Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

The West Wing, lessen in het democratische theater van de strijd om de troon van de macht die leeg moet blijven.

5 september 2010

The West Wing is een Amerikaanse televisieserie, die van 1999 tot 2006 gedurende 7 seizoenen de deuren opent van de westelijke vleugel van het Witte Huis, de ambtswoning van de Amerikaanse president. In die West Wing speelt het belangrijkste deel van het politieke leven van de presidentiële staf zich af.
Aaron Sorkin schreef het grootste deel van de 120 uur durende reeks – ook op DVD verkrijgbaar- over de verwikkelingen rond het presidentschap van de democratische Josiah ‘Jed’ Bartlet (gespeeld door Martin Sheen) en de leden van zijn staf en familie.
Voor sommigen een opgeschoonde terugblik op de Clintonjaren, voor anderen wat al te rooskleurig gevisualiseerd.

“What rock did these morally pure creatures crawl out from under and, more important, how do you go from innocent millipede to White House staffer without becoming soiled or disillusioned by the dirty realities of politics along the way?”, aldus televisiecritica Heather Havrilesky.

Desalniettemin heb ik gedurende drie maanden bijna dagelijks een of meer van de 155 afleveringen van ruim 40 minuten vaak met open mond volgemaakt.
Initieel is het even wennen aan het ‘walk&talk’-ritme dat al je aandacht opeist, gepaard aan Nederlandse ondertiteling wegens een soms moeilijk te volgen Amerikaans idioom vol binnensmondse woordgrappen.
Je wordt als kijker in de reeks en het fictieve leven in West Wing gezogen en voortdurend geconfronteerd met juridische, ethische, politieke dilemma’s die zich aandienen.

De presentatie van het machtsspel op en om Capitoil Hill in Washington heeft de vorm aangenomen van een collectief kunstwerk.

Net zoals reusachtige altaarstukken en retabels, allegorische fresco’s en schilderstukken in de middeleeuwen en renaissance vaak het resultaat waren van collectief bedachte oplossingen voor en interpretaties van belangrijke problemen van die tijd, is The West Wing een kunstwerk over de problemen van deze tijd, niet alleen in de VS.
Waardevolle kunstwerken die de tand des tijds en de eigen cultuur overstijgen, doen dit precies op basis van een goed uitgewerkte analyse van de scharnierende tijdsgeest.
The West Wing is hiervan ongetwijfeld een beklijvend voorbeeld.

Maar er is meer: deze reeks is ook een studieobject van historische, politieke, staatkundige, juridische, sociologische, psychologische, journalistieke, ethische vraagstukken.

Ik kan me niet indenken dat een leraar geschiedenis, Engels, maatschappijleer in de laatste jaren van het middelbaar onderwijs deze serie niet zou willen en kunnen aanwenden om met de oudste leerlingen deelaspecten uit te diepen.
Ik kan me nog minder voorstellen dat aan verschillende universitaire faculteiten deze reeks niet zou gebruikt worden om onderwerpen uit te diepen.
De vaak boeiende en blitse discussies, manoeuvres, machtstechnieken, communicatietrucs vragen om een verdere – ook historische en filosofische – analyse op basis van de Amerikaanse grondwet, wetgevingssystemen, machtsverhoudingen, scheiding van machten, praktisch politieke handwerk.

Wie The West Wing in groep kan bekijken onder deskundige begeleiding om allerlei onderdelen, vragen en probleemstellingen verder te onderzoeken en te bespreken heeft een mooiere en betere leerschool doorgemaakt om de machtswerking in een democratisch staatsbestel te begrijpen dan jarenlang werken op kabinetten en overheidsadministraties, als parlementair of regeringslid.
Degelijke journalisten herkennen het spel waarin ze zelf zo graag meespelen.

Deze televisieserie is een fraai, boeiend en uitnodigend encyclopedisch handboek met thematische afleveringen als stapstenen waarop men kan steunen met de stemme.
Deze filmische interpretatie van de werking van de Amerikaanse – en de meeste westerse – democratieën is een handleiding om het fantastische theater van de macht te leren vatten.
Om de bittere speltechnieken van verdeel en heers, van behoud van macht, van verlies van perspectief, van karakterontwikkeling en – vervorming nabij de laaiende offervuren van de hoogste machtsorganen te leren begrijpen.
The West Wing onthult de onzichtbare netwerking achter de decors van een democratisch bestel, het bespelen van de pers, de publieke opinie, de spindoctors en de peilingen, de indirecte rede, het veinzen en onrechtstreeks bewegen tussen democraten en republikeinen, tussen conservatieven en links-liberalen die hun kiezers niet voor het hoofd proberen te stoten en congres en senaat. Tussen persoonlijk en publiek, tussen privé en professioneel, relaties en verlangen, afschuw, naijver, teambuilding, leugens en bedrog, eenzaamheid en verlies van realiteitszin, angst en woede, frustraties en ‘yes we can’.
Inclusief internationale spanningen, armworstelen, spionage, corruptie, oorlog en tijdelijke vrede.

Ik kan het iedereen aanraden, ook in dit land.
Het heeft iets van het ‘Lam Gods’ van de gebroeders van Eyck in Sint Baafs te Gent.
Het is te vergelijken met het wandtapijt van de Apocalyps uit de XIV de eeuw in het Kasteel van Angers.
The West Wing is een beeldverhaal over de essentie van een tijdsgewricht.
Wie iets probeert te begrijpen van Westerse democratieën heeft aan de 155 afleveringen een gedegen houvast.

‘ Former White House aide Matthew Miller noted that Sorkin “captivates viewers by making the human side of politics more real than life—or at least more real than the picture we get from the news.” Miller also noted that by portraying politicians with empathy, the show created a “subversive competitor” to the cynical views of politics in media. In the essay “The West Wing and the West Wing”, author Myron Levine agreed, stating that the series “presents an essentially positive view of public service and a healthy corrective to anti-Washington stereotypes and public cynicism.”
Dr. Staci L. Beavers, associate professor of political science at California State University, San Marcos, wrote a short essay, “The West Wing as a Pedagogical Tool”, concerning the viability of The West Wing as a teaching tool. She concluded, “While the series’ purpose is for-profit entertainment, The West Wing presents great pedagogical potential.” The West Wing, in her opinion, gave greater depth to the political process usually espoused only in stilted talking points on shows like Face the Nation and Meet the Press. However, the merits of a particular argument may be obscured by the viewer’s opinion of the character. Beavers also noted that characters with opposing viewpoints were often set up to be “bad people” in the viewer’s eyes. These characters were assigned undesirable characteristics having nothing to do with their political opinions, such as being romantically involved with a main character’s love interest. In Beavers’s opinion, a critical analysis of the show’s political views can present a worthwhile learning experience to the viewer.
One of the stranger impacts of the show occurred on January 31, 2006, when The West Wing was said to have played a hand in defeating a proposal backed by Tony Blair’s government in the British House of Commons, during the so called “West Wing Plot”. The plan was allegedly hatched after a Conservative Member of Parliament watched the episode, “A Good Day”, in which Democrats block a bill aimed at limiting stem cell research, by hiding in an office until the Republican Speaker calls the vote.

Archief

Nicholas A. Christakis & James H. Fowler, Connected! uitg. Balans 2009

30 augustus 2010

Nicholas A. Christakis & James H. Fowler, Connected! uitg. Balans 2009

41.
Hoewel de observatie dat er zes stappen van verwijdering bestaan
tussen elke twee willekeurige mensen dus geldt voor de vraag hoe
verbonden we zijn, gaat de observatie dat er drie stappen van invloed
zijn op voor de vraag hoe besmettelijk we zijn. Deze eigenschappen,
verbinding en besmetting, vormen de structuur en de functie van
sociale netwerken. Ze zijn de anatomie en de fysiologie van het menselijk
superorganisme.

Mensen gedragen zich als een onderdeel van een superorganisme, ook al beschouwen ze zichzelf als een individu. Christakis & Fowler hebben met hun werk een wetenschappelijk onderzoek begrijpelijk gemaakt vanuit medische sociologie naar gedragswetenschappelijke aspecten.
De ondertitel ‘Waarom geluk besmettelijk is en je vrienden je dik kunnen maken: hoe sociale netwerken bijna elk aspect van ons leven vormgeven’ lijkt eerder als smaakmaker bedoeld voor het grotere publiek.
En op zich is dat niet eens zo negatief bedoeld.
Er was een tijd dat mensen alles uit de kast haalden om fenomenen te verklaren en te beheersen – toch minstens mentaal – die hen overkwamen zoals natuurverschijnselen, honger, dorst, verlangen en lust.
Naarmate een mensengemeenschap groter werd in aantal en ruimtelijke contacten met anderen, was er meer nodig om onduidelijke, herkenbare, vaak beangstigende gedragsfenomenen en invloeden die als vreemd werden beschouwd te vatten.
Daartoe werd een arsenaal van goden, engelen, geesten, duivels en demonen ontworpen evenals tal van ritualen om ermee om te gaan. Dieren- en mensenoffers, pijn en leed, spel en talismannen, litanieën en gebeden, bezweringsformules en doktoren, vasten en plengen, pillen en spuiten werden tot een grote vorm van verfijning verheven om de rituele bezwering meer kracht en effect te geven.
Dat dit arsenaal blijvend een indringende betekenis behouden zou, blijkt uit de eeuwig durende menselijke kunstuitingen: van de oudste rekenbeentjes uit Midden Afrika, over rotsschilderingen, landscaping, beeldhouw- en schilderkunst, muziek, dans, lichaamsversiering tot de vele verhalen van hen die ooit zochten naar een stem om de angstschreeuw van de natuur te fatsoeneren in hun eigen oren.
Sinds de Verlichting is die techniek wat in onbruik geraakt, behoudens tijdens de wat minder verlichte periodes van ons leven vol intense emoties, dan wel bij mensen voor wie wetenschappelijk ontwikkelde technologie even angstaanjagend blijft als bliksem en donder. Maar ook bij het bezweren en manipuleren van groepsemoties – publiek en privaat – is dat oeroude arsenaal effectiever dan een beroep op rationeel en redelijk gedrag.

De gevolgen van de soms lachwekkende, soms beklijvende analyses van netwerkfenomenen zijn angstaanjagend voor wie zich graag spiegelt als een decent gedrag vertonend individu.
Zelfmoordgolven, stoppen met roken, alkoholge- en misbruik, bier- of wijnvoorkeuren, bubbels of sterk, koffie- of thee, Nespresso of Senseo, de verspreiding van syfilis binnen diepchristelijke Amerikaanse scholengemeenschappen, de obesitasepidemie, de grieppaniek, scheren van schaamhaar, toenemende tatoeages op het gezonde lijf, modegevoelige outfit, beschavingsziektes, het komen en gaan van ziektes en psychische aandoeningen zijn allemaal onderhevig aan groepsfenomenen.
De incidentie, prevalentie en verspreiding ervan is niet te vatten wanneer alleen het individuele gedrag en de voorkeuren van de directe omgeving onderzocht worden.

Voor de auteurs van ‘Connected!’ zijn de nieuwste razendsnelle ontwikkelingen van virtuele netwerken daarom niets minder dan de toepassing van een volgens hen genetisch vastgelegd beïnvloedingsgedrag van mensen als een soort superorganisme.
Menselijk netwerkgedrag gaat volgens hen terug op de vroegste evolutionaire mechanismen. Wie opteerde voor eerder individueel gedrag kon niet of nauwelijks overleven of was alleszins veel minder succesvol in het doorgeven van het eigen genetisch materiaal. Dus selecteerde de evolutie door groepstuchtiging op kenmerken zoals netwerkvaardigheden.

Maar het eeuwig wentelende wiel van de geschiedenis weet door een dynamische spanning snelle flexibele aanpassingen aan wijzigende omgevingsfactoren te realiseren: einzelgängers vs. samenwerkers.
Beide mensentypes zijn onontbeerlijk gebleken, en precies dat fenomeen houdt de mensheid ondanks de gruwelijkste evolutionaire flessenhalzen in het verleden vrolijk en wraakzuchtig op de been.

327.
Met toepassing van enige schitterende wiskunde lieten Hauert en
zijn collega’s zien dat zich in een wereld vol einzelgängers toch gemakkelijk
samenwerking kan ontwikkelen omdat er geen mensen zijn die misbruik maken van de samenwerkers die er verschijnen. De einzelgängers redden zichzelf en de samenwerkers vormen netwerken met andere samenwerkers. Al gauw nemen de samenwerkers de populatie over omdat ze het samen altijd beter doen dan de eenzelvige einzelgängers. Maar zodra de wereld vol samenwerkers is, steken de profiteurs weer heel makkelijk de kop op en genieten de voordelen van samenwerking zonder eraan bij te dragen (als parasieten).
Worden de profiteurs het dominante type in de populatie, dan is er niemand meer over van wie ze misbruik kunnen maken; vervolgens nemen de einzelgängers het weer over – omdat ze zogezegd niets met die schoften te maken willen hebben. Kortom, samenwerking kan ontstaan omdat we meer samen kunnen doen dan we afzonderlijk zouden kunnen. Maar als gevolg van het profiteursprobleem is er geen garantie voor succes

De auteurs nuanceren ook eventjes de ‘sociaal kapitaaltheorie’ van Robert Putnam (Bowling alone). Netwerken – social binding & bridging – kunnen dermate gesloten zijn dat een in zichzelf circulerend cluster uitsterft bij gebrek aan externe uitwisseling. Een beetje zoals bij extreme vormen van inteelt.

207.
Deze bevindingen zijn in strijd met een aantal belangrijke aanbevelingen
van de politieke wetenschapper Robert Putnam en zijn collega’s, die het effect van ‘sociaal kapitaal’ op de gezondheid van onze democratie bestuderen. Putnam betoogt dat hooggeclusterde netwerkbanden de informatiestroom verbeteren en de wederkerigheid op samenlevingsniveau verhogen omdat iedereen iedereen in het oog houdt. Met andere woorden, hechtere verbindingen zijn beter voor de samenleving. Ons werk laat echter zien dat netwerken op een bepaald moment zo transitief kunnen worden dat normen en informatie nog slechts binnen groepen circuleren in plaats van tussen groepen. Net als Brian Uzzi’s groepen wetenschappers en musicalproducers die we in hoofdstuk 5 hebben besproken, functioneren
democratische burgers het best in ‘kleine werelden’ waarin sommigen
van onze vrienden elkaar kennen en andere niet.

Boeiend is ook de wederkerigheidsstudie van Robert Axelrod die weet te argumenteren waarom ‘samenwerken tot wederzijds voordeel’ zoals de Chinese Volksrepubliek beweert te beoefenen in haar internationale betrekkingen, veel beter werkt dan de veelgeprezen westers-christelijke solidariteitsideologie of de eigen belang eerst strategie.

238.
In een ingenieuze en beroemde studie, opgezet naar wederkerigheid, liet de politieke wetenschapper Robert Axelrod zien dat een samenwerkingsstrategie van ‘met gelijke munt betalen’ het vaak beter doet dan een strategie om altijd samen te werken of altijd egoïstisch te zijn.’ Bij ‘gelijke munt’ werk je de eerste keer dat je iemand ontmoet samen, en daarna kopieer je gewoon wat die persoon de laatste keer deed dat je iets met hem te maken had. Deze gedragslijn is in wezen het omgekeerde van de gouden regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Als je opponent samenwerkt, behandel hem dan de volgende keer hetzelfde. Werkt je opponent niet samen, dan straf je hem de volgende keer door niet samen te werken. Simpel maar effectief.

Het mag intussen duidelijk zijn dat de nieuwste bevindingen in dit door netwerken beïnvloed menselijk gedrag oneindig veel mogelijkheden biedt, voor beïnvloeding in alle mogelijke richtingen. Dat is angstaanjagend want meestal niet onder controle te krijgen door het individu die gedrags- of opiniewijzigingen merkt bij zichzelf onder invloed van vrienden van de eigen vrienden. Het mag duidelijk zijn dat mensen, firma’s, bedrijven, overheden, politieke partijen, opiniemakers – kortom eenieder die macht hoopt uit te kunnen oefenen op een mensengemeenschap – met dit soort bevindingen plots heel nieuwe perspectieven ziet oplichten. Temeer daar de virtuele netwerken steeds grotere omvang en steeds meer verbindingen vertonen over de hele wereld.

Met de hele mensheid staan we helemaal naakt te dansen want al onze gedragingen, fysieke en financiële bewegingen, geheimste verlangens, tactische en strategische plannen, angsten zijn door ‘data mining’ nauwkeurig te traceren en bloot te leggen. ‘Privacy’ is intussen een virtueel verlangen of een gekoesterde illusie.
We bewegen met z’n allen naakt op het schouwtoneel.
Sommigen hopen te ontkomen aan de glurende blikken door ons in het donker van de coulissen te nestelen ver van de schijnwerpers, waar we onbeweeglijk wachten en observeren tot een ander passeert die ook eerder de luwte zoekt. Een door eigen temperament en omgevingsfactoren ingegeven keuze die betekenisvol en verstandig kan zijn.
Big Brother blijft echter waakzaam nabij.
Anderen betreden al dan niet enthousiast de dansvloer en laten zich verleiden tot een dans die ze leuk of zinvol vinden: traag of snel, wervelend of slepend verdriet waarop je kan dansen.
Stilstaan in de hoop te kunnen ontkomen heeft wellicht weinig zin of biedt in de huidige context minder bescherming en mogelijkheden.

Het heeft eens te meer iets van over drijvende bomen lopen.
Zoals houtvesters hun enorme stammen over rivieren naar de zagerijen aan de kust moesten loodsen, kunnen we geen moment blijven stilstaan. We glijden onontkoombaar tussen de machtig rollende stammen in het kolkende water.
Het zal dansend springen en altijd bewegen worden op de wankele dansvloer boven de kolkende rivier.
Tenminste voor wie de illusie wil koesteren deel uit te maken van het gigantische netwerk om niet aan wanhoop ten onder te gaan.
Angst lijkt daarbij een slechte leidsman, angst kan verlammen.
We worden allemaal gedreven tot een keuze tussen de alleroudste reflexen en dierlijk gedrag: Fight & flight of duck & cover. Onze reactievoorkeur wordt bepaald door onnoemelijk veel factoren, ook vanuit ons verre netwerk en ons hele verleden.
Wanneer we blijven kiezen voor de mooiste kunnen we proberen er zelf wat van te maken, gehuld in onze illusie van menselijke individuele soevereiniteit.
Als we de consequenties van onze keuze enthousiast weten te dragen – zoals Sisyphus zijn rotsblok – tarten we de goden en bereiken we ‘dansend op toevalsvoeten’ (Nietzsche) de enige uitweg die ons levend rest.
Desondanks let niets ons te blijven eisen dat de praktische, juridische, economische gevolgen van ons naakt dansen op het schouwtoneel van de wereld niet nagedragen worden.
Al zullen we veel wijsheid dienen te koesteren om hiermee weg te komen in een verloren anonimiteit, verdwenen onschuld en universele betrokkenheid.
We kunnen gokken op het onafzienbare van de datamassa die ‘gemined’ kan worden door intelligente camera’s en patroondetecterende computerprogramma’s, waarbij individuen door de mazen kunnen glippen. Maar waar evenzeer analysevergissingen een leven lang het slachtoffer achterna gedragen worden, financieel, politioneel, professioneel, medisch, enz.
Kafka’s Proces was immers profetisch: ‘Jemand mußte Josef K. verleumdet haben, denn ohne daß er etwas Böses getan hätte, wurde er eines Morgens verhaftet.›

296.
Internet maakt nieuwe sociale vormen mogelijk die op vier manieren
radicaal afwijken van bestaande vormen van interacties in sociale
netwerken:
1 In immense grootte: een enorme toename in de schaal van onze
netwerken en de aantallen mensen die bereikt kunnen worden om
zich erbij aan te sluiten;
2 In gemeenschappelijkheid: een verbreding van de schaal waarop we
informatie kunnen delen en bijdragen aan collectieve inspanningen;
3 In specificiteit: een indrukwekkende toename in de specifieke aard
van de banden die we kunnen vormen;
4 In virtualiteit: het vermogen om virtuele identiteiten aan te nemen.

De gulden regels van het sociaal netwerk:
?1) Soort zoekt soort. Een sociaal netwerk wordt je niet opgedrongen van buitenaf, maar dat vorm je zelf, en wel op basis van de mensen met wie je over belangrijke onderwerpen praat. En dat zijn er niet veel, gemiddeld zelfs maar vier, waarbij 12% zegt zijn geheimen met niemand te delen en 5% over acht intieme vrienden beschikt.
?2) Wij worden gevormd door ons sociaal netwerk, waarbij het belangrijk is of je in dat netwerk centraal staat of perifeer. Een kind van gescheiden ouders zal bijvoorbeeld anders functioneren binnen zijn netwerk, veel zelfstandiger en in de rol van de boodschapper tussen de twee ouders, dan een waarvan moeder en vader nog samen zijn. En het zal daardoor ook een centralere plaats innemen
?3) De leden van ons sociaal netwerk hebben en duidelijke invloed op ons. Zij zijn immers degenen waarmee we het vaakst in contact komen en die we vertrouwen. Dat dit ook onbewust werkt bewijst het feit dat wie met een grote eter aan tafel zit, automatisch zelf ook meer eet. ?
4) Ook de vrienden van onze vrienden hebben een invloed op ons. Stel dat Amber aan boulimia lijdt en dag na dag dikker wordt. Haar vriendin Beatrijs zal daarom nog niet metten ook een dikkertje worden, maar haar mentaliteit zal er wel lichtjes door veranderen, waardoor ze minder kritisch zal staan tegenover de steeds meer etende Carine. Amber heeft dus onrechtstreeks invloed op de eetgewoonten van Carine en het resultaat is een Amerikaanse vetzuchtepidemie. ?
5) Een sociaal netwerk leidt een eigen leven. Wie focust op een lid van het netwerk snapt diens acties niet. Het is pas in een grotere context dat ze betekenis krijgen. Het is als kijken naar een man die zit te stomen achter het stuur van zijn auto. Om werkelijk te beseffen wat er met hem loos is moet je uitzoomen op de kolossale file waarin hij al een paar uur vast zit.

Connected 2

Archief

Peter Greenaway, Nigthwatching & J’Accuse (2007 – 2008) over Rembrandt en de Nachtwacht.

27 augustus 2010

Peter Greenaway, Nigthwatching & J’Accuse (2007 – 2008)

De Britse filmmaker Peter Greenaway woont tegenwoordig in Nederland en dat is te merken aan zijn biografie van Rembrandts ‘Nachtwacht’.
HIj heeft een van de bekendste schilderstukken uit de wereldgeschiedenis ( Rijksmuseum Amsterdam) op een verbluffende wijze ontrafeld en weer in elkaar gepuzzeld als de paukenslag die de ondergang aankondigde van Rembrandt Harmenszoon van Rijn.
Rembrandt is een van de weinige kunstenaars die heel de wereld bij zijn voornaam kent. Van herkomst een molenaarszoon uit de buurt van Leiden hoopte hij door zijn kunst en kunde, door zijn kennis, passie en emotie, ooit deel uit te maken van de Amsterdamse betere klasse.
Hij had reeds heel wat prachtige portretten afgeleverd waarbij zijn virtuoos penseel en zijn priemende intelligentie en mensenkennis zorgden voor een heel nieuwe benadering van de beeldcultuur. Doorgaans lichtte hier of daar ook een mild ironische of soms sarcastische kritiek op voor toeschouwers van toen die veel afwisten van het zwijgen op het doek.
Dat werd hem door zijn opdrachtgevers niet altijd in dank afgenomen, maar de virtuoze uniciteit van zijn werk hielp het overleven door de eeuwen voor ons. Na enkele decennia was door het vergeten en het fysieke verscheiden van de betrokkenen de bijtende kritiek niet of nauwelijks meer af te lezen. Zo maakte hij een magnifiek portret uit 1639 van Andries de Graeff burgemeester van Amsterdam, met zijn rechter handschoen op de grond. Diezelfde handschoen komt later terug in de ‘Nachtwacht’ of De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh waar de centrale figuur Kapitein Banning Cocq deze bij de wijsvinger vasthoudt in zijn eigen geschoeide rechter hand, terwijl zijn ontblote linker hand naar de toeschouwers wijst en de schaduw het geslacht beroert van zijn aanvallige luitenant.
De Graeff staat majestueus patriciër te wezen voor een benagelde deur naast een pseudo Romeins stijl, wat destijds door velen herkend werd als van een etablissement waar naast dorst ook andere primaire behoeften werden bevredigd.

Greenaway gaat in ‘Nightwatching’ op zoek naar het wie, wat, waarom en hoe op de ‘Nachtwacht’ die geschilderd werd tussen 1639 en 1642.
Hij doet dit in een filmische reconstructie van het voor die tijd baanbrekend en verrassend schuttersstuk. Hij weet in de film ‘Nightwatching’ niet alleen Rembrandt in zijn hemd te zetten, maar laat ons ook de verwaande nachtridders ontbloten: hoe ze aan hun fortuinen kwamen, hoe ze hun titels kochten als nieuwe geldadel en hoe ze te keer gingen met wie hen onderdanig hoorde te zijn.

Soms wat traag, soms wat onduidelijk maar al bij al een fascinerende visie op het ontstaan van de ‘Nachtwacht’ als Schuttersstuk van de Kloveniersmilitie die een grote rol speelde in het Amsterdam en de Republiek van die tijd.

Misschien is het handiger om bij het bekijken van de film eerst de dvd ‘J’Accuse’ onder ogen te nemen, waarin Greenaway als speurder en aanklager de verschillende personages van de Nachtwacht en de omgeving van Rembrandt aan de tand voelt over wat er precies vooraf ging aan de schilderij.
Op die manier weet hij een hele reeks fascinerende details van de Nachtwacht te ontrafelen.
Hij onthult de ‘Nachtwacht’ als een aanklacht in de vorm van een groot theaterstuk van Rembrandt over gekonkel, moord en doodslag bij de Amsterdamse oligarchenfamilies die net met veel moeite hun huik van de Franse naar de Engelse wind probeerden te verhangen tot meerdere eer en glorie van de Republiek en vooral zichzelf.

Ik heb de ‘Nachtwacht’ voor het eerst gezien in april 1971 na een memorabele fietstocht naar Amsterdam en ik herinner me nog steeds hoe ik door het Rijksmuseum dwaalde en steeds meer mensen tegenkwam in de verder vrijwel lege gangen en zalen. Tot plots de menigte verzameld leek voor een enorm werk dat prachtig belicht mij dwong te kijken. Een uitnodigend gebaar, een spel van licht en donker, vol verstilde beweging, verstomd lawaai dat zich in mijn geheugen brandde: verbluffend intiem, adembenemend indringend.
En vooral zeer raadselachtig, weinig licht en veel donker.
Die raadselen werden door Peter Greenaway op een heldere manier opgelost.
Pijnlijk en ontluisterend voor de Hollandse geldadel van Amsterdam. Pijnlijk voor de figuur van Rembrandt die dacht te zullen overleven door zijn kunst, maar niet wou noch kon beseffen dat wraak koud wordt geserveerd. Ook jaren later wanneer hij geen opdrachten meer kreeg van de nieuwe rijken, wanneer zijn werk nog genialer werd maar te fel als aanklacht werd begrepen. Tegen die koude woede hadden zijn virtuoze penselen met hun licht en donker spel geen weerwerk te bieden.
Greenaway doet Rembrandts geniale kunst recht door te wijzen op de werkelijke wereld achter de verbluffende portretten die de opdrachtgevers destijds goed herkenden aan de vele tekenen en de aanrakingen. Zij hoopten dat die met het stof der jaren onleesbaar zouden worden voor al wie na hen komen zou, zodat alleen nog de zwierige glorie van hun beeltenis voor het nageslacht zou oplichten uit de duisternis van de wisselende gevechten om de macht.
Of zoals een van Rembrandts leerlingen ooit zei: ‘Zijn oeuvre is zo een sprookjesachtige uitvinding en heeft zo een slimme compositie, is zo vol kracht, dat alle andere schilderijen hierbij vergeleken op speelkaarten lijken.’

Archief

opinie.deredactie.be: Bekentenissen van een regent

24 augustus 2010

Bekentenissen van een regent
18 / 08 / 2010

http://opinie.deredactie.be/2010/08/18/bekentenissen-van-een-regent/


Hoe is men in Nederland gekomen tot het huidige politieke klimaat, waarin een minderheidsregering van VVD en CDA in de maak is, met de gedoogsteun van de uiterstrechtse Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders? Dokter Jan Van Duppen, huisarts in een Nederlandse achterstandswijk, schetst in een omstandige bijdrage de contouren waarin dit mogelijk is geworden, en legt de vinger op kortzichtigheid en een gebrek aan durf van “links”.

De puinhopen van Paars? Dat was volstrekte flauwekul, maar het sloot goed aan bij die decadentie, bij die verwende burger. Maar de belangrijkste reden van de opkomst van Fortuyn was natuurlijk toch zijn stellingname tegen de islam. Iedereen die daarover begint in Nederland en het een beetje handig aanpakt, stijgt tot grote hoogte. Dat zag je bij Fortuyn, dat zag je bij Rita Verdonk en dat zie je nu weer bij Geert Wilders. (…)
Ik weet nog goed die gemeenteraadsverkiezingen van 2002, toen we afgemaakt werden. Er was grote verslagenheid in het kabinetsberaad, iedereen zat te puzzelen hoe dit had kunnen gebeuren. Ik heb toen de analyse gemaakt dat het aan twee dingen lag: de decadentie van de welvaart, waardoor de burger geen enkel probleem meer accepteerde. En ten tweede toch de onmacht om het wel degelijk grote probleem van de immigratie aan te pakken.
Dat is onder Paars volledig blijven liggen, op de Vreemdelingenwet van Job Cohen na. Maar het was onmogelijk iets als gezinshereniging aan te pakken. Het was ook niet mogelijk om als regering uit te stralen dat wij het ook een probleem vonden, en er al het mogelijke aan wilden doen.(…) Ongelooflijk
is toch de grote tragedie van de sociaal-democratie, dat ze deze kwestie volledig hebben laten liggen.’

Een tip van de sluier

Aldus lichtte oud liberaal minister Hans Hoogervorst een tip van de regenteske sluier die Nederlands bestuurders koesteren tegen indiscrete blikken. In de Volkskrant van 14 augustus onthulde deze gewezen VVD-minister van financiën en volksgezondheid de ontreddering binnen de Nederlandse elite die in het eerste decennium van de 21ste eeuw haar legitimiteit als zand tussen de vingers voelde verglijden.

Zelf is Hoogervorst intussen voorzitter van de AFM, Autoriteit Financiële Markten, die naast ‘De Nederlandsche Bank’ toezicht houdt op de financiële sector. Een typevoorbeeld dus van de regentenziekte die in Nederland woekert.

Regentesk bestuur

Politiek en ambtenarij vormen van hoog tot laag een nauwelijks te ontwarren kluwen van bestuurders die elkaar op alle niveaus pappen en nathouden.
Net zoals in de 18 de eeuw wanneer door Michels ‘IJzeren wet van de oligarchie’ de macht dermate geconcentreerd raakte in de handen van enkele families dat de Nederlandse elite uit de Gouden Eeuw verkruimelde tot goklustige beursspeculanten.
Of zoals Robert Musil het in ‘De man zonder eigenschappen’ formuleerde: ‘Als de vader arm is, zijn de zoons dol op geld; als pa geld heeft, hebben de zoons weer de hele mensheid lief’ .

De economisch hubfunctie van het land en haar handelsvloot versloften zienderogen en de zonen van de regenteske bestuurders monopoliseerden de macht tot een compleet immobilisme.

En Hoogervorst gaat deemoedig verder:

‘In die sessie met het kabinet heb ik het verhaal van mijn moeder verteld. Wij zijn in de jaren zestig verhuisd naar Schalkwijk in Haarlem. Een nieuwbouwwijk van de woningbouwvereniging Sint Jozef, allemaal katholieke gezinnen met vier kinderen. Veertig jaar later woonde mijn moeder er nog steeds en was de buurt voor 80 procent allochtoon. In veertig jaar van een uniforme katholieke wijk naar een multiculturele buurt met allemaal hoofddoekjes op straat, waar je je misschien niet geweldig thuis voelt. Dat is in grote delen van Nederland gebeurd en waar het niet is gebeurd, zijn ze bang dat het gaat gebeuren. Daarom is Geert Wilders zo populair in Limburg.’

Geuzenmentaliteit

De bestuurlijke en intellectuele elite van Nederland voelt zich helemaal niet verantwoordelijk voor dit verlies aan legitimiteit.
Na het vakkundig smoren van Fortuyns succes door zijn partij in het regeringsbad te trekken, kwam de afwijzing van de Europese Grondwet in juni 2005. Het eerste referendum in 200 jaar werd een beschamende desavouering van ‘s lands politieke en economische regenten. Binnen de grote steden, maar intussen vanuit heel Nederland, lieten balorige én brave burgers hun afschuw horen bij de stembusgang.
Regentesk beleid leidt immers tot geuzenmentaliteit.
Verraderlijk gebleken voor het Hollands establishment onder de Haagse kaasstolp verliest deze opstandige onderstroom helemaal niet aan kracht.

De Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders haalt in 2010 na forse verkiezingssuccessen voor gemeenteraad en kamer zelfs 20 % in nieuwe landelijke peilingen.

Geen moord op Fortuyn, geen ruziënde ondergang van zijn volgelingen in de regering, geen inspanningen van Majesteit en Hof, van kerken, burgemeesters noch ministers, geen opbeurende of dreigende taal, geen hel- en duivelbezweringen van linkse bobo’s op radio en tv, geen wereldwijde bankencrisis, geen slepende economische recessie, geen woeste voetbalfinale lijkt het ressentiment en de rancuneuze onderstroom in Nederland te kunnen keren.

Wrokkig kwelwater kan dijken doen drijven.

Hoop op vaderlandse trots voor een wereldkampioenschap voetbal in Nederland en België in 2018 bleek ijdel bij het recente bezoek van de FIFA delegatie. Zelfs een kostprijs van 9 Euro per Nederlander en 33 Euro per domme Belg, kon het tij niet keren wegens gemor over de belastingvoordelen en filevrije Blatterbanen.

Geert Wilders als feitelijke MP

En toch probeert ‘s lands adel van geest en geld nog steeds die onderstroom belachelijk te maken, te negeren, te marginaliseren, te demoniseren.

Maar er is meer.

Geert Wilders (Venlo, Limburg) werd in 2004 uit de liberale VVD Kamerfractie gezet omwille van zijn rechtse en anti-islam standpunten. Hij trapte echter niet in de val van Fortuyns partij. Zijn PVV blijft een eenmanspartij onder zijn unieke leiding. Hij bleef met een geweldige neus voor publiciteit te keer gaan over de verloedering van de volkswijken door immigratie – vooral uit moslimculturen – die maar niet geïntegreerd raakt. Buitenlandse terreur en binnenlandse spanningen met vooral jongeren die zich beroepen op de islam zijn een constante electorale bron omdat hij volhoudend weerwoord biedt.

De rest loopt bijna vanzelf. Links gaat tekeer tegen Wilders en zijn kiezers. Liberalen en christen-democraten bieden hem een comfortabele positie van gedoogsteun aan een VVD-CDA kabinet.

En daarmee wordt Geert Wilders – 24 Kamerzetels en 4 EP leden – de feitelijke minister-president van Nederland.

VVD en CDA

Met 31 tegen 30 zetels liet de nog jonge liberale coryfee Marc Rutte op 9 juni de PvdA van Job Cohen nipt achter zich bij de Kamerverkiezingen. Hij droomt van doortastend rechts leiderschap als officiële MP. De katholiek Maxime Verhagen ( Limburger uit Maastricht ) hoopt na de teloorgang van Balkenende zijn gehalveerde CDA (21 zetels) toch aan de bestuurlijke ruiven te houden en is dus naar pragmatisch rooms gebruik tot alles bereid.
Met z’n tweetjes streven ze naar een akkoord over 18 miljard Euro dringende bezuinigingen in de overheidsfinanciën. Terwijl Geert Wilders hen van op de kamerzetels smeekt tot mededogen met de zwakken, zieken en misselijken.

Zo hopen ze met z’n tweetjes ( 31 + 21 = 52 + 24 = 76/150 kamerzetels) op een nieuw elan voor Nederland in de wereld terwijl Geert in New York opzichtig 11 september zal herdenken en criminele migranten het land uit wil.

Oude christen-democratische leiders zoals gewezen minister president Andries van Agt doen wanhopig moreel en ideologisch appèl op het overblijvende establishment van hun partij om Wilders dit niet te gunnen. Zij krijgen in de pers echter fors lik op stuk van de jonge meute die haar kans schoon ziet na het afserveren van de verliezende partijtop.

Wat met ‘links’?

De coryfeeën van PvdA (30), D66(10), Groenlinks (10) en SP(15) staan er vandaag verdwaasd bij en kijken er verbijsterd naar, in de stille hoop dat de gedoogregering in een slaande ruzie zal eindigen en nieuwe verkiezingen hun recht zullen doen.

Wilders zal volgens hen ten onder gaan door zijn steun aan een dergelijk asociaal kabinet.

Niets lijkt echter minder waar want ‘gekke Geert’ heeft goed geleerd van zijn Deense voorbeeld waar de rechtse anti-migratie Volkspartij met 14% van de stemmen al bijna 10 jaar een rechtsliberale regering gedoogt en systematisch haar programmapunten realiseert met een strenge migratie en asielregeling.

Links heeft dit nooit willen weten noch begrijpen en heeft onder het motto ‘alle mensen zijn gelijk en dus moeten we iedereen helpen’ er mee voor gezorgd dat de minst geïntegreerde gastarbeiders, asielzoekers en migranten in wijken gedropt werden bij autochtone Nederlanders, vooral uit de sociaal zwakste groepen. Doorgaans waren en zijn die ‘nieuwkomers’ niet geïnteresseerd om zich te integreren. De eigen familie investeerde vaak in hun avontuur in de hoop op een flinke return. Hun culturele, sociale en religieuze referentiekader blijft het oude thuisland dat wel pap lust van de geldstroom, al dan niet uit vervangingsinkomens en uitkeringen.

Na zijn essay ‘ Het multiculturele drama’ uit 2000 in NRC Handelsblad publiceerde Paul Scheffer in 2007 ‘Het land van aankomst’ met een gedegen analyse van die migratieproblematiek in Nederland.

Het multiculturele drama…

Misschien kan een strikte toepassing van artikel 1 van de Nederlandse Grondwet soelaas bieden, ook voor ‘links’; ‘Allen die zich in Nederland bevinden , worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

Het mantra ‘meer faciliteren om te integreren’ is na drie generaties behoorlijk ijdel gebleken. Bij gelijke behandeling in gelijke gevallen zullen autochtonen en geïntegreerde allochtonen zich niet langer geschoffeerd en gediscrimineerd voelen. Zo kan de onderstroom wellicht nog keren en kunnen nieuwe politieke en economische leiders legitimiteit winnen.

Al zal de nieuwe rechtse regering dan wel een nadrukkelijk einde moeten maken aan de stuitende graaicultuur van bestuurders. En dat lijkt niet echt een prioriteit.

Bij banken – ook na de redding met belastinggeld – maar ook bij pensioenfondsen, in de zorg en het onderwijs blijken vele directeuren en commissarissen nog verknocht aan forse bonussen en exorbitante ontslagvergoedingen.

..en de ontregeling van Nederland

Amin Maalouf merkt in ‘ De ontregeling van de wereld’ op:

‘In elke menselijke samenleving zorgt het ontbreken van legitimiteit voor een vorm van gewichtsloosheid die een ontwrichtende uitwerking op ieders doen en laten heeft. Wanneer geen enkel gezag, geen enkele instelling, geen enkele vooraanstaande figuur kan bogen op een werkelijke morele geloofwaardigheid, wanneer de mensen beginnen te geloven dat de wereld een jungle is waar de wet van de sterkste regeert en waar elke uithaal is toegestaan, komen we onvermijdelijk terecht in een spiraal van bloedig geweld, tirannie en chaos.’ (152)

Deze week werd bekend dat twaalf Nederlandse pensioenfondsen de uitkeringen van 170.000 gepensioneerden per januari 2011 zullen korten met 1 tot 14% wegens hun slechte financiële situatie. De erg lage rente en de financiële crisis brachten de fondsen in problemen. Ruim 500.000 aangesloten premiebetalers zien ook een deel van hun gespaarde pensioengeld verdwijnen.

Jan Van Duppen

(Jan Van Duppen is huisarts in Rotterdam en voormalig parlementslid voor SP.A)

Archief

Amin Maalouf, De ontregeling van de wereld – De Geus 2010

23 augustus 2010

Amin Maalouf, De ontregeling van de wereld – De Geus 2010

Amin Maalouf is een erudiete Libanees-Franse journalist die reeds menig boeiend boek op zijn naam heeft staan. Steeds spelen zij op de grens tussen de Arabische wereld van het Midden Oosten en de Westerse christelijk geïnspireerde cultuur.
Hij is daarvoor als Libanees in Frankrijk dan ook goed geplaatst. Hij beseft in zijn ‘Ontregeling van de wereld’ zeer goed welke tegenstellingen
ontregelend werken en weet die ook scherp te analyseren, maar hij doet dit vanuit een erg idealistische hoop wat nooit zoden aan de dijk heeft gezet om historische overstromingen te keren. En dat moet hij weten, omdat hij de eindeloze burgeroorlog ellende van Libanon zelf is ontvlucht.

29.
Mijn achterliggende gedachte is namelijk dat deze twee eerbiedwaardige beschavingen (Amerikanen en Arabieren) hun grenzen hebben bereikt; dat
hun onderhuidse spanningen het enige zijn wat ze de wereld nog te bieden hebben, met alle vernietigende gevolgen van dien; dat ze moreel gezien
failliet zijn, zoals overigens geldt voor alle afzonderlijke beschavingen die de mensen nog in groepen opdelen; en dat het moment is aangebroken om hen
te overstijgen. Ofwel we zullen er in deze eeuw in slagen om een gemeenschappelijke beschaving tot stand te brengen, waarmee iedereen
zich kan identificeren, waarvan dezelfde universele waarden het cement vormen, die wordt voortgedreven door een sterk geloof in de menselijke
onderneming en die wordt verrijkt door onze culturele diversiteit in al haar vormen; ofwel we gaan met z’n allen ten onder in een gezamenlijke
barbaarsheid.
Wat ik de Arabische wereld vandaag de dag verwijt, is haar gebrek aan moreel bewustzijn; wat ik het Westen verwijt, is de neiging om zijn moreel
besef aan te wenden als een middel om te overheersen.

Ik vermoed dat het zinvoller is de aan de gang zijnde ontreddering – ik bedoel niet de klimatologische ellende van extremen maar de economische,
politieke en culturele ontregeling die behoorlijke andere tijden zullen baren – te benaderen als een omwenteling in de machtsverhoudingen ipv idealen van
mensen van goede wil. Het heeft iets van de communistische heilsboodschap – waar hij zich elders tegen verzet – zoals Maalouf probeert harmonie te
regisseren in een ontregelde wereld.

33.
Het staat buiten kijf dat het Westen de mensheid veel heeft gebracht, meer dan welke andere beschaving ook. Sinds het Atheense ‘wonder’
tweeënhalfduizend jaar geleden, en vooral tijdens de afgelopen zes eeuwen is er niet één gebied op het vlak van kennis, schepping, productie of
maatschappelijke organisatie dat niet het stempel draagt van Europa en zijn Noord-Amerikaanse extensie. In positief en in negatief opzicht. (…) Zelfs de
mensen die zich tegen de invloed van het Westen verzetten, doen dat in eerste instantie met de materiële of intellectuele middelen die het Westen zelf
heeft uitgevonden en in de rest van de wereld verspreid.
37.
Het Westen heeft gewonnen, het heeft zijn model opgelegd; maar juist door te winnen heeft het verloren. (…) Niet omdat zijn beschaving
door die van de anderen wordt ingehaald, maar omdat die anderen zijn beschaving hebben overgenomen, waardoor het datgene is kwijtgeraakt
waaraan het tot nu toe zijn eigenheid en zijn superioriteit ontleende.
(…) Ten slotte beleefden de westerse naties, zonder dat te beseffen, hun gouden eeuw toen ze de enige waren met een goed draaiend economisch
stelsel; in het wereldwijde concurrentieklimaat dat door hun eigen toedoen om hen heen is ontstaan, lijken ze gedoemd te zijn om complete delen van
hun economie – bijna de hele productiesector en een steeds groter deel van de dienstensector af te stoten.
50.
Omdat ik het in Libanon en elders heb meegemaakt, kan ik verklaren dat het communautarisme geenszins bevorderlijk is voor de ontwikkeling
van de democratie – en dan druk ik me nog voorzichtig uit.
Het communautarisme is de ontkenning van het principe van burgerschap zelf, en op zo’n basis kan men geen beschaafd politiek stelsel bouwen. Zo
essentieel als het is om rekening te houden met de verschillende componenten van een natie, maar dan op een subtiele, soepele en impliciete
wijze, zodat elke burger zich er vertegenwoordigd voelt, zo fnuikend en zelfs vernietigend is het om een quotasysteem in te stellen, waardoor het land
blijvend in rivaliserende stammen wordt verdeeld.
Dat de grote Amerikaanse democratie het Irakese volk zo’n giftig geschenk als de bevestiging van het communautarisme heeft gegeven, is een
regelrechte schande. Als men dat uit onwetendheid heeft gedaan, is het bedroevend; als men het uit cynische berekening heeft gedaan, is het
misdadig.

Amin Maalouf ziet in ‘De ontregeling van de wereld’ een mogelijkheid voor immigranten in het westen als mogelijke ‘go
between’ tussen de islamlanden en culturen en westerse democratieën. Het lijkt me wat simpel en al te hoopvol wanneer het in
die zin zou gedirigeerd worden door de immigratielanden en – culturen.
Hij fileert vakkundig de op- en ondergang van het pan Arabisch nationalisme van Nasser en zijn volgelingen en legt de hedendaagse
wanhoop in het Midden Oosten bloot.
Hij hoopt erop dat de Westerse landen eindelijke eens de universele mensenrechten van gelijkheid, vrijheid en broederschap zullen
opleggen en respecteren elders in de wereld.
Dat kan in zijn ogen een mooi voorbeeld vormen voor landen waar diezelfde universele waarden genegeerd of geterroriseerd worden.
Maalouf hoopt dat op die manier de Arabische volkeren van het Midden Oosten opnieuw naar een wereld van hoop op beterschap en
een toekomst van zelfrespect kunnen evolueren.

137.
Ze hebben het gevoel dat alles wat met hun identiteit samenhangt, wordt verafschuwd en geminacht door de rest van de wereld; en wat nog erger is:
iets in hen zegt hun dat die afschuw en die minachting niet helemaal onterecht zijn. Die dubbele haat – jegens de wereld en jegens zichzelf -
verklaart grotendeels de verwoestende en suïcidale acties die het begin van de eenentwintigste eeuw kenmerken.

Amin Maalouf onderzoekt ook een interessante piste van verschil tussen de islamitische religieuze traditie van diversiteit en die van het
katholieke centrale gezag waarbij eens een beslissing genomen, die universeel geldend was voor de hele katholieke wereld. Al schat hij dit
fenomeen veel te optimistisch in. Maalouf ziet in het katholieke universaliteitsmonopolie een machtig pluspunt in vergelijking met het ontbreken van
een effectief centraal moreel en cultureel gezag in de islam. Bij de protestanten was die universaliteit minstens even zoek, wat niet belet heeft dat die landen en culturen enorme ontwikkelingen hebben doorgemaakt, los van het gezag van de Roomse Paus.

Het falen van links.

Links heeft ook in de westerse landen gelogen en bedrogen, en gehoopt op die manier de zogenaamde progressieve institutionele belangen veilig te stellen. Dat heeft geleid tot een gruwelijk verlies van vertrouwen bij de bevolking en het huidige failliet van ‘linkse pleidooien voor een maakbare, solidaire samenleving’. Niet alleen in Rusland, Oost-Europa maar ook in Italië, Frankrijk, Duitsland, Nederland, België, en wat nog volgt.
Vertrouwen vertrekt te paard en komt te voet.
Het falen van de rigiede planeconomie en het maakbaarheidsideaal tegenover de chaotische, dynamische en flexibele markteconomie was even schrikbarend
als de ‘Potemkindorpen’ waarmee de goegemeente nationaal en internationaal voor de gek gehouden werd.
Ook op het vlak van vervuiling van mens en milieu was de geplande ellende uitzichtloos. De desintegratie van een gewezen supermacht als de Russische Federatie leidt ertoe dat deze vandaag niet eens haar bossen en taiga kan beheren, haar eens zo machtige militaire bases, munitieopslagplaatsen en nucleaire infrastructuur, laat staan haar dorpen en steden kan beschermen tegen het vuur. (Une étincelle peut mettre le feu à toute la plaine* (Mao – 5 janvier 1930)
De desintegratie van de Verenigde Staten van Amerika leidt ertoe dat de deelstaatregeringen niet eens meer in staat zijn wegen, riolering, watervoorziening, elektriciteitsnet, scholen en andere noodzakelijke openbare voorzieningen op peil te houden. ‘E pluribus unum’ bestaat daar enkel nog als slogan bij de gratie van de Chinese economische machtsfactoren.
Tegen het einde van de naoorlogse wederopbouw in West Europa werden de oude tanende industrieën kunstmatig overeind gehouden met gemeenschapsgeld en goedkope import van ‘gastarbeiders’.
De zo geprezen marktwerking werd overboord gegooid door goedkope marktvervalsing.
Extreem- en later ook groenlinks – niet alleen de maoïsten – hebben met brio het perfide trucje geprobeerd om de ‘meest uitgebuite klasse’ de ‘meest revolutionaire eigenschappen’ toe te dichten. En wie was er meer uitgebuit en onderdrukt, wie was er eenzaam ver van huis en leed onder kou en regen en vreemde, vieze polderculturen in West Europa?
We speelden op mimetisch solidariteitsresentiment waar de betrokken doelgroep ietwat verbijsterd een heel ander referentiekader bleek te hanteren.
Nog later werd het de tweede, derde en vierde generatie die ideologisch gepapt moest worden en nagehouden. In België tot en met PvdA+ waar het kruisje al snel stond voor de Arabisch Europese Liga = Resist!
Edoch, niets van dat alles werd hun deel.
Links heeft dit nooit willen weten noch begrijpen. Onder het motto ‘alle mensen zijn gelijk en dus moeten we iedereen helpen’ heeft links er mee voor gezorgd dat de minst geïntegreerde gastarbeiders, asielzoekers en migranten in wijken gedropt werden bij autochtone Nederlanders, vooral uit de sociaal zwakste groepen.
Doorgaans waren en zijn die migranten hoegenaamd niet geïnteresseerd om zich te integreren, integendeel zelfs. Hun culturele, sociale en religieuze referentiekader bleef het oude thuisland dat wel pap lustte van de geldstroom, al dan niet uit vervangingsinkomens en uitkeringen.
De redenen van hun komst waren bijna uitsluitend economisch: de familie investeerde in hun avontuur in de hoop op een flinke return. Paul Scheffer maakte in ‘Het land van aankomst’ een gedegen analyse van de migratieproblematiek in Nederland. Nadien fileerde Wim Van Rooy ‘De malaise van de multiculturaliteit’.

Kan je dat oplossen?
Ja, op één voorwaarde, dat de mensen die hier zijn, bereid zijn om actief aan die oplossing mee te werken door zich te integreren. Het mantra ‘meer faciliteren om te integreren’ mag na drie generaties best wel ophouden. In die zin zijn de strenge Deense immigratie- en integratieregels helemaal niet zo gek. En de autochtonen en geïntegreerde allochtonen voelen zich niet langer geschoffeerd en gediscrimineerd.
De EU moet verder naar een sociaal-democratisch Rijnlandmodel waar de overheid zorgt voor de contouren van een sociale economie en voor de grenzen waarbinnen een kapitalistische vrije markteconomie functioneert. Sociale economie betekent in deze context dat alle sectoren die belangrijk zijn voor het functioneren van de maatschappij door de overheid moeten gegarandeerd worden. Dat gaat van onderwijs over transport, over gezondheidszorg, pensioenen
en ook over de spaarbanken. De rest kan je overlaten aan de vrije markt, onder stevige financiële en kwaliteitscontrole.
Een belangrijk verschil tussen de VS en de EU zit bovendien in de houding tussen religies en de openbare ruimte.
De VS opteert – ook nu met Obama’s steun aan een moskee-mall in Manhattan- voor een naast elkaar bespelen van de openbare ruimte en de staatsinstellingen (Iftar op het Witte Huis). Zij hopen op die manier de religieuze leiders te winnen voor steun aan hun beleid (ook dat is in hun ogen ‘E pluribus Unum’) en dus ook hun respectievelijke kudden.
In Continentaal Europa – behoudens Nederland – neigde men meer naar de Franse traditie om de religieuze belijdenis te bannen uit de openbare ruimte, overheidsorganen en te beperken tot het privé-leven. Al was men daar eerder coulant in, zolang de betrokken godsdienst de officiële scheiding tussen kerk en
staat publiekelijk erkende en accepteerde.
Dat is overigens de enige manier om tegemoet te komen aan de minstens even belangrijke rechten van niet gelovigen, ongelovigen, andersgelovigen en alle kinderen van die mindere goden.

Was dit alles laf van links?
Was dit alles een gevolg van de abstinentie van de intellectuelen?
Ik denk eerder dat de huidige ernstige problematiek – maak je overigens geen enkele illusie over een tanen van Wilders – op het conto moet geschreven worden van de maatschappelijke elite – adel van geld en geest – die minstens wist maar nooit heeft willen luisteren naar de drama’s die zich afspeelden wanneer volkswijken tot halve steden werden omgevormd tot culturele en religieuze getto’s.
Laat staan dat ze er iets aan wensten te doen in hun haastige spoed naar privatisering, premies en bonussen.
Teveel leden van de intellectuele elite van het land weigerden zichzelf te bevragen over de stand van het land. Of ze durfden niet voor hun twijfels uitkomen.
Dat was duidelijk een vorm van lafheid, intellectuelen onwaardig.

152.
In elke menselijke samenleving zorgt het ontbreken van legitimiteit voor een vorm van gewichtsloosheid die een ontwrichtende uitwerking op ieders doen
en laten heeft. Wanneer geen enkel gezag, geen enkele instelling, geen enkele vooraanstaande figuur kan bogen op een werkelijke morele geloofwaardigheid, wanneer de mensen beginnen te geloven dat de wereld een jungle is waar de wet van de sterkste regeert en waar elke uithaal is toegestaan, komen we onvermijdelijk terecht in een spiraal van bloedig geweld, tirannie en chaos.

Westerse machten en culturen hebben steevast hun economische belangen gekoppeld aan de culturele en religieuze expansiemogelijkheden: met zwaard en kruis. Ook vandaag heb je het eindeloze gezeur over mensenrechten, gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid waaronder allerlei economische belangen verborgen zitten.
Het gevolg hiervan is een razende toename van de overbevolking, afschuw tov westerse democratische waarden en vooralsnog geen antwoord op de Chinese concurrenten.
Als Hillary Clinton op hilarische wijze tekeer gaat over mensenrechten in China, lig je in een deuk want 3/4 van haar eigen land is in handen van datzelfde China!

175.
Een belangrijk les die we van de afgelopen eeuw kunnen leren, is dat ideologieën van voorbijgaande aard zijn, en dat godsdiensten blijven.
Overigens niet zozeer de daarbij behorende geloofsovertuigingen, als wel de geloofsidentiteit; maar die laatste is het fundament voor de eerste.
Wat godsdiensten praktisch gezien onverwoestbaar maakt, is dat ze hun volgelingen een bestendig ankerpunt voor hun identiteit bieden. In
verschillende fasen van de geschiedenis leek het alsof andere bindende factoren, zoals de klasse of de natie, de overhand hadden. Maar tot nu toe
heeft de religie altijd het laatste woord gehad. We dachten dat we de religie uit de publieke sfeer konden verjagen en binnen de grenzen van de zuivere
godsdienstoefening konden opsluiten. Het blijkt echter moeilijk te zijn om grenzen aan het geloof te stellen, moeilijk om het te bedwingen en
onmogelijk om het uit te roeien. Degenen die de religie naar het museum van de geschiedenis wilden verbannen, zijn daar zelf voortijdig terechtgekomen.
En ondertussen is godsdienst een bloeiend, zegevierend en vaak zelfs allesoverheersend verschijnsel.

Amin Maalouf pleit niet voor de visie van de Franse Republiek om de religie te weren uit de publieke ruimte. Volgens hem is dat geen haalbaar perspectief. Zij het dat dit binnen de Chinese cultuur zonder veel moeite en succesvol wordt gerealiseerd. Zij het dat het vrijwaren van de publieke ruimte van godsdienstige spanningen kan helpen om een ruimte van respect en erkenning van elkaar te creëren waarbinnen het door hem zo verfoeide communitarisme – waaraan hij Libanon ten onder wist gaan – geen wortel kan schieten.

210.
Datgene waar een immigrant naar snakt, is op de eerste plaats waardigheid. Ja zelfs, om precies te zijn, culturele waardigheid.
Religie is daar een onderdeel van, en het is billijk dat gelovigen hun geloof ongestoord willen belijden. Maar het meest onvervangbare bestanddeel van
de culturele identiteit is de taal. Vaak komt het doordat zijn taal niet meer wordt gesproken, ook niet meer door hemzelf, en doordat er op zijn cultuur
wordt neergekeken, ook door hemzelf, dat een immigrant de behoefte voelt om de kenmerken van zijn geloof nadrukkelijk uit te dragen. Alles zet hem
daartoe aan – de algehele sfeer, de daden van de radicale activisten en ook de handelwijze van de opvanglanden waar de autoriteiten, die alleen maar
letten op de religieuze identiteit van de immigranten, vergeten rekening te houden met hun behoefte aan culturele erkenning.

Naar mijn ervaring is Maaloufs pleidooi hier voor culturele en religieuze erkenning van migranten als verrijking voor de immigratielanden, als versterking van de uitwisseling met de emigratielanden inclusief als verspreidingsfactor van de universele rechten van de mens een behoorlijk wanhopig verhaal.
Dat deze hoop ijdel is gebleken zal intussen wel duidelijk zijn.
Dat de officiële standpunten van westerse immigratielanden over kleurrijke multiculturaliteit intussen reeds lang gepasseerde en tot ruïnes vervallen bruggen bleken, is niet meer te weerleggen.
In die zin begrijp ik steeds beter de huidige Chinese houding: handel en wandel tot wederzijds voordeel en geen inmenging in binnenlandse aangelegenheden.
Alle maoïstische partijen die ze ooit financieel of anderszins ondersteunden bleken niet van de grond te komen, tot sektes te verworden dan wel geheel politiek en moreel kierewiet wegens de linkse leiders zot van glorie en van zichzelf. In Nederland bleek de CCP zelfs een quasi eenmanspartij van de geheime dienst te steunen en financieren.
In tegenstelling tot de westerse cultuur heeft de Chinese cultuur een dermate sterk zelfbeeld (Rijk van het Midden) dat zij – ook de voorbije eeuw wegens de stellige zekerheid dat die dip slechts een tijdelijke vergissing van de geschiedenis zal blijken te zijn, wat ze nu ferm bevestigd zien – de rest van de wereld hun genereuze steun en vredelievende aanwezigheid gunnen.
Of die landen nu islamitisch, christelijk, hindoe, sjamanistisch, boedhistisch of welk geloof al niet hanteren maakt hen verder geen zak uit.
Of die machthebbers hun bevolking via al dan niet getrapte of doortrapte verkiezingen, hokus pokus, geheime diensten, terreur of consumptiecinema manipuleren laat hen volkomen koud.
Dat is in hun denken de zaak van die bevolking, en als die daar problemen mee heeft zal die bevolking dat wel zelf oplossen, daar hebben ze geen steun van de Chinese Communistische Partij voor nodig.
Het gevolg is dat zij hun handel en wandel aan een razend tempo de wereld rondsturen, zoals nooit tevoren ergens gebeurd is, behoudens de Hollanders in de Gouden Eeuw toen 85% van alle schepen op de zeven wereldzeeën onder hun vlag voeren.
Chinezen eisen geen conformiteit in staatssystemen, religies, culturele opvattingen en wat dies meer van andere naties, volkeren of gemeenschappen. Zij verspreiden alleen de gastronomische kunsten van de Chinese keukens. Zij beschouwen zichzelf als de grootste, de machtigste, de oudste ( of toch bijna en anders moet je dat maar geloven) de sterkte, de veiligste, de mooiste cultuur ter wereld.
Meer nog, dat weten ze wel zeker en dus kunnen ze geen reden bedenken waarom alle anderen daar niet zouden van willen leren.
Maar dat mogen die anderen dan zelf doen, als ze daar aan toe zijn, zin in hebben en offers voor willen brengen.
Het resultaat is dat de halve wereld de VSA verafschuwt, de EU niet of nauwelijks kan begrijpen en verbijsterd naar de Chinese Volksrepubliek zit te staren, dan wel probeert daar een poot aan de grond te krijgen.
In de grote Westerse traditie van het zwaard en het kruis om de rest van de wereld te ‘beschaven’ werden allerlei morele hoogstaande waarden gehanteerd zoals: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’ en meer van dat fraais waarmee de kolonisatoren het zelf niet al te nauw namen tegenover de gekoloniseerden.
De Chinese traditie bleek er meer een van ‘met gelijke munt betalen’. Dat wordt geformuleerd als ‘tot wederzijds voordeel’. Wie niet bereid is om in die samenwerking mee te gaan, hoeft verder niet aan te dringen, noch met morele of ethische verhalen, noch met militaire dreiging.
Het Chinese voorbeeld lijkt in die zin ook een voorbeeld voor de EU en haar internationale economische, politieke en culturele aspiraties.

De ontregeling

Archief

Roberto Saviano, De schoonheid van de hel. uitg Lebowski 2009.

12 augustus 2010

Roberto Saviano, De schoonheid van de hel. uitg Lebowski 2009.

Roberto Saviano schreef met ‘Gomorra’ een meesterlijke reportage over de Napolitaanse maffia en haar tentakels tot ver buiten Italië.
Het boek werd verfilmd en als theaterstuk opgevoerd.
In ‘De schoonheid en de hel’ worden stukjes gebundeld die hij schreef tussen 2004 en 2009.
Hier en daar blijken mooie en indringende bedenkingen bovendrijven, maar het geheel mist samenhang en soms zelfs relevantie.
Erger is het wanneer blijkt dat Saviano er nauwelijks in slaagt om afstand te nemen van zijn onderwerp. Door zijn aanklacht in Gomorra en de permanente anti maffia bescherming die hij om zich heeft, blijkt zijn leef- en denkwereld op een verschrikkelijke wijze vernauwd. Zijn herhaalde pogingen om eruit te ontsnappen worden bemoeilijkt door zijn eigen gebrek aan afstand.
Hij schrijft vaak als een woedende jonge man en lijkt onvoldoende inzicht te krijgen op de noodzaak aan indirecte actie, omtrekkende bewegingen, doortimmerde strategieën in de strijd tegen de maffia praktijken , ook in het overheidsapparaat en de regering van Berlusconi.
Hij laat zich ook leiden door filmbeelden zoals die van Vittorio De Seta in ‘Lettere dal Sahara’ uit 2006 waarin deze volgens hem op een indringende manier de eerste levensbehoeften zoals honger kan laten uitkomen.
‘De enige angst die je moet hebben is die om bang te zijn’ citeert een carabinieri kolonel die voor zijn beveiliging instaat de Amerikaanse president Roosevelt.
Saviano heeft in ‘De schoonheid en de hel’ een aantal opmerkelijke observaties bijeen gebracht.
Daarnaast blijft hij worstelen met de vraag wat nu?
Hij kan het niet aanzien dat in het noorden van Italië gedaan wordt alsof de maffia iets van het achterlijke zuiden is, terwijl het hoofdkwartier reeds in Parma en Toscane opereert, Milaan infiltreert en verder in heel Noord Europa en Brussel actief is.
De link met de Chinese maffia organisaties is inmiddels erg vruchtbaar gebleken maar ongetwijfeld een achilleshiel voor de toekomst. Chinese triades zijn erger en gevaarlijker dan de Italiaanse maffiosi en door hun acties op een veel hoger niveau te tillen maken ze slapende honden op EU vlak wakker, waardoor de aandacht van de Commissie, het parlement en de Noord Europese regeringen op de maffiapraktijken gevestigd worden.
Daarin zullen de Italiaanse maffiafamilies wellicht hun hand overspelen en gemalen worden tussen de EU-reactie en hun Chinese vrienden.

149.
Het zou mooi zijn als we aan alle katholieken in Italië konden vragen niet te geloven in mensen die zonodig debatten moeten winnen zonder dat ze ook maar iets concreets hoeven te laten zien, maar waarvoor ze alleen partij hoeven te trekken. Zoals gewoonlijk waren de Italianen niet in staat zich in andermans verdriet in te leven: het verdriet van een vader. Het verdriet van een familie. Het ‘verdriet’ van een vrouw die al jaren in een permanente vegetatieve toestand verkeerde en die aan haar vader haar wil te kennen had gegeven. En mensen die haar niet eens kenden, die Beppino niet kennen, trekken nu die wil in twijfel. Er was nauwelijks tot geen respect voor haar rechten. Ook wanneer een bepaald recht niet overeenstemt met je eigen morele overtuiging, mag iemand nog steeds zelf beslissen of hij het uitoefent of niet. Daar is het een recht voor. Dat is de essentie van democratie. Ik begrijp wel dat mensen een ander in een bepaalde richting willen duwen of ervan willen overtuigen geen gebruik te maken van hun recht, maar ik begrijp niet dat je het recht zelf ontkent. Italië heeft zich voor de hele wereld te kijk gezet door de zoveelste tragedie uit te buiten. En op hun beurt hebben een hoop politici het drama Englaro gebruikt om steun te verkrijgen en de publieke opinie af te leiden van de crisis waarin het land verkeert en die het lam heeft gelegd. Een crisis die de gelegenheid biedt dat met illegaal verkregen kapitaal banken worden opgeslokt, die de lonen heeft bevroren en waaruit geen uitweg meer lijkt te zijn,maar dat is een ander verhaal.

Lees verder »

Archief

Ismail Kadare, Het ongeluk – uitg. Van Gennep 2008

10 augustus 2010

Ismail Kadare, Het ongeluk – uitg. Van Gennep 2008

Ismail Kadare was jarenlang de kritische schrijver uit de communistische vuurbaken voor Europa, Albanië, die er toch steeds weer in leek te slagen
om de toorn van partijchef Enver Hoxha en zijn hofhouding te ontwijken.
Ik heb het lang moeilijk gehad met Kadare. Want ook ik heb ooit Shqipërisë bereisd toen Shoku Enver Hoxha daar de Partij van de Arbeid
met vaste hand steevast leidde naar de uitzichtloze reeksen overwinningen op alles en iedereen.
Niet in het minst op de Albanezen zelf, die later ten prooi vielen aan de fijnste technieken van ‘geen gezeik, iedereen rijk’ zoals het kapitalisme daar huis hield
in de geesten en de handelingen van de mensen.
Kadare heeft zich lang bewogen op de nauwe jongleer-grens van een hofnar van het regime.

Ook met ‘Het ongeluk’ laat hij na al die jaren zien dat hij meer in zich had en heeft, dan een literaire hofnar. En dat siert hem.
‘Het ongeluk leest’ als een epische roman die de mythische wijsheden van de pre Homerische oudheid tot vandaag laat oplichten, niet alleen op de Balkan waar mensen in Joegoslavië en Albanië door een ware hel gedreven en gelokt werdenl, de Hades waar Orpheus zijn Eurydice trachtte weer te vinden en naar de levende wereld te begeleiden.
Hij deed in zijn eentje wellicht meer voor de Albanese taal en letterkunde dan vele taalgenoten samen, mede door zijn netwerk in Parijs.
Hij is een van de weinigen die in Europa de nieuwe bijklank van epitheta als Kosovaar of Albanees weet te keren.
Voor het eerst schreef hij met ‘Het ongeluk’ een boek in de moderne westerse traditie van misdaadverhalen.
Zij het dat Kadare de verhaallijn weet op te tillen tot een klassiek mythologisch niveau, dat van het verbod op de achterwaartse blik, Orfeus en Euridice.

Twee mensen kussen elkaar in een taxi die verongelukt en alleen de chauffeur weet het na te vertellen, al is niet duidelijk wat hij precies weet na te vertellen.
‘Het ongeluk’ speelt zich af tegen de recente Balkangeschiedenis van het laatste decennium en laat de lezer mee zoeken en twijfelen, aarzelen en verzinnen
om finaal de blijvende vragen in het hoofd te houden.
Tenslotte gaat dit schitterend ongeluk al millennia over een essentieel onveranderde problematiek van hoe mensen met elkaar omgaan en van elkaar een beeld koesteren.
En dat blijft altijd boeiende actualiteit, zeker wanneer het nog eens knap geschreven is.

25. Overal op de wereld staat het tumult waarmee een gebeurtenis zich aan de oppervlakte manifesteert in schril contrast met de stilte die in de diepte heerst,
maar nergens is deze tegenstelling zo groot als op de Balkan.
De wind huilde rond de bergtoppen en joeg door het geboomte en struikgewas, zodat het schiereiland volslagen krankzinnig leek te zijn geworden.
Toch kon ook wat zich afspeelde in de diepte, in de wereld van gefluisterde geruchten en geheime onderzoekingen, worden beschouwd als een vorm van pure waanzin,
misschien nog vele malen erger dan wat er aan de oppervlakte waarneembaar was.

33. Toen, aldus de onbekende onderzoeker, begon de erkentelijkheid van de Serviërs ten opzichte van hun beschermers onverwacht weg te ebben,
maar dat gold ook voor de wrok die zij tegen hun aanvallers koesterden en die volgens de op de Balkan geldende riten nog eeuwenlang had kunnen
voortleven. De nieuwe geopolitieke situatie op het schiereiland, het Stabiliteitspact, het feit dat de stijfkoppige staten, ooit elkaars vriend of vijand,
nu voor de deur van Europa stonden te wachten om gezamenlijk tot de droomfamilie van de EU toe te treden – al die factoren hadden geleid tot iets
wat tot dusver ondenkbaar had geleken: terwijl men kort tevoren nog vervuld was van wanhoop en razernij, en had gezworen zich te zullen wreken,
werd er nu eerder met verwondering dan met wraakgevoelens op de recente gebeurtenissen teruggekeken.
Wat minder snel in de vergetelheid raakte, waren enkele hardnekkige geruchten. Zo werd beweerd dat niemand minder dan Moeder
Theresa er met klem op had aangedrongen dat Joegoslavië zou worden gebombardeerd, ja, ze zou midden in de nacht zelfs met de Amerikaanse
president hebben getelefoneerd: ‘Mijn zoon, doe iets voor mijn Albanese volk en straf Servië.’ Over de president die deze straf had moeten
uitvoeren, zou naderhand in de cafés nog lang worden gezongen:
Breng Servië snel ten val, 0 beste Bil,
Zoals mevrouw X onlangs adviseerde …
Want Servië voegt zich eerder naar jouw wil
Dan Monica, met wie je schuinsmarcheerde.

94. Rovena deed geen enkele moeite om te begrijpen wat hij bedoelde.
Misschien lucht het hem op als hij zo praat, dacht ze. Volgens hem bevonden zij zich op dit moment allebei in een overgangsperiode.
Daarna zou het licht van hun liefde uitdoven, net als de laatste zonnestralen aan het einde van de dag. Op dat punt begon de negatieve tijd.
Daar golden andere wetten, maar de mensen waren niet bereid dat te erkennen. Ze gingen met die wetten de strijd aan terwijl ze elkaar
onder geweeklaag en gejammer de verschrikkelijkste dingen aandeden, totdat de dag kwam waarop ze tot hun afgrijzen moesten inzien
dat hun liefde tot stof was vervallen.
Praat maar, dacht ze. Zorg vooral dat je de draad niet kwijtraakt.
Dan was het natuurlijk te laat. En dat wilde hij haar besparen. Zodat zij niet samen die schemerzone binnen hoefden te treden.
Orpheus’ afdaling in de onderwereld om Eurydice op te halen moest misschien op een heel andere manier worden geïnterpreteerd.
De dode – dat was niet Eurydice, maar de liefde. Blijkbaar had Orpheus in zijn poging om haar terug te halen een vergissing begaan,
misschien was hij te ongeduldig geweest en had hij haar daarom weer verloren.
Maar zei jij niet een keer dat de liefde een probleem heeft met zichzelf, dacht ze. Want zoals hij een tijd geleden aan haar vertelde,
waren er op deze wereld twee dingen die men op grond van hun eigen wezen in twijfel kon trekken: de liefde en God.
Als derde was er de dood, maar zoals iedereen wist kon een mens die alleen waarnemen bij een ander.

Archief

Inca’s, Capac Hucha – Wereldmuseum Rotterdam tot 14112010

9 augustus 2010

Inca’s, Capac Hucha – Wereldmuseum Rotterdam tot 14112010

‘Bevroren kinderlichamen, vergezeld van schitterende voorwerpen, vertellen het verhaal over de intrigerende kosmovisie van de Inca’s. Capac Hucha was de koninklijke plicht van de Incakoning om door middel van kinderoffers grip te krijgen op de werking van de schepping en om zijn politiek gezag uit te dragen over een immens rijk. Ver voor de Inca’s dronken de Moche’s het bloed van hun eigen krijgers om overstromingen af te wenden van het aanstormende water uit de bergen. De Nasca’s snelden krijgerhoofden als metafoor voor de oogst. In Chavín offerden mannen zich zelf met een mes om zo één te worden met goden en voorouders. Het onderwerp is een wereldprimeur. Het wordt in beeld gebracht met ruim 300 voorwerpen uit de eigen collectie, Europese musea en privécollecties. Te zien zijn: mummies, keramiek, koninklijke weefsels, zilver en goud. Wilt u meer lezen over de inhoud van deze tentoonstelling.’

Het Rotterdamse Wereldmuseum is waarlijk uit zijn as verrezen. In een oud en statig pand met fenomenaal uitzicht over de Maas, haar vulvabrug en omliggende fallussen wordt in een heel nieuwe setting een reeks boeiende en soms zelfs adembenemende stukken getoond.
Maar bij de zalentoegang is het alvast eieren lopen met een merkwaardig filmpje over religies en culturen waarbij om kool en geit te sparen ingewikkelde redeneringen en pirouettes worden gedraaid. Er zou voorwaar eens een bezoekend belijder kunnen opdagen die zich geschoffeerd voelt door de commentaar op zijn of haar religie, dan wel door de nadruk op andere vormen van bijgeloof. Van de maatschappelijke, politieke en psychologische betekenis van religies is nauwelijks sprake. En dat is ondanks Marx ‘Religie is de zucht van het onderdrukte schepsel, het hart van een harteloze wereld, en de ziel van zielloze omstandigheden. Het is de opium van het volk.’ Introduction to A Contribution to the Critique of Hegel’s Philosophy of Right’ uit 1844.
En dan missen we ook nog het element ‘opium voor het volk’, een techniek van machthebbers om hun macht te kunnen behouden door externe legitimatie.
De openingstentoonstelling ‘Inca’s, Capac Hucha’ is van een betere orde, zij het dat de kans zowat onbestaande is – zelfs in Rotterdam – op een nog levende belijder die zich geroepen voelt om met geweld – al dan niet verbaal – correcties aan te brengen op de interpretaties die er over de Inca -, Nazca- en Moche- cultuur gepresenteerd worden.
Ik had er nochtans een, en geen minne.
Het feest van de bloedgruwelen en mensenoffers die deze religies en culturen kenmerkte, wordt tot in de meest verfijnde vormen van menselijk lijden uit de doeken gedaan in de tentoonstelling.
Heelder verhalen over de levenskracht van het geplengde bloed en de mensenoffers om een te worden met de goden en wat al niet meer, belet blijkbaar dat er ook maar ergens een kritische noot geventileerd wordt.
Deze culturen leefden immers van en op terreur, mensenoffers, zeeën van bloed en bergen lijken. Dit soort culturen van de angst waren ten dode opgeschreven omdat hun machthebbers zich alleen op de exclusieve macht over leven en dood konden beroepen, godgegeven. Wanneer een stelletje Spaanse gelukzoekers met een paard, een haakbus, griep en de pokken aanspoelden konden deze dan ook in enkele decennia hele Indiaanse terreurbeschavingen onderuit halen. De veroveraars beleden een flexibele godsdienst en cultuur waar het lichaam en het bloed van hun mensgeworden god op symbolische wijze geofferd werd. Dat scheelde een hele slok op de borrel en leidde tot een veel dynamischere en flexibelere vorm van samenleving die een flink deel van de aardbol wist te onderwerpen.

Politici en militairen zijn nog altijd bereid zonen en dochters te offeren ter bescherming van het eigen wereldbeeld. Beeldend kunstenares Claudia Sola maakte in opdracht van het Wereldmuseum een meeslepend audiovisueel kunstwerk over wereldconflicten dat een dimensie toevoegt aan het universele fenomeen: het offeren van mensen.

Stanley Bremer (1952) is vanaf 2001 directeur van het Wereldmuseum (Rotterdam) en heeft een forse vernieuwing doorgevoerd.

En effectief na de Inca-bloedstromen of een lezing over Indianengruwelen kunnen receptietijgers zich vermeien met dito tijgerinnen en levert dit Wereldmuseum een heel nieuwe museale benadering op.
Café-Wijnbar en het prachtige terras aan de Maas is een topper, om van het heerlijke restaurant – met een meer dan voorkomende bediening – nog maar te zwijgen.
Het niet bloederige Inca menu en de andere gerechten zijn heerlijk, de prijzen deftig en de wijn fijn, en dat is lang niet overal zo in het Monaco aan de Maas.

Archief

Alessandro Baricco, Zonder bloed. uitg De Geus 2003

26 juli 2010

Alessandro Baricco, Zonder bloed. De Geus 2003

Bloedrode novelle in twee delen, schitterend geschreven, geraffineerd opgebouwd met de smaak van een Italiaanse Coetzee: kernvragen over wraak en vergelding, over woede en verlangen, over weten en zwijgen. Baricco behandelt menselijk handelen naar dit soort emoties in een miniatuur waardoor zijn benadering nog grootser blijft nazinderen bij de lezer.

83. Hoezeer je je ook inspant om maar één leven te leiden, de anderen zullen er altijd nog minstens duizend andere levens in zien, en dat is de reden dat mensen maar niet kunnen voorkomen dat ze elkaar kwaad doen.

87.Er waren een hele boel dingen die we moesten vernietigen voordat we konden bouwen wat we wilden, er was geen andere manier, we moesten in staat zijn om te lijden en lijden toe te brengen, wie de meeste pijn aankon zou winnen, je kunt niet van een betere wereld dromen en denken dat je die zomaar zult krijgen omdat je er netjes om vraagt, ze zouden nooit zijn gezwicht, we moesten ervoor vechten en als je dat eenmaal doorhad maakte het niet meer uit of het oude mensen of kinderen waren, je vrienden of je vijanden, je was de aarde aan het openrijten, dat moest nu eenmaal gebeuren, en dat kon je niet doen zonder dat het pijn deed. En wanneer het allemaal te gruwelijk dreigde te worden hadden we nog onze droom die ons beschermde, dan wisten we dat, hoe hoog de prijs ook was, de beloning veel groter zou zijn, want wij vochten immers niet voor een handvol geld, of voor een akker om te bewerken, of voor een vlag, wij deden het allemaal voor een betere wereld, snapt u wat dat betekent? Wij zorgden ervoor dat miljoenen mensen weer een fatsoenlijk leven kregen, en de kans om gelukkig te worden, om waardig te leven en te sterven, zonder te worden vertrapt of bespot, wijzelf stelden niets voor, zij waren alles, miljoenen mensen, wij waren er voor hén, wat is nou één kind dat tegen een muur aan sterft, of tien kinderen of honderd, de aarde moest worden opengereten en wij deden dat, miljoenen andere kinderen verwachten van ons dat we dat deden, en dus deden we dat (…)
89.(…) u moordde uit wraak, jullie moordden allemaal uit wraak, daar hoeft u zich niet voor te schamen, dat is de enige remedie die er bestaat tegen de pijn, het enige wat u hebt kunnen bedenken om niet gek te worden, dat is de drug waardoor we in staat zijn om te vechten , maar jullie zijn er nooit meer vanaf gekomen, het heeft jullie hele leven kapot gemaakt, daardoor zien jullie nu overal spoken, om die vier jaar oorlog te overleven hebben jullie je hele leven kapotgemaakt, en nu weten jullie niet eens meer (…) wat het leven is .106. Toen bedacht ze dat hoe onbegrijpelijk het leven ook is, je het waarschijnlijk doorbrengt met niets anders dan het verlangen om terug te keren naar de hel die je heeft voortgebracht, en om daar te leven aan de zijde van degene die je ooit uit die hel heeft gered. (…) Alleen maar vanuit het idee dat iemand die je eens heeft gered, je voortaan altijd kan redden. In een langdurige hel, precies zoals de hel waaruit we voortkomen. Maar onverwacht barmhartig. En zonder bloed.

Archief

Dezso Kosztolányi – Nero, de bloedige dichter. Uitgeverij Van Gennep – 2010

26 juli 2010

Dezso Kosztolányi, Nero, de bloedige  dichter. Uitgeverij Van Gennep – 2010

‘Zonder kunst is de werkelijkheid onvolledig’.

Pieter Paul Rubens was zeer geinteresseerd in de figuur van de Romeinse filosoof en schrijver Seneca, vooral in diens levenseinde dat door Kosztolányi meesterlijk beschreven wordt. Wellicht omdat ook Rubens zich herkende in de rol van mooiprater, souffleur, pedagoog en hofnar van de macht, ondanks het geniale van zijn eigen schilderkunst.
Seneca was de pedagoog van Nero die in een machtsgreep door zijn moeder op de troon gezet werd maar haar ten gepasten tijde liet liquideren. De getormenteerde jongeling had het in zijn hoofd gehaald dat zijn literaire, theatrale en wagenmennerstalenten opmerkelijk waren en hij beet zich dus uitzichtloos vast in kunsten die hij hooguit als dilettant kon benaderen, zij het dat hijzelf wel als keizer van het Roomse Rijk diende benaderd te worden.
Nero – die aanvankelijk best geapprecieerd werd wegens nog niet bedreven noch gedreven in het spel van de macht – ontpopte zich tot een ordinaire populist die zich graag ophield in de zwoele en stinkende onderbuik van Rome waar hij grootschalig succes kocht met gedurfde oneliners, geld en geweld. Zijn entourage was steeds minder bereid of in staat zijn imperiale ambities bij te sturen en zijn artistieke wanen te temperen.
De Hongaarse schrijver Dezso Kosztolány (1885 – 1936) die door de uitgever gepresenteerd wordt als inspirator van Sándor Márai staat tot deze auteur eerder als Nero tot echte dichters ondanks de lovende brief van Thomas Mann die als toemaatje in het boek mooie woorden overheeft voor dit verhaal van bloedig-pijnlijke dilettantisme, gruwelijk en komisch tegelijk.

197. Onder Caligula was zijn dienst begonnen als trouw dienaar van de keizer; hij had aan vele veldslagen deelgenomen en zou voor een kleinigheid zijn leven opgeofferd hebben. Nooit had hij zijn bloed gespaard, hij hing niet aan het leven. Maar in vredestijd kon een soldaat zelf over zoiets kleins als een aardkluit struikelen, zijn heldhaftigheid diende geen enkel doel en hij raakte de weg kwijt te midden van de vele listen en werd door uiteenlopende belangen alle kanten op geslingerd, als een blind werktuig. Hij wist geen raad meer in deze wanorde.

218. We mogen niet te zuinig zijn op ons leven, anders zullen we het verliezen. En dat geldt duizendmaal sterker voor een machthebber. Leg je geweten af. De ware heerser heeft dat nooit gekend. Wees niet bang om bang te zijn. Want alleen dat is wat je hindert.

Archief

Bedenkingen bij misbruik in een hiërarchische structuur als de Roomse Kerk met Luceberts ‘Ketters I-V’

9 juli 2010

Lucebert schilderde zijn ‘De ketters I-V’ in 1981 kort na de mislukte staatsgreep van Guardia Civil kolonel Antonio Tejero Molina. Met enkele honderden Franco aanhangers probeerde hij het democratiseringsproces in Spanje te keren door in het parlement schietend het spreekgestoelte in te nemen.
De heren hadden niet begrepen dat hun tijd voorbij was, ook in Spanje.
Lucebert inspireerde zich op ‘Los desastres de la guerra‘ , de beruchte reeks etsen van Francisco de Goya (1746-1828) waarin deze in tegenstelling tot het officiële verhaal van heldendaden en generaalssuccessen de gruwelen van de oorlogen tekent.
In enkele van die etsen ( nr. 36 en 39) is er ruimte voor een contemplatieve relatie tussen de beul en zijn slachtoffers.

Lucebert verwijst in zijn Ketters I duidelijk naar de Kardinaal Grootinquisiteur ( zoals bij Dostojewski) die alleen maar kan bestaan door de mishandelde slachtoffers in zijn gevecht voor het behoud van zijn ware leer in het ene godsgeloof.
In de volgende ‘Ketters II-V‘ evolueert de relatie tussen de prelaten en hun slachtoffers.
Hier onderzoekt hij de beschamende stilte, de gène en intimiteit van de relatie misbruiker-slachtoffer, die beiden gemijterd toegetakeld voor zich uit staren.
De Roomse Kerk heeft in Spanje een grote traditie van gruwelen om de macht te bekleden en te verdedigen.
Al van tijdens de Inquisitie tot en met de XXste eeuw.

De verantwoordelijkheid van de Spaanse katholieke clerus, Iberische prelaten en kardinalen was al die eeuwen verschrikkelijk. Ook tijdens het fascistische Franco regime.

Lucebert treft hier een situatie die eigen is aan alle gesloten culturen, religies, kloosters, sekten, scholen en omstandigheden waar hiërarchisch en in jaren meerderen zich het recht toe-eigenen om jongeren die hen toevertrouwd worden te gebruiken om hun eigen verlangens naar genot en pijn te bevredigen.
Het heeft iets van automutilatie op zoek naar gevoelswaarnemingen die ze niet meer op een menselijke manier kunnen beleven.

Zij ervaren zich hiertoe geroepen en gerechtigd als compensatie voor de eigen offers in het belang van de triomf van de gezamenlijke geloofsacte.
De slachtoffers worden in de vertrouwensrelatie van meerdere en jongere verleid door aandacht, geld, privileges en de beloftes dat ook zij later hun positie in de hiërarchie kunnen opnemen.
Slachtoffers en beulen, misbruikten en misbruikers verstijven in een verstommende houdgreep van mimetische pijnbeleving. Ze worden allemaal gemijterd.

Archief

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Uitg. Lemniscaat 2010

5 juli 2010

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Uitg. Lemniscaat 2010

Ik heb het voor Hans Achterhuis omdat hij het lef en de moed heeft heilige huisjes te ontmantelen, gebaande paden te bevragen naar hun mythische herkomst, betonnen waarheden te verkruimelen. Hij is er ook zo goed in beslagen omdat hij zijn eigen denken durft onderzoeken en kritiek levert op wat hij zelf ooit heeft verteld. Zijn ‘ De markt van welzijn en geluk’ (1979) zou me bijblijven. Net zoals het werk van Ivan Illich die hetzelfde deed voor de markt van onderwijs en geneeskunde.
Achterhuis had het lef om welzijnswerk te duiden dat zichzelf propageerde als de handige hulp voor een leefbare samenleving door het pamperen en steunen van mensen in achterstandswijken. Zo creëerde welzijnswerk een markt van behoeftigen voor de eigen belangenbevrediging van de sector.
Hans Achterhuis is al die jaren ook steeds verder doorgedrongen in de analyse van het utopisch denken.
Hij heeft de moed om achterwaarts vooruit te schrijden, terugdeinzend voor de aanblik van wat de ideologieën en utopieën die hij ooit steunde hadden aangericht. Hij sloot zijn ogen niet, hij wou weten waarom. En dat is een zeldzame en zeer waardevolle inspanning voor aanhangers en oud-volgelingen van utopisch gedachtengoed, zowel van links als van rechts.

Met zijn nieuw boek zoekt hij naar de wortels van de neo-liberalistische utopie van de vrije markt en weet de partij-ideologe bij uitstek te vinden in de persoon van Ayn Rand met haar ‘Atlas shrugged’ uit 1957. Na de bijbel het meest verkochte boek in de VSA.

In het Nederlands vertaald als’ Atlas in staking’, wat door de VOKA boys Leyman en De Bruyckere die als Vlaamse ondernemers N-VA minister Muyters mochten opvolgen in VOKA bij hun bezoek aan informateur Bart De Wever werd overhandigd om hun economische en politieke ideeën te illustreren.
Bart De Wever heeft ongetwijfeld Hans Achterhuis gelezen en weet wat het intellectuele en politieke gewicht is van dit soort deur-aan-deur belijders van de vrije markt utopie.

Het Voka-topduo Luc De Bruyckere en Peter Leyman wilde niet met lege handen voor De Wever verschijnen. Ze zouden daarom de vuistdikke klassieker van Ayn Rand, Atlas in Staking, meenemen.‘Meer dan duizend pagina’s, maar we hebben het in twee minuten voor hem samengevat’, zegt Leyman.

Soms vraag ik me af hoe ziek je kan zijn, hoe zielig je zelfbeeld, hoe geil je onmacht, hoe verknoopt je verlangens om als oud Volvo-Gent-baas en omlaag gevallen populistische politieke patser van de cd&v jezelf in 2010 nog te durven prostitueren bij de NVA informateur met een boekje als ‘Atlas shrugged’ van Ayn Rand.
Misschien heeft VOKA veel talent in huis, misschien zelfs nog potentieel politiek talent waarop NVA baas De Wever als stafrijmen hoopt te kunnen steunen met de stemme. Beide Voka-toplui kunnen evenwel niet tot die categorie gerekend worden.
Wie in 2010 – wanneer de gevolgen van de gruwelijke bankcrisis nog lang niet voorbij zijn – als volwassen mens en ervaren bedrijfsleider nog durft staan zwaaien met ‘Atlas in staking’ en de ideeën van Ayn Rand en Alan Greenspan is ofwel niet goed bij zijn hoofd, een gedreven kardinaal van het ‘objectivisme’ en de ultra liberale maakbaarheidsideologie of verblind door het Licht waarin dit soort figuren de wereld en zichzelf meent waar te nemen.

Terecht houdt De Wever tijdens de informatieopdracht de hand aan Fik Meijers analyse ‘Keizers sterven niet in bed’ van Uitgeverij Athenaeum.
Het blijft immers altijd lastig om een zelfbenoemde Praetoriaanse garde van de oude keizers van het lijf te houden…
Elke utopie spiegelt de mensen een werkelijkheid voor van welvaart, harmonie en geluk; dat geloof in de vrije markt is niks anders dan een utopie.

In de loop van zijn boek gaat Achterhuis in op het Atlantis van Ayn Rand en de gevolgen ervan in het neoliberalisme en neoconservatisme tot de kredietcrisis van vandaag.
Hij overloopt de rol en de geschiedenis van de vrije markt, de betekenis van het ‘gemeen’, de wederkerigheid en herverdeling tot de marktmaatschappij.
In deel 3 behandelt hij de filosfische benadering van Aristoteles tot Keynes.
Nadien gaat hij in op wat de gerealiseerde vrije markt utopieën met zich hebben meegebracht en wat de resultaten waren voor mensen, in Chili, na de Tsunami op Sri Lanka, de wateroorlogen, de vermarkting van de gezondheidszorg in Nederland en de hebzucht en bonussenziektes bij Nederlandse managers en bedrijfsleiders.

In de epiloog ‘Noch markt, noch staat’ doet hij een reeks handzame voorstellen om ‘het herstel van het evenwicht tussen markt, staat en burgermaatschappij’ zoals Nobelprijswinnaar Economie Joseph Stigliz het formuleerde.

De nodige praktische wijsheid om de elastische banden tussen markt en burgermaatschappij korter houden om terugschieten te voorkomen.
De nodige moed om die rek in de banden van de markt te weerstaan.
Zelfbeheersing en maatgevoel om ons niet te laten meeslepen door de utopische beloftes van de markt.
Alleen vanuit de civil society waar mensen zelf hun verantwoordelijkheid nemen en marktpartijen en overheidsdienaren op persoonlijke tittel aanspreken om zo nodig tot de orde op te roepen.
Voor een goed beheer van de oikos hebben we volgens Aristoteles ook rechtvaardigheid nodig, en dat is geen systeemeigenschap maar een menselijke.

Lees verder »

Archief

‘De man zonder eigenschappen’ van Robert Musil – deel I door Guy Cassiers en Toneelhuis.

22 juni 2010

‘De man zonder eigenschappen’ van Robert Musil – deel I door Guy Cassiers en Toneelhuis.

‘De theatrale oerdrang om je te verkleden en van gedaante te verwisselen, die tot de lusten van het leven behoort, werd hier zonder de minste bijsmaak aan hem vertoond, waarschijnlijk zonder enig besef van komedie; en wel zo sterk dat de burgerlijke gewoonte om theaters te bouwen en van het toneelspelen een kunst te maken en die men voor enkele uren huurt, hem naast deze onbewuste en blijvende kunst van het zichzelf-spelen als iets volkomen onnatuurlijks, laattijdigs en gespleten voorkwam.’ (p.107)

Guy Cassiers heeft met Toneelhuis een poging gedaan om een eerste deel van het meesterwerk van Robert Musil in theatervorm te presenteren.
Ik was er niet kapot van.
De man zonder eigenschappen is een complex, moeilijk, verrassend, benevelend, verslavend en vertwijfelend boek, waar taal, theater, toon, titel, tuig, teken en tijd door en over elkaar heen warrelen. Ondanks het schijnbare opzet.

In 1913 wordt in Kakanië, de Keizerlijke en Koninklijke Donaumonarchie aanstalten gemaakt om de 70 ste kroningsverjaardag verjaardag van Franz-Josef te vieren in 1918. In datzelfde jaar zou de Pruisenkeizer Wilhelm II 30 jaar heersen.
Maar niet is wat het lijkt en dus kwam van de respectievelijke vieringen niets terecht wegens tegen die tijd de beide keizerrijken en dat van de Russische familie afgevoerd in een orgie van bloed en staalbliksems.

In 1922 begint Robert Musil aan zijn literair meesterwerk dat zo vaak en door zovelen ter hand is genomen. Rond de honderdste pagina weegt het boek zo zwaar dat een verder lectuur volgehouden inspanningen vraagt, van de lezer. Het verhaal volgt immers schijnbaar lichtvoetige en punthoofdige kronkels die meanderen doorheen scherpe essayistische analyses die de stand van de wetenschappen wegen en te licht bevinden en telkens weer zoeken naar andere verbanden tussen vreten en moraal, lief en leed, genot en verlangen, bloed en bodem, incest en oorlog.
Bij ‘De man zonder eigenschappen’ worden die ferme inspanningen beloont, zij het met mondjesmaat maar met een blijvende onrust als opdracht in het hoofd van de lezer.

Marguerite Duras schreef ooit: ‘ Dit boek is voor mij een van de geweldigste leeservaringen geweest die ik heb gekend:het is een buitengewoon duister, onleesbaar en onweerstaanbaar boek; het lezen ervan is een mysterieus corvee, bijna onoverkomelijk voor het merendeel van de lezers, maar als het corvee eenmaal voorbij is en het lezen tot rust is gekomen, maakt er zich een betovering uit los die met niets anders te vergelijken is. ‘

Wanneer de eerste twee delen verschenen in 1930 is de politieke situatie in Midden Europa alweer fors onder spanning gekomen. In 1938 werden Musils boeken verboden en vlucht hij na de Anschluss uit Oostenrijk weg.
Op 15 april 1942 sterft hij in ballingschap in Geneve, in armoede en vergetelheid, nadat hij het hoofdstuk ‘Ademhaling van een zomerdag‘ had afgerond over het spanningsveld tussen hart en rede, tussen passie en overleg, tussen voelen en denken. Zijn magnum opus zou nooit voltooid worden, net zoals moderne denken nooit kan afgerond worden.

Want de spiegel, oorspronkelijk voor ons genoegen geschapen, zo redeneerde hij, was tot een instrument van de angst verworden, zoals de klok, die moet compenseren dat onze bezigheden elkaar niet langer natuurlijk opvolgen. (277)

De superioriteit van een man die zich heeft bevrijd van de wens om te leven is heel groot. (274)

Het is immers de wereldgeschiedenis die altijd à la baisse of à la hausse in mensen heeft gespeculeerd; à la baisse door list en geweld, à la hausse een beetje zoals mevrouw uw echtgenote het hier probeert, door het geloof in de kracht van ideeën. (536)

Als de vader arm is, zijn de zoons dol op geld; als pa geld heeft, hebben de zoons weer de hele mensheid lief. (1316)

Theaterversie
In zijn eerste deel lijkt Guy Cassiers een onmogelijke klus te klaren door acteurs stukken uit Musils schitterend proza te laten declameren, naast elkaar, tegen elkaar en met de rug naar elkaar toe.
Wellicht bedoeld om met bevreemdende effecten de toeschouwers te bekruipen, maar te lang, te moeizaam en te verwarrend om een draad te vinden in het betoog.
Cassiers breidt bovendien het reeds forse aantal personages in de roman nog verder uit voor zijn theaterbewerking.
Voor een begrijpelijke benadering van zo’n complex en lijvig boekwerk lijkt mij eerder een forse reductie van het aantal personages zinvol en haalbaar.
Musils boek kan makkelijker en beklijvender betreden worden door menselijke interacties tussen een beperkt aantal acteurs die hun relationele spanningen uitvergroten tegen een achtergrond van maatschappelijke fenomenen.
Overspelige lust en incestueus verlangen versus sarcastisch machtsmisbruik en dodende broederstrijd. Wie dit voor toneel wil bewerken, heeft immers ook tekstuele vrijheid, niet alleen visuele.

Het tweede deel van de voorstelling oogt daarentegen verbluffend door het spel van op jaloezieën gefragmenteerde beelden van Da Vinci’s Laatste Avondmaal en Ensors ‘Intrede van Christus in Brussel’. Hier wordt de dynamiek gekaderd in filmisch geprojecteerde beelden van declamerende acteurs die bewegen als iconen uit de Europese schilderkunst.

Goedkoop en compleet naast de kwestie is echter Cassiers’ hedendaagse interpretatie van Musils analyse van de ondergang van de grote Europese multiculti-keizerrijken. Dat wordt er amechtig bij de haren bijgesleept om toeschouwers op te zadelen met de angst voor de EU, het falen van een Europees beleid en de nakende ondergang van het land aan communautaire en nationalistische kwesties.
In zijn eigenste strategie van de angst creëert de regisseur zelfs extra personages om de voorstelling nog wat te ‘actualiseren’.
Een van hen wordt als graaf Von Schattenwalt opgevoerd om als Mussolini look-alike alsnog een retorisch surplus te arrangeren als waarschuwing tegen communautaire spanningen en daarin dreigend fascisme in een goudgerand decor van opgelijste politiechefs.

De manier waarop Cassiers inhoudelijk aan de slag gaat met Musils analyse van de nakende ondergang van de Midden Europese Keizerrijken getuigt van platte demagogie, van armtierig gezwets bij gebrek aan diepgang. Omdat de moeilijke emoties van Musils ‘Man zonder eigenschappen’ niet echt aan bod komen en zeker niet tot het publiek kunnen doordringen – ook niet bij wie het boek wel gespeld heeft – vergrijpt hij zich aan de truuk met de duif. En de duif is zoals steeds dood.

Hoe verdwaasd kan je zijn om een gelijkenis te suggereren tussen de hedendaagse EU en de Midden Europese Keizerrijken?
Hoe weinig moet je willen weten van de Europese geschiedenis NA de twee grootste Europese burgeroorlogen in de XXste eeuw?
Hoe oppervlakkig kan je omgaan met ontwikkelingen die precies uit de ondergang van de door Musil aan de kaak gestelde lemen rijken ontstonden?
Is dit een vorm van pseudo linkse romantiek en sadomasochistische automutilatie?
Is dit een goedkoop hengelen naar herkenning door een strategisch spel van de angst?
Of is dit gewoon luiheid in een oppervlakkige poging om te scoren met een vlugge bewerking van een der meest complexe literaire meesterwerken van de XX ste eeuw?
Musils boek werd in 1999 door de nog levende Duitse schrijvers en recensenten uitgeroepen tot de belangrijkste Duitstalige roman van de XX ste eeuw.

De Europese Unie is precies ontstaan op de puinhopen en de gruwelen van de ondergang die Musil analyseerde.
De EU is vanuit een compleet verschillend uitgangspunt opgebouwd en gebruikt heel andere machtstechnieken dan de oude keizerrijken, in een overigens compleet andere en geglobaliseerde wereld.
Wie daarover vragen heeft kan ze onderzoeken in het politieke meesterwerk van Luuk van Middelaar, ‘De passage naar de EU. Geschiedenis van een begin- Historische uitgeverij

`De tijd beweegt zich zo snel als een rijkameel. Men weet alleen niet waar naartoe. Je kunt doen wat je wilt, het komt er in deze klit van krachten niet op aan,’zover was men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog volgens Robert Musil.
De machtstructuren van de broze lemen rijken konden al decennialang geen gelijke tred meer houden met de economische en politieke ontwikkelingen. Zij dateerden uit een periode die definitief voorbij was. Het geweld van oorlogen en revoluties zou volgens Marx de vroedvrouw zijn van de nieuwe tijd en de nieuwe machtsverhoudingen. Dat blijkt ook zo geweest te zijn, alleen niet zoals Marx en zijn volgelingen hadden gehoopt. De synthese via EGKS, EEG, EU en Euro draaide veel Musilachtiger uit dan zij ooit hadden kunnen denken.

Niet het nationalisme werd de doodgraver van de Europese keizerrijken. De keizerlijke vrede bleek vooral een carcan voor een status quo dat niet meer te handhaven bleek. Onvrede bij een bevolking die economisch vanuit een premoderne, nog middeleeuwse en sociologisch gesloten gemeenschap in een indivdualistisch te bewinnen proletendom werd gecatapulteerd, bouwde steeds meer geweld op tegen de bestaande keizerlijke orde.
Die stemming heerste in Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

‘Daar verderop staat zo’n marxist, verduidelijkte Stumm, die zogezegd beweert dat de economische onderbouw van een mens geheel en al zijn ideologische bovenbouw bepaalt. En een psychoanalyticus spreekt hem tegen; die beweert dat ideologische bovenbouw geheel en al het product is van zijn onderbouw, waar driften de toon aangeven.”
(…)
‘Dat is de psychologie van de massa, Doorluchtigheid! mengde de geleerde generaal zich weer in het gesprek. Voor zover het de massa betreft, begrijp ik dat heel goed. De massa wordt alleen bewogen door driften, en dan natuurlijk door die welke de meest individuen gemeen hebben: dat is logisch! D.w.z., dat is natuurlijk onlogisch: de massa is onlogisch, zij gebruikt logische gedachten juist alleen om er goede sier mee te maken! Waar zij zich werkelijk door laat verleiden is enkel en alleen de suggestie! Als u mij de kranten, de radio, de filmindustrie en misschien nog een paar andere cultuurmedia geeft, neem ik het op mij om binnen een paar jaar – zoals mijn vriend Ulrich dat eens heeft genoemd – de mensen in menseneters te veranderen! Dit is ook waarom de mensheid een sterke hand nodig heeft! Uwe Doorluchtigheid weet dat overigens beter dan ik! Maar dat ook het in sommige gevallen zo hoogstaande individu niet logisch zou zijn, wil er bij mij niet in.’
(…)
Zo hangen de geschiedenis van de waarheid en die van het gevoel op vele manieren met elkaar samen, maar die van het gevoel is daarbij in het donker gebleven.(…)
Grappig bijvoorbeeld dat de religieuze en dus toch zeker ook hartstochtelijke ideeën die de middeleeuwen zich over de mens gevormd hebben, sterk overtuigd waren van zijn gezond verstand en zijn wil, terwijl tegenwoordig veel geleerden, wier hartstocht er hoogstens uit bestaat dat ze teveel roken, het gevoel als de grondslag van alle menselijke zien. (1318)

Archief

David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010

13 juni 2010

David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010

Al is het ‘een geschiedenis’, het is een beklijvende geschiedenis van Congo, van het centrum van Afrika, van 130 jaar wijzigende machtsverhoudingen in de wereld en het leven van mensen, ook in Azië en Europa.

David Van Reybrouck is erin geslaagd een magnum opus te schrijven waar dank zij zijn literaire kwaliteiten geen droge feiten en cijfers, geen eindeloze namen, falen en gruwelen de lezers niet moedeloos achterblijven.

Knap gehanteerde filmische technieken van in- en uitzoomen, van close-ups, kikker- en vogelperspectieven houden de lectuur van 582 bladzijden ‘Congo’ boeiend en verrassend.
David Van Reybrouck is er door zeven jaar titanenwerk in geslaagd om als laatste blanke de laatste levende ooggetuigen van de geschiedenis van de kolonisering en de dekolonisatie te spreken, hun verhalen te noteren, hun herinneringen vast te leggen voor wie na hen komen.

Maar hij doet meer, veel meer.
Hij onderzoekt bijvoorbeeld ook nieuwe fenomenen. Hij zoekt naar nieuwe verklaringen en laat zich niet verblinden of in slaap zeuren door mythische verhalen over leed en leven, over lijden en lot, schuld en boete en zelfverklaarde heroïek.
Zo trekt hij interessante parallellen tussen popmuziek, biermerken en nieuwe religies.
Dank zij succesvolle popsterren bouwden biermerken in Kinshasa een marktoverwicht uit onder leiding van een Nederlandse filosoof als CEO van Heineken.
De machtsstrijd tussen biermerken en mobilofonie-aanbieders analyseert David Van Reybrouck alsof je Machiavelli’s ‘Heerser’ toegepast ziet in Afrika.
Hij onthult praktijken van popgoden die zich letterlijk ontpoppen tot mensenhandelaars en slavendrijvers.

58. Maar het zou al te simpel zijn te stellen dat Stanley hen bevrijdde van de slavernij. Van oudsher werd slavernij in Centraal-Afrika niet in de eerste plaats begrepen als
een beroving van je vrijheid, maar als een ontworteling uit je sociale milieu.
Gruwelijk was het zeker, maar om andere redenen dan doorgaans wordt gedacht. In een samenleving die zozeer getekend was door gemeenschapszin, betekende ‘de autonomie van het individu’ helemaal geen vrijheid, zoals in Europa sinds de renaissance wordt geroepen, maar eenzaamheid en ontreddering. Je bent wie je kent; en als niemand je kent, ben je niets. Slavernij, dat was niet geknecht zijn, maar onthecht zijn, van huis zijn.

David Van Reybrouck weet te argumenteren waarom de situatie in Congo en Midden Afrika niet het gevolg is van premoderne machts- en productieverhoudingen, maar – veel erger – voortvloeit uit een postmoderne chaotische ‘failed state’ situatie.

495. Het etnisch geweld in Ituri was geen atavisme, geen primitieve reflex, maar het logische gevolg van grondschaarste in een oorlogseconomie die de globalisering diende – en in die zin een vooraankondiging van wat een overbevolkte planeet nog te wachten staat. Congo loopt niet achter op de geschiedenis, maar vóór.

499. Mobiele telefonie is voor Afrika wat de boekdrukkunst voor Europa was: een ware revolutie die
de structuur van de samenleving grondig herdefinieert.

521. (Naar aanleiding van de verkiezingen van midden 2006) Congo was een land zonder infrastructuur geworden. Het was onmogelijk om per auto van de ene naar de andere kant van het land te rijden. Zelfs de grote centra waren niet meer met elkaar verbonden. Congo was meer een archipel dan een pays-continent, een archipel waarvan de eilandjes enkel per vliegtuig, helikopter of prauw te bereiken waren. Niemand wist hoeveel mensen er woonden, niemand hield de geboortes bij, niemand had papieren.

180. In de steden ontstond ( in de jaren ’30 ) een nieuwe levensstijl die verschilde van de dorpscultuur, maar ook meer was dan een kopie van de Europese stadscultuur, al was het maar omdat die nieuwe Afrikaanse agglomeraties in niets geleken op hun Europese tegenhangers. Zelfs voor Belgen was de koloniale stad een geheel nieuwe ervaring! Er was meer ruimte en vrijheid, de afstanden waren groter, de lanen breder, de percelen rianter. De steden waren van meet af aan bedacht op het gebruik van de auto. Het had wel iets Amerikaans, vonden vele blanken. Léopoldville met zijn verschillende stadskernen zonder duidelijk centrum leek meer op Los Angeles dan op de middeleeuwse stadjes van België of de negentiende-eeuwse burgermanswijken van Brussel of Antwerpen. De koloniale stad hinkte niet achter het Europese model aan, maar liep erop vooruit. Toen een Belgische journalist zag hoe blanke vrouwen in Congo het vliegtuig namen om in Léopoldville te gaan bevallen, zei hij verrukt dat in de kolonie ‘een nieuwe samenleving, een nieuw België met nieuwe ideeën geboren werd’. Het leek alsof in Congo de jaren vijftig al in de jaren twintig begonnen.

300. (Over de eerste republiek.)
Net als in het theater was ook hier de tragedie van de geschiedenis geen zaak van redelijken versus redelozen, van goeden versus slechten, maar van mensen die samenkwamen en zichzelf stuk voor stuk als goed en redelijk beschouwden. Idealisten stonden tegenover idealisten, maar elk idealisme dat te fanatiek beleden wordt leidt tot verblinding, de verblinding der goeden. De geschiedenis is een afschuwelijk gerecht bereid met de beste ingrediënten

In tegenstelling tot de gebruikelijke zwart-wit analyse van Patrice Lumumba – zwarte duivel of Afrikaanse marxistische martelaar – besluit Van Reybrouck genuanceerd en blijkt de eerste Congolese premier te licht bevonden.

328. (Lumumba gewogen)
Lumumba groeide in een mum van tijd uit tot een martelaar van de dekolonisatie, een held voor alle verdrukten der aarde, een heilige van het goddeloze communisme. Die status had hij eerder te danken aan zijn gruwelijke levenseinde dan aan zijn politieke successen. Hij was alles bij elkaar nog geen tweeënhalve maand aan de macht geweest, van 30 juni De strijd om de troon tot 14 september 1960. Zijn palmares las als een opeenstapeling van blunders en inschattingsfouten. Zijn bruuske afrikanisering van het leger was sympathiek maar desastreus, zijn zoeken naar militaire steun bij de VS en de Sovjet-Unie was begrijpelijk maar vreselijk lichtzinnig, zijn militair optreden in Kasai kostte het leven aan duizenden landgenoten. Bij zijn leven vonden Youlou en Senghor, de eerste presidenten van Congo-Brazzaville en Senegal, zijn optreden al erg problematisch. Daartegenover stond dat hij nauwelijks op zijn taak was voorbereid, af te rekenen kreeg met een onbezonnen civiele exodus en een militaire invasie van de Belgen en moest toezien hoe de VN aarzelde om de Belgische agressie krachtig te veroordelen. Maar met zijn ongelukkige manier van reageren op reëel onrecht kweekte Lumumba stelselmatig meer vijanden dan vrienden. De tragiek van zijn kortstondige politieke loopbaan was dat zijn grootste troef van vóór de onafhankelijkheid – zijn onwaarschijnlijke talent om de massa op te zwepen – zijn grootste nadeel werd toen hij eenmaal als machthebber geacht werd iets serener op te treden. De magneet die eerst aantrok, stootte nu af.

Er was een tijd van missionarissen, Vlaamse kermissen en zilverpapier.
Er was een tijd van solidariteitsacties en hulporganisaties, van gouvernementele en niet-gouvernementele ontwikkelingshulp.
Er is een tijd van ngo’s gekomen die ontwikkelen tot een nieuwe lucratieve hulpverleningsindustrie en zichzelf in stand proberen te houden ten koste van de mensen voor wie de hulp bedoeld zou zijn.

500. De hulp van vele honderden ngo’s was vaak indrukwekkend, maar niet zonder consequenties. Door de endemische corruptie binnen het ambtenarenapparaat gaven veel ngo’s er de voorkeur aan om ook in het land van aankomst ‘niet-gouvernementeel’ te blijven en enkel met lokale partners te werken. Begrijpelijk, maar niet van dien aard dat de vertrouwensband tussen overheid en bevolking werd hersteld. Bovendien creëerde de toestroom van buitenlands geld ook zoiets als ‘hulpverslaving’: Congolezen begonnen te twijfelen aan hun zelfredzaamheid.

‘Congo’ besteedt in het laatste gedeelte ook veel aandacht aan het fenomeen van de talloze kerkgenootschappen die naast de katholieke en protestante kerken mega-successen boeken. Hij vergelijkt hun paktijken met die van de middeleeuwse katholieken in Europa.
Al blijken daar wel tastbare elementen van overeind gebleven in kunsten en wetenschappen.
Wat vermoedelijk niet het geval zal zijn voor de patsers van de nieuwe religies in Afrika.

515.Een beetje man van God kon toch niet in lompen bij zijn hoogste werkgever verschijnen? Gezeten op een bombastische troon riep hij zijn gelovigen wekelijks op om gul te schenken aan zijn kerk. Ostentatief doneren werd een bewijs van devotie en deugd. Kutino liet zich de luxeauto’s en intergalactische gsm-toestellen welgevallen. ‘Ik hou van geld,’ zei hij aan een Franse journalist, ‘het helpt om goed te leven.‘ Stuitend? Ja, maar niet verschillend van de dynamiek die ervoor zorgde dat in het middeleeuwse Europa kathedralen werden gebouwd en kanunniken rondliepen in brokaat en filigraan. Postmaterialisme is een luxe voor rijken. De pauper kijkt op naar de patser.

Indringend is ook de reflectie van de auteur over zijn bezoek aan Laurent Nkunda die als krijgsheer in Noord-Kivu een terreur bewind voerde met kindsoldaten over de talloze vluchtelingenkampen en zich als locale krijgsheer niet bewust blijkt te zijn van het zwaard van Damokles dat boven zijn bloeddoorlopen ogen zweeft.

548. Beduusd van zoveel retoriek voor gevorderden stap ik met Rene en zeven anderen in een krappe jeep. In de koffer zit een kindsoldaat met een kalasjnikov. Het is bijna middernacht. We rijden oostwaarts door de natte, druipende heuvels en hopen geen Mai-mai-patrouille tegen te komen.
Ik ben bang en verward. Ik weet niet dat er op dat moment in New York een VN-rapport wordt klaargestoomd dat de Rwandese inbreng in de CNDP duidelijk aantoont, ik weet niet dat Human Rights Watch een verslag voorbereidt over de gruwelen van Nkunda. Ik ben op het punt aangekomen dat de geschiedenis nog warm is, vers en ongrijpbaar. Ik heb geen overzicht, niemand heeft overzicht.
Ik weet alleen dat ik liever met gewone mensen praat dan met bewindslieden, dat ik meer van anekdotiek leer dan van retoriek. Ik weet alleen dat ik in het vluchtelingenkamp van Mugunga in de plastic hut van Grace Nirahabimana zat, blok 48, nummer 34, ik kon er niet rechtop staan. Grace was een prachtige vrouw van 23 met twee kinderen, Fabrice en David. Haar twee broers van 12 en 16 waren door Nkunda meegenomen, haar twee zussen waren aan diarree gestorven, zij was door drie
militairen verkracht. Ze had alles achtergelaten. Haar zussen waren in het kamp gestorven – te weinig eten, geen toiletten – ze lagen begraven tussen de bananenstruiken. Het was koud toen ik bij haar op bed zat. Een gure wind joeg over het maanlandschap van lava en deed de plastic wand van haar hutje klapperen. ‘Ik voel me echt niet beschermd,’ snikte ze, ‘ik ben heel, heel bang. Bang voor Laurent Nkunda.’

In het slotstuk opent David Van Reybrouck een nieuw boeiend perspectief.
De kering van de Noord-Zuid invloed vanuit Europa naar Centraal-Afrika en vanuit de VS naar Midden-Afrika tot de Sino-Afrikaanse as zal een fundamentele wijziging in de machtsverhoudingen op een geglobaliseerde wereld bol meebrengen.
De auteur heeft die lijnen ontdekt, meer nog hij is Afrikaanse handelaarsters gevolgd tot in het Zuidchinese Guangzhou – Kanton – en terug. Naast de officiële mijnbouw- en infrastructuurcircuits bestaan er intussen gigantische kleinhandelverbindingen tussen Kinshasa en China.
De invloed van deze contacten kunnen ook niet onderschat worden.

574. Veel Congolezen trekken naar het buitenland om de verstikkende familiebanden te ontlopen. In tijden van crisis heeft de veel geroemde Afrikaanse solidariteit iets ontroerends, maar in tijden van wederopbouw zorgt ze voor een infernale logica die langetermijnprojecten onmogelijk maakt: het beetje beschikbare geld raakt onmiddellijk verkruimeld over vele monden. Herinvestering en planning kunnen op weinig waardering rekenen. In China lukt dat beter. Er zijn geen ooms en neefjes die je van hekserij betichten wanneer je weigert om het beetje geld dat je verdiend hebt te verdelen, terwijl in Congo hekserij het ultieme argument is om je tot solidariteit te dwingen.

Het is anderzijds merkwaardig hoe een erudiet, eminent en ervaren auteur-onderzoeker als David Van Reybrouck aan de ene kant een uitermate genuanceerde en precies daardoor briljante en beklijvende geschiedenis van Congo heeft geschreven maar in zijn uitlatingen over België, Vlaanderen, Europa aan een merkwaardige verziendheid lijkt te lijden.
In Congo weegt hij feiten, verhalen, cijfers, herinneringen en eigen ervaringen minutieus om tot een goed overwogen verhaal te komen.
Vanuit Congo lijkt hij blind voor de democratische problemen in Brussel, België en Europa die telkens weer omschreven worden als ‘Vanuit Congo zie ik België als het theepaviljoentje van de wereld waar men aan het keuvelen is met opgeheven pink. Beste mensen, denk ik dan: kom naar hier en durf je handen vuil te maken.’ (Humo, 04052010)
De literaire, archeologische, sociologische, antropologische methodes die hij hanteert in zijn geschiedenis van Congo zijn het meer dan waard om ook op ‘een geschiedenis van Brussel, Vlaanderen, België, Europa en de rest van de wereld’ toe te passen.
Ook dat zal een magnum opus opleveren dat weer zeer de moeite is om te lezen en te herlezen.

Archief

Toon Horsten, Het geluk van de lezer. Hoe boeken je leven kunnen veranderen. Linkeroever uitgevers.

10 juni 2010

Toon Horsten, Het geluk van de lezer. Hoe boeken je leven kunnen veranderen.Linkeroever uitgevers.

Toon Horsten bundelt een selectie van vier jaar columns uit De Standaard der Letteren tot een gelukservaring voor de lezer.
Dat is niet moeilijk want Toon Horsten weet veel, heel veel. Hij leest veel, heel veel.
Maar bovenal heeft hij oog voor de indringende afstand tussen het onderwerp en de schrijver, tussen de lezer en het thema.
Precies die afstand leidt je in zijn verhalen binnen.
Precies die afstand heeft hij nodig gehad om de boekenreus te worden uit Hoogstraten die over Turnhout en de weidse Kempen resideert.
Nog steeds voelen schoolfrikken en rechtgelovigen uit de Kempen zich koud gepakt wanneer iemand opmerkt dat sociologisch de Kempen een schitterende plaats is om geboren te worden en op te groeien.
Want veel van deze jongeren hadden vaak nog slechts één ambitie: wegkomen uit diezelfde Kempen.
Zo leerden ze de wereld te zien, de wereld over de plank die hen voor de kop gehouden werd wanneer ze naar het uniformiseringsproces werden gedreven in een van de vele scholen.

Toon Horsten heeft dat gedaan met boeken. Hij werd een vaardige reiziger in de wereldliteratuur met oog voor wat in de verdrukking leek te raken, voor wat vergeten wordt.
?Het geluk van de lezer? weet te verleiden en te misleiden, en doet dat op een vrolijke badinerende toon, maar biedt een schitterende selectie van leestips die zijn onderwerpen liefdevol larderen.

Liebig vleesbouillon. Je kan het niet eten. Maar er zal nog veel soep van worden getrokken, aldus de Duitse schrijver-criticus Kurt Tucholsky in 1927 over de pas verschenen ‘Ulysses’ van James Joyce. Toon Horsten herkende zijn eigen gevoel bij het gedoodverfde meesterwerk. Mooi mimetisch geluk.

In een moeite door onthult hij hoe Turnhout (n)ooit Bauhaus had kunnen huisvesten, omdat Henry van de Velde solliciteerde voor de directeursfunctie van
de lokale kunstacademie. De vroede vaderen prefereerden een andere kandidaat en de sollicitant vertrok dan maar naar Weimar met alle gevolgen vandien, voor Weimar en het kunstgevoel van de opkomende industriële bourgeoisie uit Duitsland.

Hij zet met een gevoelige draai Nico Rost en Egon Erwin Kisch te kijk met hun reportages uit 1934 over de gezinsverpleging te Geel. Hij vergelijkt hun verslag – Kisch ontdekt dat in Geel de statuslozen geen zinneloze gast te houden hebben en dus ook de daaraan verbonden renumeratie mislopen – met de gelauwerde filmdocumentaire van Arnout Hauben over de gezinsverpleging ‘Geel’.

In zijn stukje over het Waalse dorpje ?Waulsort? – wegens een station een betere buiten voor de bourgeoisie rond de vorige eeuwwisseling – wijst hij op de restauratie van de vele sjieke villa?s en Grand Hotels langsheen de Maas, waar na het vertrek per automobiel van de beter begoeden op zoek naar de wereld plaats geruimd werd voor minder begoede scholieren uit het Rijksonderwijs. Wanneer die uiteindelijk vertrokken wegens korting op de schoolreisjes werd de oude glorie opgeschoond voor de nieuwe burgerij (uit Vlaanderen?). Nog even wachten.

In oude krantenartikelen zocht Ambanelli de woorden op die hij kende en wanneer hij er één gevonden had, was hij tevreden alsof hij een vriend had ontmoet ( Luigi Malerba, ‘De ontdekking van het alfabet’. )

De zoektocht van Toon Horsten in oude boeken, vergeten publicaties, werk van verdwenen schrijvers brengt meer tot leven dan die schrijvers.
Dat is het geluk van de lezer van Horsten.
Kijk!, zegt mijn vriend de boekhandelaar als er weer eentje binnengewandeld komt. Daar heb je weer zo’n zweefteefje. Hij vertelt erbij dat het meestal om vrouwen tussen de 35 en 55 gaat, die op zoek naar Het Hogere en dat denken in de esoterie te vinden. Hoe ijler, hoe beter. ( bekeerd door ‘De Celestijnse Belofte’)

Of hoe boeken je leven kunnen veranderen.

Archief

vrt deredactie.be opinie&blog – OVER DE NOOD AAN GENEES-, HEEL- EN VERLOSKUNDIGEN.

4 juni 2010

OVER DE NOOD AAN GENEES-, HEEL- EN VERLOSKUNDIGEN.
30 / 05 / 2010
‘Mensen zijn vreemd. Zonder erbij stil te staan begaan ze de ergste misdaden, maar daarna kunnen ze niet leven met de herinnering aan wat ze gedaan hebben. Die moeten ze kwijt, en dan komen ze naar mij omdat ze weten dat ik de enige ben die opluchting kan bieden, en vertellen me alles. Ik ben het afvoerputje, Brodeck. Ik ben geen priester, ik ben een menselijk afvoerputje. In dat hoofd van mij kun je al je ettervocht en smerigheid gieten, zodat je je weer verlicht en opgelucht voelt. En daarna gaan ze weg alsof er niets gebeurd is. Ververst. Gereinigd. Klaar om opnieuw te beginnen, in de wetenschap dat het afvoerputje zich weer heeft gesloten boven wat hem is toevertrouwd. Dat hij er nooit over zal praten, met niemand. Zij kunnen rustig slapen, maar ik stroom over, Brodeck, ik stroom over, het is te veel, ik kan niet meer maar ik hou vol, ik probeer vol te houden. Ik zal sterven met alle gruwelijkheden die ze in mij hebben uitgestort.’ (Het verslag van Brodeck, 145)
Philippe Claudel laat in zijn meesterwerk die functie van menselijk afvoerputje toelichten door de dorpspastoor.
Er was nochtans een tijd dat ons werd voorgehouden dat in een moderne geseculariseerde maatschappij de rol van de pastoor vervangen werd door die van de dokter. Maar wij begrepen toen niet hoe een priester kon genezen, helen, laat staan verlossen.
Wij herinnerden ons loden tijden op collegekamers in de geur van sigaren en alcohol waar paters en fraters godgegeven levensenergie zouden koesteren met genotvolle pijn in hun blaas. Het droge plezier van drukkend geloof, zoals bij Taoïstische monniken en in goedkoop drukwerk over de alternatieve kracht van traditionele Chinese geneeskunde. Het zou duren tot de cursussen urologie eer we het mechanisme konden vatten van die retrograde ejaculatie.
Met dat soort ongein liet een dynamische progressieveling zich in die bevrijdende tijden niet in, wegens doordrongen van het solidaire verlangen naar het goede doen om het goede. Of zoals Karl Marx het ons had voorgehouden: ‘De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen.’ ( Elfde Stelling over Feuerbach)

Meer kennis en kunde dan kunst
Wij waren nog jong en de geneeskunde was voor ons nog meer kennis en kunde dan kunst zoals ook de wereld nog maakbaar leek.
Een Cartesiaanse logica werd ons academisch gepresenteerd als motor van wetenschappelijke ontwikkelingen. Als je maar goed genoeg keek zou je zelfs (quantum-)mechanische wetten van de wetenschap kunnen herkennen en begrijpen. Wat let je dan nog te werken aan oplossingen voor menselijk leed en intellectueel lijden in die schemerzones van helverlichte Rede, Waarheid en Vooruitgang van de Mensheid.
Het duurt lang, ontzettend lang, minstens negen jaren lang eer je de taal van het artsenvak kan spellen, eer je de tekens en aanrakingen in de vingers kan krijgen. En dan nog moet je leren kiezen voor genezen door onderwijzen – als dokter – en/of als arts – archi iatros, genezen door heersen.
Geneeskunde studeren eist zoals een opleiding tot priester een hoge graad van inwijdbaarheid.
Je moet er wat voor over hebben om gedurende jaren af te zien van geneugten en verlangens die leeftijdgenoten lang voor jou kunnen beleven, om af te zien van reguliere regelmaat in studie, werk en privé-leven.
Maar later komt de beloning. Je wordt gepromoveerd tot genezer, heler en verlosser. Je zal opgenomen worden in het gild van de Onmisbaren.

Onmisbaar maar niet al te nabij
Misschien daarom ook dat vele artsen als ‘Onmisbaren’ vaak moeilijk afstand kunnen bewaren tegenover hun patiënten, kunnen verzaken aan de illusie van het gewijde goddelijke dat over hen is nedergedaald. Het is immers niet makkelijk als huisarts of psychiater te balanceren in een helende vertrouwensrelatie met een patiënt en toch voldoende afstand te bewaren. Zeker niet wanneer de uitgelopen consultatie zwaar was en de eenzaamheid groot. Helpende helers houden zich ver van het spel van macht en misbruik en kiezen voor collegiale toetsing.
Artsen opteren vaker voor een specialistische opleiding, niet alleen om de centen maar vooral om te kunnen schuilen achter het masker van hun operatiekledij en een indrukwekkend instrumentarium.
‘Larvatus prodeo’ – liever treden we gemaskerd naar voren in onze omgang met de patiënt. Een arts-patiëntrelatie is er een van ontsluiten en afsluiten. Een goede zorgrelatie heeft vooral van doen met de houding die je als zorgverlener aanneemt. Je kan onmogelijk goeie zorg verlenen en tegelijk macht uitoefenen. Macht verderft en corrumpeert, zeker in een vertrouwensrelatie.
Wie zijn of haar dokter niet vertrouwt, kan moeilijk beter worden in zo’n relatie. Wie als zorgverlener zo’n relatie beschaamt, beschadigt de patiënt, ook al wordt die in Nederland tegenwoordig steevast omschreven als cliënt.

Geduld of eisen
Met de vermarkting van de gezondheidszorg hoopten opeenvolgende Nederlandse regeringen op een weldadige Cartesiaanse benadering van ziekte en zorg. Wetenschappelijk wegens becijfer-, begroot-, beknibbel- en dus bespaarbaar. Methodisch wegens herleidbaar tot nauw omschreven handelingen die aan vaardige technici voor een prijsje worden gedelegeerd. De koopmansgeest zou voldoende tuchtigend werken: de beste behandeling tegen de scherpste prijs.
Intussen is het hek van de dam: de kosten voor de zorg swingen onhoudbaar de pan uit wegens martkwerking gevoelig voor minder becijferbare gegevens zoals methodisch verlangen naar winstmaximalisatie door ziekenhuizen, artsenassociaties, thuiszorgconglomeraten, pr- en managementboeren.
De zogenaamde cliënten beginnen intussen stilaan ontnuchterd te snappen dat ze door eisend ‘te’ claimen minder ‘te’-vredenheid scoren dan als patiënt in een vertrouwensrelatie.
‘Verpleegkundig specialisten, praktijondersteuners en nurse practitioners’ worden in Nederland in hoog tempo klaargestoomd om het monopolie van de medische stand – uiteraard ook financieel – te beknibbelen.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg concludeerde in 2007 nog dat verschuiving van taken van artsen naar niet-artsen een positieve bijdrage leverde aan veilige, effectieve, patiëntgerichte en toegankelijke zorg.
Recent blijkt deze taakherschikking echter te leiden tot meer specialisatie en verdere versnippering van de zorg: verpleegkundigen die medicijnen voorschrijven, anesthesiehelpers die medicatie inspuiten, diabetesverpleegkundigen die volgens protocollen suikerzieken volgen, wondverplegers die dermatologen vervangen, sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen die psychiaters substitueren… Niemand heeft nog oog voor en zicht op het geheel van de lijdende mens.

Zorgsubstitutie naar wildgroei
Deze doorgedreven zorgsubstitutie naar goedkopere paramedici heeft een wildgroei van dure case- en zorgmanagers tot gevolg gehad in plaats van lagere kosten en minder tijdsbelasting voor artsen – die nu vooral meer moeten controleren en managen.
De nood aan zorgzame en ervaren verpleegkundigen is intussen gestegen waardoor nog minder ‘handen aan het bed’ en dus slechtere basiszorg voor patiënten. Chronische zieken worden vaker begeleid door verpleegkundigen zonder voldoende medische kennis om verbanden te leggen tussen klachten, andere mogelijke ziektes en medicijnen die ingenomen worden. Medicijnen voorschrijven wordt binnenkort in dezelfde besparingsdrang wettelijk overgelaten aan verpleegkundigen.
Naast de juridische problemen bij dit soort substitutie dreigt schrijnende ellende wanneer verpleegkundigen opgezadeld worden met verantwoordelijkheden waarvoor ze niet eens opgeleid werden.
Erger nog, in dit substituerend en delegerend versnipperen verdwijnt het contact tussen arts en patiënt. Behandelrelaties verliezen de klinische blik en de noodzakelijke ervaring.

Schoonheid van scherven
Na jaren ‘geneeskunde’ kan je werk ‘geneeskunst’ worden: met door nascholing onderhouden kennis van de evoluties in het vak en cumulerende praktijkervaring kan je in een vertrouwensrelatie proberen te luisteren als afvoerputje voor soms nauwelijks te benoemen menselijke angst en lijden. Alle illusies van genezen door de nieuwste medicijnen, van helen door macht, verlossen door kracht moet je laten varen om een bondgenootschap te kunnen sluiten met patiënten. Zij proberen jou te vertrouwen als de bewaarder van de verhalen van wie niet meer zoeken naar een stem. Hen rest vaak alleen nog de schoonheid van de scherven, die onvolmaakte spiegeling.
In de succesvolle, interessante Amerikaanse tv-serie ‘The Sopranos’ wordt die rol behoedzaam waargenomen door de psychiater van maffiabaas Tony Soprano, Dr. Jennifer Melfi.
Zij voelt zich door haar patiënt in de rol gemaneuvreerd van een raadgever zoals Niccolò Machiavelli destijds voor zichzelf had voorzien in zijn relatie met Florentijnse heersers. In de tv-serie weet zij zeven lange jaren wankel te balanceren tussen de rol van ‘Onmisbare’ en ‘Ingewijde’.
Salman Rushdie omschreef deze schone kunst van genezen, helen en verlossen in zijn roman ‘Schaamte’:
’Om in het leven te Slagen, zei hij tegen de jongen, dient men tot de Onmisbaren te behoren. En wie is er het onmisbaarst?
Welnu, degene die het Onmisbare verschaft, natuurlijk!
Ik bedoel bijvoorbeeld Goede Raad, Diagnoses en uitsluitend op recept verkrijgbare medicijnen. Word Dokter, dat is wat ik in jou gezien heb.
Aldus sprak Schoolmeester Eduardo Rodrigues tot Omar Khayyam Shakil.
Want wat is een dokter per slot van rekening? Een bevoegd gluurder, een vreemde wie we toestaan met zijn vingers en zelfs met zijn hele hand te tasten en te porren, waar we de meeste anderen nog geen vingertop zouden laten steken, en die kijkt naar wat we juist angstvallig proberen verborgen te houden; iemand die aan onze sponde zit, een buitenstaander die we toelaten bij onze intiemste momenten (geboorte, dood, enz…) anoniem en als speler van een bijrol, maar paradoxaal genoeg toch ook een centrale figuur, vooral in kritieke situaties.’
(50)

Zeker in een moderne, geseculariseerde samenleving waar menselijke eenzaamheid als een loden deken zwijgend tot ziekte dwingt, is er nood aan integere artsen-priesters. In het spiegelen van emotie- en taalarme patiënten gaat verlossende medemenselijkheid boven heersende offervaardigheid. Hoe minder cohesie onder mensen, hoe groter de nood aan behoedzaam helende sjamanen – zij die ‘weten’, de ‘onmisbaren’ die nog proberen een holistisch mensbeeld te lijmen in een gebarsten spiegel.
Wie ooit de geneeskunst wil beoefenen, leze daarom veel en volhardend mooie romans waarover de Turkse Nobelprijswinnaar Literatuur 2006, Orhan Pamuk ooit schreef: ‘Ik kan me geen Europa indenken zonder romans. Dan spreek ik over de roman als manier van denken, doorgronden en verbeelden, en ook als manier om zich in iemand anders te verplaatsen.’

Of zoals de Tsjechische schrijver van ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, Milan Kundera, sprak over ‘het fascinerende denkbeeldige koninkrijk waarin niemand de waarheid in bezit heeft en ieder het recht heeft begrepen te worden… de wijsheid van de roman’.
Goede literatuur helpt zorgverlener en therapeut de wereld en het leven van mensen anders te bekijken, beter te begrijpen en de helende blik te verruimen. Ze maken de schoonheid van de scherven, die onvolmaakte spiegeling, lichter te dragen. Ze helpen ook een veilige afstand te houden en het geheim te bewaren.

Archief

Margriet de Moor, De schilder en het meisje. De Bezige Bij 2010.

30 mei 2010

Margriet de Moor, De schilder en het meisje. De Bezige Bij 2010.

Een boeiend historisch gegeven – de wurging van Elsje Christiaens in mei 1664 wegens verdenking van moord op haar huisbazin en de tekening van Rembrandt van haar opgehangen lijk voor de kraaien en de raven – wordt door Margriet de Moor tot een fijne roman verwerkt. Ze slaagt er meesterlijk in om de lezer te verleiden en in haar verhaal te zuigen met beelden en klanken.
Al zou een i pad versie hier meteen beeld en klank kunnen bijleveren, want die elementen zijn erg belangrijk in ‘ De schilder en het meisje’.

Daarom stoort het mij ook zozeer wanneer ze anachronismen gebruikt die voor mij de verleiding van haar verhaal verstoren. Al zal de auteur ongetwijfeld haar redenen hebben om het thema uit te breiden tot het leven van vandaag in Amsterdam, ze dwingen me achterover te leunen om verbijsterd te bekomen: een ijslandschap is als dat van Caspar David Friedrich, boomstammen die in het ijs vastgekruid werden als antitankversperringen, beulen als voetballers, minuten als tijdmaat, doorzonwoningen en Shell gebouwen op het galgenveld.

166. Plezierig doorbordurend bedenkt hij dat zij, de schilders tenslotte niet bezig de tijdsduur een vorm op te leggen, zoals de dichters dat doen, maar juist omgekeerd de vorm van tijdsduur voorzien, de blik.

221. Het blijft een verbazingwekkend fenomeen dat een mens, als enige onder de dieren, zich in het zicht van en aangekondigde dood zo braaf in het voorgeschreven protocol voegt. Geen schaap, geen lam zou dat doen. Het meisje stond nu voluit te krijsen, klauwen uitgestoken.

Deze vat ik niet alsof zwijnen geen bord voor hun kop krijgen om naar het slachthuis gedreven te worden?

http://www.vn.nl/De-Republiek-der-Letteren/Artikel-Literatuur/De-schilder-en-het-meisje-Margriet-de-Moor.htm

http://www.nrcboeken.nl/recensie/een-dode-geschilderd-naar-het-leven

Archief

Ruhr 2010

30 mei 2010

Hagen
Het Karl Ernst Osthausmuseum in Hagen heeft in het kader van Ruhr 2010 – Istanbul 2010 nog tot 25 juli een schitterende tentoonstelling met de Istanbul – Sammlung Huma Kabakci.
Mooier bijna en gevarieerder nog dan het Istanbul Museum of Modern Art . ?
De ongelooflijke fotoselectie over Istanbul van Ara Güler is meer dan een bezoek waard.
De eigen collectie bevat mooi werk wat ten dele onder invloed van architect Henri Van de Velde, die voor Karl Ernst Osthaus villa Hohenhof bouwde, werd verzameld.
Na diens dood verhuisde de grootste delen naar het Folkwangmuseum te Essen.

Essen

De tijdelijke tentoonstelling – Het mooiste museum ter wereld - in het nieuwe en uitgebreide Folkwang museum te Essen is zeer de moeite waard. Geprobeerd werd het grootste deel van de oude collectie voor de verwijdering door de nazi’s van de volgens hen ontaarde kunstuitingen te reconstrueren.
Er hangen schitterende werken uit de hele wereld weer samengebracht. De toeloop is enorm waardoor de ruimtes wat klein bemeten lijken voor zoveel toelichting.
Het nieuwe museum gebouw is een prachtige uitbreiding van het naoorlogse.
Maar zoals bij veel van die prachtige nieuwe musea in kleinere steden zonder veel artistiek verleden blijkt wat nog rest of wat reeds werd verzameld aan eigen collectie te beperkt om de prachtige zalen te vullen. Het lijnenspel en de magnifieke binnentuinen lijken een ode aan Van de Veldes oude Kröller Müller in de Hoge Veluwe, maar verbergen vooral veel leegte in het oude gedeelte.
Zeche Zollverein XII heeft als mooiste en indrukwekkendste mijngebouw in futuristische nazi architectuur ooit een moeizame fototentoonstelling Das Große Spiel – Archäologie und Politik zur Zeit des Kolonialismus.
Verbijsterend is het schrijnende gebrek aan fatsoenlijke horeca op het enorme oude mijn- en cokesfabriekterrein – behoudens in het Casino restaurant.

Bochum

De Jugendstil machinegebouwen van de Zeche Zollern II/IV te Bochum zijn gesloten wegens dringende en grondige restauratiewerken. De gebruikelijke tentoonstelling over hoe goed het allemaal was in de hoogtij van de Duitse mijnbouw in de Ruhr is meer dan de moeite, maar wordt nu gelukkig fors onderuitgehaald door de tijdelijke tentoonstelling
Helden im Zeichen von Schlägel und Eisen – Denkmale für verunglückte und gefallene Bergleute im Ruhrgebiet nog tot 22 augustus 2010.

Fietswegen

En dan is in dit oude Duitse industriegebied zoveel werk gemaakt van leefbaar groen, ruimen van vervuilde industriezones, restauratie van prachtige (industriële) archeologische sites en het aanleggen van prima fietspaden dat het gekoppeld aan een prima openbaar vervoer een ideale fietstocht opleveren kan.

Archief

vrt de redactie.be Opinie&Blog – Van god los – Litanie van de Hubris – Gidsland of Gistland – Verlangen is de essentie van de mens – De nieuwe man die het lonken niet laten kan

20 mei 2010

Van god los
Litanie van de Hubris
Gidsland of Gistland
Verlangen is de essentie van de mens
De nieuwe man die het lonken niet laten kan

vrt de redactie.be Opinie&Blog

Archief

J.M. Coetzee, Zomertijd – uitg. Cossee 2009

18 mei 2010

J.M. Coetzee, Zomertijd – uitg. Cossee 2009

In ‘Zomertijd’ schrijft J.M. Coetzee een biografie over zichzelf door gefingeerde interviews met derden, met familie, vrienden en minnaressen.
Geen van de geïnterviewden geeft hoog op over Coetzee midden jaren zeventig in en om Kaapstad: ‘Eenzelvig. Sociaal onbeholpen. Geremd. Iets verwaarloosds, iets mislukts’.

In die periode woonde hij na een onduidelijk verblijf in Engeland en de VS samen met zijn oude vader in een krot aan de rand van de bewoonde wereld waar hij met eigen handen verbeteringswerken uit probeert te voeren, omdat hij niet wou dat blanken zich te goed zouden voelen voor handenarbeid.
Een van de minnaressen, Julia, werd later psychotherapeute en vertelde de interviewer: ‘Nee, natuurlijk hield John niet van zijn vader, hij hield van niemand, hij was niet voor de liefde gemaakt. Maar hij voelde zich schuldig en daarom deed hij zijn plicht. In bed was hij niet goed, niet teder, ‘autististisch’ eigenlijk. (…) Hij had besloten wrede en gewelddadige impulsen uit elke arena van zijn leven – inclusief zijn liefdesleven, zou ik zeggen – te weren en ze in zijn schrijven te kanaliseren, dat als gevolg daarvan een soort oneindige oefening in catharsis zou worden.’

Coetzee put voor Zomertijd uit een geraffineerde trukendoos.
Hij is bij publieke aangelegenheden steeds zwijgzaam. Zo heeft hij op de hele viering van zijn zeventigste verjaardag in de Amsterdamse Balie waar hij ook Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw werd, geen woord gesproken.
Ook in zijn relaties onthult hij zichzelf door de mond van diezelfde Julia als een alles behalve passionele minnaar.
Op een bepaald moment eiste hij van haar de ze met hem zou vrijen op het tempo van Schuberts strijkkwintet: ‘ Schubert was de componist, en Coetzee de uitvoerder. De man die zijn maîtresse voor een viool aanzag’.
Coetzees boeken pleiten overtuigend voor een trager leven, waar de hype van het moment of de weetjes van vandaag en morgen hoogstens achtergrondruis vormen voor een symfonie die hijzelf in zijn hoofd componeert en die zijn aandachtige lezers tot navolging nodigt.
Je voelt in zijn werk van om en nabij de recente verhuis van Zuid-Afrika naar Australië dat er nog heel veel meer uit te leggen valt, maar dat hij daar nog omheen hinkt en hikt als om een hete brei.
Niet zozeer in ‘Uitgesproken meningen’ als in de vele ‘onuitgesproken meningen’.
Dit laat natuurlijk ruimte voor de fantasie van de aandachtige lezer, maar in Australië moet een auteur van zijn formaat toch met een nieuw dagboek voor de pinnen kunnen komen over ‘een schitterend ongeluk’ want ‘Mensen gaan (immers) wel dood aan onverschilligheid tegenover de toekomst’ zoals hij in de ‘Langzame man’ verklaart.

Met dit boek lijkt hij wel meer op zoek naar de politieke situatie in Zuid-Afrika onder het apartheid-regime. En naar zijn houding in die tijd.
Ik mis de dreiging en de spanning in Zomertijd die hij elders zo knap opbouwt.
En hoewel Coetzee hier wellicht zeer ver gaat in autobiografische overpeinzingen die hij in de mond legt van de geïnterviewden, mis ik de kracht van zijn literair spel.
Zijn zoektocht is nog lang niet voltooid.

240. Studenten hebben naar mijn mening al snel in de gaten of wat je doceert van belang voor je is. Is dat het geval, dan zijn ze bereid te overwegen er zelf ook belang in te stellen. Maar als ze al dan niet terecht concluderen dat dat niet het geval is, dan valt het doek en kun je net zo goed naar huis gaan.

257.Nee, niet apolitiek, ik zou eerder zeggen antipolitiek. Hij vond dat politiek het slechtste in mensen naar boven bracht. Het bracht het slechtste in mensen naar boven en bracht ook de slechtste types uit de samenleving naar de oppervlakte. Hij had er liever niets mee te maken.

261. Als Afrikanen ‘zij’ waren, wie waren dan ‘wij’? De Afrikaners?
Nee. ‘Wij’ waren in de eerste plaats de kleurlingen. Het is een term die ik slechts aarzelend gebruik, bij wijze van samenvatting. Hij – Coetzee – vermeed hem zoveel mogelijk. Ik noemde zijn utopisme. Dit vermijden was een ander aspect van zijn utopisme. Hij verlangde naar de dag dat iedereen in Zuid-Afrika zichzelf niets zou noemen. Afrikaans noch Europees noch blank noch zwart wat dan ook, dat familiegeschiedenissen zo met elkaar verstrengeld en vermengd zouden raken dat mensen etnisch niet meer van elkaar te onderscheiden zouden zijn, dat wil zeggen – ik gebruik het besmette woord opnieuw – kleurlingen. Dat noemde hij de Braziliaanse toekomst. Hij was natuurlijk nooit in Brazilië geweest.

267. Dus we hebben het geval van een man die de taal alleen maar gebrekkig sprak, die buiten de staatsreligie stond, wiens visie kosmopolitisch was, die politiek gezien – hoe zullen we het noemen? – een dissident was, maar die desondanks bereid was de identiteit van Afrikaner te aanvaarden. Waarom denkt u dat dat zo was?
Mijn mening is dat hij met de blik van de geschiedenis op zich gericht het gevoel had dat hij zich niet van de Afrikaners kon losmaken en tegelijkertijd zijn zelfrespect bewaren, ook al hield dat een associatie in met alles waarvoor de Afrikaners verantwoordelijk waren, politiek gezien.

272.Om terug te komen op zij geschriften: wat is objectief gesproken, als criteria, uw mening over zijn boeken?
Ik heb ze niet allemaal gelezen. Na In Ongenade verloor ik mijn belangstelling. Over het algemeen zou ik zeggen dat zijn werk ambitie mist. De controle over de elementen is te strak. Nergens krijg je het gevoel van een schrijver die zijn medium vervormt om te zeggen wat nooit eerder is gezegd, wat voor mij het kenmerk is van grote literatuur. Te koel, te keurig, zou ik zeggen. Te gemakkelijk. Een te groot gebrek aan passie. Dat is alles.

276. Clubrugby loopt op zijn laatste benen. Dat voel je vandaag niet alleen op de tribunes maar ook op het veld zelf. Gedeprimeerd door de galmende ruimte van eht lege station lijken de spelers alleen nog maar de schijn op te houden. Een ritueel sterft voor hun ogen uit, een authentiek ritueel van de Zuid-Afrikaanse kleinburgerij. De laatste getrouwen zijn hier vandaag bijeen: treurige oude mannen zoals zijn vader; slome, plichtsgetrouwe zoons zoals hijzelf.

Archief

Bart Brinckman, Isabel Albers, Steven Samyn, Wouter Verschelden: “De zestien is voor u”, Hoe België wegzakte in een regimecrisis. Het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit. Uitg. Lannoo 2008.

14 mei 2010

Bart Brinckman, Isabel Albers, Steven Samyn, Wouter Verschelden: “De zestien is voor u”, Hoe België wegzakte in een regimecrisis. Het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit. Uitg. Lannoo 2008.

Zelden herlees ik boeken, wegens gebrek aan tijd, wegens uitstellen tot later wanneer misschien ooit de druk van de jacht en het leven getemperd zal zijn, wegens angst voor tegenvallende zinnen die zelfgeweven herinneringen aan flarden haken.
Maar in de huidige regimecrisis is het boek herlezen van de toenmalige De Standaard journalisten ‘De zestien is voor u’, een opwekkende verademing.
Alle fratsen en iedere wanhoop, het wetten van messen, het knarsend draaien van het lemmet in de rug van de politieke vrienden, de manoeuvres met de aartsvijanden en de schijngevechten met de vijanden, je kan ze heerlijk savoureren in dit journalistiek hoogstandje.

Er zijn hier en daar immers nog enkele journalisten die meer in hun mars hebben dan politici nabouwen of geruchten fluisteren.

Vooral nu is de lectuur van dit boek zinvol om de kunstgrepen te vatten die in de aanloop tot de verkiezingen en na 13 juni aan bod komen.

Politiek bedrijven in België behoort tot de hogere kunsten. Het is slechts weinigen gegeven, maar de manoeuvres in de coulissen blijven beter daar gespeeld dan op het publieke theater. Oog en oor verlangen ook wel eens naar een illusie van schoonheid, zelfs als ze geschonden is.

- Het allereerste boek over de langste regeringsvorming in onze naoorlogse geschiedenis: van Verhofstadt-II over bijna-Leterme-I naar Verhofstadt-III
- De spannende reconstructie door de Wetstraatredactie van de krant De Standaard, gebaseerd op reportages in de krant, maar uitgewerkt tot een boek vol achtergrondinformatie
- Dit boek brengt het verhaal van de langste formatie uit de naoorlogse Belgische geschiedenis. Het laat zien hoe een diepgeworteld wantrouwen en politiek onvermogen het land meesleuren in een van de moeilijkste periodes die het ooit heeft gekend.
- Onmisbaar voor wie met kennis van zaken wil meepraten over het jaar waarin politiek België van aanzien veranderde.  

Archief

Jan Vanriet, Closing Time – KMSK Antwerpen nog tot 3 oktober 2010

9 mei 2010

Jan Vanriet, Closing Time – KMSK Antwerpen nog tot 3 oktober 2010

Closing Time is de laatste tentoonstelling voor de sluiting van het KNSKA wegens belangrijke renovatiewerken.
Kunstenaar Jan Vanriet (1948) kreeg carte blanche om een groots parcours uit te zetten in de zalen oude en moderne meesters.
Door de veranderde opstelling en het samenspel met Vanriets oeuvre bekijk je de kunstwerken vanuit een onbevangen invalshoek.

Met ‘Closing time’ leveren curator Leen de Jong en Jan Vanriet een onthullende kijk op het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, het gebouw, de wanden, de collectie en de geest van Brabant in Vlaanderen.
Hun keuze helpt de bezoeker de noodzaak te begrijpen van een grondige renovatie, verlangen te ontwikkelen naar een vernieuwing, genoegen te beleven bij verruiming.
Hun selectie helpt de collectie van het KMSKA te herkennen als groots en meeslepend.
Ze helpt Jan Vanriet herkennen als ‘iene van ons, iene van hier!’ (dixit wijlen Tuur Van Wallendael tijdens zijn sp-verkiezingscampagne in de Antwerpse Seefhoek), een kunstenaar die zich willens nillens plaatst in de eeuwenoude traditie van behoedzame ruimdenkendheid en tolerantie die Vlaanderen eigen was, is en blijven zal.
Ondanks sadomasochistische trekjes bij zelfverklaarde progressieve ideologen.
Geen regio ter wereld, geen land in Europa heeft zo’n diepgewortelde gastvrijheid voor andersdenkenden, andere culturen, andere heersers ontwikkeld als deze regio die om de haverklap vreemde heersers en vreemde troepen diende te tolereren. Op voorwaarde dat deze bezoekers zich fatsoenlijk, respectvol en hardwerkend opstellen.

De KMSKA kunstverzameling uit de voorbije eeuwen is daarvan een pedagogische en tegelijk prachtige illustratie.
Jan Vanriet stelt zich met zijn kunst in die bevragende, ironische soms ook vranke cynische traditie die falende machthebbers en al dan niet marxistische maakbaarheidsideologieën voor schut weet te zetten.

De zaalindeling volgens een verhelderend stramien is bekoorlijk. Eindelijk heb ik zo de gelijkenis begrepen tussen lippen en tepels bij Modigliani, tussen Ensors Maskers en het sarcasme van de macht bij Vanriets Signaal uit 2008.
Zijn paarse gladiolen zijn indrukwekkend, ook naast de Seringen van Brusselmans.
Net als zijn Aurora en de rug aan rug van de Oude marxist met Ruzie in de galerij van Fred Bervoets.
Woeste dromen vol verbijsterend wantrouwen, leugens in grijs en kleur.

Grappig zijn ook de commentaren van bezoekers die voor de verandering het kunstleven zo heel erg graag laten beginnen bij de oude meesters, die Vanriet ook hoogmoed verwijten omdat hij de pretentie heeft hun werk te selecteren en confronteren met het zijne.
Dergelijke zuivere waanbeelden worden prachtig gepareerd door de werken van expressionisten, Ensor, Permeke.

Ironische commentaren op wie voor hen kwam is immers de basis van de historische bevraging door iedere generatie kunstenaars.
Wanneer dit niet altijd even goed geslaagd zou zijn, houdt het vaak verband met de intellectuele kwaliteiten van de artiest in kwestie.
En daaraan heeft het Jan Vanriet nooit ontbroken.
Daarom is zijn immens oeuvre die commentaren reeds lang overstegen.

Archief

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb – uitg. De Bezige Bij – Tot ziens meneer Friant – uitg. Vrijdag

6 mei 2010

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb. De Bezige Bij – Tot ziens meneer Friant – uitg. Vrijdag,

‘Maar is licht altijd te verkiezen boven duisternis?’

(161)

Philippe Claudel biedt de lezer met ‘Alles waar ik spijt van heb’ een helende denkoefening ‘voor iedereen die we pijn doen’. De manier waarop hij in dit boek uit 1999 dat nu pas werd vertaald, teruggaat naar de liefde en de onwetendheid van een prille jeugd in onschuld lijkt op een bezoek aan zijn geboortedorp waar de schrijver nog steeds woont: Dombasle-sur-Meurthe, niet ver van Nancy in Lotharingen.
Het heeft iets van de prille Sandor Marai en het is voor mij een herinnering uit 1983 toen ik van Athene naar Antwerpen fietste en langs het kanaal voor de Solvay fabrieken naar Nancy peddelde. Na 2500 kilometer in je eentje op de fiets door de nakende herfstkou van eind september blijft de Elzas, Lotharingen en de Ardennen op een beklemmende manier in je geheugen waar het lezen van Philippe Claudel die passage steeds weer onthult.

Thema’s als de absorberende pastoor – vergelijkbaar met die in Carlo Levi’s ‘Christus kwam nooit verder dan Eboli’ – de gevolgen van verblindende zekerheid en verhullende waarheden zijn ook hier reeds aanwezig, wat hij later in het ‘ Verslag van Brodeck’ meesterlijk ontwikkelt.

‘En wie betaalt het gelag? De priester, die als een spons wordt gedwongen het leed op te zuigen dat door iedereen wordt afgescheiden, het verdriet, de wanhoop, het onbegrip en het gehuil; en hij moet ermee verder leven, iedere avond, nacht na nacht…Af en toe, als ik aan het eind van de middag na een lange dag naar huis ga, voel ik me loodzwaar. De mensen hebben me tot m’n oren volgegoten met leed en verdriet. Zij zijn geledigd, opgeruimd vertrekken ze en ik trek mijn habijt aan – daar ben ik voor!’ (131)
‘Als schelpdieren zich onder water verwonden, dan maken ze prachtige parels om de wond heen, om die te helen en de pijn te verzachten, vlammende parels, ware schatten die een herinnering in zich dragen, de herinnering aan een wond… Als wij mensen ons pijn doen, of iemand anders pijn doen, dan zijn onze parels de dingen waar we spijt van hebben, wij fabriceren schitterende spijt, en in de loop van je leven worden alle dingen waar je spijt van hebt, of je nu prins, schoenmaker of senator bent, opgeschreven in een groot boek, een geweldig mooi boek met heel veel goud en verluchtingen. Het boek der schulden heet het, ze worden erin opgeschreven en opgeteld, en iedere keer als er iets bij wordt geschreven waar je spijt van hebt, dan ga je huilen en voel je zelf medelijden, maar het geeft je ook de kracht om door te gaan tot een volgende keer, en zo verloopt het leven. (….) Je gaat dood omdat je nergens meer spijt van kunt hebben…’ (173)

‘Tot ziens meneer Friant’ is een zoektocht naar de jeugd van zijn voorouders in en om Nancy door de ogen van een bourgeois schilder Emile Friant (1863-1932). Aan de hand van een reeks schilderijen construeert Philippe Claudel een eigen geschiedenis van het vergeten, van gewilde leugens, vergeten bedrog, verlaten liefdes, genoten pijn waarover hij zijn subtiele zinnen weeft. Hij zoekt bij Friant naar de cesuur in zijn werk. Wanneer en waar verliest hij zijn eigen wereld in Lotharingen voor het society succes in Parijs: ‘Gestorven, heengegaan, begraven, gefusilleerd onder de eerbetuigingen (…), genekt door een overdaad aan tierelantijntjes’.
Philippe Claudel wijt de malaise in de Franse literatuur vaak aan het intense lik- en trapwerk van de Parijse beau monde waar Franse (en andere) kunstenaars zich al te graag laten fêteren tot godgelijke passieloze mummies waarna hun werk zelfs niet meer de klank van castraten weet te evenaren. Vandaag komt voor hem de kracht van de Franse kunst uit de periferie en hoedt ze zich voor het verblindende lichtspel in de hoofdstad.

Archief

Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen. Querido 2009

1 mei 2010

Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen. Querido 2009

’U komt bonen kopen? Bij mij? U kunt toch in elke winkel bonen krijgen? Maar komt u vooral binnen. U bent toch niet bang voor honden? Ze hoeven alleen maar even aan u te ruiken. Als iemand voor het eerst komt, moeten ze gewoon even aan hem ruiken. Dat zou ik niet weten. Dat hebben ze niet van mij. Dat doen ze uit zichzelf. Een hond is even ondoorgrondelijk als een mens.

En zo gaat het bijna 400 pagina’s door in een lange monoloog: een traktaat over het doppen van bonen, het onthullen van herinneringen, het pellen van de rokken van uien.
De beheerder van een terrein met vakantiehuisjes dopt met zijn bezoeker de gevraagde bonen en vertelt hem het verhaal van zijn leven. Als kind op het Poolse platteland tot de tweede wereldoorlog gruwelijk over het land rolde, zijn tijd bij de partizanen en de industrialisatie en verstedelijking van Polen onder Gomulka en de Moskoubroeders. Hij werd elektricien en bekabelde het Poolse platteland met het oog op de vooruitgang onder het socialisme en slaagde finaal om als saxofonist West-Europa te bereizen. Op zijn oude dag draagt hij op de plek waar vroeger zijn dorp stond tussen de vakantiehuisjes zorg voor de geschilderde namen op de houten kruisjes van wie niet meer zoekt naar een stem. Hij heeft ze allemaal nog gekend als kind.Gestaag wordt peul na peul het geheugen van de terreinbeheerder gedopt en komt een verhalenassociatie op gang die zijn verstomming bij het uitmoorden van zijn familie overstijgt.

‘Pas na de oorlog bleek wat die oorlog was geweest, wat een enorme nederlaag niet alleen van de mens, maar ook van God. Je zou verwachten dat de mens zich niet meer zou oprichten, dat hij zijn maat had overschreden.’

Ook over de politieke terreur na de oorlog gaat over de tong bij het doppen wanneer in een mannenpissijn de zeiker zijn geslacht toespreekt:

‘Socialisme, kapitalisme, allemaal geen cent waard. Jij bent een grootmacht. Op jou rust de wereld. Hoewel, wie ben jij in feite? Je zit daar maar in die broek van mij. Een knusse, stille plek. Een toevluchtsoord. Zo nu en dan zou een mens zich daar willen terugtrekken, als hij dat kon

De van het platteland afkomstige Wieslaw Mysliwski (1932) heeft in zijn leven heel wat bonen gedopt. Bonen doppen was op het Poolse platteland een sociale activiteit om wintervoorraden aan te leggen en mekaar af te tasten in de familie en vaak het hele dorp. Eenieder diende wel zijn eigen bonen te doppen, maar het werd een verbale kunst van ontmoeten en aftasten terwijl iedereen met de duim de schaamlippen spreidde om de oogst te verzamelen.
Tuinbonen en peulvruchten waren tot aan de cultuur van de aardappel en lang nog daarna de basisvoeding in West-Europa: de biefstuk van de armen wegens eiwit, vitaminen en koolhydraten te over.

Tijdens de eindeloze monoloog in eenvoudige zinnen van een sobere taal die getrouw gesprekken lijkt te volgen die ooit in het verdwenen dorp werden gevoerd, wordt de lezer tot levende luisteraar die de terreinbeheerder tot slot toevertrouwt aan zijn honden:

Ik laat de honden bij u achter. Weest u niet bang van ze. Blijft u maar bonen doppen.’

46. ‘Ziet u dan niet dat het hier nog drukker is geworden dan in al die flats? In een flat, al heeft die tien of meer verdiepingen, hoef ik tenminste niemand te kennen. Goedemorgen, goedendag, en dat is het. En niet eens tegen iedereen, niet tegen die onder mij of boven mij. En ook met die van hoger of lager hoef ik niets. Het komt voor dat een mens een week lang zijn buurman niet ziet. En ga je op andere tijdstippen de deur uit en kom je op andere tijdstippen thuis, dan hoef je hem helemaal niet tegen te komen, niet eerder dan wanneer hij als lijk naar buiten wordt gedragen. En hier, of je dat nu wilt of niet, moet je wel. Je bent nog maar nauwelijks gearriveerd of ze kruipen al als mieren over je heen. En ze jeuken, ze steken, ze bijten. Een week verlof en ik weet niet meer of ik het ben of dat ik het niet ben. Want zegt u nu zelf, hoeveel mensen kan een mens hebben om nog te voelen dat hij zichzelf is?

108. Blijkbaar hangt lachen niet af van wat je ziet, van wat je hoort. Lachen is het vermogen van de mens om tegen de wereld, tegen zichzelf in verzet te komen. Hem dat vermogen ontnemen betekent hem weerloos maken. En zo was ik toen. Ik kon gewoon niet lachen. En ik vond het zelfs maar vreemd dat je sowieso om iets kon lachen. De meesten van ons die op die school zaten waren zo. Hoewel natuurlijk niet iedereen. Sommigen lachten zelfs als ze opgesloten werden. 
Lees verder »

Archief

Peter De Graeve: België is geen consensusdemocratie maar een opiumdemocratie.

30 april 2010

De Stadaard Opinie 28042010

Opiumdemocratie
BELGIË IS GEEN CONSENSUSDEMOCRATIE

Een democratie waar onopgeloste conflicten tot in de eeuwigheid meegesleept worden, is geen consensusdemocratie, zoals Luc Huyse België noemt, maar juist het tegenovergestelde, zegt PETER DE GRAEVE.
Het wordt in België steeds onduidelijker welke lading de vlag ‘democratie’ nog dekt. De moeite die Luc Huyse zich getroost om op dit punt de verwarde geesten te verlichten (DS 23 april) kan mij niet overtuigen. Zijn goedbedoelde poging om België als een ‘consensusdemocratie’ te typeren is niet alleen historisch incorrect. De kern van zijn betoog, namelijk de tegenstelling tussen consensus en meerderheid lijkt mij, vanuit hedendaags democratisch standpunt, ook ronduit nonsensicaal. Huyse redeneert hier op z’n Belgisch, dat wil zeggen krom. En als zo’n wijze analist al met splinters in het politieke brein zit, hoeveel balken zijn er dan niet in onze eigen, veel simpeler hersenen?

Paradoxaal separatisme

Niet dat Luc Huyse de bal volledig misslaat. Hij heeft een punt wanneer hij zegt dat de verbinding tussen ‘meerderheidsdemocratie’ en (het streven naar) ‘separatisme’ een riskant idee is, zeker in het huidige Europa. Je meerderheid gebruiken om, in naam van een gehavende democratie, de onafhankelijkheid uit te roepen, is minstens paradoxaal. Waarom die meerderheid niet gewoon gebruiken om de democratie op het juiste spoor te zetten? Ook mijn buitenlandse vrienden begrijpen niet dat in dit democratische tijdperk een meerderheid zich zou afscheuren van de democratie waarin zij de meerderheid vormt… Als je het zo leest, is het inderdaad absurd. De meerderheidslogica die separatisten desgevallend willen gebruiken, zou Europa op zijn beurt kunnen hanteren om de grenzen van Brussel te hertekenen.

De kromme logica zit elders. België een consensusdemocratie noemen is kort door de bocht. Het veronderstelt dat het democratisch karakter van dit land niet ter discussie staat, en dat de vermeende democratie een lange traditie heeft met consensuspraktijken. Beide punten zijn betwistbaar. In politiek opzicht is België veeleer een pacificatiemodel, waar gepoogd wordt om met ingewikkelde akkoorden, onderhandeld op schimmige plekken door geïsoleerde elites, de voortdurend heroplevende fundamentele conflicten tot bedaren te brengen. Deze conflicten zijn onoplosbaar, niet omdat de wil tot consensus niet zou bestaan (die is soms eindeloos, alvast aan Vlaamse kant), maar precies omdat de grond voor de duurzaamheid van het vergelijk, de democratie, met elk Belgisch compromis verder wordt vergiftigd.

Germaanse rechten

Huyse verwijst naar Zwitserland en Noord-Ierland als alternatieve modellen. Ik wil zelf een andere vergelijking maken. Neem de EU, een consensusdemocratie (in wording), en neem twee lidstaten, Duitsland en Nederland, eveneens consensusdemocratieën. In alle drie de democratieën gaan meerderheidsregel en consensusmodel perfect samen. Nederland en Duitsland leven vandaag ook onderling in goede verstandhouding, omdat er tussen beide een grens loopt. Die grens symboliseert niet langer een strikte scheiding, maar de over- en doorgang tussen beide. Er is geen betwist gebied, niet in Nederland, niet in Duitsland, waar een van beide landen de burgers van het buurland voortdurend uitdaagt om hun consensusbereidheid in de praktijk aan te tonen. Als een Nederlander er in Maastricht op staat Nederlands te spreken is hij daarom geen ‘geweldloze fascist’ (verfijnd concept van de Belgische compromissenkampioen Mangain). En Angela Merkel zal het niet gauw in haar hoofd halen om bij haar collega Balkenende het tastbare bewijs van Nederlands geloof in Europa te eisen door de Duitssprekenden in de Maastrichtse Rand Germaanse rechten toe te kennen. Doordat ze elkaar niet tot een voortdurende, politiek afmattende bewijsvoering van de eigen consensusbereidheid dwingen, kunnen Nederland en Duitsland elkaar verstaan, en is een reële verstandhouding mogelijk. Conflicten kunnen dus opgelost worden, anders gezegd, er is consensus mogelijk, omdat er niet voortdurend politieke intentieprocessen worden gevoerd. In België is net het tegenovergestelde het geval. België is bijgevolg het tegendeel van een consensusdemocratie.

De visie van Huyse (en vele anderen) over de zogenaamde Belgische consensusdemocratie brengt de vertroebelde geesten nog meer in verwarring. In de eerste plaats zijn eigen geest. Zo heeft Huyse de kern gemist van wat er vorige donderdag is gebeurd. Ja, misschien handelde Alexander De Croo intuïtief en impulsief. Maar dat neemt niet weg dat zijn beslissing, hopelijk, de toon heeft gezet voor een nieuwe politieke logica. De jonge voorzitter toonde ons, heel even, de keerzijde van de fameuze ‘vijf minuten politieke moed’. Als die vijf minuten inderdaad onhaalbaar zijn (wat alvast de voorbije drie jaar is bewezen), dan volgt daaruit niet noodzakelijk de onvermijdelijkheid van een Belgisch compromis. Het kan ook betekenen dat je er, zoals De Croo donderdag, uit besluit dat het eindeloze gesjacher met consensus en consensusbereidheid evenééns onhaalbaar is, of democratisch onfatsoenlijk.

Cynisme van Verhofstadt

Met zijn actie heeft Alexander De Croo de essentie van de Belgische regimecrisis blootgelegd, namelijk de afwezigheid van een volgroeide, hedendaagse democratische consensus op basis waarvan een vreedzaam samenleven mogelijk is. Zolang Vlamingen gedwongen worden hun consensusbereidheid te bewijzen (door geen deadline te stellen, door allerlei compensaties voor de splitsing te aanvaarden) is de democratie hier per definitie buiten werking gesteld. De tegenpartij kan immers, tot bewijs van het absurde tegendeel, ongestraft doen alsof ze niet gelooft in de democratische gezindheid van de ander. Die perverse logica heeft De Croo donderdag ontbloot en ontmanteld. Voor dat ene democratische moment mogen we hem dankbaar zijn. Het verheft zijn verzet hoog boven het veto dat Geert Lambert in 2005 uitsprak aan de onderhandelingstafel, en nog hoger boven het politieke cynisme van zijn partijgenoot Verhofstadt.

En nu? Tja, nu… Mijn vrees is dat een waarlijk democratisch moment als dat van vorige donderdag in een weinig democratische staat als de onze geen lang leven beschoren is. Alexander De Croo moet flink geschrokken zijn van de hevige reacties van alle luitenanten in de Kroonorde van het Compromis. Ik had met hem te doen, daar bij Phara, in zijn schimmengevecht met die andere, inmiddels hoogbejaarde zoon van een beroemde Belgische stamvader. Hij heeft ze gehad, zijn vijf minuten democratische roem, tot Albert II de kamervoorzitter tot zich, en dus tot de orde, riep. De democratie heeft het laken niet naar zich toe kunnen trekken. En dus trekt Laken, alweer, de democratie naar zich toe. Een voor een gaan onze politici nu in het Kasteel Belvédère aan de opiumpijp van de consensus hangen, tot zij zichzelf en ons hebben teruggevoerd in de trance van de Belgische bedaardheid, terwijl, op een afstand, de Hirohito van Europa eeuwig grijnzend toekijkt. België is nog ver verwijderd van een consensus, omdat het ver verwijderd is van de democratie. Niet andersom, meneer Huyse, niet andersom.

PETER DE GRAEVE Wie? Filosoof. Wat? Open VLD dat donderdag uit de regering stapte, was een zeldzaam democratisch voorval in een ondemocratisch land. Waarom? België heet een consensusdemocratie te zijn, maar Vlamingen worden voortdurend gedwongen tot compromissen die consensus noch democratisch zijn.

Archief

Ahmet Hamdi Tanpinar. Het klokkengelijkzetinstituut. Athenaeum,Polak & Van Gennep 2009

18 april 2010

Ahmet Hamdi Tanpinar. Het klokkengelijkzetinstituut. Athenaeum,Polak & Van Gennep 2009

Wellicht beter nog dan de veerboten over de Bosporus, mooier dat de aanblik van de waterweg tussen noord en zuid, tussen oost en west vanuit de brede ramen van het Modern Art Museum of Istanbul helpt ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ bij het begrijpen van de grootste Europese stad, intussen een Turkse provinciestad die nog stijf en stoffig staat van de oude allures van Byzantium, van Constantinopel, de Keizerlijke Hoofdstad van het Oostromeinse rijk en ‘Eis ten Polis’, de hoofdstad van het Ottomaane Kalifaat.
Ahmet Hamdi Tanpinar (1901-1962) is naar verluidt een van de grondleggers van de moderne Turkse roman.
Zijn magistrale roman helpt ook begrijpen waarom de overgang tussen West en Oost zo moeilijk ligt, waarom Istanbul ons zo nabij is, en toch ook weer zover af.
Op grens- en overgangszones, op drempels ontstaan meestal de boeiendste inzichten en het meeste begrip voor en inzicht in elders en anders. Daarom heeft Istanbul en Turkije wellicht geen andere keus dan lid te worden van de Europese Unie. Niet alleen om Mexicaanse toestanden te mijden, als moeras onder de zwoele buik van Amerika waar dank zij de VS wetgeving de maffia heersen kan. Zij het dat Istanbul en Turkije als zwoele onderbuik van de EU eerder ten prooi zal vallen van malafide Russische tycoons en hun hofhouding.
De lectuur van een boek als dat van Tapinar helpt bij het intellectueel begrijpen van emoties van herkenning en thuiskomen in een stad als Istanbul voor een Westeuropeaan.

Tanpinar, een kenner van de negentiende-eeuwse Osmaanse cultuur en literatuur, wordt geprezen als een groot stilist. Een van zijn andere grote romans, Huzur (‘Sereen’), zal in 2011 bij Athenaeum in een Nederlandse vertaling verschijnen.
Hanneke van der Heijden (1964) vertaalde, deels in samenwerking met Margreet Dorleijn, werk van onder meer Orhan Pamuk, Elif Shafak en Halid Ziya Usakligil. In 2008 werden zij onderscheiden met de Fonds voor de Letteren vertaalprijs.

Over ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ schrijft ze in het nawoord van haar mooie indrukwekkende vertaling:

447. Er zullen weinig landen zijn waar de geschiedenis zo voelbaar is als in Turkije, en waar die tegelijkertijd zo langdurig en zo volhardend is ontkend. Oude moskeeën, kerken, paleizen, vervallen muurtjes, inscripties in Arabisch schrift, klassieke gedichten die als liederen op de radio te horen zijn: of je wilt of niet, het verleden is in Turkije dagelijks tastbaar aanwezig.
De hervormers die in 1923 de Turkse republiek stichtten deden er juist alles aan om onder dat Osmaanse verleden een dikke streep te zetten – misschien wel precies daarom. Het nieuwe land kreeg een nieuwe hoofdstad: in plaats van Istanbul, eeuwenlang het symbool van de Osmaanse macht, werd het Anatolische provincieplaatsje Ankara de hoofdstad van Turkije. Het staatsapparaat werd hervormd naar westers seculier model. En dan was er daarnaast nog een hele serie meer symbolische maatregelen die rechtstreeks in het privéleven van de burgers ingrepen. De fez en andere traditionele kledij werden afgeschaft ten gunste van kleding naar westerse snit, de kalender met islamitische maanjaren werd vervangen door de gregoriaanse jaartelling, het Arabische schrift door het Latijnse, de taal gezuiverd van Perzische en Arabische invloeden in woordenschat en grammatica.
Zo’n abrupte breuk met het verleden weerspiegelt een tijdsopvatting die haaks staat op Tanp?nars ideeën. Voor hem, een bewonderaar van de Franse filosoof Henri Bergson, is tijd niet op te splitsen in uren, minuten, seconden en daar weer delen van. Hij ziet tijd als een ononderbroken stroom. Of beter nog: als een stroom die door de mens zelf wordt gegenereerd. Want tijd bestaat slechts bij de gratie van de herinnering, die steeds opnieuw het verleden creëert, en alleen dat permanente proces van het opnieuw uitvinden van vroeger maakt de toekomst mogelijk. Wie het verleden afsnijdt, snijdt daarmee de toekomst af. Dat geldt voor individuen, maar het geldt evengoed voor de maatschappij als geheel. Het afzweren van de Osmaanse culturele erfenis is in Tanp?nars ogen dan ook een doodlopende weg. Het moét wel uitmonden in hervormingen die zijn overgenomen uit het Westen, maar die in Turkije iedere voedingsbodem ontberen, en dus gedoemd zijn te mislukken. Je kunt nu eenmaal niet van cultuur wisselen zoals je een ander pak aantrekt.
Die breuk tussen het Osmaanse rijk en het moderne Turkije, de verwisseling van beschaving, zoals Tanp?nar dat noemt, of van culturele identiteit zoals het tegenwoordig heet, is een thema dat Tanp?nar zijn leven lang heeft beziggehouden. Hij maakte de omwentelingen dan ook aan den lijve mee: in zijn tienerjaren zag hij het eens zo machtige Osmaanse rijk geleidelijk een schaduw van zichzelf worden, als twintiger was hij getuige van de stichting van de republiek die ervoor in de plaats kwam, als dertiger maakte hij het elan mee waarmee de volgelingen van Atatürk hun toekomstidealen probeerden te verwezenlijken, en als veertiger en vijftiger de teleurstellingen en de groeiende kritiek.
Ook Tanp?nars eigen culturele oriëntatie maakte een grote ontwikkeling door. Zijn aanvankelijke voorliefde voor het Westen en de westerse, met name Franse, cultuur maakte plaats voor een groeiende interesse in de oude Osmaanse cultuur. ‘Ik ben wel begonnen met het Westen,’ zei Tanp?nar later, ‘maar het lukte me niet mezelf te vinden… tot het moment waarop ik onze oude dichters en de oude muziek leerde kennen. Pas toen ik hun nostalgie proefde, zag ik dat mijn eigen wezen in mijzelf werkelijk zijn plek vond.’

?Peter Swanborn in De Volkskrant (12032010) :

‘Dit boek, dat door zijn cyclische vertelvorm zelf ook aan een klok doet denken, kan echter op vele manieren gelezen worden.  Het   is  een grandioos portret van de metropool Istanbul, op een moment waarop een nieuwe cultuur zich hardhandig doet gelden.  Het   is  ook een scherpzinnige filosofie over leugen en waarheid, vriendschap en verraad, over de botsing tussen elite en massa, en over de twintigste eeuw als de eeuw van de bureaucratie.
Toen Atatürk op de nog smeulende puinhopen van de Eerste Wereldoorlog de Turkse republiek als een feniks liet verrijzen, stond hem een moderne, op westerse leest geschoeide staat voor ogen. Kerk en staat werden gescheiden, hoofddoek en fez verboden, de kalender met islamitische maanjaren werd vervangen door de gregoriaanse jaartelling en  het  volledige juridische en economische systeem ging op de schop.?Zo ook de taal. Eerst maakte  het  Arabische schrift uit de Osmaanse tijd plaats voor  het  Latijnse alfabet. Daarna moesten alle ooit aan  het  Perzisch, Arabisch en Grieks ontleende woorden vervangen worden door moderne, Turkse equivalenten. Hiertoe werd op 12 juli 1932 de Türk Dil Kurumu opgericht,  het  Turkse Taal instituut.
De TDK ging grondig te werk, met als gevolg dat Turkse kinderen die in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw naar school gingen, een woordenschat leerden die sterk afweek van de taal die hun ouders en grootouders spraken. Alles om maar duidelijk te maken dat de Osmaans-islamitische tijd nooit meer zou terugkeren.
In zijn in 1954 eerst als feuilleton verschenen roman  Het  Klokkengelijkzetinstituut steekt de Turkse schrijver Ahmet Hamdi Tanpinar (1901-1962) op superieure wijze de draak met alle genootschappen die de jonge Turkse republiek een modern voorkomen moesten geven, en met de Türk Dil Kuruma in  het  bijzonder. Zo bizar als de poging was om een taal compleet te zuiveren van anderstalige invloeden, zo absurd is het  streven van  het  K.G.I. om alle klokken en horloges op straffe van boetes gelijk te laten lopen.’

Het klokkengelijkzetinstituut

Categorie: Actualiteit | Reacties uit

Archief

Bernard Bouwman, Mijn Istanbul. Atlas 2007

11 april 2010

Bernard Bouwman, Mijn Istanbul. Atlas 2007

Als NRC correspondent in Turkije en wonend in Istanbul heeft Bernard Bouwman een handzaam boekje gesprokkeld voor de Istanbul bezoeker.
Hij doet het voorzichtig, in korte stukjes. Hij doet het zachtjes terwijl hij praat. Hij doet het omzichtig en indringend, want zijn interesse voor de homocultuur brengt
hem in de rafelig rand van de grootstad waar verschillende volkeren, stammen, dorpen, geloven en seksuele voorkeuren elkaar ontmoeten.
Bouwman tast die grenzen af en dat levert doorgaans boeiend proza, waardoor de toerist de illusie kan koesteren dieper door te dringen in de façade van de grootste
Europese stad op de grens van Azië en Europa.
In een tweede bezoek hebben we de oude stad met de vele toeristische bezienswaardigheden onder ons gelaten en enkel de hoek tussen de Bosporus en de
Gouden Hoorn doorkruist.
Een heel andere meer westerse wereld, ook al worden de betere hotelbuurten behoorlijk gefrequenteerd door islamitische bedevaarders uit Pakistan, Bangladesh,
Syrië, enz. Naast de mantel, het zwaard en de baardharen van de profeet onder het laatste kalifaat zijn er vele bezoekjes aan de betere winkelwijken mogelijk voor deze
rijke reizigers en hu entourage.
En het wordt alsmaar moeilijker om te snappen waarheen het met Turkije naartoe gaat: aansluiten bij de EU – zelfs de vorm en kleur van het nieuwe Turkse Pond in
munt en biljet benaderd reeds dat van de Euro – of aan de rand blijven als poort tussen Europa en Azië.
De eerste mogelijkheid zal hen veel meer kunnen bieden, maar ook veel meer eisen van hun identiteitsbesef. De tweede zal een economische en politieke instabiliteit
onderhouden en de poorten wijd openen voor de Russen, niet alleen de blonde hoeren: Mexico in Klein Azië.
Naar aanleiding van Europese Cultuur Hoofdstad 2010 lijken nu ook twee musea boven water
gekomen: Istanbul Modern Art en Pera.
Bernard Bouwman Mijn Istanbul vervolg

Archief

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling. Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld. Meulenhoff 2008.

10 april 2010

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling. Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld. Meulenhoff 2008.

Na zijn ‘ Managementmythe’ meteen deze Ketter en Hoveling gesavoureerd. Een schitterend werk waarin hij met beproefde romantechnieken een bijzonder moeilijk en ingewikkeld filosofisch drama wet te onthullen, dat van de relatie tussen Leibniz en Spinoza. In elkaar afwisselende hoofdstukken weet Stewart ook hier de rokken van de ui te pellen om tot de kern van het dispuut te komen. Al lijken je ogen soms te tranen, ook vandaag speelt dit nog steeds een belangrijke rol, niet allen in de verhoudingen tussen religies en de moderne staat, maar ook in de hoofden van de mensen.
Hij weet duidelijk te maken wie Spinoza was en waarom hij vanuit zijn verleden als uitgewezen joodse banneling in die tijd tot die atheïstische wereldvisie kon komen. Hij weet duidelijk te maken hoe Leibniz omzeggens zijn hele leven heeft geworsteld met en tegen deze visie op God en de natuur waarbij hij de memorabele ontmoeting tussen beide filosofen als keerpunt weet te merken in Leibniz leven en denken.
Hij ontrafelt de constructies in Leibniz denken als reusachtige pogingen om onder de atheïstische – en volgens Leibniz als dienaar van het wereldse gezag bijzonder subversieve – denkrichting van Spinoza uit te komen.
Je snapt meteen veel beter de Dr. Pangloss-karikaturen die Voltaire over Leibniz presenteerde als pleitbezorger van de beste der werelden waarin we plegen te leven.

35. Ook deze dubbele ballingschap zou een kernpunt in de filosofie van Spinoza worden. Juist doordat hij zich aan de uiterste rand van de maatschappij bevond, kon Spinoza zo duidelijk zien dat de oude God stervende was en dat zijn theocratische heerschappij op aarde bezig was in te storten. Vanuit diezelfde positie ontwierp hij ook zijn remedie voor de moderne situatie.
In zijn politieke filosofie propageerde hij een tolerante, seculiere samenleving waarin hij zelf geen balling meer zou zijn. In zijn metafysische beschouwingen ontdekte hij een godheid die ver verwijderd was van de beperkingen van traditie, orthodoxie, bijgeloof én alle andere bronnen van de mening van de massa, een God die geen macht meer had om arbitraire wetten uit te vaardigen en die slechts verantwoording schuldig was aan het
universele licht van de geest, de richtlijn van de rede.
Spinoza’s excommunicatie bepaalde niet alleen zijn filosofie, maar gaf ook vorm en uiting aan zijn ongewone persoonlijkheid, een persoonlijkheid die even zeldzaam was als rijk aan paradox en inzicht.

321. Spinoza opende voor Leibniz een deur, zowel in letterlijke als in filosofische zin. Hij legde voor zijn bezoeker een werkelijkheid bloot die de jonge man vanuit praktisch oogpunt erkende als de wereld waarin hij zijn eigen filosofie situeerde. In oprechte en soms botte taal liet hij Leibniz zien wat het betekent om een moderne filosoof te zijn. Toch zag Leibniz deze werkelijkheid niet op dezélfde manier als Spinoza. Als hij in de zwarte opalen
ogen van zijn gastheer keek, zag hij geen nieuwe godheid. Hij zag in plaats daarvan de dood van God. Zijn filosofie was in veel opzichten een poging om de deur te sluiten waarvan hij wenste dat hij hem nooit had geopend. Maar het was te laat: hij stond al aan de andere kant.

340. Zoals alle goede filosofen moeten Leibniz en Spinoza uiteindelijk
ergens buiten de geschiedenis tot rust komen. De twee mannen die elkaar in 1676 ontmoetten, vertegenwoordigen twee radicaal verschillende filosofische persoonlijkheidstypen die altijd deel hebben uitgemaakt van de menselijke ervaring. Spinoza spreekt voor degenen die geloven dat geluk en deugd mogelijk zijn met niets meer dan we in handen hebben. Leibniz staat voor
degenen die ervan overtuigd zijn dat geluk en deugd afhankelijk zijn van iets wat daar bovenuit stijgt. Spinoza adviseert een kalme aandacht voor ons eigen, diepste belang, Leibniz geeft uitdrukking aan ons onbedwingbare verlangen om goede werken weerspiegeld te zien in de lof van anderen. Spinoza bevestigt de totaliteit van dingen zoals deze is. Leibniz is dat deel van ons dat er onophoudelijk naar streeft om ons meer te maken dan we zijn. Ongetwijfeld zit er een beetje van allebei in iedereen, en soms moet er een keuze worden gemaakt.

342. Als Spinoza de eerste denker van het moderne tijdperk was, moet
Leibniz misschien gelden als de eerste mens van dit tijdperk.
Spinoza daarentegen was vanaf het begin duidelijk een rara avis. Met zijn geheimzinnige zelfgenoegzaamheid, zijn onmenselijke deugd en zijn minachting voor de massa kon dat niet anders. Toch is de boodschap van zijn filosofie niet dat we alles weten wat er te weten valt, maar dat er niets is wat niet gekend kan worden. Spinoza’s leer is dat de wereld geen ondoorgrondelijk mysterie bevat, geen andere wereld die alleen toegankelijk
is via openbaringen en epifanieën, geen geheime waarheid over alles. In plaats daarvan is er alleen een langzame maar zekere opeenstapeling van vele kleine waarheden, en de belangrijkste daarvan is dat we niets méér hoeven te verwachten om in deze wereld geluk te vinden. Spinoza’s filosofie is een filosofie voor filosofen, die tegenwoordig even zeldzaam zijn als ze altijd zijn geweest.

Lees verder »

Archief

Matthew Stewart, De managementmythe. Managementconsulting, heden, verleden en onzin. Meulenhoff 2009.

3 april 2010

Matthew Stewart, De managementmythe. Managementconsulting, heden, verleden en onzin. Meulenhoff 2009.

Matthew Stewart presenteert een bijtend pleidooi voor de studie van de filosofie en de geschiedenis om managers te mijden en je eigen boontjes te doppen, ook als bedrijfsleider.
In 1988 studeerde hij af als filosoof in Oxford, specialiteit negentiende-eeuwse Duitse denkers. Hij solliciteert wat in het rond en wordt tot zijn eigen verbazing gerekruteerd door een gerenommeerd internationaal managementadviesbureau. Om te beginnen 75.000 dollar: ‘een idioot bedrag voor een voor de arbeidsmarkt ongeschikt filosoof, die geen flauw benul van zaken heeft’. In geen tijd groeit hij uit tot een overbetaalde expert die eersteklas rond de wereld vliegt en leeft in hotels terwijl hij managers met honderd keer meer ervaring de les spelt. Tot het bureau dat hij zelf mee heeft opgericht door een interne machtsstrijd crasht en de desillusie niet meer te harden blijkt.

In zijn boek wisselt hij in een spannend ritme de eigen belevenissen in de sector af met filosofische, historische en wetenschappelijke reflecties.
Zelden een beter pleidooi voor de studie van de filosofie en de geschiedenis gelezen.
‘In de zakenwereld is ervaring de grote leraar. We bedriegen onszelf als we denken dat een MBA je een daadkrachtig manager maakt. Managers leren managen verschilt niet zo heel erg van mensen leren hoe ze moeten leven in een beschaafde wereld. Managers hebben geen training nodig, ze hebben educatie nodig.’

Dit boek heeft iets van ‘Il Principe’ van Niccolò Machiavelli, maar dan voor bedrijfsleiders en managers.

Cliënten haal je binnen met de strategie van de angst. Zij doen pas beroep op externe managers wanneer ze een probleem denken te hebben. En anders krijgen ze dat probleem wel aangereikt door de consultants: ‘Ik praatte en praatte, en intussen liep de meter. In al die jaren heeft de sensatie dat ik alles uit mijn duim zoog mij nooit verlaten.’ ‘Kun je je iets onwaarschijnlijkers voorstellen dan succesvolle en toonaangevende ondernemingen die schoolverlaters inhuren om hun te vertellen hoe ze moeten worden gerund? En dat die ondernemingen bovendien bereid zijn miljoenen voor die adviezen neer te tellen?

‘Moderne sjamanen’ noemt Stewart de wijsneuzen van McKinsey & co: in de hoogst onzekere wereld van de mondiale concurrentiestrijd verdrijven ze de angst met de magie van hun spreadsheets en grafieken.
‘Als je het niet kunt managen, meet het dan’, repliceert Stewart het huismotto van McKinsey: ‘Als je het kunt meten, kun je het ook managen’.

http://wijkiezenpartijvooru.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=ma2kmrs3

http://www.managementenliteratuur.nl/1875/matthew_stewart_%E2%80%98managers_zijn_vaak_beter_af_met_het_lezen_van_filosofie%E2%80%99

16. Het merkwaardigste van die goeroeboeken is echter niet hun dubieuze inhoud maar hun ongelooflijke oplagen. Je zou menen dat de markt voor adviezen over hoe je een miljoenenconcern moet leiden te vergelijken is met de markt voor laten we zeggen de inrichting van bedrijfsvliegtuigen.
Gezien het gegeven dat de meeste mensen die adviezen aanbieden zelf geen grote ondernemingen hebben geleid en zich ermee tevreden lijken te stellen hun lezers te verstikken met waarheden als koeien, zou je denken dat de markt voor dergelijke adviezen klein is. Het tegendeel is echter waar: in de bedrijfstak waarin mensen wordt verteld hoe grote ondernemingen (niet) moeten worden geleid, gaan reusachtige sommen om. Het is alsof een groep werkloze ontwerpers van bedrijfsvliegtuiginrichtingen aanhang heeft gevonden de bezitters van minibusjes. Terwijl ik me door mijn plank vol managementadviezen worstelde, kon ik me niet onttrekken aan de volgende nogal botte vraag: hoe kan het dat zo veel slechte boeken zo goed verkopen?

18. In een wereld waarin de leden van de raad van bestuur vaak de beste vrienden zijn van de hoofddirecteur, waarin de directievoorzitter vaak de hoofddirecteur is, en waarin aandeelhouders nog vóór de lunch bepalen of ze financieel wel of niet bij de onderneming betrokken blijven, is dat geen zinloze vraag. Het is dezelfde vraag die de Romeinen zichzelf stelden toen hun Rijk onhanteerbaar begon te worden: Quis custodiet ipsos custodes?
(…)
Toen ik na mijn vervroegde pensionering eindelijk gelegenheid kreeg de managementlectuur grondig onder de loep te nemen, leek het of ik een bekende, rommelige achtertuin betrad. Ik trof een discipline aan die geen discipline was maar een verzameling onopgeloste vraagstukken en verborgen agenda’s, waar het stellen van de juiste vragen veel belangrijker is dan het vinden van de juiste antwoorden, waar kwesties niet worden opgelost maar tijdelijk worden gesust, en waar de grootste beloningen gaan naar degene die gericht weet te blijven op de ene grote zaak die er echt toe doet.
Het werd me stilaan duidelijk dat management inderdaad een verwaarloosde tak van de humaniora is en dat de managementstudie, zo ze al ergens toe behoort, deel uitmaakt van de geschiedenis van de filosofie.
Managementtheoretici ontberen diepgang, besefte ik, aangezien zij zich nog pas een eeuw bezighouden met dat wat filosofen en creatieve denkers al millennialang doen. Die omstandigheid verklaart waarom toekomstige zakelijke leiders, in plaats van zich te storten op managementopleidingen, er beter aan doen zich te verdiepen in de geschiedenis, filosofische essays te lezen, of gewoon een goede roman.
Ze verklaart waarom we allemaal beter af zouden zijn als de zakenmensen zich minder om hun managementdiploma’s bekommerden.
(Waarmee niet gezegd wil zijn dat de humaniora zoals tegenwoordig gepraktiseerd – met hun fixatie op cijfers en economische grondbeginselen en hun vatbaarheid voor pseudotechnisch jargon – niets zinnigs zouden hebben opgeleverd.)wie bestuurt de bestuurders?

20. De zestiende-eeuwse Engelse filosoof Francis Bacon definieerde een afgod als een fantoom van de geest – soms gegrond in de beperkingen van onze rationele vermogens, vaak verergerd door een onjuist gebruik van de taal en door de sofisterij van valse leermeesters – dat leidt tot een patroon van een onjuist begrijpen van de wereld en een bestendiging van irrationele praktijken. Overeenkomstig die definitie is het heersende begrip van management een afgod van onze tijd. Het is een vetgedrukt woord boven op een hele reeks dunne vraagtekens; een bouwwerk van grammatische dwalingen, misvattingen en bijgelovigheden waardoor veel zaken een rol spelen die geen rol dienen te spelen. In zijn Götzendämmerung onderneemt Nietzsche het de afgoden van zijn tijd te testen ‘met een hamer om zo wellicht bij wijze van antwoord dat welbekende holle geluid te horen dat we van opgeblazen darmen kennen’. Wat ik hoop te laten zien is dat ook de managementafgod een fikse hamerslag behoeft.

Lees verder »

Archief

deredactie.be opinie&blog: Klaaglied om Agnes

2 april 2010

KLAAGLIED OM AGNES
06 / 03 / 2010

Twintig jaar heeft ze geofferd voor haar ideaal, haar partij.
Twaalf jaar heeft ze een dikke huid proberen te kweken.
Met pijn heeft ze leren slikken, binnen en buiten de partij.
Met gène de vernederingen door de intussen tot oude wijze gekroonde Sint Jan leren smaken als moderne vormen van maoïstische kritiek en zelfkritiek.
Wat ongemakkelijk onderging ze de restyling tot fractievoorzitter: een stramien van zwart en grijs met fors rode accenten, glimmende laarzen en een bloot dijbeen. Reuze ronde oorringen wanneer ze na het terugtreden van Jan Marijnissen op het schild werd gehesen van de SP, de tomaatrode volkspartij.
En telkens weer slikken en slikken tot ze ervan wegteerde.
Femke Halsema had het makkelijker. Zij kon in de luwte teren op onduidelijkheid als waarmerk voor GroenLinks. Zij profiteerde ook publiek ten volle van haar jeugdig moederschap. Het was haar aan te zien. Zij werd er ronder van, zowaar gezelliger.

Verbittering
Agnes – klemtoon op de eerste lettergreep – daarentegen deed het met overtuiging, de tanden op elkaar geklemd. Het was haar menens. Haar mondhoeken vertrokken, haar mimiek verbitterde in groeven.
Zij was veruit de beste, de slimste, de energiekste van de Tweede Kamer in de strijd voor de zieke, misselijke kleine – al dan niet oude – man en vrouw die de dupe werden van de losgeslagen liberalisering en managerscultuur in Nederland.
Collectief vertrouwen en solidariteit werd met medeplichtigheid van de sociaal-democraten van de PvdA in de roetsjbaan van de privatisering verder onderuit gehaald. Ziekteverzekering en thuiszorg werden een zootje, tewerkstelling een permanente onzekerheid. Finaal dienden de Nederlandse burgers ook nog eens hun banken te redden. Langer werken voor een schamel pensioen en gedwee slikken dat managers-huurlingen breedlachend met adembenemende bonussen jobhoppen.

Zoetgerookte Zalm
Zo was gewezen liberale financieminister Gerrit Zalm als hoofdeconoom en financieel directeur nauw betrokken bij de intussen failliete DSB bank. En toch blijft hij aan als topman voor de nieuwe Fortis ABN-AMRO fusiebank. Aldus besliste de ‘Nederlandsche Bank’, ondanks een negatief oordeel van financieel toezichthouder AFM. Er gaan nu zelfs geruchten dat Wouter Bos de volgende president van DNB worden zal.
Voor wat hoort wat, zeker bij het polderestablishment.
Niet zo voor Agnes Kant. Onvermoeibaar maakte ze keer op keer haar punt met cijfers onderbouwd door gedegen veldonderzoek. Want ze hanteerde vaardig de kracht van ‘weten is meten en voorkomen is beter dan genezen’. Ze hoopte op de krachtige strategie van de angst en de sociale emancipatiemacht van jaloezie en rancune.
En daar knellen de rode pumps. Ze is er wellicht zelf in beginnen geloven.
Niets zo gevaarlijk als een politicus die buiten de publieke scène ook nog zijn of haar theaterrol blijft spelen. Al mag ik hopen dat het Agnes’ dierbaren thuis nooit is overkomen.

Offervaardig
Van vastberaden en volhoudend werd ze verbeten en drammerig. Van ‘ad rem’ snauwerig, zelfs venijnig met een zweem van wrok.
Toch was ze bereid om de beker te ledigen die Jan Marijnissen haar had voorgehouden. Goed wetend dat haar met hem gedeelde leiderschap nooit een succesverhaal zou kunnen of mogen worden. De vorige kamerverkiezingen leverden de SP met 25 zetels een nooit te evenaren resultaat. En toch was Agnes Kant bereid zich te offeren voor haar partij en wat ze zich nog als een ideaal kon voorhouden.
De kroniek van de aangekondigde verkiezingsnederlaag op 3 maart vrat aan haar. Ze wist maar al te goed hoe het rechtse populisme zou zegevieren omdat háár populisme geen vat meer kreeg op pers en polderland.
Woede en verbittering in de polder was niet meer te keren.

Onder het plaveisel broeide het moeras.
Met het verzuipen van de ‘Leefbaren’ en ‘Fortuynadepten’ in het eerste kabinet Balkenende hoopte het polderestablishment dat de modale Nederlander wel voor goed zou begrijpen dat alleen aloude mannenbroeders orde op zaken konden stellen.
Dat was ook zo. Maar die orde en die zaken bleken zelden die van de modale Polderlander.

Een ander volk kiezen
PvdA Binnenlandse Zaken minister Guusje ter Horst verklaarde eind vorig jaar nog: ‘Er is een verschil tussen wat het volk wil en wat de regering wil’.
Of zoals Bertold Brecht als cynicus na de opstand van 17 juni 1953 in de DDR een resolutie ter stemming bracht in de Academie der Kunsten: ‘Nu is komen vast te staan dat ons volk een domme kudde is, raden wij de regering aan een ander volk te kiezen.’
En dus blijft het moeras verder broeien. Goed 56% ging op 3 maart in Nederland nog stemmen voor de gemeenteraad. De PVV van Geert Wilders met aanverwant populistisch rechts mobiliseert bijna een vijfde van de resterende kiezers.
De Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago formuleerde het in ‘ De stad der zienden’ : ‘Wij hebben hier te maken met mensen en mensen staan wereldwijd bekend als de enige dieren die in staat zijn om te liegen, wat ze nu eens mogen doen uit angst en dan weer omdat ze er belang bij hebben, maar ook wel eens omdat ze bijtijds inzien dat het hun enige kans is om de waarheid te verdedigen.’

Vol van genade
En toch heeft Agnes Kant genade geweigerd, vergiffenis afgewezen, de absolutie vermeden bij de verkiezingsnederlaag van haar partij en fractie, die ‘tot de laatste seconde achter haar stonden’.
Agnes heeft ontslag genomen en verlaat het politieke theater.
Agnes weigert als zondebok geofferd te worden voor de aangekondigde nederlaag op de vervroegde parlementsverkiezingen van 9 juni. Het siert haar dat ze nu weigert te slikken.
Misschien kan ze zo wel ontsnappen uit de fuik van het maakbaarheids-gedachtengoed.

Oud-PvdA coryfee Marcel van Dam opent zijn ‘Niemands land’ met een citaat van Nederlandse dichter-tekenaar Chr. J. Van Geel:
‘Kon ik wat woede is
Maar in zijn deugd begrijpen?
En er natuur van maken?
Als boom van wortel blad. ‘

Het lijkt Agnes op het lijf geschreven.
Jan Peter (Balkenende), Wouter (Bos), Mark (Rutte) en Geert (Wilders) verstarden reeds lang tot houten klazen van het Noh theater op het Haagse Binnenhof.
Agnes (Kant) zal haar levenslust misschien terugvinden.
En de partij? Daarover zong Ernst Busch en Louis Fürnberg in 1950 het partijlied: ‘Die Partei, die Partei, Sie hat immer recht. Und Genossen es bleibe dabei !’

« Volgende berichten