Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Youssef Kobo in Humo 31 03 2015 uit het raam van het Sint Romboutscollege te Mechelen?

17 augustus 2016

Youssef Kobo in Humo uit het raam in het Sint Romboutscollege

 

 

Jean-Louis Vullierme, De spiegel van het Westen – Het nazisme en de westerse beschaving

3 augustus 2016

Jean-Louis Vullierme, De spiegel van het Westen- Het nazisme en de westerse beschaving


De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2015


http://www.trouw.nl/tr/nl/6700/Wetenschap/article/detail/4145619/2015/09/19/Hitler-was-gek-noch-origineel.dhtml


http://www.dereactor.org/home/detail/naar_een_humanisme_van_de_gewone_mens/


http://www.nrcreader.nl/artikel/9997/wij-zijn-allen-nazi-s

 

Uitputtende en briljante analyse van factoren die het westen hebben gevormd tot de medeverantwoordelijkheid van iedere westerling aan het industriële uitmoorden van mensen.


Schuld bekennen, schuld opnemen voor zowat alles in de hele wereld dat vanuit het westen tot een mogelijk drama werd, wordt en nog zal worden gedreven.


Dan rest de hoop dat iedereen elders in de wereld geïmponeerd en aangetrokken wordt tot deze mea-maxima-culpa-houding en ooit zo zullen (willen) begrijpen en waarderen wat het westen allemaal voor de mensheid heeft weten te doen na deze schuldbekentenissen.


Edoch, die andere culturen hebben vaak een heel andere mening over de machtsverhoudingen en hoeven zich helemaal niet geïmponeerd noch aangetrokken te voelen tot de prachtige mea-culpa’s van het westen wat zij eerder als een uiting van zwakte zien.


En die industriële uitroeiing van mensen hebben ze lang vóór de Verlichting op vele plaatsen ook met groot succes beoefend, louter door volhardend handwerk of een ingenieuze politiek van verhongering en vergiftiging.


Bijaldien gelden Vulliermes oproepen tot mea-maxima-culpa evenzeer voor heel wat Aziatische, Afrikaanse (mfecane) en Islamitische beschavingen.


Hoofdstuk 216. 5.2 Juridisch positivisme en het effect op staatsterrorisme – bevat een zeer interessante vergelijking van rechtspositivisme in continentaal versus rechterlijk recht in de UK.


14. Mensen handelen altijd op grond van hun beelden, en hun wereldbeeld vertelt ze wat ze kunnen of moeten doen. Ze maken zich een voorstelling van de krachten die een rol spelen in hun wereld en die voor een groot deel bestaan uit de intenties van andere actoren. Als hun wereldbeeld niet past bij die krachten, slagen ze er nauwelijks in om te handelen. Zo vergist een dief zich als hij denkt dat hij van rijkdom wordt weggehouden door kluizen, muren en sloten, terwijl hij er eigenlijk alleen door mensen vandaan wordt gehouden. Materiële realiteiten zijn volledig doortrokken van sociale realiteiten, die bestaan uit intentionaliteiten. De nazi’s vallen niet buiten die algemene regel, en hun verbijsterende succes, dat alleen door militair ingrijpen werd beëindigd, geeft aan dat hun visie in hoge mate paste bij hun tijdperk.


15. De immense uitroeiing die op het programma stond, die niet kan worden gereduceerd tot een poging om het zelfrespect terug te krijgen na de vernedering van Versailles, en ook niet tot het uitroeien van alle Joodse bewoners van het aardoppervlak, was geen eenmalig iets, geen geïsoleerde, spontaan ontstane werkelijkheid waaruit je slechts de twee bekende wortels – de antisemitische, raciale ideologie en de revanchistische verdragen – hoeft te verwijderen om herhaling te voorkomen. Want ik ben bang dat de nazi’s niets zelf hebben bedacht, behalve hun industriële werkwijze. De oorsprong van de uitroeiing gaat ver terug en is wijdverbreid. Wie luistert naar wat de nazi’s zeggen, kan proberen de bestanddelen van die oorsprong te identificeren. Die zijn aanwezig in het hart van de gehele westerse beschaving.


Het doel van dit boek is om de intenties van het nazisme te begrijpen, de culturele wortels te beschrijven die het nazisme mogelijk en moeilijk te bestrijden hebben gemaakt, en te kijken wat het zelf heeft ontwikkeld – wat zoals we zullen zien niet veel is. Het gaat er daarbij niet om te ontkennen dat de bundeling van die wortels, die ouder zijn dan het nazisme zelf, uniek is, of dat de wijze van uitvoering nieuw was, maar om vast te stellen dat de essentiële onderdelen waaruit het nazisme was opgebouwd al voor de opkomst daarvan bestonden, en dat de meeste ervan nog steeds bestaan.


19. Die ideologie, die niet in Duitsland is ontstaan maar daar meedogenloos in de praktijk is gebracht, is even reëel als de rechtvaardiging en de doelstellingen ervan waanvoorstellingen zijn. Zij staat niet op zichzelf, maar past binnen een thematiek die in het nazisme haar ruimste interpretatie tot op heden vond. De bestanddelen van het coherente systeem waartoe ze behoort, die stuk voor stuk gevaarlijk zijn, waren al eerder gedeeltelijk gecombineerd, en nooit zonder gevaar. Ze zijn in staat om op ieder moment opnieuw gecombineerd te worden.


De lijst ervan, die ik hier zal opsommen, zou er in principe als volgt kunnen uitzien – in willekeurige volgorde: raciaal suprematisme, eugenetica, nationalisme, antisemitisme, propagandisme, militarisme, bureaucratisme, autoritarisme, antiparlementarisme, rechtspositivisme, politiek messianisme, kolonialisme, staatsterrorisme, populisme, jeugdcultus, historicisme en slavernij9. Hieraan moeten twee essentiële elementen worden toegevoegd die nog geen naam hebben. De neologismen die ik ervoor aandraag zijn ‘anempathisme’ en ‘acivilisme’, waarmee respectievelijk wordt aangeduid het afleren van iedere emotie bij het lijden van een ander en het ontbreken van enige speciale bescherming voor de burgerbevolking bij politie- of militaire operaties.


Geen van de in deze lijst genoemde bestanddelen had kunnen ontbreken in het nazisme zonder de aard of het verloop ervan te wijzigen. Hun gecombineerde aanwezigheid in andere contexten, inclusief in science fiction, zou een behoorlijk vergelijkbaar resultaat opleveren. Een andere combinatie had politieke  figuren mogelijk gemaakt die niet noodzakelijkerwijs minder crimineel waren, maar wel duidelijk anders, zoals het stalinisme, waarin de drie eerste factoren een kleinere rol spelen.


219. Zoals we eerder hebben opgemerkt was Hitler een positivist in de zin van Auguste Comte, overtuigd van de absolute waarheden die de wetenschap, die bij hem raciaal is, blootlegt achter historische gebeurtenissen. Hij was ook een rechtspositivist in de zin van Hobbes, en van mening dat de wet, die gelijkgesteld wordt met de orders van het wettelijk gezag, de enige bron van recht is. Hobbes’ autoritaire doctrine had geen succes gehad in Engeland, dat zich wilde onttrekken aan het absolutisme. Zijn overvloedige intellectuele nageslacht bevond zich op het vasteland, in het bijzonder in Frankrijk en Duitsland.


De politieke begrenzing die aan de vorst of zijn regering werd opgelegd in het recht gebaseerd op de rechtsprekende macht, is aanzienlijk. De wetgeving wordt ingeperkt door een recht dat eraan voorafgaat en invloed heeft op alle veranderingen die die wetgeving wil invoeren20. De monarchen zouden er een half millennium voor nodig hebben om zich ervan te bevrijden, vanwege de klerken die hun eigen belangen wilden dienen. Frankrijk was een voorvechter van de positivistische rechtsopvatting geworden, niet alleen tijdens de Revolutie, maar ook al onder het absolutisme. Lodewijk xiv, die had verklaard de staat te zijn, concludeerde daar logischerwijs uit dat hij bevoegd was om de volgorde van troonopvolging vrijelijk te veranderen, en gaf zijn buitenechtelijke kinderen er een plaats in. Het positivistische geweld begon zich aan het recht op te dringen.


250. Eén ding is zeker: de lokale comités en de zelfbesturende vakbondscellen vielen niet langs electorale weg in de handen van de permanente afgevaardigden of door de Partij aangewezen personen, om vervolgens ontdaan te worden van hun anarcho-syndicalistische elementen. Het Leninisme vereiste dat niet en stond het zelfs niet toe: het had een vertegenwoordiging ontwikkeld die des te democratischer zou zijn doordat ze niet democratisch was. De leiders van de revolutie konden het volk beter vertegenwoordigen dan dat het dat zelf kon, want alleen zij beschikten over de waarheid die ze aan de materialistisch-historische wetenschap hadden ontleend – terwijl verkiezingen ruimte boden aan revisionisme, dat al bij voorbaat werd afgekeurd.


Intern maakte het bolsjewistische bewind gebruik van een nationalisme dat leek op dat van de vroegere Franse revolutionairen, waarbij Sovjet-Rusland werd voorgesteld als een fort, belegerd door de reactionaire legers van de wereld. In naam van het militair recht liet Trotski tegenstanders fusilleren, die gelijkgesteld werden aan buitenlandse agenten en verraders van de Natie onder de wapenen. De anempathie van de moordpartijen vond haar rechtvaardiging in het historicisme. Door het verzet te breken met een terreur die was ontleend aan de Franse Revolutie, maar die op de grootst mogelijke schaal en zeer intens werd toegepast, verkregen de bolsjewieken de leiding over een grootmacht die niet door de moegestreden buren kon worden aangevallen.

Ewoud Kieft, Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918′

2 augustus 2016

Ewoud Kieft, Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918’ – De Bezige Bij, 2015


Een bijzonder intelligente benadering van het onderwerp op een welhaast kubistisch wijze vanuit de intelligentsia en de intellectuele hype van de verschillende landen, evenals hun draaien en keren in de tijd. Invoelbare analyse van hoe het oorlogsenthousiasme voor WOI toch op korte tijd kon toeslaan als een gruwelijke massahype waarin iedereen werd opgejut en meegsleept.


Interessante vergelijkingen tussen de terreur van de Zwarte Hand in Sarajevo voor WOI en de huidige situatie met islamitische terreur. Destijds voor een extreem nationalistisch doel, nu eerder om de hele mensheid te bekeren en de zuiveren te redden.


https://www.vn.nl/historicus-ewoud-kieft-over-het-meeslepende-van-oorlog/

59. Op 3 augustus deden de gezamenlijke rectoren van de universiteiten in Beieren een oproep aan hun studenten om hun studie neer te leggen en zich bij het leger aan te melden. ‘De muzen zwijgen. Het gaat nu om de strijd [...] De geestdrift  van de bevrijdingsoorlogen laait weer op en de heilige oorlog begint.’ De vooraanstaande Duitse historicus Friedrich Meinecke schreef een dag later: ‘Ieder individu dient zich van nu af aan slechts nog als een onderdeel van de grote armatuur van de staat te beschouwen.’


In Jena kwamen de studenten van de plaatselijke universiteit in de aula bijeen om te luisteren naar hun achtenzestigjarige hoogleraar  filosofie Rudolf Eucken, die hun op het hart drukte dat de oorlog een ‘louterende en verhelderende werking’ had op de zielen. ‘Dit is de beste manier om een eind aan al het kleinzielige egoïsme te maken [...] in grote waagstukken gaat hetzelfde gevoel, hetzelfde leven door het hele volk, alle standverschillen, alle partijtegenstellingen zijn verdwenen.’ De oorlog deed aanspraak op de hoogste spirituele gevoelens van de mensen, meer nog dan de Kerken dat konden doen, betoogde de bejaarde  filosoof, aan wie in 1908 nog de Nobelprijs was verleend. ‘De oorlog heeft  een grote religieuze aantrekkingskracht, die ver boven alle verschillende dogma’s en de verscheidene denominaties uit reikt.’


Rainer Maria Rilke, in het hele Duitse taalgebied geliefd vanwege zijn lyrische, sensitieve gedichten, schreef tijdens de eerste dagen van augustus opgetogen dat er nu een eind was gekomen aan alle spirituele vrijblijvendheid die in de intellectuele bovenlaag van Europa had geheerst.


76. De ware oorlogsenthousiastelingen van 1914, degenen die daadwerkelijk naar oorlog verlangden, hadden zich tijdens die anderhalve week nauwelijks onder de massa’s vertoond. Dat waren de dichters, de schilders, de wetenschappers, de intellectuelen, de dandy’s, de futuristen, de nietzscheanen en de occultisten, al diegenen die de oorlog als een persoonlijk gevoel van bevrijding ervoeren. Tot dan toe hadden ze zich verre gehouden van de massabetogingen en het straatrumoer. Hun verwelkoming van de oorlog had meer met henzelf te maken, met hun eigen verlangens en frustraties, dan met de escalerende internationale crisis die de pleinen van Europa’s hoofd- steden in beroering bracht.


Maar in de loop van de dagen en weken en maanden zou het juist deze elitaire groep zijn die het verhaal van de Grote Oorlog ging bepalen. Hun oprechte overtuiging dat de oorlog noodzakelijk was bleek in een enorme behoefte te voorzien. De vele miljoenen soldaten en hun families wilden allemaal het gevoel hebben dat de oorlog een hoger doel diende, dat hun o ers niet voor niets waren geweest.


465. Over het oorlogsenthousiasme zelf had Freud een nog eenduidiger theorie, die hij een paar maanden later tijdens een tweede lezing naar buiten bracht. De plotselinge moordzucht en vreemdelingenhaat, waar zelfs – en juist – de hoogst opgeleide, meest ‘geciviliseerde’ lagen van de bevolking zich aan overgaven, zonder enige scrupules of achting voor het internationaal recht, waren eigenlijk heel logisch. Beschaving was in feite niets meer dan de kunstmatige inperking van de menselijke driften. Met het voortschrijden van de beschaving verdwijnen de driften niet, die worden alleen maar heftiger onderdrukt. Op onbewaakte ogenblikken vinden ze altijd hun uitweg, redeneerde Freud, precies zoals ‘we bij het inslapen telkens onze moeizaam verworven zedelijkheid als een kledingstuk afwerpen – om het de volgende morgen weer aan te trekken.’


Wat in Europa was gebeurd was in die zin onvermijdelijk. Mensen leefden al jaren ‘boven hun stand’, zoals Freud het formuleerde. Het werkelijke gevaar had hem gezeten in het feit dat mensen in de illusie van beschaving waren gaan geloven, een illusie die ze zichzelf hadden aangepraat. ‘In werkelijkheid zijn ze niet zo diep gezonken als we vreesden, want ze waren lang niet zo hoog gestegen als we geloofden.’ Het uitbreken van de oorlog had de ware aard van het menselijke beest weer aan de oppervlakte gebracht, een tijdelijke oprisping, verwachtte Freud, want de sociale onderdrukkingsmechanismen zouden daarna vanzelf hun werk weer gaan doen.

Georges Simenon, De trein

9 juli 2016

Georges Simenon, De trein.

uitg. De Bezige Bij 2016

Een indrukwekkend verhaal over liefde, lafheid, schaamte en verantwoordelijkheid. Fenomenaal op- en afgebouwd.

 

110. Het is waar dat ik me misschien herhaal, dat ik in de war raak, ja, dat ik mezelf tegenspreek, want als ik schrijf, is het vooral uit de behoefte om een bepaalde waarheid te achterhalen.

172. Ik had nauwelijks een paar meter gelopen, toen er zich een silhouet losmaakte van de muur en op mij toekwam, terwijl een stem mijn naam riep: ‘Marcel.’
Ik herkende haar meteen. Ze droeg een donkere mantel en een baret. Haar gezicht leek me bleker dan ooit.
Ze kwam naast me lopen, zoals vroeger als ik zei: ‘Kom mee.’
Ze leek verkleumd van de kou en erg aangedaan, terwijl ik kalm en helder bleef.
‘Ik moet je spreken, marcel. Het is mijn laatste kans. ik ben in Fumay met een engelse piloot die ik naar de vrije zone moet brengen.’
Ik draaide me om en dacht het silhouet van een man te zien die zich verdekt had opgesteld bij de deur van matray.
‘Iemand heeft ons verraden en de gestapo zoekt ons, zit achter ons aan. we moeten ons een paar dagen kunnen schuilhouden op een veilige plaats, zodat ze ons vergeten.’
Ze hijgde onder het lopen, wat haar vroeger nooit was overkomen. Haar ogen waren omwald, haar gezicht had alle frisheid verloren.
Ik bleef met flinke stappen lopen en op het moment dat ik de hoek omsloeg naar de kade, zei ik tegen haar: ‘Weet je…’
‘Ik begrijp het.’
Ze begreep me altijd, voor ik mijn mond opendeed. Ik wilde niettemin zeggen wat ik te zeggen had.
‘De Duitsers houden me in de gaten. Ze zijn al twee keer…’
‘Ik begrijp het, marcel,’ herhaalde ze. ‘Ik neem het je niet kwalijk. Vergeef me.’
Ik kreeg niet de tijd om haar tegen te houden. Ze had rechtsomkeert gemaakt en liep snel terug naar de man die in het donker op haar wachtte.
Ik heb er nooit met iemand over gepraat. Nadat ik de radio van de dokter had gerepareerd, ben ik weer naar huis gegaan, waar jeanne in de keuken de tafel dekte, terwijl jean-François in zijn kinderstoel al zat te eten.
‘Je hebt toch geen kou gevat?’ vroeg ze, terwijl ze me aankeek.
Alles stond op zijn plaats, de meubels, alle spullen, zoals we ze hadden achtergelaten bij ons vertrek uit Fumay, en er was een kind bij gekomen in huis.
Een maand later zag ik een nog vers aanplakbiljet aan de muur van het gemeentehuis. Er stonden vijf namen op, waaronder één engelse en die van anna Kupfer. Alle vijf waren ze twee dagen eerder als spionnen gefusilleerd op de binnenplaats van de gevangenis van Mézières.
Ik ben nooit terug geweest in La Rochelle. Ik zal er ook nooit meer heen gaan.
Ik heb een vrouw, drie kinderen en een zaak in de rue du Château.

Amos Oz, Panter in de kelder

7 juli 2016

Amos Oz, Panter in de kelder

uitg. De Bezige Bij 2016

In deze nieuwe uitgave van het voor het eerst in 1998 in het Nederlands verschenen ‘Panter in de kelder’ is Amos Oz opnieuw de meester van de tederheid -  door de ogen van het kind dat hij ooit was – zoals hij dit thema verder uitwerkt in ‘Een verhaal van Liefde en Duisternis’ uit 2005.

Ik heb immers zojuist van mama gehoord dat als je moet kiezen tussen liegen en beledigen, we beter kunnen kiezen voor tact dan voor de waarheid. Als het gaat tussen vreugde teweegbrengen en de waarheid zeggen, tussen niet kwetsen en niet liegen, moeten we altijd de voorkeur geven aan grootmoedigheid boven rechtvaardigheid en eerlijkheid. En door dat te doen verhef je je ver boven de stoffige, bezwete massa en verdien je ook de meest schitterende onderscheiding van allemaal: een heel bijzonder kind. Allerminst een gewoon kind.

En over schrijven helpt hij de lezer weer tot een beter inzicht in zichzelf.
Wie de kern van het verhaal zoekt in de ruimte tussen het werk en diegenen die het geschreven heeft, vergist zich: het is erg de moeite waard om niet te zoeken in het gebied tussen het geschrevene en schrijver, maar in het gebied tussen het geschrevene en de lezer.

Ook bij ‘Panter in de kelder’ behandelde hij reeds het thema van verraad, zoals ook in ‘Judas’

‘Wie bereid is zichzelf te veranderen,’ zei Sjmoeël, ‘wie de moed heeft zichzelf te veranderen, zal altijd beschouwd worden als een verrader door degenen die niet in staat zijn tot enige verandering en doodsbang zijn voor verandering en verandering niet begrijpen en elke verandering verafschuwen.’

83. Ik zou aan niemand toebehoren en dus geen verrader zijn. Want iedereen die aan een ander toebehoorde, pleegde verraad.

160. Want het wezen van het verraad ligt niet in het feit dat de verrader plotseling in zijn eentje buiten de nauwe kring van toegewijden en getrouwen treedt. Alleen een oppervlakkige verrader zal dat doen. De echte, intense verrader is degene die zich het meest in het midden bevindt. Precies in het centrum: het is degene die de meeste gelijkenis toont, het meest betrokken is en het meest bij de zaak hoort. Degene die het meest is als iedereen en zelfs meer dan iedereen. Die werkelijk houdt van degenen die hij verraadt, want als hij niet van hen zou houden, hoe zou hij hen dan kunnen verraden?

171. Zo is ons verhaal: je komt uit de duisternis, loopt wat rond, en verdwijnt weer in de duisternis. Je laat een herinnering achter waarin pijn vermengd is met wat vrolijkheid, berouw, verbazing.
(...)
Wat is de andere kant van wat werkelijk geweest is?
Mijn moeder zei altijd: de andere kant van wat geweest is, is wat niet geweest is.
En mijn vader: de andere kant van wat geweest is, is wat nog komt.

172. Wat is het verband? Dat is moeilijk uit te leggen. En het verhaal zelf? Heb ik door het te vertellen nogmaals iedereen verraden? Of zou ik hen juist verraden hebben als ik het niet had verteld?

Lees verder »

Britta Böhler – De beslissing.

6 juli 2016

Britta Böhler – De beslissing.

uitg. Cossee 2013

Een interessante roman over drie belangrijkste dagen in het leven van de oude Thomas Mann, althans voor wie er niet al te veel van afweet en die zijn er ook in Duitsland heden ten dage steeds meer.

Boeiende bespiegelingen over schrijven, muziek, exil, ook van de auteur zelf.

 

85. Voor de schrijver zijn er maar twee bronnen, de eigen ervaring en de ervaring van anderen die een relatie met de huidige tijd en het eigen leven hebben. Een schrijver die zichzelf niet prijsgeeft, blijft een slaaf.

86. Het schrijven opgeven? Een absurd idee. Ook al moet hij zich vaak dwingen aan het werk te gaan, men weet toch alleen iets van zichzelf als men schrijft. De perioden daartussen zijn gruwelijk. Net zo gruwelijk als het idee dat hij zijn werklust op hoge leeftijd kwijt zou kunnen raken en verder te moeten leven voorbij het einde van het schrijven.

164. De muziek is de Leitkunst, zoals d schilderkunst of de beeldhouwkunst dat vroeger ooit waren. De muziek dat duivelse gebied, is een stimulans en een opiaat, abstracte ordening en naar chaos neigend tegelijk. De beleving van muziek leidt tot de terugkeer van de verdrongen dionysische levenskrachten. (…)

Er moet een relatie worden gelegd tussen muziek en de Duitse ellende; barbarij en ondergang ontstaan niet ondanks, maar juist vanwege de Duitse liefde voor muziek.

Want het Duitse volk is niet politiek, nee, in zijn diepst innerlijk is dat domein het volk volkomen vreemd. De ziel is en blijft het primaire motief bij Duitsers. Hun verhouding tot de wereld is zowat abstract als mystiek. Ze prefereren altijd het sprookje, ook als het sprookje een leugen is. Als Faustus een vertegenwoordiger van de Duitse ziel wil zijn, moet hij musicus zijn. Faustus de musicus. Een componist misschien.

Ja, een componist met een drang tot creativiteit. Bepaald door het arrogante bewustzijn  dat hij in de diepgang ver boven de wereld staat. Maar innerlijk is hij koud en heeft hij ontremming nodig, een hels vuur, en pas door het verbond met de duivel kan de doorbraak naar de genialiteit worden bereikt.

Hij haalt diep adem. En zijn eigen geschiedenis, hoe zal die eindigen? Zal hij zich moeten rechtvaardigen? Omdat hij weg is uit Duitsland, omdat hij heeft afgewacht? Ook dat weet je pas achteraf. Het oordeel van de geschiedenis is altijd ex nunc. En het is zoveel gemakkelijker te oordelen als je weet hoe alles eindigt.

173. ‘Waar ik ben, is Duitsland’, zegt hij en gaat naar de telefoon.

Joachim Pohlmann, Altijd iets.

2 juli 2016

Joachim Pohlmann, Altijd iets.
Uitg. Van Halewyck 2012

Een knap debuut van iemand die bijzonder goed weet te observeren.
Hij heeft reeds op jonge leeftijd het theater van de samenleving en de individuele spelers door. Hij durft de ideële solidaire orde in de gemeenschap van het dorp in vraag te stellen. Hij is sterk als dwarsligger, vreemdganger op de melige fanfaremuziek van het goede voor het eigen goede gevoel.
Een cynisch vervolg op ‘Groenten uit Balen’ wanneer de muziek van de grote  verontwaardiging en het rechtvaardig grote gelijk is stilgevallen.

‘Altijd iets’ staat in het Kempens idioom voor de levenswijsheid der ouderen:
“ ‘tisaltijdiet ”, en toch is er meer en kan je mensen altijd nog proberen graag te zien en de illusie koesteren om het vol te houden.
De existentiële tristesse wordt hier bij wijlen messcherp blootgelegd in grimmige dialogen tussen levensechte figuren die hun weg zoeken in het wentelende wiel van de geschiedenis waarin ze gevangen lijken.

77. En daar kreeg hij zijn eerste voorproefje van een krachtig verdovend middel. Want dat is het, een verslaving. Een verslaving aan eigenwaan. Een verslaving aan goedkeurende schouderklopjes. Een verslaving aan macht. En dan is er geen weg meer terug, want na dat kleine shotje macht wilde hij maar één ding: meer.

Met zijn volgend boek ‘Een unie van het eigen’ zit hij alvast op een hoog niveau: filosofisch, inhoudelijk en literair.

45. Beweren dat iemand niet de meester is van zijn eigen lot, maar de speelbal van krachten die ver buiten hemzelf liggen, is iemand veroordelen tot een wereld waar maar twee keuzes zijn: aanvaarden of revolteren. Zo ontneem je ieder perspectief op hoop of sociale promotie, om dat te vervangen door slaafse afhankelijkheid van elitaire willekeur.

50. Alles wat mijn grootvaders generatie heeft moeten veroveren, hebben die hippies in hun vadsigheid vakkundig om zeep geholpen. Want dat is het enige waar die fucking soixante-huitards ooit succesvol in zijn geweest: de weg vrijmaken voor blind kapitalisme ongebreideld consumentisme en narcistisch individualisme Onder het asfalt ligt het strand, en daaronder liggen hun idealen, netjes verpakt in een kist.

Lees verder »

Joachim Pohlmann, Een unie van het eigen.

23 juni 2016

Joachim Pohlmann, Een unie van het eigen.
Uitgeverij Polis 2016

Zelden las ik een boek van een Nederlandstalige auteur dat zo’n verbluffend niveau haalt.
En dan nog van zo’n jonge auteur.
Johan De Boose – Bloedgetuigen -  heeft volkomen gelijk: ‘Erudiet, complex, caleidoscopisch. Zoals een boek hoort te zijn. Zonder taboes, schaamteloos oprecht over een onuitputtelijk thema: de waanzin van de menselijke geschiedenis.’
Zelfs Joël De Ceulaer raakt de juiste snaar: ‘Een great flemish novel zoals die zelden wordt geschreven.’

‘Een unie van het eigen’ heeft iets van Bloedgetuigen, maar dan meer als een vervolggeschiedenis  tot vandaag. Minder literair – een dipje in het derde kwart – maar nog politieker met vernuftig gelaagde filosofische visies.
Het doet bij wijlen niet weinig pijn om de scalpel te voelen waarmee Pohlmann de rode abcessen opent, maar eens de druk eraf, laat hij ook ruimte tot zelfreflectie, relativering, humor met een weerhaak.

59. Hoe nobel dat doel ook was, ik verzette mij ertegen. We ondergroeven de mensenrechten door voortdurend afgeleide rechten te verabsoluteren tot mensenrechten. Als we zo doorgingen, kregen we een inflatie aan mensenrecht die deze op termijn waardeloos zou maken.

De auteur werd bijvoorbeeld zeer goed gebriefd door oud Amada-kaderleden om sommige redeneringen en scènes te kunnen beschrijven. Geboren in 1981 was hij te jong om zich dat nog maar te kunnen voorstellen. Ook de tics van de grote leider weet hij in enkele zinnen te vatten.

187. ‘De laatste weken zijn meer en meer studenten naar het Mijnbekken afgezakt. Want daar gaat het gebeuren, Rolf. Je ziet hoe de verschillende systeemdragende machten daar samenkomen om de arbeider te onderdrukken. De staat, de Société, de vakbonden… En je merkt dat de mensen het beu zijn. Alleen is er niemand die vorm kan geven aan hun verzet. Er is geen organisatie. De studenten zijn een zootje ongeregeld. Ze doen maar wat. En wat ze doen, doet vaak meer kwaad dan goed. Wat wij nodig hebben, is iemand die de boel in handen neemt. Iemand die kan organiseren, die leiding kan geven en die actie kan ondernemen. Iemand met verstand en inzicht in de verhouding van de productiemiddelen.”
Rolf nam weer een boek van de stapel. Nog enkele weken en dan zat zijn burgerdienst erop. Dan moest hij een keuze maken. Solliciteren voor een veilige baan aan de universiteit, of…
‘Dit is jouw kans, Rolf. Dit is jouw kans om te laten zien dat je het niet bij woorden laat, maar dat je ook het lef hebt om daden te stellen. Als er ooit een moment is dat we je nodig hebben, dan nu wel. Ga naar het Mijnbekken. Neem het heft in handen. Start de revolutie. Dat is jouw taak. Jouw doel. Jouw lot. Wat denk je?’

Een keer kon ik hem betrappen op een misser:
 ‘Als ik iets heb opgestoken van de pamfletten die Rolf op zolder bewaarde, dan is het wel dat volgens Stalin de voortschrijdende technologisering de enige echte voorwaarde was voor de realisatie van het socialisme. Elke overwinning van de technologie was volgens hem een overwinning van het proletariaat. En daarmee gaf Stalin een ontluisterend bewijs van zijn totale onvermogen om de essentie van he systeem te doorzien. Mao kon dat wel. Het maakte hem niet uit welke kleur de kat had, zolang die maar muizen ving. Voor de technologie maakt de aard van het systeem niet uit. De technologie legt sowieso haar voorwaarde aan et systeem op. En die voorwaarde is efficiëntie.’ (312)
Dat was Deng Xiaoping en precies pas na de dood van de grote voorzitter. Want Mao was op dat vlak minstens even dwaas als Stalin.

En twee keer een prachtige sneer met ‘noemde’ naast ‘heette’ kan tellen als relativering.

De hoofdmoot in het pleidooi van Pohlmann behandelt de technologie die als een op zichzelf staand systeem uitsluitend naar meer efficiëntie streeft.

345. Her en der schijnt de maan in dit glazen rijk waar een nieuw mensentype heerst. Zonder bindingen of verplichtingen, behalve aan het systeem. Gehoorzaam, gewillig en offervaardig. Geen slaven, maar uitvoerders. Executeurs. Vervangbaar en zich daarvan bewust. Hun overgave aan het systeem is totaal.
De technologie is niet langer hun instrument, maar het beheerst hen evenmin. Zij zijn deel geworden van die technologie. Ooit zal de synthese compleet zijn en zal alle menselijkheid uit hen verdwenen zijn. Wat overblijft is een mensmachine. Een gemechaniseerd wezen dat ook als dusdanig opereert.
Alle onderscheiden zullen stelselmatig verdwijnen naarmate het systeem zijn planetaire ambities waarmaakt. Talen zullen vervagen en vervangen worden door een efficiënte, uitgezuiverde taal die als instrumenteel communicatiemiddel kan dienen. Culturen zullen plaatsmaken voor een globale cultuur waaraan elk individu als gelijke kan deelnemen. Van New York tot Calcutta zullen de cultuurproducten slechts in gradaties van elkaar verschillen en zal het cultuurconsumptiepatroon gelijklopen. De nieuwe mythes en parabels zullen het individu vertellen hoe het zijn verlangens en driften moet beheersen om perfect gelukkig en succesvol te zijn in het systeem. Men zal misschien nog pakweg de Bijbel of Balzac lezen, maar uit een soort archeologische curiositeit. Niet omdat het iets relevants te zeggen heeft.
Sociale verschillen zullen verdwijnen en elk individu zal zijn plaats krijgen in het systeem. Alle individuen zullen gelijk zijn in het doel dat zij dienen: het vergroten van de efficiëntie van het systeem.
De macht van soevereine staten zal stelselmatig afnemen naarmate deze geïntegreerd worden in clusters van staten, die vervolgens de gehele aardbol zullen omvatten. De inspraak van het individu zal tot nul worden gereduceerd, maar niemand zal dit storend vinden. Er bestaan binnen het systeem immers geen fundamentele tegenstellingen waar- over men van mening kan verschillen. Iedereen is het eens over de richting, over het doel en over de essentie: het systeem moet steeds efficiënter worden. De fricties die bestaan, zijn van een afgeleide orde en zullen afnemen naarmate het systeem verder doordringt in het individuele bestaan. De besluitvorming zal technocratisch zijn, met voorspelbare beslissingen die op langere termijn doorlopen en steeds uitgaan van hetzelfde denkkader. Een aantal democratische symbolen zoals een parlement zullen nog bewaard blijven, maar hun impact op de beslissingen in het systeem zal marginaal zijn.
Alles zal geïntegreerd zijn in een globaal systeem dat alle facetten van het leven omvat. En als het systeem eenmaal de totale integratie van het bestaan in zijn structuren heeft bereikt, houdt wat nog rest van de mens op te bestaan.

In de beleving van Pohlmanns hoofdpersonage is er geen andere mogelijkheid tot vrijheid meer dan een enkeling die als vastberaden, gedisciplineerd strijder zijn vrijheid zal heroveren door verraad te plegen aan het systeem en vol te houden in zijn afwijzing. Want als de technologie het ooit zou laten afweten, dan maakt het systeem plaats voor de barbarij.
Hier spoort Pohlmanns boek langs Michel Houellebecq in zijn ‘Mogelijkheid van een eiland’.
Zijn ‘technologie’ als mantra en leidraad is op die manier zelfs vergelijkbaar met de ‘ideologieën’ die vooraf gingen: fascisme en communisme.

De hoofdstukken gewijd aan Prometheus en Theseus zijn indrukwekkend.

Lees verder »

Philippe Claudel, De boom in het land van de Toraja.

15 juni 2016

Philippe Claudel, De boom in het land van de Toraja.

Uitg. De Bezige Bij 2016

Een merkwaardige zoektocht tussen leven en dood, woord en beeld, liegen, veinzen en het koesteren van illusies:

141. Hoe zou de wereld eruitzien als iedereen elkaar de waarheid zou vertellen?

Claudel analyseert hier kundig flarden van een rouwproces op de melodie van falend verlangen tussen jong en oud. Met soms indrukwekkende uitschieters.

21. Je kunt nooit echt weten wat je voor een ander betekent, en aan dergelijke desillusies heb ik een paar van mijn smartelijkste teleurstellingen overgehouden.

50. Niet voor niets geef ik de voorkeur aan beelden, die het voordeel hebben dat ze onzeker en dromerig zijn, en zowel de schepper als de toeschouwer de mogelijkheid geven om ze naar eigen inzicht in te vullen.

Lees verder »

Sándor Márai, Er is in Rome iets gebeurd.

12 juni 2016

Sándor Márai, Er is in Rome iets gebeurd. 

Wereldbibliotheek 2016 – vert. Rogier van der Wal

Niet zijn beste, maar toch nog steeds een boeiende theaterroman over de macht en de manier waarop mensen ermee omgaan: gulzig, voorzichtig, angstig…

En het slot werpt een nieuw licht op de als tragisch ervaren zelfmoord van Márai zelf.

 

217. Hij overleed op hoge leeftijd. In een van de Symposia overweegt hij’ ‘Staat het een oud mens vrij om deel te nemen aan het openbare leven?’ Hij hield het voor wijzer op tijd zijn functie neer te leggen omdat het kan gebeuren dat iemand zegt: Je hebt veel Pythia’s tot het einde gediend, je hebt deelgenomen aan de offers, de processies en de dansen. Het is tijd, Plutarchus, om de krans weg te gooien en terug te treden van het orakel, omdat je een bejaard man bent.’ Zo heeft hij gehandeld. Er is overgeleverd dat hij ‘opgewekt is gestorven’. Grote dank, Meester‘. Vanwege uw Werk -  en de raad dat een oud mens bijtijds moet zwijgen.

 

66. ‘Hij gelooft dat de macht zoiets is als wanneer iemand van niets iets maakt. .. Beeldhouwen of schrijven…Je kunt het niet leren. De macht van een tiran hangt er niet van af hoe ontzettend beestachtig hij met zijn gewapende macht omgaat, hoe alert de geheime politie is, hoe corrupt het leger en hoe verrot de senaat is… Zolang de persoonlijke eigenschap, de macht van iemand  uitstraalt, zijn diens tegenstanders machteloos…’

Lees verder »

Bij de watermolen van Tielen

12 juni 2016

Die ochtend zwemmen ze bij de eerste schemering in het koele water van de Aa aan de watermolen.


 

Schermafbeelding 2016-06-12 om 15.40.52 Schermafbeelding 2016-06-12 om 15.41.06

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de watermolen op de Aa bij Tielen 

In de vroege zomer van 1944 lopen voor dag en dauw een vijftal Amerikaanse vliegeniers en parachutisten met twee leden van het lokale verzet van het Gierlese Middelveld naar de Watermolen van Tielen om te zwemmen.


Gevallen piloten en parachutisten werden immers van heinde en verre naar ‘den Amerikaan’ gebracht om via vluchtlijnen te ontsnappen aan Duitse krijgsgevangenschap of erger.


Iedereen die ervan wist, zweeg om erger te voorkomen.


Wachten op verder transport via de vluchtlijnen deden ze in het oververhitte kippenhok achter de wasserij van Antoine Neefs, de enige in de wijde omtrek die Engels sprak wegens geboren en getogen in Chicago. Zijn vrouw bracht de piloten – soms ook zwarte soldaten – op of naast de fiets via binnenwegen langs bos en wei achter het Duitse afweergeschut aan de kappel van de Kosterstraat in veiligheid.


Die ochtend zwemmen ze bij de eerste schemering in het koele water van de Aa aan de watermolen. Bij aanzwellend gebrom van een zware vrachtwagenmotor gooien alle zwemmers zich in het belendende korenveld want geen boer of molenaar had nog een vrachtwagen.


Een afdeling van de Feldgendarmerie springt opgewekt kwetterend uit de vrachtwagen in de bruisende Aa onder het scheprad van de watermolen.


Hun joelende waterspel wordt met gespitste oren gevolgd van achter korenbloemen, -halmen en klaprozen.


Na ruim een uur vertrekken de opgefriste Kettenhunde weer in Feldgrau met blikkerende ringkragen.


Het blijft nog lang heel stil in het fleurige korenveld naast de watermolen van Tielen uit de veertiende eeuw.


Nu ook te koop langs het eeuwig kolkende water onder het molenrad.

Le lendemain, 21 juillet 1944, ils traversent champs et bois et vers 17h00 rencontrent un fermier à vélo auquel ils déclarent être des aviateurs américains. Le fermier leur procure des vêtements civils qu’ils endossent par-dessus leur combinaison de vol, il leur donne à manger et ils passent la nuit dans une meule de foin sur son champ. Le 22, ils marchent jusqu’à Turnhout, qu’ils traversent et, aux abords de Lille, un fermier leur propose de l’aide et les fait rencontrer un homme parlant anglais. A partir de ce moment, l’évasion des deux hommes est organisée.

Nous supposons que ce doit être Antoon NEELS, le beau-frère de Karel PIEDFORT qui loge Cargile et Griffis chez lui au 7 Veenzijde à Gierle du 7 au 13 août, avant de les remettre à des résistants de la Witte Brigade-Fidelio.

Griffis est également déclaré logé du 7 au 12 août Chez Yvonne LOMMENS, veuve SCHOLLER, au 30 Sint-Amandslaan à Courtrai / Kortrijk. [ Ce déplacement de Gierle vers Courtrai, à 180km de là, nous paraît peu probable, d’autant plus que la liste des Helpers belges mentionne Yvonne SCHOLLER au “10 Het Smeel” à Gierle.] Griffis est renseigné comme amené en tandem par Mme VAN STEENBERGEN de Gierle et Peter NEEFS (*) le reprend avec REYNAERTS du Groupe LEEMANS de Fidelio.

Griffis part alors à Turnhout et selon des renseignements recueillis par Kamiel Mertens, l’adresse où il y est logé (du 12 au 14 août 1944 tout comme Cargile) est le n° 80 (actuellement n° 84) de la Kwakkelstraat, chez Zozine Emilienne LAFFILI, 41 ans, épouse de François VERSTRAETEN (prisonnier en Allemagne depuis mai 1940). [(*) La liste des Helpers belges reprend A. NEEFS-VAN STEENBERGEN, de même que Louis NEEFS, tous deux à la même adresse, 10 Middelveld à Gierle. Antoine NEEFS, de Gierle, s’est vu décerner la US Medal Of Freedom en 1947.

http://www.evasioncomete.org/fgriffihc.html



Wij moeten spreken over het zwijgen om erger te voorkomen.


Zijn vrienden en kameraden hebben samen met mijn vader als jonge mensen door hun zwijgen dit dorp vele ellende bespaard tijdens en na de tweede wereldoorlog.


Er is hier toen veel gebeurd, er is hier al die jaren veel verzwegen.


Maar er is hier ook veel vergeven en dat heeft aan deze dorpsgemeenschap de mogelijkheid van nieuw leven gegeven. Onderwijzers en pastoors die bij hun gemeenschap blijven, zijn onmisbaar in hun rol als geweten, geheugen en biechtstoel voor wat mensen elkaar blijven aandoen. Het vereist veel moed en liefde om desondanks te midden van de kudde te blijven leven.


Respect voor de grijze zone, voor kleine verschuivingen, voor de indirecte taal, de schuine blik en het tedere spel van geven en nemen, van veinzen en liegen kan een bevrijdende onbevangenheid toelaten.

Orhan Pamuk, Dat vreemde in mijn hoofd.

7 juni 2016

Orhan Pamuk, Dat vreemde in mijn hoofd.
vertaald door Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn. Uitg. De Bezige Bij 2016

Dat vreemde in mijn hoofd,
Een gevoel niet voor dat uur,
Voor die plek te zijn.
William Wordsworth, De prelude

De diepe kloof tussen de persoonlijke en officiële opvattingen van onze burgers is het bewijs voor de macht van de staat.
Celâl Salik, Beschouwingen.


Het spannende en snelle begin verloopt nadien meanderend doorheen tijden van geluk waaraan eerzaam gewerkt wordt. Tot halverwege het boek twijfels oplichten en krenking een opdracht wordt voor een simpel leven met een klein perspectief in een reusachtig uitdijende stad.
Een magnifiek geciseleerd verhaal – Proustiaans in Istanboel – over moderniteit en de invloed ervan op het leven der mensen, hun geliefden, herinneringen, keuzes die leiden naar succes en/of mislukkingen en finaal het ouder worden en hun verdwijnen tegen een achtergrond van politieke en economische ontwikkelingen in en om de stad.
De betekenis van het venten van boza – de licht alcoholische drank van vroeger – de uitdrijving van Grieken, Armeniërs en Christenen, de elektriciteitsincasso na de privatisering, de bouwfraude, de opkomst van de islamitische fundamentalisten en de AKP vormen de achtergrond van de soms verrassende verhaallijn.

Halfweg – wanneer je als lezer oververzadigd bent van de boza-achtige familiale anekdotes – slaat de moderniteit pas echt toe en leidt Pamuk de verbeelding van de lezer naar verschillende pistes in het labyrint van Istanboel.

Geen van allen biedt een uitweg, alle wegen leiden naar de melancholie.

Wij worden geboren in de illusie dat de wereld van ons is. Volwassen worden, is beseffen dat wij van de wereld zijn. Oud worden is begrijpen dat wij niet meer van deze wereld zijn.

‘Literatuur is verzet tegen sprakeloosheid’ (Jacq Vogelaar).

605. [...] dat ik alleen maar kan nadenken als ik loop. Zodra ik stilsta denk ik niet meer en mijn hoofd beweegt zich alleen tegelijk met mijn voeten. Jean-Jacques Rousseau, Bekentenissen

618. Mevlut woonde nu driee?nveertig jaar in Istanbul. De eerste vijfendertig jaar had hij zich ieder jaar meer met de stad verbonden gevoeld. Maar de laatste jaren voelde hij zich met het verstrijken van de tijd juist van de stad vervreemden. Kwam het door de miljoenen nieuwe mensen die als steeds hogere, onstuitbare vloedgolven over de stad sloegen, door hun nieuwe huizen, de hoge gebouwen, de overdekte winkelcentra? Mevlut zag dat de gebouwen uit 1969, het jaar dat hij naar de stad gekomen was, nu tegen de vlakte gingen, en dan niet alleen de gecekondu’s, maar ook de chiquere als in S?is?li van zo’n veertig jaar oud. Het was alsof de bewoners van die oude panden de hun toebedeelde periode in de stad hadden volgemaakt. Terwijl die mensen van vroeger samen met de gebouwen die ze hadden neergezet uit het zicht verdwenen, vestigden nieuwe mensen zich in de bouwwerken die daarvoor in de plaats kwamen en nog hoger waren, nog angstaanjagender, nog meer van beton. Hoe langer Mevlut naar die nieuwe gebouwen van dertig, veertig verdiepingen keek, hoe meer hij voelde dat hij niet een van die nieuwe mensen was.

Lees verder »

Terreur, liefde en afgunst.

5 juni 2016

Terreur, liefde en afgunst.

Is liefde niet per definitie een privé-zaak en geen politieke emotie?  Sterker nog, moeten we ons niet behoeden voor het explosieve mengsel van liefde en politiek? Volgens de Argentijnse guerrillastrijder Che Guevara in zijn boek Het socialisme en de mens op Cuba, uit I965, wordt de ware revolutionair door grote gevoelens van liefde geleid: zonder die grote liefde zou hij namelijk niet in staat zijn om zijn verdomde revolutionaire plicht te doen en tot geweld over te gaan. Liefde is dus potentieel gewelddadig en in de politiek is zij niet zozeer een liberale als wel eer revolutionaire deugd. Zijn het ook niet altijd dictators die van hun onderdanen liefde en gehoorzaamheid verwachten, terwijl in een democratie niet de liefde voor de leider of het volk regeert maar het welbegrepen eigenbelang van de individuele burgers? (Peter Venmans , Amor Mundi,11)

In Vrij Nederland van 3 juni 2016 heeft Carel Peeters het in een stukje over “Twee glorieus nutteloze essays van Amos Oz en Hans Magnus Enzensberg”

‘Voor Enzensberger is de gewelddadige islamitische fundamentalist een verliezer, iets wat je niet meteen zou denken. Hij is een verliezer ten opzichte van het energieke en welvarende Westen. Dat is de bron van zijn frustratie: ‘elke koelkast, elke telefoon, elk stopcontact, elke schroevendraaier, om maar te zwijgen van de producten van hoogontwikkelde technologie, betekent voor elke Arabier die in staat is na te denken een stille vernedering.’ De afgelopen vierhonderd jaar heeft men geen noemenswaardige uitvinding gedaan. De stilstand van de islamitische wereld, de ‘totale economische, technische en intellectuele afhankelijkheid van het Westen’ is voor de Arabier moeilijk te verkroppen. Maar in plaats dat dit tot bescheidenheid leidt, wordt deze vernedering omgezet in wraakzucht, mannelijkheidswaan en religieus superioriteitsgevoel. Men maakt zich tot een offerbereide uitverkorene. Voor Enzensberger is dit verliezersschap de eigenlijke bron van het terrorisme. De Arabische wereld gaat volgens Enzensberger niet vrijuit als voedingsmodem voor terrorisme. Hij denkt daarbij onder meer aan de afwezigheid van het ‘wederzijdsbeginsel’. Beledigen van andersdenkenden is in de Arabische wereld normaal, maar wordt ten opzichte van de islam niet geaccepteerd, zoals we hebben gezien met de cartoonrellen tot en met Charlie Hebdo. De islam moet in het Westen onbeperkt moskeeën kunnen bouwen, maar er mogen geen christelijke kerken gebouwd worden in de Arabische wereld. In Saoedi-Arabië is alleen al het bezit van een Bijbel reden tot vervolging. De haatpredikers eisen te kunnen preken op grond van de vrijheid van meningsuiting. Hun doel is die af te schaffen. Respect voor islamistische zeden wordt luidkeels geëist, maar anderen niet bewezen.’

De radicale verliezer van Hans Magnus Enzensberger is uitgegeven door Cossee
 ’Voor Amos weigeren de Israëlische en de Palestijnse fanatici te zien dat de Israëli en de Palestijnen allebei gelijk hebben en dat er daarom een compromis gevonden moet worden, een pijnlijk compromis. Het is een conflict tussen twee slachtoffers. ‘Israël is in feite één groot joods vluchtelingenkamp’, schrijft Oz. En de Palestijnen zijn ‘slachtoffers van eeuwenlange onderdrukking, uitbuiting, kolonialisme en vernedering’. De Arabische wereld was de imperialistische speeltuin van het Westen, ‘hetzelfde Europa dat de joden heeft gediscrimineerd, vervolgd, gekweld en uiteindelijk massaal vermoord.’ Maar de joden werden niet als mede-slachtoffers gezien door de Palestijnen, maar als nieuwe kolonisators. Als lid van de Vrede Nu-beweging heeft Oz jarenlang de twee-staten-oplossing bepleit, gebaseerd op de gedachte dat ze allebei gelijk hebben, de Palestijnen dat ze recht hebben op land, de Israëli dat ze een thuisland nodig hebben.’

Hoe genees je een fanaticus van Amos Oz is uitgegeven door De Bezige Bij,

Terroristen en aanhangers van dit soort gewapende ‘bevrijdingsstrijd’ beroepen zich graag op al dan niet vermeend maar steeds gekoesterd onrecht en ressentiment om eigen falen te verklaren.

Vooral onder de landerige, beter gesitueerde en soms zelfs wat gestudeerde jongeren. Gekrenkt poseren ze gretig voor de spiegel van hun rancuneus verlangen.

Een beetje zoals afgunst, jaloezie en verontwaardiging als vliegwiel moet dienen voor het socialistische gelijkheidsideaal.

Maar het kan nog erger.

Terreurzaaiende verlossers doen het meestal uit een diepe liefde voor de medemens, voor hun slachtoffers, voor ons.

Utopia van de Islamitische Staat is niet nieuw.

Gunnar Heinsohn, Zonen grijpen de wereldmacht, terrorisme demografisch verklaard. en Peter Sloterdijk, Woede en Tijd gingen er reeds uitgebreid op in.

Ook in de strijd voor het ware (nationaal-) socialisme in één land/volk of als lichtbaken voor de wereld zag de voorhoede zich graag als Prometheus die zich opofferde om het vuur van geluk en vooruitgang te verspreiden onder de lijdende mensheid.

Voor de bestwil van iedereen: een heilsleer voor de utopische staat van de toekomst.

In de tijden van oplaaiende terrorisme werd dit door de banaal vervloeiende werkelijkheid zachtjesaan opgevreten en weersproken.

Economisch en binnenlands bij de voorbeeldige heilstaten, al sleepte het wel enkele decennia aan.

Maar ook intern en organisatorisch blijkt zo’n utopisch gefundeerde macht – niet in het minst de religieuze variant – verslaafd aan corruptie en selectieve interpretaties van de eigen heilsleer.

Op dat keerpunt krimpt de kudde der gelovige strijders door permanente interne zuiveringen en lijkt het leed van de gewelddadige liefde als revolutionaire deugd weer een tijd geleden.

De cyclus van liefde en eigenbelang is een wentelend wiel van de geschiedenis.

Wat niet belet dat intussen ruim dient ingehakt te worden op deze terreur zaaiende islamitische maffia.

Profiling bij bewaking en preventie, maar ook financieel leeghalen en bestraffen. Indien de leden van de ruime familie of geloofsgemeenschap niet meewerken of bescherming bieden ook alle familiale bezittingen aanslaan waar de aflijvige helden deel aan zouden kunnen hebben zoals bij de succesvolle strijd tegen de maffia in Italië.

Frank Westerman gaat er met zijn nieuwste onderzoeksboek ‘Een woord een woord’ bij De Bezige Bij ruim kritisch en zelfkritisch op in: “Het zwaard kan niet zonder de pen. Andersom kan de pen niet zonder het zwaard.”

 

 

Peter Venmans, Amor Mundi – Hoe komen we tot een betekenisvolle relatie met de ander?

3 juni 2016

Peter Venmans, Amor Mundi – Hoe komen we tot een betekenisvolle relatie met de ander? 

Atlas Contact 2016

Wanneer herlezen nieuwe lagen, hoeken en kanten onthult, is een boek voor mij zeer geslaagd, zelfs wanneer andere deuren en ramen op een kier blijven of klemmen.

Amor Mundi van Peter Venmans is zo’n boek, met veel liefde geschreven. Bij wijlen vrank en pijnlijk vrij, dan weer omzichtig op kousenvoetjes dribbelend.

Met ruime aandacht voor de dilemma’s bij Camus, Hessel, Kant, Hegel, Arendt, Rand…

Over verontwaardiging, verzet, verantwoordelijkheid, sentimentele illusie…

En een reeks thema’s die gerust ruimer en zelfstandig kunnen uitgewerkt worden, zoals dat van de grenzen en vluchtelingen die Paul Scheffer dan weer in ‘De vrijheid van de grens’ behandelt.

 

11. Is liefde niet per definitie een privé-zaak en geen politieke emotie?  Sterker nog, moeten we ons niet behoeden voor het explosieve mengsel van liefde en politiek? Volgens de Argentijnse guerrillastrijder Che Guevara in zijn boek Het socialisme en de mens op Cuba, uit I965, wordt de ware revolutionair door grote gevoelens van liefde geleid: zonder die grote liefde zou hij namelijk niet in staat zijn om zijn verdomde revolutionaire plicht te doen en tot geweld over te gaan. Liefde is dus potentieel gewelddadig en in de politiek is zij niet zozeer een liberale als wel eer revolutionaire deugd. Zijn het ook niet altijd dictators die van hun onderdanen liefde en gehoorzaamheid verwachten, terwijl in een democratie niet de liefde voor de leider of het volk regeert maar het welbegrepen eigenbelang van de individuele burgers?

218. Een onverdeeld pleidooi voor amor mundi zou mijn boek niet worden, dat wist ik vooraf zeker. De reden daarvoor is dat amor in zijn radicale vorm een ontkenning inhoudt van het liberale pragmatische denken waar ik een grote waarde aan toeschrijf. Liefde voor de wereld kan toch nooit zover gaan dat het zelf daarbij volledig uitgewist wordt? In de liefde verliest het ik met zijn eigen, specifieke verlangens altijd enigszins aan belang. Er voltrekt zich namelijk een verplaatsing van de aandacht van de persoonsgebonden behoeftigheid naar iets anders wat louter omwille van zichzelf geëerd en bemind wordt. Een dergelijke decentrering van het subject kan voor het individu paradoxaal genoeg zeer heilzaam zijn; ze is zelfs noodzakelijk om een betekenisvol leven te leiden, want niemand is als het erop aankomt volkomen soeverein. Het ik is nooit een eiland.

 

Lees verder »

Paul Scheffer – De Vrijheid van de Grens

1 juni 2016

Paul Scheffer  – De Vrijheid van de Grens

De Bezige Bij – Lemniscaat 2016

108. Het morele misverstand rond grenzen weegt denk ik zwaarder dan de praktische mogelijkheden ervan, die zoals zal begrijpen aan beperkingen onderhevig zijn. Niemand een totalitaire staat die alle wetsovertreding met draconische middelen uitbant, en niemand wil een staat met waterdichte grenzen. Dus er zullen altijd mensen zijn die zonder toestemming de grens oversteken. Maar illegaliteit is nog nooit een argument geweest om legaliteit af te schaffen. Het gegeven dat mensen inbreuk maken op wetten, maakt die wetten nog niet achterhaald. De kern is dat we niet voldoende onderscheid maken tussen afsluiten en reguleren. Grenzen zijn filters, zoals de eerdergenoemde filosoof Regis Debray het formuleerde. Een grens sluit niet het menselijk verkeer af, maar reguleert de stroom van mensen.

Heerlijk helder, messcherp en duidelijk geformuleerd, een stevige aanzet tot een grondige discussie die verder gaat dan geroep om solidariteit en samenwerking zoals ‘Wirt schaffen das’.

 

14. Mijn beeld van Nederland veranderde door deze eerste grensverkenningen. De leegte van het kosmopolitisme in onze contreien werd me steeds duidelijker. Het idee dat we zouden leven in een land zonder grenzen, brengt een nogal vertekend beeld van onze omgeving met zich mee. (…)

…we projecteren teveel onze eigen tradities oude buitenwereld en laten daarmee zien dat we minder goed over grenzen heen kunnen reiken dan we geneigd zijn te denken. Juist door in het buitenland te verwerken en vooral te werken, zag ik de geborneerdheid van mijn eigen land zoveel beter. En de voorlopige conclusie was dat een waarachtig kosmopolitisme juist niet lag in de ontkenning van grenzen, maar in de verkenning van die grenzen en in de poging om ze te overschrijden.

18. Door zijn werk (Sloterdijk Sferen) ging ik de kwesties rondom grenzen voor het eerst als filosofische vraagstukken zien. Hoeveel grenzen heeft een open samenleving eigenlijk nodig? Een zin van Hegel had me al eerder getroffen: Iets is alleen wat het is binnen zijn grens en door zijn grens. (‘Etwas ist nur in seiner Grenze und durch seine Grenze das, was es ist.’) Ik vroeg me af: geldt dat niet ook voor de vrijheid? Als het waar is dat vrijheid alleen gediit in een vorm, dan is deze tijd waarin alles vloeibaar lijkt de voorbode van een nieuwe onvrijheid.

20. De kunst van het kosmopolitisme ligt allereerst in bescheidenheid, in de erkenning dat grenzen ertoe doen, in het vermogen om je in andere gezichtspunten te verplaatsen en vervolgens te proberen deze beperkingen te overwinnen.

Lees verder »

Julian Barnes – Het tumult van de tijd

31 mei 2016

Julian Barnes – Het tumult van de tijd – Atlas Contact 2016

 

Knap geschreven portret van de componist, de Macht en hoe eronderuit komen om te kunnen leven en schrijven.

Met beklijvende bedenkingen, ook voor de hedendaagse  volgelingen van de Macht.

108. In een ideale wereld hoort een jongeman geen ironicus te zijn. Op die leeftijd belemmert ironie de groei, hindert ze de verbeelding. Het is het beste om het leven met een opgewekt en open gemoed te beginnen, te geloven in anderen, optimistisch te zijn, vrijmoedig tegenover alles en iedereen te staan. En daarna, als men de de mensen beter gaat begrijpen, een gevoel voor ironie te ontwikkelen. De natuurlijke voortgang van het mensenleven is van optimisme naar pessimisme, en een gevoel voor ironie helpt om het pessimisme te temperen, helpt om evenwicht, harmonie te scheppen.

Maar dit was geen ideale wereld, en dus groeide de ironie op onverhoedse en vreemde manieren. Zomaar ineens als een paddenstoel; rampspoedig, als een kankergezwel.

Sarcasme was gevaarlijk voor de gebruiker, herkenbaar als de taal van de sloper en de saboteur. Maar ironie zou je – misschien, af en toe, naar hij hoopte – in staat kunnen stellen om dat waar je aan hechtte te behouden, zelfs als het tumult van de tijd luid genoeg werd om ruiten te laten springen.

 

Lees verder »

Bert Keizer, Vroeger waren we onsterfelijk.

30 mei 2016

Bert Keizer, Vroeger waren we onsterfelijk. 

De troost van filosofie, literatuur en geneeskunde.

Lemniscaat 2016

Wat ik zo bewonder aan Bert Keizer is zijn luchtige maar indringende manier waarmee hij de medische nemesis te lijf gaat.

En al lijkt het soms ironisch en badinerend, zijn stukken zijn steeds goed onderbouwd.

Niet alleen door praktijkervaring maar ook door gedegen wetenschappelijke analyse.

24. Wat ik zo bewonder in Beckett, is de eigengereidheid waarmee hij de woestijn inslentert zonder zich iets aan te trekken van de vraag of iemand hem daar zal volgen. Het interesseert hem niet of hij wel of niet gelezen gaat worden. Hoewel als dat hem echt niet zou interesseren, dan zou hij niet schrijven, dus ook hij bestaat niet helemaal uit graniet.

261. Maar wie iets wil begrijpen van de dagelijkse medische praktijk waarin men soms jaren rondzwerft op weg naar het station, om tenslotte bij de gemeentelijke begraafplaats aan te komen, zal zich moeten verdiepen in het weten, twijfelen, geloven en hopen dat ons van de dieren onderscheidt.

291. Uiteindelijk kregen de kinderen het wel voor elkaar, maar nu zitten ze met vader in nieuwe ellende.

‘Ze geven hem veel te weinig pijnstilling’, klaagt mijn  vriend.

‘Hoeveel krijgt hij dan?’

‘Morfine 6 keer 5 mg, maar die stakker blijft maar onrustig, hij kreunt en hij stamelt en hij plukt, het is niet om aan te zien.’

‘O jee, dat is een protestantse dosering.’

‘Wat lul je nou?’

Ik leg het uit. Als iemand morfine zo laag doseert, dan heb je te maken met een protestante dosering of een jonge arts.

De protestant vindt dat je lijdensverlichting niet moet overdrijven,

dus ook voor stervenden is het van belang dat ze een beetje blijven lijden, we zijn immers niet voor de lol op aarde.

De jonge arts is bijna net zo erg, maar vanuit een heel andere hoek. Zij is bang dat de patient door haar medicatie acht minuten eerder dood gaat. Vandaar.

72. lk vergeet nooit dat ik hierover een keer ruzie kreeg met een assistent lnterne. Ik vroeg hem tijdens een zondagdienst waarom nog doorging met het in mijn ogen zinloze behandeling van een bejaarde man. ‘Wat wou jij dan?’ was zijn vraag. Dat vond ik niet zo ingewikkeld ‘Laat die man toch gewoon doodgaan!’ Zijn nijdig antwoord was: ‘Wat doe jij hier eigenlijk in een ziekenhuis?’

Lees verder »

Waarom Roger Vangheluwe ondanks de harde feiten niet wordt vervolgd: het mirakel van justitie

3 mei 2016

De volledige top van de kerk blijft buiten schot in Operatie Kelk, zélfs Roger Vangheluwe, de voormalige bisschop van Brugge die met zijn bekentenis als pedofiel de zaak aan het rollen bracht. Nauwgezette lectuur van de eindvordering van het federale parket vergroot alleen maar het ongeloof: er is een berg porno bij hem aangetroffen, ‘mogelijk met minderjarigen’, een derde persoon heeft een klacht tegen hem ingediend en uit het dossier zelf blijkt dat hij nog een ander neefje langdurig heeft misbruikt. Het moet een mirakel zijn.

Naar aanleiding van dit Humo artikel van maandag 2 mei 2016 mijn opiniestuk op vrt-deredactie.be van zes jaar geleden:


LITANIE VAN DE HUBRIS, DE GROOTSTE ZONDE
02 / 05 / 2010
‘Hij leed aan de hubris en dat is zijn ondergang geworden’, verklaarde vorige zondag een wijze ouderling voor de Salvatorskathedraal van de titulaire bisschop van Brugge.
‘Toen ik hem als chauffeur ophaalde, en Roger nog eens feliciteerde met zijn benoeming, antwoordde hij: Van nu af aan is het monseigneur, nietwaar’, aldus de woordvoerder van de vorige bisschop, latere hoofdredacteur van het parochieblad, Kerk & Leven.
Hubris is de grootste zonde en de gevaarlijkste.
Het is de zonde van de godgelijkheid, van hoogmoed en overmoed.
Hubris verdrijft de menselijkheid en leidt tot verblindende eenzaamheid.
Het is de zonde van het zieke gemoed.

Metamorfose
In het fenomenale Marmorbad bij de Landgraf Karls Orangerie in het Barokke Park aan de Karlsaue te Kassel, Duitsland, beeldhouwde Pierre Etienne Monnot van 1722 tot 1728 acht taferelen uit de ‘Metamorfosen’ van Ovidius in opaal marmer. De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso stelt hier de
flexibililteit van de menselijke geest door passie en intense emotie tegenover de statische onmacht van de goden.
Wat hem op een terminale ballingschap in Tomis – vandaag Constanta aan de Roemeense Zwarte Zeekust – te staan kwam, wegens zijn oude drinkebroer Octavianus niet bepaald gelukkig. Hij had zichzelf immers net tot Goddelijke Augustus uitgeroepen. Zo’n blasfemie kon daarom niet ongestraft blijven.
In schitterende half verheven beeldhouwwerken lichten naargelang de stand van de zon op de ramen van het Marmorbad de aangezichten van de metamorfoserende hoofdfiguren op. Tegenover en naast deze intieme en intense oden aan de wervelende menselijke geest plaatste Monnot een reeks beelden van goden, die met geloken ogen onbewogen neerkijken op het leed van de stervelingen in dit ondermaanse.
Deze goden had hij reeds in Rome gebeiteld en kon hij in één moeite succesvol slijten aan de Hessische Landgraaf.

Goden zonder mededogen
Hubris is de grootste zonde van heersers, hoogwaardigheidsbekleders, leidinggevenden en politici die zich verliezen in hun godgelijke zelfbeeld met geloken ogen zonder mededogen. Uiteindelijk verstijven ze in het harnas tegen de pijn van het zijn. Een glimp van passie herkennen ze enkel nog in noodseks, drank, drugs en hun ‘deuxième bureau’ al dan niet in de residentie of hoofdstad.
Naargelang het tijdsgewricht en de appreciatie van hun woorden en werken eindigen ze opgeknoopt, onthoofd, gefusilleerd, plegen ze zelfmoord, verdwijnen ze in een klooster of eindigen ze reeds bij het leven gemummificeerd.
Dat hangt af van de cultuur van hun respectievelijke onderdanen, kiezers dan wel gelovigen.
Autoritaire boerenculturen met een grote kloof tussen arm en rijk maken vaak op gruwelijke wijze komaf met falende goden. Rusland was daarvan een stichtend voorbeeld onder de tsaren en de sovjets.
In China daarentegen werden gevallen (rode) mandarijnen doorgaans verbannen naar afgelegen oorden waar ze zich aan de rand van vijvers met goudwindes kalligrafisch konden bezinnen over het wentelende wiel van de geschiedenis, de natuur en het kronkelende pad van hun eigen leven. Ze hielden zich ver van de officiële residenties maar konden bij een wissel van het regime weer uit de luwte oprijzen.

Prelaten en priesters
Hubris is de grootste zonde van prelaten en priesters die zich zien als gezalfden. Door het afleggen van de geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid bekennen ze zich tot een superieure kaste en kunnen bijgevolg niet verplicht worden om schadevergoedingen te betalen aan mensen die lijden onder hun misbruik (sic).
Al geeft de Roomse bisschop van Rotterdam, de Salesiaan Ad Van Luyn, nu toch pastoors die kinderen misbruikt hebben aan bij het gerecht.
Zijn navolging zij geprezen.
Hubris is de grootste zonde van prelaten en kerkvorsten, van priesters en paters, van broeders en zusters en iedereen die gegeven of verworven macht misbruikt, zeker in een autoritaire hiërarchie als die van de Rooms Katholieke Kerk.
De golf aan getuigenissen over seksueel misbruik is niet exclusief eigen aan een hedendaagse kerk in een veranderende maatschappij waar vrouwen en kinderen mondiger werden en het geestelijke gezag in vraag werd gesteld.
De triomfalistische katholieke kerk van vóór de jaren zestig kende nog meer en schrijnender voorbeelden van (seksueel) machtsmisbruik. Niet alleen in Ierland, maar overal waar een hiërarchie van elders de controle van en door een gemeenschap van leden, gelovigen, bewoners overrulede.
Ook bij protestantse geloofsgemeenschappen, in boeddhistische kloosters, Thora en Talmoed scholen en Islamitische madrassas heerst vaak terreur van machtsmisbruik, ook seksueel. Maar dan onder het toeziende oog van de eigen gemeenschap. Pottenkijkers krijgen geen toegang en zolang het wereldbeeld beperkt kan blijven tot de muren van geloofs- of gemeenschapsgenoten, heerst de omerta.
Hierover heeft Philippe Claudel een beklijvende roman geschreven: ‘Het verslag van Brodeck’.

Compensatie en sublimatie
Hubris is de grootste zonde voor wie vrijwillig belooft af te zien van (seksueel) genot voor het hogere doel.
Wie hunkert naar compensatie en sublimatie dreigt vaak te verzeilen in gretigheid om de andere in zielenood te helpen. Wanneer eigen aardse talenten en verlangens werden geofferd voor neurotische herhaling van lust, verwordt ‘geestelijke’ hulpverlening tot machtsverslaving aan begeleidende pijn.
Hubris is de grootste zonde voor psychotherapeuten en hulpverleners die zich verlustigen in de spiegelende pupil van hun cliënt.
Hubris is de leraar of ouder die respect eist van een kind dat hij tot eerlijkheid dwingt bij ontbreken van gezag gebouwd op vertrouwen.
Hubris is de zonde van maakbaarheidsideologen die wreedheid cultiveren wegens de hen meegedeelde Wil van de Ene en de Ware.
Hubris is de aartsbisschop die de put van de vergeten gruwelen opent voor zijn voorganger en er zelf overheen valt.
Hubris is de prelaat of de imam die menselijke wetten overtreedt om dienstbaar te zijn aan de wil van hun grotere God.
Hubris is de grootste zonde van broeders en zusters die de kinderen van een mindere god publiek met de mond tuchtigen en in beslotenheid bevingeren.
Hubris is de rechter die de wetten interpreteert naar haar eigen schimmige belangen.
Hubris is in publieke belangen het persoonlijke prefereren boven de gemeenschap, maar ook collectieve druk laten primeren boven individueel falen.
Hubris is de zonde voor wie zich vastklampt aan mechanische wijsheden van bouwvakkersmythologieën uit angst voor het dynamische onzekerheidsprincipe van de werkelijkheid.
Hubris is steevast kiezen voor het licht boven de duisternis, voor verblindende zekerheid boven verwarrende twijfel, vooral aan jezelf.
Hubris verblindt de columnist tussen collectieve woede en individueel leed, oordeelt zonder mededogen over wie veroordeelt onder pijn.

‘En wie betaalt het gelag? De priester, die als een spons wordt gedwongen het leed op te zuigen dat door iedereen wordt afgescheiden, het verdriet, de wanhoop, het onbegrip en het gehuil; en hij moet ermee verder leven, iedere avond, nacht na nacht…Af en toe, als ik aan het eind van de middag na een lange dag naar huis ga, voel ik me loodzwaar. De mensen hebben me tot m’n oren volgegoten met leed en verdriet. Zij zijn geledigd, opgeruimd vertrekken ze en ik trek mijn habijt aan – daar ben ik voor!’ Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb. (131)

Het zwijgen der tragedie
Hubris is de grootste zonde voor wie populisme koestert als een verstikkende mantel voor de eigen ijdele onmacht: ‘In de Wetstraat staan wij enkel voor de wensen van de mensen uit de Dorpstraat!’

Infantiliseren van de kiezer is het ’sarcasme’ vanwege partijleiders – het vlees wordt vernietigend, afstandelijk en arrogant losgescheurd van de beenderen. Cynische burgers ontberen de logica van het geweld en ontwijken de val van de waanzin. Zij laten zich niet opjutten door nationalisme en verfijnde wij-zij-logica. Zij kiezen voor het minste leed, voor menselijkheid bij het samenleven in de stad en de wereld. Niets is immers wat het lijkt, zwart en wit herkennen zij als grijswaarden!
Of zoals Stefan Hertmans in ‘Het zwijgen van de tragedie’ omschreef: ‘Tragedies zijn onmogelijk geworden omdat wij niet sacraal, maar ironisch redeneren: we kunnen relativeren, we beschouwen een tragisch voorval als een ontwikkeling waaraan mensen zelf schuldig zijn, niet als een hogere fataliteit. We redeneren horizontaal en causalistisch, niet verticaal en sacraal. We geloven heilig in de relativering van waarheid. Dat is onze anti-sacrale sacraliteit.’ (277)
Hubris is de grootste zonde van Amnesty International dat een verbod op boerka of nikab in de publiek ruimte een aanslag vindt op godsdienstvrijheid.
Hubris is grenzeloos politiek correct denken als zelfverklaarde herders van andermans geweten en de publieke moraal.
Hubris is de minister of president die zijn geloof hoger acht dan de beloftes van vrede waarop hij verkozen werd.
Hubris is een koningin die zich laat fêteren door wie ze minacht, een kroonprins die zich boven constitutionele regels verheven acht, een koning die zijn kinderen niet erkent, een vader die zijn zonen ment, een moeder die haar dochters vent.
Hubris is een god die geen andere goden laat vereren.

Parels van spijt en pijn
‘Als schelpdieren zich onder water verwonden, dan maken ze prachtige parels om de wond heen, om die te helen en de pijn te verzachten, vlammende parels, ware schatten die een herinnering in zich dragen, de herinnering aan een wond… Als wij mensen ons pijn doen, of iemand anders pijn doen, dan zijn onze parels de dingen waar we spijt van hebben, wij fabriceren schitterende spijt, en in de loop van je leven worden alle dingen waar je spijt van hebt, of je nu prins, schoenmaker of senator bent, opgeschreven in een groot boek, een geweldig mooi boek met heel veel goud en verluchtingen. Het boek der schulden heet het, ze worden erin opgeschreven en opgeteld, en iedere keer als er iets bij wordt geschreven waar je spijt van hebt, dan ga je huilen en voel je zelf medelijden, maar het geeft je ook de kracht om door te gaan tot een volgende keer, en zo verloopt het leven. (….) Je gaat dood omdat je nergens meer spijt van kunt hebben…’ (173) Philippe Claudel, ‘Alles waar ik spijt van heb’.
Hubris is de grootste zonde van het Afrikaanse staatshoofd dat zich gedraagt als een stamhoofd.
Hubris is de grootste zonde van de partijleider die zijn kiezers publiek verleidt en privé misprijst om hun bigotterie.
Hubris is de grootste zonde van de politicus die beweert met schone handen de macht te mennen met gortdroge cijfers en argumenten over goed werk voor de mensen.
Hubris is de zuivere van hart en geest die als godgelijke politiek bedrijft zonder het passionele spel van liegen en bedriegen, van emoties en veinzen terwijl hij de ware macht bedient in de coulissen.
Hubris is de leider die het halfrond definitief verlaat om thuis te zijn voor vrouw en kinderen.
Hubris is de leider die sarcastisch zijn vader gehoorzaamt om nu eindelijk eens een eerbiedwaardig beroep uit te oefenen met werkzekerheid, zoals dat van gouverneur in de provincie.
Hubris is de leidinggevende die gelooft dat zijn machtsdeelname geen spel maar bittere werkelijkheid is en daarom ook thuis en privé zijn publieke rol blijft verder spelen.
Hubris is de illusie van eenheid tussen de publieke figuur en de inhoud van zijn boodschap als leider.
Hubris is de arts die gedijt bij het helen van de angst die hij verspreidt.
Hubris is meedogenloos in plaats van menselijk mededogen.
Hubris is zekerheid in plaats van twijfel.

Stefan Zweig – Ongeduld.

3 april 2016

Stefan Zweig – Ongeduld. 

Vertaald door Janneke van der Meulen. Atlas Contact 1939 – 2010

Medelijden – mooi! Maar er zijn twee soorten medelijden. De ene, de zwakke en sentimentele soort, is eigenlijk niets anders dan het ongeduld van het hart om zich zo snel mogelijk te bevrijden van het pijnlijke gevoel dat je bekruipt bij de aanblik van de ellende van een ander, die vorm van medelijden die helemaal geen mede-lijden is, maar louter instinctieve afweer van de eigen ziel tegen het lijden van een ander. En de andere soort, de enige die ertoe doet, is het onsentimentele maar vruchtbare medelijden, dat welbewust is en vastbesloten geduldig en mee-duldend alles tot het uiterste en zelfs nog verder te doorstaan. (5)

Een fenomenale psychologische roman van Stefan Zweig waarin hij empathie en intuïtief menselijk gedrag analyseert als mogelijke oorzaken van de grootste ellende.

Widerstand der Wirklichkeit – Reis naar het verleden was zijn andere roman.

De wereld van gisteren – Herinneringen van een Europeaan’   uit 1942 was een indrukwekkend autobiografisch overzicht van de voorbije halve eeuw.

‘Ungeduld des Herzens – Ongeduld’ verheldert in een prachtig vertaald verhaal nogal wat aspecten van de relatie arts-patiënt, jongeren en ouderen, ziek en gezond, individu en massa, oorlog en vrede.

Voor het eerst begon ik te begrijpen dat het ergste op deze wereld niet door slechtheid en wreedheid, maar vrijwel altijd door zwakheid wordt veroorzaakt.

Alleen op jonge mensen oefent het tragische en gevaarlijke zo’n sterke aantrekkingskracht uit.

Onze besluiten zijn in veel grotere mate afhankelijk van de aanpassing aan onze stand en omgeving dan wij geneigd zijn toe te geven.

Als je eenmaal een eerste inzicht in de menselijke natuur hebt verworven, worden daar op geheimzinnige wijze steeds weer nieuwe inzichten aan toegevoegd, en wie zich eenmaal het vermogen eigen heeft gemaakt één enkele vorm van aards lijden waarachtig mee te voelen, die is door deze magische les in staat voor alle vormen van lijden begrijp te hebben, ook voor de vreemdste en schijnbar meest ongerijmde.

Kleine zielen zullen eerder een vorst de grootste rijkdom vergeven dan dat ze iemand die hetzelfde juk draagt als zijzelf de geringste vrijheid gunnen.

Degene die zich het lot van een ander aantrekt, raakt daarmee iets van zijn eigen vrijheid kwijt.

Net als morfine is medelijden alleen in het begin een weldaad voor de zieke, een redemiddel, een soelaas, maar als je het niet weet te doseren en er niet tijdig mee stopt, dan wordt het moorddadig gif. (…) Net zoals de zenuwen steeds meer morfine nodig hebben, zo heeft het gevoel steeds meer medelijden nodig, en uiteindelijk meer dan men geven kan. Ooit komt er onvermijdelijk een moment dat je “nee” moet zeggen en je er niet om moet bekommeren of de ander je om deze laatste weigering nog meer haat dan als je hem nooit had geholpen


7. ’Wie heeft, aan hem zal worden gegeven’ – deze woorden uit het Boek der Wijsheid mag elke schrijver gerust als volgt bevestigen: ‘Wie veel heeft verteld, aan hem zal veel worden verteld. Niets is minder waar dan de al te gangbare gedachte dat in een schrijver ononderbroken de fantasie aan het werk is, dat hij over een onuitputtelijke voorraad wederwaardigheden en voorvallen beschikt die hij voortdurend tot nieuwe verhalen omsmeedt. In feite hoeft hij alleen maar, in plaats van een beroep te doen op zijn eigen vindingrijkheid, zich door personages en belevenissen te laten vinden die, zolang hij het verscherpte vermogen om te zien en te luisteren weet te behouden, steeds naar hem op zoek zijn om te worden doorverteld. Wie zich dikwijls de moeite heeft getroost de lotgevallen van de mens te duiden, aan hem vertrouwen velen hun lotgevallen toe.

Lees verder »

Ignaas Devisch, Rusteloosheid – Pleidooi voor een mateloos leven.

3 april 2016

Ignaas Devisch, Rusteloosheid – Pleidooi voor een mateloos leven.
uitg. De Bezige Bij 2016

Ignaas Devisch heeft met Rusteloosheid een boeiend en helder onderzoek opgeleverd dat met een meesterlijke pirouette keert en weert en laat zien hoe de beleving van de schrijver als boeggolf de koers van zijn schip vooruitsnelt.
Mooi geschreven en gecomponeerd voert Rusteloosheid een indringend pleidooi voor een mateloos leven tegen de pleitbezorgers van de tijd stillen en voor een andere bevlogenheid.

Of zoals Stefan Zweig het in zijn magistrale roman Ongeduld formuleert:
‘Onze besluiten zijn in veel grotere mate afhankelijk van de aanpassing aan onze stand en omgeving dan wij geneigd zijn toe te geven.’ (…)
‘Net zoals de zenuwen steeds meer morfine nodig hebben, zo heeft het gevoel steeds meer medelijden nodig, en uiteindelijk meer dan men geven kan. Ooit komt er onvermijdelijk een moment dat je “nee” moet zeggen en je er niet om moet bekommeren of de ander je om deze laatste weigering nog meer haat dan als je hem nooit had geholpen.’

43. Als je voortdurend naar rust streeft, dan toont dat vooral aan hoezeer je verlangen je aanstuurt, en dat is het tegendeel van het leven stil te zetten.

44. In de goede tijden van weleer, toen de mensen nog deugden, waren deze regels waardevol, maar in de tijd waarin we nu zijn aangekomen hebben wij er niets aan. De leefregels dateren allemaal uit de tijd van de kruisbogen, maar nu leven wij in de brillentijd en hebben ze geen nut meer, geloof mij.
De Criticon of de kunst van het leven, Balthasar Gracian

48. We zouden beter moeten weten, maar de jachtige, haastige mens, heeft de rusteloosheid nodig om niet stil te hoeven staan bij zijn levensconditie. In een vlaag van fundamenteel pessimisme besluit Pascal dat het enige goed van de mensen er in bestaat afgeleid te worden van het denken aan hun situatie. Die verstrooiing houdt ons gaande en staande.

176. Speelt het economisch principe van concurrentie niet in op een dieperliggend sociaal mechanisme dat in alle economische systemen goed gedijt? Dit sociaal mechanisme noem ik met Girard de mimetische begeerte, naar het Griekse mime?sis (nabootsing): ons verlangen spiegelt zich aan anderen. Daarom verlangen we niet naar een object op zich, maar omdat een ander het heeft. Verlangen, schrijft Girard, werkt mimetisch. We begeren iets niet om de intrinsieke waarde ervan, maar omdat anderen het hebben.

184.Wie slechts pleit voor verlangzaming of het stilzetten van de tijd om de drukte tegen te gaan, gaat voorbij aan de rusteloosheid in het leven. Rusteloosheid kan evengoed de motor zijn van passie en creativiteit. Dat lijkt voor velen van ons een belangrijke drijfveer te zijn in het leven. Passie doorbreekt misschien het evenwicht in ons leven, maar wat stelt een evenwichtig leven zonder passie voor?

De uitschuiver van Ignaas Devisch zit echter in de ondertitel: het pleidooi voor een mateloos leven, de zachte onderbuik waar weerloosheid dreigt waardeloos te worden.

Hij probeert het initieel te omzeilen met de last der jaren en onverschilligheid van Schopenhauer
79. Hoe kunnen we dan nog de toestand van gemoedsrust bereiken? Schopenhauer ziet twee lichtpuntjes in een op zich ondraaglijk bestaan: ouderdom en onverschilligheid tegenover het leven. De hoge leeftijd brengt meestal een vorm van gemoedsrust met zich mee. Oudere mensen streven minder naar iets, omdat ze niet per se nog iets willen najagen. Dat klinkt herkenbaar: op een bepaald ogenblik hebben we heel wat idealen bereikt en is de grote drang vooruit voorbij.
De tweede optie is minder vanzelfsprekend, omdat ze niet aan leeftijd is gekoppeld: een ideaal van diepe rust.

Maar: “ 231.We zijn rusteloze wezens en geen enkel verlangzaamd leven zal dat verhelpen. Dat betekent niet dat we harder moeten werken, maar wel dat we onze mateloze rusteloosheid inzetten voor de dingen die het leven de moeite waard maken, wat dat ook mag betekenen.
Waarom zou het passioneel beleven van ons mateloos leven geen mooi adagium kunnen zijn? Creativiteit, liefde, prestaties ? leven die niet allemaal bij gratie van wat tot de categoriee?n mateloosheid, gretigheid en gulzigheid behoort?
De Nederlandse zanger Ramses Shaffy (1933-2009) zong er een mooi lied over.
Met enkele strofen uit ‘Mateloos’ wil ik dit hoofdstuk afronden:
Als ik je aankijk, heb ik nergens meer greep op
Ik voel me wegdrijven, ik los op
Ik sta voor je, verlegen als een kind
Mateloos stroom ik over, mateloos.
Als ik je aankijk, heb ik nergens meer greep op
Ik swing door de straten als een discodanser
Ik sta voor je, trillend van dankbaarheid
Mateloos stroom ik over, mateloos.”

Zo’n ode aan de mateloosheid wordt makkelijk gebruikt als vrijbrief door de prinsen der eigen schepping, de egotrippers en andere jihadisten, zij die vol van god zijn en van zichzelf. Mateloosheid kan neigen tot dreigen zoals het droge tegen het vochtige.

Zelfs in tijden van rusteloosheid drijft zingeving niet op een individueel verlangen naar mateloosheid maar zit het verankerd in iemands omgeving, herkomst, geschiedenis waarbinnen verlangens evolueren in de tijd.
De beschrijving van het leven en werk van de grootmoeder van de auteur is een mooi voorbeeld dat precies zo’n pleidooi tot mateloosheid ondermijnt.

Lees verder »

Katja Petrowskaja, Misschien Esther.

29 maart 2016

Katja Petrowskaja, Misschien Esther.
De Bezige Bij 2016 Vert. W. Hansen

Steeds intiemer wordt dit verhaal van Katjas zoektocht naar wie haar is voorgegaan in de geschiedenis van de Oekraïne, Rusland, Polen, Duitsland vroeger en later.

http://www.tzum.info/2015/07/interview-katja-petrowskaja-over-misschien-esther/
http://www.zeit.de/2014/12/katja-petrowskaja-vielleicht-esther

28. Hijzelf was het resultaat van een Sovjetmetempsychose, een verandering van de krachten tussen staat, ziel en machine, de eeuwige beweging van mijn land. Vil werd in 1924 geboren, acht maanden na Lenins dood, toen het land zijn rouw uitdrukte via de naamgeving van bedrijven, steden en dorpen – Lenin leeft, en zijn naam zet de turbines van de krachtcentrales in be- weging, je naam zij Lenin, en de gloeilampen lichten op. Mijn grootouders noemden hun eerstgeborene daarom Vil, naar de overleden Vladimir Iljitsj Lenin, die gezien werd als de grootvader van alle Sovjetkinderen, want Lenin had kleinkinderen, ook al had hij geen kinderen. Vijftig later waren we nog steeds zijn kleinkinderen en we zeiden dedoesjka Lenin, want bij ons bewoog alles, alleen de tijd niet.

31. Hoe kon Vilja na de pantsergracht nog steeds geloven in de Sovjetmacht, vroeg ik aan mijn vader, en mijn vader zei, wie twijfelde heeft niet overleefd. (...)
In naam van onze vrede werkte hij voor de oorlog, maar hij sprak zelf van het evenwicht der krachten, alsof het ook hier alleen om mechanica ging.

Lees verder »

Cees Nooteboom, Een duister voorgevoel. Reizen naar Jheronimus Bosch.

28 maart 2016

Cees Nooteboom, Een duister voorgevoel. Reizen naar Jheronimus Bosch.
De Bezige Bij 2016

“Hier waren de raadsels (…) inderdaad vergroot zonder dat er een oplossing in zicht was, tenzij de oplossing nu juist het raadsel zelf was, met als enige remedie de overgave.”


Tastend en zoekend, zelfs ’s nachts terugkerend naar het Prado, omspeelt hij de raadselen, om in het vijfde postscriptum Bosch ineens naar onze tijd te halen. Weet hij het toch grandioos te benoemen. Het was alle woede waard.
Eerst het essay van Cees Nooteboom lezen, adviseert Arjan Peters, en dan voorbereid naar Bosch in Den Bosch.
Volkskrant, 12 maart 2016

http://www.debezigebij.nl/boeken/duister-voorgevoel-2/
http://www.volkskrant.nl/boeken/cees-nooteboom-kan-bosch-grandioos-benoemen~a4261374/


6. Kon de tweee?ntachtigjarige zien wat de eenentwintigjarige ooit in dat ondenkbare verleden gezien had? Volgens Plutarchus heeft Heraclitus gezegd dat het onmogelijk is tweemaal in dezelfde rivier af te dalen. Het water waar je die eerste keer in gestapt was, is om je heen gevloeid en doorgestroomd. Als je die tweede keer in de rivier stapt is het ander water. Maar ik heb de spreuk altijd anders gelezen: niet alleen het water, maar ook ik ben intussen veranderd. Degene die in 2015 naar de Hooiwagen kijkt heeft nog steeds dezelfde naam en in het normale spraakgebruik ook nog steeds hetzelfde lichaam, hij zegt er in ieder geval nog steeds mijn lichaam tegen. Ook het schilderij heeft nog dezelfde naam.

12. (…) hier waren de raadsels volgens het recept van Mulisch inderdaad vergroot zonder dat er een oplossing in zicht was, tenzij de oplossing nu juist het raadsel zelf was, met als enige remedie de overgave.

43. (…) procul recedant somnia et noctium phantasmata – mogen ze ver van ons blijven, de dromen en de drogbeelden van de nacht. Het zou me niet verbazen als al die wonderwezens met hun kwaadaardige handelingen en hun gevaarlijke en geperverteerde verschijning in het holst van de nacht de slaap van onschuldigen zijn binnengetrokken met hun donkere suggesties van zonde en de daaropvolgende straf en vergelding, en het angstige vermoeden van domeinen waarin niets is zoals het lijkt.

55. De Kruisdraging MSK - Gent : Het doek met de tronies.

Decadentie, waanzin, tandeloze kwaadaardigheid, gespuis, een naar boven gekropen onderwereld omringt het hoofd van het offer waar het om gaat, wie dit geschilderd heeft had geen hoge dunk van de wereld.
Het kruishout, ergens links bovenaan door twee kleine handen vastgehouden, snijdt diagonaal door de voorstelling naar het bijna uit hompen bestaande gezicht van de slechte moordenaar die bespot wordt door twee koppen vol geile haat, ik zie maar drie lichtpunten, het serene, in droefenis naar binnen gekeerde gezicht van Christus zelf in het midden, op weg naar zijn dood, de herhaling van dat gezicht in de zweetdoek van Veronica, en het in meditatie verzonken gezicht van Veronica zelf met haar naar beneden gerichte, gesloten ogen, en dan de andere diagonale lijn die loopt naar het gezicht van de goede moordenaar rechtsboven. Hier is het monsterlijke niet verbeeld door gedrochten en bedachte wezens, het staat geschreven in de gezichten van de mensen, als er een geluid bij zou passen zou het gekrijs zijn dat door merg en been gaat, ook dat in contrast met de stilte van de man in het midden, die onmiskenbaar met liefde geschilderd is.

61. In het prachtige boekje van Eduardo Arroyo, Al pie del can?o?n, een eigenzinnige gids van het Prado, citeert de schrijver Gregorio Maran?o?n, die zegt:
‘Jheronimus Bosch was geen Spanjaard, maar net als El Greco is Bosch onmisbaar als je het Spanje van die tijd wilt begrijpen. Hoe kan het dat de critici er niet op gekomen zijn dat Filips II, dezelfde die een afschuw had van de academische heterodoxie van El Greco’s Martelaarschap van de heilige Mauritius, zo met een niet te stelpen liefde hield van de schilderijen van Bosch? De uitleg was duidelijk. Filips was, zoals alle puriteinen, vergiftigd door de formules van het politieke denken die altijd een monsterlijk en kunstmatig gedrocht teweegbrengen dat ten slotte dodelijk is voor de ziel. De meest schadelijke vorm daarvan is de zogenaamde raison d’e?tat, de dictator van de dictatoren. Als tegengif had misschien de mystiek kunnen dienen, maar het uitoefenen van de absolute macht die hij gee?rfd had maakte dat voor hem onmogelijk, en dus zocht hij het gebruikelijke alternatief van de puritein, een verlangen naar gebrek aan eerbied en naar onfatsoen (...). Want dat is wat de schilderijen van Bosch zijn: onbeschaamdheden verkleed als kunst, ter verstrooiing voor hoge heren.’

Dr. Iona Heath: ‘ Te veel preventieve gezondheidszorg doet meer kwaad dan goed.’

15 maart 2016

“Sommigen overleven kanker omdat ze hem nooit hebben gehad”
Dwarsligger Iona Heath

DE MORGEN 11-03-2016 – Stef Selfslagh

Preventieve geneeskunde heet een zegen voor de mensheid te zijn. Maar volgens de Londense huisarts Iona Heath (66) doet te veel preventieve gezondheidszorg meer kwaad dan goed. “De farmaceutische industrie maakt gezonde mensen ziek en ongelukkig.”

Iona Heath studeert in 1974 af aan de universiteit van Cambridge. Een prestigieuze job in een Londens ziekenhuis lonkt, maar ze herinnert zich op tijd een uitspraak van haar dokter: “In een ziekenhuis blijven de ziektes dezelfde en zie je de mensen komen en gaan. In een huisartsenpraktijk blijven de mensen dezelfde en zie je de ziektes komen en gaan.”

Heath verkiest een persoonlijke relatie met haar patiënten en wordt in 1975 huisarts bij een groepspraktijk in het noorden van Londen

sommigen-overleven-kanker-....

 

De Michail Boelgakov Collectie

15 maart 2016

‘Alles gaat voorbij: lijden, kwellingen, bloed, koude en pestilentie. Het zwaard zal verdwijnen, maar de sterren zullen blijven, ook wanneer er geen schaduw van onze lichamen en werken meer op aarde zal zijn. Er is niet één mens die dit niet weet. Waarom willen wij dan onze blik niet op de sterren richten? Waarom?

Moskou, 1923-1924 Michail Boelgakov aan het einde van ‘De Witte Garde’.


Een vondst om u tegen te zeggen die viertallige website van Jan Vanhellemont over het verfilmde werk van de Russische schrijver Michail Boelgakov nav de 75ste verjaardag van het overlijden van Michail Afanasjevitsj Boelgakov op 15 mei 2015.

Op een warme zomeravond in juli 2003 keek ik, vanuit het open raam van een dakappartement in de Parijse Avenue Émile Zola, naar de Eiffeltoren. Ik was daar aan het praten met Tatiana Poppel, een Russische vriendin die daar woonde. Onderwerp van gesprek was literatuur en ik vertelde haar over mijn lievelingsboek, Cien años de soledad van Gabriel Garcia Marquez. En toen was het haar beurt. Zij vertelde een vreemd verhaal over de Duivel die naar Moskou kwam. Ik luisterde geamuseerd, zonder echter ook maar enige moeite te doen om de naam van de auteur of de titel van het boek te onthouden. Maar het verhaal bleef in het achterhoofd hangen en liet me nooit meer los.


Een jaar later kwamen de beelden terug, en hoe! Een andere Russische vriendin, Irina Ternovaya, gaf me de raad om De meester en Margarita van Michail Boelgakov te lezen. En dat heb ik gedaan. Met alle gevolgen vandien. Ik heb in Moskou alle plaatsen bezocht die in dit meesterwerk werden beschreven en ik ben Russisch gaan studeren om het ooit in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen… Jan VanHellemont, webmaster.



Nog zeer jong waren we zelf gegrepen door ‘De meester en Margarita’. Vooral de beklemming van het reëel bestaande socialisme onder kameraad Stalin bleef ons altijd bij.

Later zagen we een toneelversie die het boek zelf tekort deed.

De verfilming uit 2005 van de Russische regisseur Vladimir Bortko Master i Margarita doet naar mijn aanvoelen meer recht aan het meesterwerk van Boelgakov. De TV-serie in tien afleveringen met onder meer de acteurs Vladislav Galkin, Kirill Lavrov en Aleksandr Abdulov werd de meest succesvolle TV-serie ooit vertoond op de Russische televisie. De soundtrack werd gecomponeerd door Igor Korneljoek.

Al begrijp ik er amper wat van, het Russisch van Boelgakov klinkt vaak mooi en indrukwekkend. Deze verfilming in sepia voor de tegenwoordige tijd onder Stalin, een soort technicolor voor het deel van Pontius Pilatus en de Christus en een nieuwere kleurfilmtechniek voor de duivelse ensceneringen zoals het fenomenale bal op de Walpurgisnacht op indrukwekkende muziek.

Bijzonder is ook de inkijk in het dagelijkse leven, de verlangens en dromen van de artistieke en intellectuele nomenclatur.

Er bestaat ook een interessante soundtrack van Alfred Schnittke – The Master and Margarita

https://www.youtube.com/watch?v=Fv78Jd3NSig

https://www.youtube.com/watch?v=QJzDDDUGTBs

Jan Vanhellemont heeft deze fascinerende tv serie o.a. in het Nederlands ondertiteld.

Een tip voor Canvas online!

En verkrijgbaar via zijn fenomenale website De meester en Margarita.

De Witte Garde – Sergej Snezjkin 2012

De tweede tv-reeks naar het werk van Michael Boelgakov is ‘De Witte Garde’ over de steeds wisselende revoluties en machtsgrepen in Kiev na de eerste wereldoorlog door het leven van de familie van Dr. Toerbin.

http://pieterboulogne.com/2011/09/26/van-vergetelheid-tot-beroemdheid-de-sovjetrehabilitatie-van-boelgakov/

Het verzameld werk van Boelgakov is nu bij uitgeverij van Oorschot verkrijgbaar in één dundrukdeel – Michail Boelgakov – De meester en Margarita, romans en verhalen

In de volledige dvd collectie werden ook opgenomen:

Hondehart verfilmd door Vladimir Bortko uit 1988:

Merkwaardige sepia verfilming waardoor een erg relaistisch belevingsgevoel van de tijdsperiode waarin het verhaal zich afspeelt. Scherpe satire op Stalins ‘Nieuwe Mens’ theorieën en de dagelijkse praktijk van het leven onder de dictatuur van het proletariaat. Beklijvende weergave van de outfit, kostuum- en mode-ontwikkeling bij de verschillende protagonisten, waarvoor ook Boelgakov oog had bij het ontsluieren van de barre werkelijkheid achter de hoogstaande gelijkheidstheorieën van de nieuwe socialistische wereldorde.

Morfine verfilmd door Aleksej Balabanov uit 2008 :

Een knappe verfilming van een herkenbaar verhaal over een jonge arts in een afgelegen hospitaal en de terminale relatie met sister Morfine.

‘Lang geleden hebben verstandige mensen al opgemerkt dat gelijk is als gezondheid: als het er is, valt het je niet op. Maar als de jaren verstrijken, hoe vaak denk je dan terug aan het geluk, o, hoe vaak!

Wat mijzelf betreft is me nu duidelijk dat ik gelukkig was in de winter van 1917. Een onvergetelijk , in sneeuwstormen gedompeld, onstuimig jaar!’

Multatuli (1820-1887) – Ik weet niet waar ik sterven zal… (Saïdjahs zang)

14 maart 2016

DAGGEDICHT - Multatuli (1820-1887) – Ik weet niet waar ik sterven zal… (Saïdjahs zang)

HETMOOISTE GEDICHT·MAANDAG 14 MAART 2016
Uit het verhaal van Saïdjah en Adinda in Multatuli’s ‘Max Havelaar’ (1860).

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was
met mijn vader, om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe
water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen: ‘wie van
ons zal het lichaam verslinden, dat daar daalt in het water?’

Ik zal ‘t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van Pa-Ansoe, dat hijzelf had
aangestoken omdat hij mata-glap was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken
hout neervallen op mijn lijk.
En buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen, die
water werpen om het vuur te doden.

Ik zal ‘t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de kleine Si-Oenah zien vallen uit de klapaboom,
toen hij een klapa plukte voor zijn moeder.
Als ik val uit een klapaboom, zal ik dood neerliggen
aan de voet, in de struiken, als Si-Oenah.
Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood. Maar
anderen zullen roepen: ‘zie, daar ligt Saïdjah!’
met harde stem.

Ik zal ‘t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lijk gezien van Pa-Lisoe, die gestorven was
van hoge ouderdom, want zijn haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de
klaagvrouwen om mijn lijk staan.
En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij
Palisoe’s lijk.
En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

Ik zal ‘t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men
kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen
in de grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de
desa, oostwaarts tegen de heuvel, waar ‘t gras hoog
is…
Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar
sarong zal zachtkens voortschuiven langs het gras…

Ik zal het horen.

Bij het einde van het oudste brugrestaurant van Vlaanderen: Carestel Vosselaar 1974 – 2016

6 maart 2016

Schermafbeelding 2016-03-06 om 19.11.35 Schermafbeelding 2016-03-06 om 19.17.16

 

 

 

 

 

 

 

Hotels onder de sterren – Carestel naar de sterren

 

Hij rechtte zijn schouders zodat de mouwen van zijn witte uniformjas ruimte lieten om met één handomdraai de kurk vrij te snijden van de stoffige fles. Vóór ieder diner brak de kalende ober de bruine lak van de flessen Branco en Tinto. Boven een zilveren serveerschaal op het bijzettafeltje draaide hij zonder de Bussaco te keren een ebbenhouten trekker in de kurk waarna hij deze omzichtig omhoog kantelde.
Hij rook er even aan en hield hem dan onder de neus van de kinderen.  Die vonden het een geweldige truc. Als voorsmaakje. Er was zoveel nieuw aan oude dingen die hun aandacht gaande hielden.

In Curia Palace Hotel serveerde Alexandre de Almeida jr. zijn stevige Bussaco wijnen uit Luso. Al woog de geschiedenis in Curia zwaarder nog dan elders, een bezoek aan het Nationale Park van Bussaco werd onvermijdelijk.

(...)

Dit weekend verdween het oudste brugrestaurant van Vlaanderen uit 1974 in brutalistisch beton.

Rest nog Curia en Bussaco in Portugal…

Paul Collier – Exodus. Hoe migratie onze wereld verandert.

4 maart 2016

Paul Collier – Exodus. Hoe migratie onze wereld verandert.

Vertaald door Conny Sykore en Vera M. Sykora, Het Spectrum,

Een bijzonder interessante analyse van het fenomeen migratie – historisch en geografisch – al dan niet vermomd als de toestroom van asielzoekende vluchtelingen of kolonisten.

Alle deskundigen en zelfverklaarde deskundigen in het doen van het goede om het goede zouden Colliers analyse beter eens doornemen om de eigen goedheid naar werkelijke waarde te wegen.

Paul Collier is hoogleraar Economie in Oxford en was directeur ontwikkelingsonderzoek van de Wereldbank. Hij was topadviseur over Afrika voor Tony Blair en wordt regelmatig door verschillende wereldleiders om advies gevraagd over de armoedeproblematiek.

Paul Collier stamt zelf uit een familie met een turbulente migratiegeschiedenis. Zijn grootvader Karl Hellenschmidt emigreerde van het verarmde Duitse dorp Ernsbach naar de Noord-Engelse industriestad Bradford, destijds een van de welvarendste steden in Europa. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd zijn winkeltje in Little Germany aangevallen door een uitzinnige meute Britten, waarna hij als buitenlandse vijand achter de tralies terechtkwam. Grootmoeder bezweek aan een depressie. Twintig jaar later was het weer oorlog en liet zijn vader Karl Hellenschmidt junior zijn naam veranderen in Charles Collier. Misschien verklaart dit persoonlijke verhaal een merkwaardige tweespalt in Exodus: Collier schrijft met veel empathie en warmte over migranten, terwijl zijn visie op de maatschappelijke gevolgen van migratie bepaald somber is.

Voor de landen van aankomst acht Collier alleen een strikt beperkte, ‘gezonde’ immigratie positief. Een massale, gebrekkig gecontroleerde instroom, zoals momenteel in Groot-Brittannië of Europa, werkt ontwrichtend. In de meeste gemeenschappen is een grote diversiteit het grootste deel van de geschiedenis een nadeel geweest, concludeert hij. Vandaag heeft ongeveer een kwart van de kinderen die in Groot-Brittannië geboren worden een moeder van buitenlandse origine.

Collier wijst daarbij op de kwetsbaarheid van onze sociale voorzieningen, een zorg die ook Paul Scheffer deelt in Het land van aankomst, dat andere grote migratieboek. ‘De meeste mensen die zichzelf als progressief beschouwen, willen een multiculturalisme gecombineerd met snelle migratie en ruime sociale uitkeringen’, schrijft Collier. ‘Dat beleid is niet duurzaam.’ Vooral deze sociale kost van migratie acht Collier onaanvaardbaar hoog. In zijn argumentatie echoot luid de Belgische situatie. Zo is bijna negentig procent van de leefloners bij het Antwerpse OCMW van allochtone origine. (Pascale Verbeken in DS 24012014)

http://www.standaard.be/cnt/dmf20140123_00944029


Al valt het me op dat Paul Collier probeert zo afstandelijk mogelijk te analyseren, toch vermeldt hij slechts zelden naam en toenaam van de grootste probleem-‘culturen’, laat staan van de toenemende koloniserende invloed van de religie van de vrede.

40. Als de welvaart van de rijke landen gebaseerd is op een functioneel sociaal model, heeft dat cruciale consequenties voor migratie. Migranten ontvluchten in wezen landen met een slecht functionerend sociaal model. Het kan goed zijn die laatste zin nog eens te lezen en de implicaties ervan te overdenken. Dat zou je bijvoorbeeld een beetje meer op je hoede kunnen maken voor de goedbedoelde mantra dat we ‘respect voor andere culturen’ moeten hebben. De culturen – of normen of narratieven – van arme samenlevingen staan samen met hun instituties en organisaties onder de verdenking dat ze de voornaamste oorzaak zijn van hun armoede. Natuurlijk kunnen deze culturen, op basis van andere criteria dan of zij bijdragen aan welvaart, gelijkwaardig aan of superieur zijn aan de sociale modellen van hoge-inkomensgemeenschappen. Op het gebied van waardigheid, menslievendheid, artistieke creativiteit, humor, eer en deugd zouden zij de voorkeur kunnen verdienen. Maar migranten zelf stemmen met hun voeten voor het sociale model dat hoge lonen garandeert. De erkenning dat arme samenlevingen in economisch opzicht slecht functioneren, is geen vrijbrief om de bevolking te minachten: mensen kunnen net zo goed respect verdienen als zij strijden tegen een vijandige omgeving als wanneer zij succesvol zijn in een gunstig klimaat. Maar het zou ons moeten waarschuwen voor de lichtvaardige beweringen van het multiculturalisme: als een behoorlijke levensstandaard waarde heeft, dan zijn op grond van dat criterium niet alle culturen gelijkwaardig.

78. Robert Putnam is een vooraanstaande socioloog aan de universiteit van Harvard en de belangrijkste onderzoeker van het concept ‘sociaal kapitaal’. Aan de hand van een grote Amerikaanse steekproef onderzocht Putnam het effect van immigratie op vertrouwen. Een van zijn – schokkende – bevindingen bleek telkens terug te komen: hoe groter het aandeel immigranten in een gemeenschap, des te lager het wederzijdse vertrouwen tussen migranten en de autochtone bevolking. Met andere woorden: nabijheid leidt helemaal niet tot groter wederzijds begrip, maar juist tot meer wederzijds wantrouwen. Er is uitvoerig onderzoek gedaan naar dit verband en Putnams resultaten komen overeen met de meeste andere soortgelijke onderzoeken.

Maar Putnam ging verder en vond een volstrekt nieuw resultaat dat nog veel verontrustender is. Hoe hoger het aantal immigranten in een gemeenschap, des te lager het vertrouwen, niet alleen tussen de groepen, maar ook erbinnen. Een hoog immigratieniveau ging gepaard met minder vertrouwen tussen de autochtonen in de gemeenschap. Zoals te verwachten viel op grond van het belang van vertrouwen voor het aanmoedigen van coöperatie, manifesteerde het afgenomen vertrouwen zich in allerlei vormen van verminderde coöperatie. Putnam noemt dit effect ‘wegkruipen’: autochtonen die in een gemeenschap met veel immigranten leven, trekken zich te- rug op zichzelf, hebben minder vertrouwen en nemen minder deel aan sociale activiteiten, hebben minder vrienden en kijken meer televisie.

80. Putnam en ik suggereren niet dat de huidige diversiteit als gevolg van migratie coöperatie ernstig in gevaar heeft gebracht. Het gaat er niet om de migratie uit het verleden te hekelen, maar om de potentiële risico’s van een verdere toename in diversiteit te herkennen. Het paradoxale is dat de Europese samenlevingen met hun grote zorg voor elkaar meer risico lopen dan de duidelijk kleinere zorg voor elkaar in de Verenigde Staten. Gezien hun zeer verschillende migratiegeschiedenis is het niet verrassend dat de Europese landen meer onderlinge cohesie vertonen dan de Verenigde Staten, en hun normen weerspiegelen die grotere cohesie.

100. Sommige moderne migranten uit arme naar rijke landen zouden zich misschien graag gedragen als de kolonisten uit het verleden, maar ze bezitten geen greintje van de politieke macht, gebaseerd op superieur geweld, die de kolonisten in stelling konden brengen. Maar misschien is het moderne onderscheid tussen culturele assimilatie en culturele separatie enigszins analoog aan dat vroegere onderscheid tussen emigranten en kolonisten. Emigranten laten de samenleving waarin ze zijn opgegroeid achter en gaan deel uitmaken van een nieuwe, wat het voor hen gemakkelijker maakt om de noodzaak tot assimilatie in te zien. Kolonisten hebben niet de bedoeling om te assimileren: ze verwachten hun waarden, normen en cultuur te kunnen behouden in de samenleving waarin ze terechtkomen.

Lees verder »

Hagar Peeters, Malva

1 maart 2016

Hagar Peeters, Malva


uitg. De Bezige Bij 2015


Met een mooi geschreven magisch realistisch verhaal construeert de dichteres Hagar Peeters een indrukwekkende debuutroman.


Ze fileert als ‘Malva’, de miskende dochter met het waterhoofd van Pablo Neruda, een reeks grote dichters en schrijvers als miserabele vaders.


“Nu ik dood ben, heb ik een paar vrienden hier, onder wie Oskar Matzerath, je weet wel, die geinige dwerg met zijn blikken trommel uit de roman van Günter Grass. Daarnaast: Lucia (dochter van James Joyce en vermeend schizofreen) en Daniel (zoon van Arthur Miller; downsyndroom). 


Heden hebben wij in het Hiernamaals maar mooi de primeur:
Daniel, The Misfits part
II, door Arthur Miller post mortem.


Het stuk dat hij op Aarde nooit schreef.
Cast: Daniel Miller, Oskar Matzerath, Malva Marina Reyes alias Neruda en Lucia Joyce.’ 



Met Sokrates laat ze haar dichtende vader Pablo Neruda verwijten uitwisselen.


Waarde Neruda, als jij daadwerkelijk meent dat alle mensen gelijkwaardig zijn en dat je zwakken en de stemlozen een stem moet geven, hoe komt het dan dat jij jouw eigen dochter hebt verbannen en verzwegen?(…)


Beste Sokrates, uiteraard is dat mijn taak geweest, zo goed als het de jouwe was om voor jouw kinderen te zorgen. Drie had je er (…). Toch heb jij de gifbeker verkozen boven de zorg voor hen, terwijl je door je vrienden nog zoveel uitwegen werden geboden om aan het vonnis van de rechter te ontkomen.



Maar ik kan me niet ontdoen van het gevoel dat het mooi gereconstrueerde verhaal van Malva en haar collegae miskenden vooral bedoeld is om haar gram te halen tegenover haar eigen vader, Herman Vuijsje. Deze Nederlandse socioloog en schrijver liet haar moeder met Hagar – genoemd naar de door Abraham weggestuurde vrouw – achter voor het Chili Comité waarmee hij in 1973 aanwezig was op de begrafenis van Pablo Neruda, de eerste grote politieke manifestatie in Santiago na de staatsgreep van generaal Pinochet op 11 september. 


Hoe dubbelzinnig ze ook met deze miserabele vaders blijft omgaan, hoe hard ze ook Gunther Grass probeert te pakken met diens Oskar Matzerath in De Blikkentrommel om zijn eigenWaffen-SS lidmaatschap te verhullen, Hagar Peeters heeft wellicht nog vele mooie verhalen nodig om de relatie met haar eigen moeder en haar natuurlijke vader scherp stellen.


Het verwijt van Oskar Matzerath aan Günther Grass vond ik er behoorlijk over.


210. Ik ben alleen maar in het leven geroepen om de aandacht af te leiden van mijn vaders toetreding tot de Waffen-ss! Al mijn getrommel was er om mijn vader mooier te maken dan hij was maar niet bedoeld om de mensen werkelijk wakker te schudden.’ Zijn gezicht is vuurrood geworden en het is voor het eerst dat ik hem zo zie. Lucia wil hem troosten. Ze hurkt naast hem neer in het gras en slaat haar armen om hem heen, wat hij maar half toelaat. Ze probeert hem bij zich op schoot te trekken, terwijl ze teder in zijn oor mompelt dat zijn vader toen nog erg jong was en dat hij zich er later heel duidelijk tegen heeft uitgesproken.


‘Maar de Waffen-ss was het allerergste,’ gilt Oskar onmiddellijk terwijl hij zich uit haar omhelzing losrukt en de kapotte stokjes verder het gras in begint te trappen.


Daniel doet ook een poging. Hij zegt zo gedecideerd mogelijk dat Duitsland de mededeling niet had aangekund, als Günter die eerder zou hebben gedaan; dat hij de bekendmaking geregisseerd had, in het tempo waarin het land en de Duitsers die zouden kunnen verwerken. Dat moet hij toch kunnen begrijpen. Maar Oskar blijft erbij dat hij zich bedrogen voelt. Hij heeft al die tijd om de verkeerde redenen staan trommelen, zegt hij. Wat heel Duitsland verder vindt, zal hem persoonlijk worst wezen maar hij, zoon, voelt zich door zijn vader verraden en belachelijk gemaakt.


‘Voor niets verdwergd.’


20. De puntkomma is bij uitstek symbool van ambivalentie; van enerzijds het definitieve van de punt en anderzijds de komma van het vervolg, en doet met die dubbelhartigheid recht aan de dubbelhartigheid van het leven zelf, en van mijn gevoel ten opzichte van mijn voortbrengers; in mij komen hun beide versies samen, die elkaar uitsluiten maar niettemin beide geldig zijn omdat ze er nu eenmaal allebei geweest zijn, en die ik daarom beide recht moet doen.


De dood is een punt, o, zeker, maar een komma laat zien dat er meer komt, relativeert de punt; terwijl de punt de freischwebendheid van de komma afremt, deze stabiliseert.


Als het aan de komma lag, kwam er nooit een einde; er volgde na een komma nog een, en zo tot in het oneindige. En de punt zou met alles te snel korte metten maken. De punt zou te zeer in zijn eigen absolute gelijk geloven, stond hij volledig op zichzelf. Puntkomma is als yin en yang, als de tegenpolen die zijn verbonden in een en hetzelfde symbool, en in het zwart zit altijd een puntje wit, zoals in het wit een snufje zwart zit omdat niets definitief, niets absoluut is.

Alicja Gescinska. Een soort van liefde.

29 februari 2016

Alicja Gescinska. Een soort van liefde.


uitg. De Bezige Bij 2016


“En ik hoop dat op het einde van het verhaal, als de lezer het boek dicht slaat, het voor hem pas begint. Dat hij dan begint na te denken over de liefde.”



Met haar debuut roman is de Pools Vlaamse filosofe Alicja Gescinska erin geslaagd haar betrachting waar te maken.


Het eerste kwart van ‘Een soort van liefde’ verleidt de lezer met een reeks overwegingen die je zoals de vaderfiguur graag wil bewaren als citaten voor wie na je komen.


‘Je moet woorden proeven, niet verorberen en al helemaal niet zonder nadenken inslikken.’ Hij kon zich ergeren aan mensen die hun woorden niet zorgvuldig kozen: ‘Wie zijn taal niet verzorgt, verzorgt zijn gedachten niet. En wie zijn gedachten niet verzorgt, laat zijn ziel in lompen lopen.’


‘De kunst van het citeren schuilt niet in het gebruik van andermans woorden, maar in het wijze gebruik. Het juiste citaat op het juiste moment.’



De auteur bouwt een plot waarin verschillende liefdes elkaar door een banaal toeval vernietigend kruisen tot in een andere wereld.


En toch ook weer niet omdat alle deelnemers de wendingen van hun lot finaal als mens, bewust en zelfstandig probeerden te dragen.


Alicja Gescinska heeft met ‘Een soort van Liefde’ een indrukwekkend debuut geschreven dat lang nazindert, ook in de aanvaarding van het toeval en de soms grote gevolgen van ogenschijnlijk kleine fenomenen om ons heen.


Al zal zij niet als de ‘Moeder Teresa van de bedrukten in de Lage Landen’ gepercipieerd worden, haar verhaal biedt de lijdenden en de bedrukten wel degelijk een belangrijk filosofisch en psychologisch houvast. Ze had het er reeds over in haar essay ‘De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan’ .


“Positieve vrijheid draait om een vermogen dat je in staat stelt om zelf van je vrijheid te kunnen genieten.”



Hoe wij met de lasten en de (tegen-) slagen van het leven omgaan en wat we er binnen de gegeven parameters voor onszelf en wie ons lief is van weten te maken, hangt in die zin veel af van onze eigen houding terzake. Durf te weten, durf te handelen dan ben je alleszins minder ondergeschikt aan externe factoren en toevallige parameters.


“Het perspectief van de ander is eigenlijk een onmogelijke zaak. Wat je hooguit bereikt, is een perspectief van de ander door je eigen ogen bekeken, dus weer je eigen perspectief op iemands beweegredenen en daden.” 224.




9. Zijn onze herinneringen wel van ons, of zijn wij van onze herinneringen? Dat heeft ze zich in haar praktijk meermaals afgevraagd. We denken allemaal dat we heer en meester zijn over onze eigen gedachtewereld, maar eigenlijk zijn het onze gedachten die ons beheersen en niet omgekeerd. Onze gedachten doen ons graag geloven dat wij aan de stuurknuppel van ons leven zitten, terwijl zij het zijn die onze koers bepalen.


Wie alleen is en te veel tijd heeft om na te denken, zal op een gegeven moment toch in de val van zijn verbeelding lopen en verstrikt raken in zijn eigen hersenspinsels. De losgeslagen gedachten terug in het gelid krijgen, daar komt uiteindelijk het grootste deel van elke therapie op neer.


18. Het weegt vaak zwaarder om jezelf teleur te stellen dan een ander en een mens doet liever geen moeite dan vergeefse moeite.


46. Ze had de knoop al doorgehakt nog voor ze naar de psycholoog ging. Op dat vlak was ze een doorsneepatiënte. Velen kwamen niet om raad te vragen over hoe ze hun leven weer op orde moesten krijgen, maar eerder om te leren leven met het schuldgevoel dat de ingeslagen weg met zich meebracht.


58. Uit nieuwsgierigheid ging ik die week met haar mee, omdat ze naar de Methodist Church ging. Daarna ging ik elke week naar een andere kerk, min of meer als antropologische excursie, omdat je niet kan begrijpen hoe het er in Amerika aan toegaat als je niet begrijpt hoe het er in zijn kerken aan toegaat. Ik sloot in kerken sneller en vaker vriendschap dan in pubs of in studentenhuizen. Ik leerde Amerika pas in zijn kerken kennen, zijn verscheidenheid en de eenheid in die verscheidenheid, de oppervlakkige openheid die meer te benijden is dan de oprechte beslotenheid van de meeste Europeanen.


149. De waarheid is vaak leefbaar totdat ze hardop verwoord wordt. Zolang we haar ergens in een achterkamer van ons geweten weten te houden, kunnen we om de waarheid heen, maar eenmaal uitgesproken, breekt ze je of verbreek je haar.

The Assassin, film van Hou Hsiao-Hsien

29 februari 2016

Met The Assassin heeft regisseur Hou Hsiao-Hsien zich het Wuxia genre eigen gemaakt. In een unieke virtuose stijl geeft de filmmeester een Shakespeariaans liefdesdrama vorm.

Een jonge vrouw wordt ten tijde van de Tang Dynastie door een Taoïstische non opgeleid tot een meedogenloze moordenares, met als doel het elimineren van wrede en corrupte lokale bestuurders. Op een dag krijgt ze het bevel om haar eerste liefde, een neef die nu de grootste militaire regio in Noord-China leidt, te doden. Na 13 jaar ballingschap wordt de jonge vrouw geconfronteerd met haar ouders, haar herinneringen en lang onderdrukte gevoelens. Ze moet kiezen: blijft ze loyaal aan haar meesteres of redt ze de man van wie ze houdt?


 

Zelfs wanneer je je door verschillende hoera-besprekingen hebt laten verleiden, dan nog blijft The Assassin een bijzonder bevreemdende ervaring. 

Wie dit soort Chinese geschiedenisverhalen niet als volkssprookjes van kindsbeen af tot zich heeft genomen, is niet in staat om deze film te volgen, laat staan te begrijpen.

De film mag dan al bejubeld worden als poëzie met ontbrekende klank, woord en statische beelden waarin hooguit de glasgordijnen door een ademtocht bewegen, het blijft een miskleun die hooguit insiders kan meenemen in een verhaal dat met je eigen fantasie niet eens invulbaar is. Laat staan invoelbaar.

Ook al zitten er in ‘The Assassin’ zeer veel verwijzingen naar ‘Shi Mian Mai Fu’, deze film van Hou Hsiao-Hsien is van een zeer matig kaliber vergeleken met  ‘House of Flying Daggers’ van de Chinese regisseur Zhang Yimou op muziek van Shigeru Umebayashi.

« Vorige berichten