David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010
Al is het ‘een geschiedenis’, het is een beklijvende geschiedenis van Congo, van het centrum van Afrika, van 130 jaar wijzigende machtsverhoudingen in de wereld en het leven van mensen, ook in Azië en Europa.
David Van Reybrouck is erin geslaagd een magnum opus te schrijven waar dank zij zijn literaire kwaliteiten geen droge feiten en cijfers, geen eindeloze namen, falen en gruwelen de lezers niet moedeloos achterblijven.
Knap gehanteerde filmische technieken van in- en uitzoomen, van close-ups, kikker- en vogelperspectieven houden de lectuur van 582 bladzijden ‘Congo’ boeiend en verrassend.
David Van Reybrouck is er door zeven jaar titanenwerk in geslaagd om als laatste blanke de laatste levende ooggetuigen van de geschiedenis van de kolonisering en de dekolonisatie te spreken, hun verhalen te noteren, hun herinneringen vast te leggen voor wie na hen komen.
Maar hij doet meer, veel meer.
Hij onderzoekt bijvoorbeeld ook nieuwe fenomenen. Hij zoekt naar nieuwe verklaringen en laat zich niet verblinden of in slaap zeuren door mythische verhalen over leed en leven, over lijden en lot, schuld en boete en zelfverklaarde heroïek.
Zo trekt hij interessante parallellen tussen popmuziek, biermerken en nieuwe religies.
Dank zij succesvolle popsterren bouwden biermerken in Kinshasa een marktoverwicht uit onder leiding van een Nederlandse filosoof als CEO van Heineken.
De machtsstrijd tussen biermerken en mobilofonie-aanbieders analyseert David Van Reybrouck alsof je Machiavelli’s ‘Heerser’ toegepast ziet in Afrika.
Hij onthult praktijken van popgoden die zich letterlijk ontpoppen tot mensenhandelaars en slavendrijvers.
58. Maar het zou al te simpel zijn te stellen dat Stanley hen bevrijdde van de slavernij. Van oudsher werd slavernij in Centraal-Afrika niet in de eerste plaats begrepen als
een beroving van je vrijheid, maar als een ontworteling uit je sociale milieu.
Gruwelijk was het zeker, maar om andere redenen dan doorgaans wordt gedacht. In een samenleving die zozeer getekend was door gemeenschapszin, betekende ‘de autonomie van het individu’ helemaal geen vrijheid, zoals in Europa sinds de renaissance wordt geroepen, maar eenzaamheid en ontreddering. Je bent wie je kent; en als niemand je kent, ben je niets. Slavernij, dat was niet geknecht zijn, maar onthecht zijn, van huis zijn.
David Van Reybrouck weet te argumenteren waarom de situatie in Congo en Midden Afrika niet het gevolg is van premoderne machts- en productieverhoudingen, maar – veel erger – voortvloeit uit een postmoderne chaotische ‘failed state’ situatie.
495. Het etnisch geweld in Ituri was geen atavisme, geen primitieve reflex, maar het logische gevolg van grondschaarste in een oorlogseconomie die de globalisering diende – en in die zin een vooraankondiging van wat een overbevolkte planeet nog te wachten staat. Congo loopt niet achter op de geschiedenis, maar vóór.
499. Mobiele telefonie is voor Afrika wat de boekdrukkunst voor Europa was: een ware revolutie die
de structuur van de samenleving grondig herdefinieert.
521. (Naar aanleiding van de verkiezingen van midden 2006) Congo was een land zonder infrastructuur geworden. Het was onmogelijk om per auto van de ene naar de andere kant van het land te rijden. Zelfs de grote centra waren niet meer met elkaar verbonden. Congo was meer een archipel dan een pays-continent, een archipel waarvan de eilandjes enkel per vliegtuig, helikopter of prauw te bereiken waren. Niemand wist hoeveel mensen er woonden, niemand hield de geboortes bij, niemand had papieren.
180. In de steden ontstond ( in de jaren ’30 ) een nieuwe levensstijl die verschilde van de dorpscultuur, maar ook meer was dan een kopie van de Europese stadscultuur, al was het maar omdat die nieuwe Afrikaanse agglomeraties in niets geleken op hun Europese tegenhangers. Zelfs voor Belgen was de koloniale stad een geheel nieuwe ervaring! Er was meer ruimte en vrijheid, de afstanden waren groter, de lanen breder, de percelen rianter. De steden waren van meet af aan bedacht op het gebruik van de auto. Het had wel iets Amerikaans, vonden vele blanken. Léopoldville met zijn verschillende stadskernen zonder duidelijk centrum leek meer op Los Angeles dan op de middeleeuwse stadjes van België of de negentiende-eeuwse burgermanswijken van Brussel of Antwerpen. De koloniale stad hinkte niet achter het Europese model aan, maar liep erop vooruit. Toen een Belgische journalist zag hoe blanke vrouwen in Congo het vliegtuig namen om in Léopoldville te gaan bevallen, zei hij verrukt dat in de kolonie ‘een nieuwe samenleving, een nieuw België met nieuwe ideeën geboren werd’. Het leek alsof in Congo de jaren vijftig al in de jaren twintig begonnen.
300. (Over de eerste republiek.)
Net als in het theater was ook hier de tragedie van de geschiedenis geen zaak van redelijken versus redelozen, van goeden versus slechten, maar van mensen die samenkwamen en zichzelf stuk voor stuk als goed en redelijk beschouwden. Idealisten stonden tegenover idealisten, maar elk idealisme dat te fanatiek beleden wordt leidt tot verblinding, de verblinding der goeden. De geschiedenis is een afschuwelijk gerecht bereid met de beste ingrediënten
In tegenstelling tot de gebruikelijke zwart-wit analyse van Patrice Lumumba – zwarte duivel of Afrikaanse marxistische martelaar – besluit Van Reybrouck genuanceerd en blijkt de eerste Congolese premier te licht bevonden.
328. (Lumumba gewogen)
Lumumba groeide in een mum van tijd uit tot een martelaar van de dekolonisatie, een held voor alle verdrukten der aarde, een heilige van het goddeloze communisme. Die status had hij eerder te danken aan zijn gruwelijke levenseinde dan aan zijn politieke successen. Hij was alles bij elkaar nog geen tweeënhalve maand aan de macht geweest, van 30 juni De strijd om de troon tot 14 september 1960. Zijn palmares las als een opeenstapeling van blunders en inschattingsfouten. Zijn bruuske afrikanisering van het leger was sympathiek maar desastreus, zijn zoeken naar militaire steun bij de VS en de Sovjet-Unie was begrijpelijk maar vreselijk lichtzinnig, zijn militair optreden in Kasai kostte het leven aan duizenden landgenoten. Bij zijn leven vonden Youlou en Senghor, de eerste presidenten van Congo-Brazzaville en Senegal, zijn optreden al erg problematisch. Daartegenover stond dat hij nauwelijks op zijn taak was voorbereid, af te rekenen kreeg met een onbezonnen civiele exodus en een militaire invasie van de Belgen en moest toezien hoe de VN aarzelde om de Belgische agressie krachtig te veroordelen. Maar met zijn ongelukkige manier van reageren op reëel onrecht kweekte Lumumba stelselmatig meer vijanden dan vrienden. De tragiek van zijn kortstondige politieke loopbaan was dat zijn grootste troef van vóór de onafhankelijkheid – zijn onwaarschijnlijke talent om de massa op te zwepen – zijn grootste nadeel werd toen hij eenmaal als machthebber geacht werd iets serener op te treden. De magneet die eerst aantrok, stootte nu af.
Er was een tijd van missionarissen, Vlaamse kermissen en zilverpapier.
Er was een tijd van solidariteitsacties en hulporganisaties, van gouvernementele en niet-gouvernementele ontwikkelingshulp.
Er is een tijd van ngo’s gekomen die ontwikkelen tot een nieuwe lucratieve hulpverleningsindustrie en zichzelf in stand proberen te houden ten koste van de mensen voor wie de hulp bedoeld zou zijn.
500. De hulp van vele honderden ngo’s was vaak indrukwekkend, maar niet zonder consequenties. Door de endemische corruptie binnen het ambtenarenapparaat gaven veel ngo’s er de voorkeur aan om ook in het land van aankomst ‘niet-gouvernementeel’ te blijven en enkel met lokale partners te werken. Begrijpelijk, maar niet van dien aard dat de vertrouwensband tussen overheid en bevolking werd hersteld. Bovendien creëerde de toestroom van buitenlands geld ook zoiets als ‘hulpverslaving’: Congolezen begonnen te twijfelen aan hun zelfredzaamheid.
‘Congo’ besteedt in het laatste gedeelte ook veel aandacht aan het fenomeen van de talloze kerkgenootschappen die naast de katholieke en protestante kerken mega-successen boeken. Hij vergelijkt hun paktijken met die van de middeleeuwse katholieken in Europa.
Al blijken daar wel tastbare elementen van overeind gebleven in kunsten en wetenschappen.
Wat vermoedelijk niet het geval zal zijn voor de patsers van de nieuwe religies in Afrika.
515.Een beetje man van God kon toch niet in lompen bij zijn hoogste werkgever verschijnen? Gezeten op een bombastische troon riep hij zijn gelovigen wekelijks op om gul te schenken aan zijn kerk. Ostentatief doneren werd een bewijs van devotie en deugd. Kutino liet zich de luxeauto’s en intergalactische gsm-toestellen welgevallen. ‘Ik hou van geld,’ zei hij aan een Franse journalist, ‘het helpt om goed te leven.‘ Stuitend? Ja, maar niet verschillend van de dynamiek die ervoor zorgde dat in het middeleeuwse Europa kathedralen werden gebouwd en kanunniken rondliepen in brokaat en filigraan. Postmaterialisme is een luxe voor rijken. De pauper kijkt op naar de patser.
Indringend is ook de reflectie van de auteur over zijn bezoek aan Laurent Nkunda die als krijgsheer in Noord-Kivu een terreur bewind voerde met kindsoldaten over de talloze vluchtelingenkampen en zich als locale krijgsheer niet bewust blijkt te zijn van het zwaard van Damokles dat boven zijn bloeddoorlopen ogen zweeft.
548. Beduusd van zoveel retoriek voor gevorderden stap ik met Rene en zeven anderen in een krappe jeep. In de koffer zit een kindsoldaat met een kalasjnikov. Het is bijna middernacht. We rijden oostwaarts door de natte, druipende heuvels en hopen geen Mai-mai-patrouille tegen te komen.
Ik ben bang en verward. Ik weet niet dat er op dat moment in New York een VN-rapport wordt klaargestoomd dat de Rwandese inbreng in de CNDP duidelijk aantoont, ik weet niet dat Human Rights Watch een verslag voorbereidt over de gruwelen van Nkunda. Ik ben op het punt aangekomen dat de geschiedenis nog warm is, vers en ongrijpbaar. Ik heb geen overzicht, niemand heeft overzicht.
Ik weet alleen dat ik liever met gewone mensen praat dan met bewindslieden, dat ik meer van anekdotiek leer dan van retoriek. Ik weet alleen dat ik in het vluchtelingenkamp van Mugunga in de plastic hut van Grace Nirahabimana zat, blok 48, nummer 34, ik kon er niet rechtop staan. Grace was een prachtige vrouw van 23 met twee kinderen, Fabrice en David. Haar twee broers van 12 en 16 waren door Nkunda meegenomen, haar twee zussen waren aan diarree gestorven, zij was door drie
militairen verkracht. Ze had alles achtergelaten. Haar zussen waren in het kamp gestorven – te weinig eten, geen toiletten – ze lagen begraven tussen de bananenstruiken. Het was koud toen ik bij haar op bed zat. Een gure wind joeg over het maanlandschap van lava en deed de plastic wand van haar hutje klapperen. ‘Ik voel me echt niet beschermd,’ snikte ze, ‘ik ben heel, heel bang. Bang voor Laurent Nkunda.’
In het slotstuk opent David Van Reybrouck een nieuw boeiend perspectief.
De kering van de Noord-Zuid invloed vanuit Europa naar Centraal-Afrika en vanuit de VS naar Midden-Afrika tot de Sino-Afrikaanse as zal een fundamentele wijziging in de machtsverhoudingen op een geglobaliseerde wereld bol meebrengen.
De auteur heeft die lijnen ontdekt, meer nog hij is Afrikaanse handelaarsters gevolgd tot in het Zuidchinese Guangzhou – Kanton – en terug. Naast de officiële mijnbouw- en infrastructuurcircuits bestaan er intussen gigantische kleinhandelverbindingen tussen Kinshasa en China.
De invloed van deze contacten kunnen ook niet onderschat worden.
574. Veel Congolezen trekken naar het buitenland om de verstikkende familiebanden te ontlopen. In tijden van crisis heeft de veel geroemde Afrikaanse solidariteit iets ontroerends, maar in tijden van wederopbouw zorgt ze voor een infernale logica die langetermijnprojecten onmogelijk maakt: het beetje beschikbare geld raakt onmiddellijk verkruimeld over vele monden. Herinvestering en planning kunnen op weinig waardering rekenen. In China lukt dat beter. Er zijn geen ooms en neefjes die je van hekserij betichten wanneer je weigert om het beetje geld dat je verdiend hebt te verdelen, terwijl in Congo hekserij het ultieme argument is om je tot solidariteit te dwingen.
Het is anderzijds merkwaardig hoe een erudiet, eminent en ervaren auteur-onderzoeker als David Van Reybrouck aan de ene kant een uitermate genuanceerde en precies daardoor briljante en beklijvende geschiedenis van Congo heeft geschreven maar in zijn uitlatingen over België, Vlaanderen, Europa aan een merkwaardige verziendheid lijkt te lijden.
In Congo weegt hij feiten, verhalen, cijfers, herinneringen en eigen ervaringen minutieus om tot een goed overwogen verhaal te komen.
Vanuit Congo lijkt hij blind voor de democratische problemen in Brussel, België en Europa die telkens weer omschreven worden als ‘Vanuit Congo zie ik België als het theepaviljoentje van de wereld waar men aan het keuvelen is met opgeheven pink. Beste mensen, denk ik dan: kom naar hier en durf je handen vuil te maken.’ (Humo, 04052010)
De literaire, archeologische, sociologische, antropologische methodes die hij hanteert in zijn geschiedenis van Congo zijn het meer dan waard om ook op ‘een geschiedenis van Brussel, Vlaanderen, België, Europa en de rest van de wereld’ toe te passen.
Ook dat zal een magnum opus opleveren dat weer zeer de moeite is om te lezen en te herlezen.