voor hoofdcommissaris De Potter tot een proces. De Potter bleef in dienst tot aan zijn pensionering in 1947 en werd bij die gelegenheid uitvoerig gehuldigd?.

      De Kazerne Dossin heet ?Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten?, maar van dat laatste is niet veel te merken.? Toch was dat naar ik me herinner een van de doelstellingen van het museum zoals het destijds door de Vlaamse regering onder minister president Dewael werd opgevat.

      Dit is een pijnlijk en zelfs schrijnend mankement dat onmogelijk volstaat met een grote foto op de muur van de drie verdiepingen en in de bezoekersgids over een hedendaagse – vermoedelijk Kroatische – massa enthousiasme en de Chinese dissident met het plastiek tasje voor de tanks op weg naar Tien Anmen.

      De ernst en de kwaliteit van de rest van de tentoonstellingselementen staat in schril contrast met dit soort populistische oprispingen.

      Ook aan de rol en de betekenis van Joodse verraders en handlangers van de nazi?s, alsmede het verzet tegen diezelfde nazi?s wordt veel te weinig aandacht besteed. Op die manier blijf je de tweede wereldoorlog en het nazisme focussen op het lot van de Joden en de holocaust.

       

      Dat er nog heel wat meer achter de muren huist van het museum Kazerne Dossin blijkt o.a. uit het artikel met links van Gie van den Berghe op De Wereld Morgen: ?Achter de schermen van de Holocaust?.

      Ook deze publicatie van Gie van den Bergh bevat veel achtergrondinformatie.

      Archief

      Amos Oz, Onder vrienden

      27 januari 2013

      Amos Oz, Onder vrienden – De Bezige Bij 2013

      vertaald door Hilde Pach

      Zelden een verzameling miniaturen gelezen die zo sterk blijven oplichten tegen de achtergrond van idealen. In casu de socialistische idealen waarmee de staat Israel al strijdend werd opgericht.

      Amos Oz weet met een subtiele schoonheid de gruwelen van zulke ideale maatschappijvormen te onthullen. Niet alleen in de kibboets waar een hooggestemde gelijkheidsideologie die – ?met verbeten toewijding nageleefd? – de basis vormde voor een ?wreedheid zich bij ons soms vermomde als rechtschapenheid of als trouw aan principes, en hij wist dat niemand daar helemaal vrij van was.?

      Dat impliceerde dat ieder lid van de gemeenschap ?immers dag en nacht zijn uiterste best moest doen om er net zo uit te zien als iedereen. Zich in te houden. Te doen alsof.?

      ?Ze bedacht dat wreedheid in de wereld veel meer voorkwam dan mededogen, en dat mededogen soms zelf een vorm van wreedheid was.?

      Ook ?vrouwen genoten bij ons officieel volstrekte gelijkheid, maar die gelijkheid kregen ze alleen op voorwaarde dat ze zich gedroegen als mannen en eruitzagen als mannen.?

      Of nog : ?ze zei bij zichzelf dat de meeste mensen blijkbaar meer warmte en genegenheid nodig hadden dan de anderen konden geven, en dat geen van de kibboetscommissies het verschil tussen vraag en aanbod ooit zou kunnen bijpassen. De kibboets, dacht ze, had de maatschappelijke orde een beetje veranderd, maar de aard van de mens veranderde niet, en die aard viel niet mee.?

      Een mooi voorbeeld is zijn analyse van het socialistische geloof dat in de kibboets beleden en beleefd werd: ?De oude leden zijn eigenlijk gelovigen die hun godsdienst hebben afgezworen en daarvoor in de plaats een nieuwe religie hebben aangenomen, vol overtredingen en zonden en vol verboden en vol hardvochtige wetten. Ze zijn eigenlijk nooit opgehouden met het belijden van een godsdienst, ze hebben alleen de ene godsdienst voor de andere verruild. Marx is hun Talmoed. De vergadering is de synagoge en David Dagan is de rabbijn. Er zijn hier een aantal gezichten die ik me heel goed kan voorstellen met een baard en zijlokken of met een pruik op het hoofd. Maar heel geleidelijk zullen de tijden veranderen, de orthodoxen verdwijnen en er komen mensen zoals jij, Joav, meer ontspannen dan de ouderen, mensen die geduld hebben en twijfel en mededogen.’

      Dat zien de oudere kibboetsleden en de rechtgelovigen met lede ogen aan: ?

      Het waren allemaal goede jongens (...) en ze waren allemaal bereid allerhande zwaar werk te verrichten, maar ze waren geen van allen geestdriftig en geen van allen laaiend van woede om het maatschappelijk onrecht.?

      Amos Oz is de auteur die mij geholpen heeft afstand te nemen van de clich?s waarmee onze levenspad was geplaveid. Waar tot in eind jaren zestig nog veel sympathie voor Israel bestond bij wat zich graag links spiegelde in West Europa was dit begin jaren tachtig compleet gekeerd.

      Amos Oz en andere Isra?lische schrijvers hebben daartoe bijgedragen met ?Een verhaal van liefde en duisternis? ??en ?Onder vrienden?.

       

       

      Lees verder »

      Archief

      Juan Gabriel V?squez, Het geluid van vallende dingen.

      26 januari 2013

      Juan Gabriel V?squez, Het geluid van vallende dingen.? Uitg Signatuur 2012

      vertaald door Brigitte Coopmans

      Dit is het derde boek – alweer prachtig vertaald – van deze Juan Gabriel V?squez (1973) na??De Informanten? en ?De geheime geschiedenis van Costaguana?.

      Het verhaal licht een tip van de sluier op van de recente Colombiaanse geschiedenis met een (valabele) verklaring voor de enorme ontwikkeling van de drugsproductie en -handel voor de afzetmarkten in de VS: de inspanningen van de vele vrijwilligers van het American Peace Corps die zich inzetten voor goede werken in het ontwikkelingsland. Zij leerden de mogelijkheden kennen voor het grootschalige verbouwen van meer rendabele landbouwgewassen uit de hallucinogene sectoren. Via de Peace Corps deskundigen werden luchtlijnen voor de trafiek naar de VS uitgebaat waar de hoofdrolspelers willens nillens bij betrokken werden.

      De heen en weer verbanden zijn mooi, soms verrassend, maar het hele verhaal klinkt wat licht behoudens deze paragraaf:

      252.

      In het donker van de slaapkamer dacht ik daaraan, hoewel nadenken in het donker niet raadzaam is: de dingen lijken groter en ernstiger in het donker, ziektes lijken verwoestender, de aanwezigheid van het kwaad nabijer, de liefdeloosheid intenser, de eenzaamheid dieper. Daarom willen we dat er iemand naast ons slaapt, en daarom had ik haar die nacht voor niets ter wereld alleen gelaten. Ik had me kunnen aankleden en stilletjes weg kunnen gaan, op mijn sokken, de deuren op een kier latend, als een dief in de nacht. Maar dat deed ik niet; ik zag haar in een diepe slaap vallen, ongetwijfeld door een mengeling van vermoeidheid van de reis en de emoties. Herinneren is vermoeiend, dat wordt ons niet geleerd, herinneren is een uitputtende bezigheid, het vreet energie en is een aanslag op je spieren. En zo zag ik Maya dus op haar zij in slaap vallen, haar gezicht naar het mijne gedraaid, en toen ze eenmaal sliep, zag ik haar hand onder het kussen schuiven, alsof ze het omhelsde of zich eraan vastklampte, en weer gebeurde het: ik zag hoe ze als kind was, ik twijfelde er absoluut niet aan dat in dat gebaar het meisje schuilde dat ze geweest was, en ik hield op een bizarre, vage manier van haar. En daarna viel ik zelf ook in slaap.

      Archief

      The Killing I – II – III : Forbrydelsen of De Misdaad

      25 januari 2013

      The Killing ? in het Deens Forbrydelsen of De Misdaad is een Deense TV misdaadserie nu ook op DVD van de Danmarks Radio.

       

      Gemeentepolitiek.

      In deel 1 wordt 20 dagen lang de moord op een jong meisje onderzocht onder leiding van Detective Inspector Sarah Lund, schitterend gespeeld door Sofie Gr?b?l. Het is er omzeggens altijd donker en duister, niet alleen in de geesten van de mensen maar ook in Kopenhagen en omgeving, niet in het minst in de gemeentepolitieke van de Deense hoofdstad waar bijzonder realistisch de strijd om de macht verweven blijkt met allerlei gebeurtenissen die van ver of dichtbij met de gruwelmoord te maken hebben.

      Wegens het enorme succes in heel Europa werd intussen gezorgd voor een Amerikaanse remake. Zoals voor de Millenniumtrilogie moet voor de Amerikaanse markt alles van beeld en woord herwerkt worden. De gevoelige zielen aldaar kunnen Scandinavische verhalen niet echt aan.

       

      Buitenlands beleid.

      In deel 2 blijft Kopenhagen, Denemarken en de hele wereld duister en somber, gehuld in mistend kunstlicht met hier en daar een walmende kaars.
      Dit keer is de plot nog -tig keer geraffineerder opgebouwd tussen het Afghaanse heen en weer van de Deense krijgsmacht, de politiewereld ? Sarah Lund, haar collega Strange, chef Brix ? en de nationale Deense politiek.
      In een schitterende reeks afleveringen van tien keer ??n uur spiegelt de pijn van het leven zich in de drie werelden van de macht, alsof je kijkt naar de gruwelen die zich tussen levende wezens onder het wateroppervlak voordoen. Vervormd, gebroken, gerimpeld, ontbonden in fletse kleuren en vooral donker en koud.
      Een reeks rituele moorden op de overlevende soldaten van een legereenheid die in Afghanistan verdacht werd van de moord op een familie met mogelijke Taliban-connecties in een afgelegen dorp, brengt bijna alle protagonisten als mogelijke daders voor het voetlicht.

      Eenieder kan een motief hebben, iedereen is ergens wel betrokken en heeft redenen om niet alle ervaringen en herinneringen zomaar op tafel te leggen.
      Alleen de eenheidschef die getrouwd is met de dochter van de kolonel, verpietert in een psychiatrische instelling omdat legertop en ministers geen baat vinden bij een heropening van de politiek uiterst vervelende zaak.

      Initieel lijkt het er zelfs op dat de Deense Moslimliga achter de moorden zit. Eindelijk kan een forse anti-terreurwetgeving door het parlement gejaagd worden.
      Ook Denemarken levert actieve steun aan de humanitaire missie in Afghanistan op verzoek van de VS wat de liberale premier Anders Fogh Rasmussen – wiens coalitie met de conservatieve partij werd gedoogd door de Deense Volkspartij – in 2009 de functie van secretaris-generaal van de NAVO opleverde.

      Een spannende kijk in de Deense ( en Europese ) politiek, zij het dat namen en functies in de tv-reeks wat werden aangepast.

      Op verzoek van haar vroegere chef Brix wordt Sarah Lund ? na het pijnlijk maar succesvol afronden van de vorige reeks politieproblemen (Forbrydelsen I ) verbannen naar een afgelegen douanepost ? opgehaald omwille van haar originele, divergerende kijk op politiezaken.
      Haar autistische manier van in de wereld te staan behoedt haar voor de uitgezette sporen, de begane paden en het voorgespiegelde doel.
      Niets is immers wat het lijkt.
      Net zoals in de legerkazerne verschrikkelijke geheimen huizen in de hoeken en kanten van soldatenvriendschappen, doet dit fenomeen zich in veelvoud voor op de kabinetten van de premier, defensie en justitie waar een ?out of the box? denkende piepjonge justitieminister op een week tijd de trucks van het machtsspel doorheeft en bespelen leert.
      Het heen en weer over dezelfde feiten, daders en doden tussen deze drie niveau ? politiek, politie en leger ? lijkt verwarrend maar blijft in het hoofd van de kijker nakloppen als een verhelderende benadering van eenzelfde werkelijkheid in verschillende werelden.
      Net zoals in de legereenheid verlangen naar macht, pijn en passie schermen vlechten, staan die emoties op politiek niveau voor weeffouten waarlangs de werkelijkheid ontrafeld wordt.
      Op politieniveau wordt dit fenomeen ten top gedreven wanneer finaal steeds duidelijker wordt hoe de gruwel het meest nabij blijkt en blijft tot in een bevrijdende catharsis.
      Maar zoals in Forbrydelsen I wordt er zorgvuldig over gewaakt dat zelfs daarna ? post coitum omne animal triste est sive gallus et mulier ? iedere kijker zich vrouw of haan kan voelen.
      Het ontsluieren van de ware toedracht blijft het recht, de lust en de fantasie van de kijker, ook na de catharsis.

       

      Nationale politiek.

      In deel 3 wordt de nationale politiek gefileerd als een halo voor een geraffineerde plot die door Sarah Lund, mede dank zij haar persoonlijke problemen en ellende, telkens weer vanuit een andere hoek tegen het spaarzame licht wordt gehouden. Deze keer overwegen ijzige tinten grijs van roest en afgebladerde verf om oud ijzer, op schepen en in het hart van de mensen waar passie nauwelijks nog lijkt te smeulen onder het mechanisch – bijna ritmisch – beuken van de grauwe werkelijkheid. Zelfs de riante regeringsgebouwen, bedrijfskantoren en landhuizen zwelgen in groen-blauw zonder zon. Waar menselijk naakt en vrolijkheid in de Scandinavische cultuur vroeger een vaste waarde leek, rest nu enkel wat contrast in het patroon van Noorse truien.

      De manier waarop het Deens bedrijfsleven en de toppolitiek aldaar wordt belicht is razend interessant en met de cliffhangers is het moeilijk om niet in een ruk door te trekken naar een volgende afleveringen.

      De snelheid waarmee het bijna 10 uur durende verhaal zich ontspint is duizelingwekkend. De vertolking van hoofdrol is bijzonder, pijnlijk en tragisch. Zeker in de vele parallellen tussen haar eigen leven, dat van de kidnapper en van de vader van het ontvoerde kind.

      Ook nu weer is het open einde een cliffhanger van jewelste. Zowel moreel als professioneel, politiek als menselijk.

      Komt zij terug voor een vierde seizoen tegen de achtergrond van de Deense rol in Europa en de NATO, dan wel de cultuur bij de Deense media?

      Een mensenleven blijft altijd tobben, zeker bij onze Scandinavische buren. Maar er is met ‘The Killing’ potentieel nog veel spiegeling mogelijk voor een paar honderd miljoen kijkers in heel de EU.

       

       

      Archief

      Nir Baram, Goede mensen

      22 januari 2013

      Nir Baram, Goede mensen -?vertaald door Hilde Pach?De Bezige Bij 2012

      ?Om een fictieve roman te lezen moeten je hersenen een dubbele weerstand overwinnen. De eerste was die van de waarheidstoets, de vragen van rationele mensen. De tweede is de weerstand tegen het fictionele. Ga je in het verhaal mee of niet, geef je je over aan het onbetrouwbare sujet dat de schrijver is? Het lezen van een nadrukkelijk fictionele tekst vergt een grotere souplesse van de geest dan het lezen van een tekst waarvan je weet dat alles is gestaafd, onderzocht, beargumenteerd. (...) Het verhaal dat door een schrijversbrein is bedacht maakt tegenspraak mogelijk, nodigt uit tot actie. Heen en weer gaat ons verstand, wentelingen makend op de dubbele schroeflijn, die slingerende duplex helix waar een verzonnen verhaal ons toe noopt. Een waar gebeurd verhaal prikkelt ons inlevingsvermogen, een verzonnen verhaal prikkelt onze verbeelding.?

      Dit is een fragment uit ?Eerlijk waar? Over het desavoueren van het verzonnen verhaal?, de nieuwjaarslezing van Anne Provoost voor Het zoekend hert, uitgegeven door Luster

      http://www.anneprovoost.be/nl/pmwiki.php/Essays/FictieMacht


      Anne Provoost weet hier haarfijn het probleem te fileren waarmee de lezers van Nir Baram ?Goede Mensen? worden geconfronteerd.

      Precies dat probleem maakte voor mij het lezen ook zo moeilijk, zeker de eerst honderd pagina?s.

      En toch had ik me prima bewogen binnen de lectuur van de drie toppers over de geschiedenis van de eerste helft van de XXste eeuw: ?Leven en Lot? van Vasili Grossman, ?De welwillenden? van Jonathan Littell ?en ?Bloedgetuigen? van Johan de Boose.

      Bij Nir Baram zijn de openingszetten echter zo verrassend en ook – achteraf bekeken – zo origineel dat het nogal wat vraagt van een lezer die zich enige kennis van de geschiedenis dacht te mogen aanmeten.?Want daar gaat het bij ?Goede mensen? nu net niet om.

      De Isra?lische auteur (?1976) opent met de nakende Kristalnacht in het Berlijn van 1938 waar de Duitse hoofdrolspeler Thomas Heiselberg brandend van ambitie als marketeer voor een Amerikaans bedrijf in Duitsland zijn kennis aanwendt om ?Het Model van de Poolse nationale mens? te ontwikkelen waarmee hij zijn carri?re binnen BuZa wil opstuwen. Thomas ontwikkelt marketingmodellen die de Duitse troepen kunnen instrueren hoe ze?met de verschillende bevolkingsgroepen van het inmiddels bezette Polen?moeten omgaan. Hij onderzoekt hoe de Poolse joden volgens creatieve marketingprincipes kunnen aangepakt te worden.

      Ook al worden zijn analyses met grote creativiteit aangewend om het Poolse ?probleem? op te lossen ( o.a. het liquideren van alle archeologen omdat die altijd maar een verzonnen nationale geschiedenis blijven onderbouwen met hun graafwerk) het loopt voor hem persoonlijk allemaal anders.

      Tegelijkertijd worden in Leningrad bij de zoveelste zuivering de ouders van Alexandra Vajsberg afgevoerd naar Siberi?. Deze dochter van de beroemde?kernfysicus is van dezelfde leeftijd als Thomas en wordt ?redacteur? bij de NKVD in de hoop haar jongere broers te kunnen redden uit de weeshuizen voor kinderen van landverraders. Zij leert de gearresteerde vrienden van haar ouders helpen met het opstellen van aannemelijke bekentenissen.?Zo zouden ze wellicht minder zwaar aangepakt worden.

      ?Een beschuldigde die een bekentenis schrijft, is een soort schrijver, en elke schrijver heeft een redacteur nodig? (171)

      Beide hoofdpersonen kiezen in de specifieke omstandigheden van hun leven in hun respectievelijke landen voor medeplichtigheid aan de regimes in Duitsland en de Sovjetunie.

      Zo ontmoetten ze elkaar met als officieuze opdracht om een grootse historische en militaire parade op punt te stellen in Brest-Litovsk dat bij de verdeling van Polen bij het Molotov-Ribbentroppact (Verdrag van non-agressie tussen Duitsland en de Sovjet-Unie 24 augustus 1939) door de Sovjetunie was bezet. Op 22 juni 1941 eindigen hun voorbereidingen voor de grote vriendschapsparade met de Duitse inval in Sovjet Rusland.

      Nir Baram laat in zijn roman zien waartoe gewone mensen in staat zijn wanneer ze hun denken en handelen in de spiegel voor henzelf als goed blijven waarderen. De morele corruptie van de hoofdpersonages wordt geraffineerd onthuld als van gewone mensen die het er in moeilijke omstandigheden naar eigen aanvoelen toch maar het beste van proberen te maken.

      ?Deze eerzucht omvat een soort eigenliefde: we verheffen ons bij de idee dat we de oorzaak zijn van blijheid bij anderen.?

      ?Vooral wie een goed imago wil, schakelt over op de morele veroordeling bij uitstek: de verachting.? ( T. Beeckman, Door Spinoza?s Lens)

       


      Empathie lijkt voor Heiselberg en Vajsberg een nutteloze houding in een? tijdsgewricht waar ?overleven? alles overheersend bedrukt: angst om het eigen leven en dat van hun geliefden gepaard aan grote ambitie maakt het ?goede? van deze ?gewone? mensen ook anders. Wanneer ze dit beseffen, is het te laat. Niet alleen voor hen.

       

      129.

      Tegen wil en dank stonden ze schouder aan schouder, Nikolaj had zich opzij gedraaid terwijl Vlada tegen de muur naast hem leunde en hem in een hoek drukte. Blijkbaar had iemand op school het bericht in de krant gelezen. Ze vroeg zich af welke geruchten de ronde hadden gedaan op het schoolplein: uit haar eigen tijd herinnerde ze zich dat de jongens zich doorgaans vooral met de straf bezighielden ? meestal werd hun verbeelding in vuur en vlam gezet door de guillotine en de galg ? en hoe groot hun teleurstelling was als ze erachter kwamen dat bijna alle verraders doodgeschoten werden. Ze hadden eens een grapje uitgehaald met een jongen van wie de vader gearresteerd was: ze hadden hun gezicht witgeverfd, op hun borst geslagen en gebruld als beren, en vervolgens hun duim en vinger uitgestoken en ?de verrader doodgeschoten?.

      161.

      De minuten verstreken, hun kamer werd lichter. Het eerste voorwerp dat opdoemde uit de duisternis was het schilderij aan de muur, tegenover het bed. ?Het executieplein, de ochtend van de terechtstelling van de lijfwacht van de tsaar? ? allebei hielden ze al op school van die afbeelding. Eens per week speelden Maksims klasgenoten executie op het Rode Plein en stapelden ze oude houten balken op om het te laten lijken op het schavot van het schilderij. Podolski speelde soms de rechter en soms de beul. De rechter schreeuwde de beschuldiging en luide stemmen juichten hem toe en brulden het oordeel. Intussen dromden de kinderen dan samen in acht of tien dichte kringen. Meisjes mochten niet doordringen tot de eerste cirkels, behalve zij natuurlijk. Twee kinderen grepen met geweld het trillende jongetje vast dat aan de beurt was, en de beul trok het touw zo strak om zijn hals dat de kleine begon te hoesten. De reproductie was hun eerste gemeenschappelijke aankoop. Ze lachten toen ze hem ophingen, en ze lachten toen ze op de wc-deur (voor ??n dag maar) een karikatuur plakten die Podolski had gevonden in het hol van een of andere provocateur: Stalin en zijn gevolg schaatsen vrolijk over bevroren lijken.

      171.

      Haar nieuwe functie was eigenlijk bedoeld om Stjopa te ondersteunen bij het pareren van de kritiek op hem. Het idee was bij hem opgekomen op het moment dat hij de vragenlijsten las die ze had ingevuld om aangenomen te worden voor het werk bij de afdeling. Ze had daarin haar geschiedenis uit de doeken gedaan en haar ouders veroordeeld en de kleinburgerlijke en decadente kringen van de intelligentsia waarin ze verkeerden, die tot haar spijt ?elk mogelijk onderwerp bezagen vanuit een geheel eigen gezichtspunt?. Hij beweerde dat dit de meest volmaakte autobiografie was die hij ooit had gelezen: oprecht, ordelijk, doordrongen van het juiste politieke bewustzijn, ze verbond met kunstenaarshand de erkenning van haar fouten met ?de nieuwe vormgeving van haar bewustzijn?. En toen had hij bij zichzelf gezegd dat hij een assistente zoals zij nodig had, die uit een proces-verbaal n geordend verhaal kon samenstellen, geloofwaardig en volledig, en die vervolgens de beschuldigde zou ontmoeten om samen met hem de meest exacte bekentenis te schrijven. Want ?niet-exacte bijzonderheden kunnen onrecht doen aan de beschuldigde die probeert in alle oprechtheid te bekennen en vol toewijding tot inkeer te komen?. Als het de taak was van de onderzoeksrechter om zich te identificeren met het intellect van de tegenstander, legde Stjopa uit, dan moest zij zich identificeren met zijn gekwelde ziel. Geen nieuwe bijzonderheden aan het licht brengen, maar vooral de beschuldigde helpen ze te verfijnen, ze te zuiveren van ongerechtigheden, van leugentjes, van het van de hak op de tak springen, opdat hij zelf ook het complete beeld van zijn leven zag. ?Een beschuldigde die een bekentenis schrijft, is een soort schrijver, en elke schrijver heeft een redacteur nodig, nietwaar, Vajsberg riep hij vrolijk.

      175.

      Emma knakte met haar vingers. ?Je hebt alles toch gelezen in het proces-verbaal. Moeten we daar nu weer op terugkomen?? Aleksandra gaf geen antwoord. Ze stak een sigaret op, en om de rook niet in Emma?s gezicht te blazen, draaide ze haar hoofd naar rechts en keek naar het spiegelbeeld van de dichteres in de grote spiegel op de kast. Soms gebruikte ze deze tactiek. Ze had van haar collega?s geleerd dat als je naar iemand keek via een spiegel, hij onrustig werd. De beschuldigde wist dat zijn spiegelbeeld in de spiegel te zien was, maar kon er niet naar kijken zonder zijn hoofd naar haar toe te draaien, en ondervraagden volgden met hun hoofd liever niet de blik van de ondervrager, om geen angstige indruk te maken. Ze bleven voor zich uit kijken, zonder te bewegen, maar ze hadden het gevoel dat ze door nog een onderzoekend oog werden bekeken, uit een nieuwe gezichtshoek, en dat ze zich ook daarvoor een houding moesten geven. Meestal begonnen ze, om de blik van de ondervrager weer op zich gericht te krijgen, gewoon hun antwoorden te verbeteren: een verveelde ondervrager was gevaarlijker dan een ondervrager wiens nieuwsgierigheid bevredigd werd.

      176.

      ?Doe zoals Lenin heeft gezegd en leer handel te drijven… in mensen?.

      218.

      ?Wetenschappelijke beledigingen te horen krijgen van Ahnenerbe is een groot compliment?, reageerde Thomas hooghartig. ?En onder ons gezegd, Weller, wat is een discipline anders dan het uitbreiden of inkrimpen van kennis volgens de contouren van de geest die heerst in een bepaalde periode of onder een bepaald regime? Om het Afrikaanse continent te beroven stelde de wetenschap van de Engelsen vast dat negers voor een kwart mensen waren, terwijl de Fransen en de Belgen negers uit hetzelfde dorp onderverdeelden in ?blanke kleurlingen?, ?Europeanen met een zwarte huid? en ?minderwaardige negers?. De wetenschap van de Amerikanen kwam trouwens tot dezelfde conclusies. Zeg me wat uw behoeften zijn en ik zal een discipline voor u in elkaar zetten.?

      230

      ‘Wij zijn maar passanten, en daarom is het logisch dat we onder de indruk raken van grote gebeurtenissen in onze tijd, maar uiteindeijk beleven we niet meer dan een piepklein stukje van de geschiedenis. Als je de zaak zo bekijkt, montert dat je misschien een beetje op.’

      267

      Ze herinnerde zich de woorden die hij tegen haar had gesproken op de parkeerplaats aan de vooravond van de bijeenkomst van de NKVD: de enige constante in de geschiedenis is de verbijsterende elasticiteit van de menselijke ziel. Toen had ze vermoed dat hij doelde op de menselijke lafheid en de bereidheid van burgers om zich te verzoenen met elke leugen, om iemand te prijzen en een week later te eisen dat hij ter dood gebracht werd. Nu begreep ze dat hij niet had gedoeld op leugens en bedrog, maar op de soepelheid die het mogelijk maakte dat mensen ’s nachts in bed konden liggen terwij ze fantaseerden of droomden over de verschrikkelijkste misdaden en de volgende dag wakker konden worden met het gevoel dat alles in orde was; diezelfd?soepelheid fabriceerde een bewustzijn waarmee Maksim elke herinnering kon filteren die het verhaal waarin hij geloofde in gevaar bracht. De elasticiteit stond niet achter de leugens, het was de onzichtbare hand die onmiddellijk elke plooi rechtstreek in de werkelijkheid waarop de mensen hun hoop hadden gevestigd. Soms kwamen er afvallige gedachten bij hen op, geniepige twijfels, een dreun van herinnering, maar dan richtten ze zich op en klampten zich haastig weer vast aan hun verhaal op grond van het hoogste bevel van de ziel.

       

      305.

      ?Ik zeg dit met de nodige voorzichtigheid, de gegevens waren schaars, maar de meeste deelnemers waren van mening dat als je het anti-joodse sentiment in Engeland, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten met elkaar vergeleek, de Verenigde Staten dichter bij Duitsland en Frankrijk stonden. De onderzoeken van de Amerikaanse onderneming Gallup tonen aan dat meer dan vijftig procent van de Amerikanen gelooft dat de joden een deel van de schuld dragen aan de gebeurtenissen in Duitsland.? ?Dat is volkomen logisch.? Kresling tikte met zijn vinger op tafel en boog zich naar Thomas. ?En toch zie je hoe het internationale jodendom erin slaagt de president om zijn vinger te winden.? Om zijn ogen verschenen rimpels van woede. ?Waar komt al die verdomde druk vandaan? Nu klagen de Polen plotseling ook over de manier waarop wij hun joden behandelen, en het Rode Kruis valt mij lastig met het uitdelen van melk aan joodse kinderen. Waar waren ze na de oorlog, toen in Silezi? de kinderen niet eens durfden te dromen van melk?? ?De schijnheiligheid is grenzeloos?, beaamde Thomas, vastbesloten Kresling te bewijzen dat hij een man naar zijn hart voor zich had. ?U herinnert zich ongetwijfeld dat het Model de pogingen van de Polen heeft beschreven om van de joden af te komen.? Kresling knikte droefgeestig naar Thomas, en Thomas begreep meteen dat hij de brochure niet met aandacht had gelezen. ?Het plan om miljoenen joden over te brengen naar Madagaskar, dat momenteel op het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt uitgewerkt door het hoofd van de joodse afdeling, Franz Rademacher, was nota bene een Pools idee…!? juichte Thomas. ?Ze hebben zelf besprekingen gevoerd met de Fransen om hun joden daarheen over te brengen, voor iedereen in Polen was het duidelijk dat er te veel onproductieve joden in hun land waren.? ?De wereld kent geen schaamte meer?, mompelde Kresling. ?Ook de Noren vallen ons lastig, ik heb ze gezegd: kijk maar eens naar de paragraaf over joden in jullie grondwet uit 1814.?

      385.

      In hun antwoord legden ze hem uit dat hij om advies kon vragen bij de verschillende experts van de Wehrmacht, maar de onderhandelingen voerde het ministerie van Buitenlandse Zaken liever met behulp van zijn eigen mensen, en volgens de geruchten was hij gedurende zijn hele carri?re een meester geweest in het onderhandelen. Thomas antwoordde dat een dergelijke operatie inderdaad vereiste dat verschillende krachten moesten samenwerken ? Buitenlandse Zaken, de inlichtingendienst, het leger, misschien de marine en de Luftwaffe. Ze legden hem uit dat er momenteel helemaal geen operatie was, alleen maar gesprekken die ten doel hadden om uiterst rudimentaire, symbolische plannen uit te werken, die het karakter van de parade en de essenti?le principes ervan zouden vaststellen. ?Wat voor principes, welke essentie?? Thomas verloor bijna zijn kalmte. ?Een parade paradeert toch gewoon?!? De man van Buitenlandse Zaken corrigeerde hem snel: ?Er zijn esthetische principes, historische, geografische, en misschien nog meer, u bent toch een reclameman, vorm principes, verzin een essentie! En trouwens, er is geen enkele reden om u te haasten, u hebt alle tijd van de wereld tot uw beschikking.?

      388.

      Uit hun zwijgen maakte hij op dat ze zijn reactie verwacht hadden, en toch was het doel van hun tactiek hem niet duidelijk: wilden ze hem alleen maar vernederen of was er nog iets anders? Hoe dan ook, hij besloot zo eervol mogelijk in de val te springen. E?n les had hij van Weller geleerd: Humana dignitas servanda est, iemand die beroofd was van een hoge status en een fatsoenlijke baan, behield toch zijn waardigheid en gedroeg zich alsof hij die dingen nog steeds bezat, zoals die Russische prins in ballingschap die hij in zijn jeugd speelde. Als hij wilde overleven, moest hij zich gedragen alsof hij een hoge functie bekleedde, op kantoor zitten, vergaderingen houden, bondgenoten zoeken

      447.

      In tegenstelling tot Goethe en Croce was hij niet van mening dat kennis van de geschiedenis bevrijdend was; in feite bond die onze handen, versmalde de horizon van onze verbeelding. In plaats van de parade de toekomst te laten verbeelden dwongen we de menigte de blik achterwaarts te richten.

      456.

      ?Mevrouw Vajsberg, uw minachtende toon is niet op zijn plaats, ik breng u in herinnering dat vervalste brieven sinds mensenheugenis een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van Europa: honderden jaren heeft de katholieke kerk gebruikgemaakt van een vervalste brief van keizer Constantijn I aan de paus uit de vierde eeuw, Skanderbeg heeft Kruj? veroverd met een vervalste brief, ook de joodse Protocollen zijn eigenlijk een vervalsing waarin nog steeds een heleboel mensen geloven, en zoals gewoonlijk biedt de Slavische geschiedenis ons het mooiste voorbeeld…? Hij slaagde erin een triomfantelijke toon te produceren: ?De valse Dmitri, een vervalste man die tsaar werd. Als de wereld jou en je dromen laat vallen, zit er niets anders op dan een valse wereld te cre?ren die meer aandacht voor je heeft.?

      472.

      Hij analyseerde mensen volgens een formule waarin hij de, in zijn opvatting, centrale menselijke eigenschappen en motivaties had gestopt, en dan dacht hij dat iedereen, behalve gekken, daaraan zou gehoorzamen. Hij zou nooit onbuigzame mensen van het soort van Nikita Michajlovitsj begrijpen en zou hun altijd verleidingen bieden, die bijvoorbeeld te maken hadden met een ?carri?re?, die redelijk klonken voor mensen als hij. Maar er waren mensen wier daden werden gedicteerd door een persoonlijk bevel, en voor wie het verbreken daarvan gelijkstond met van de brug springen.

       

      « Volgende berichten