Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Orhan Pamuk, Het Museum van de onschuld. AP 2009

2 maart 2010

Orhan Pamuk, Het Museum van de onschuld. AP 2009

Orhan schreef met zijn Museum een cultuurmonument voor zijn stad, dé stad, ‘Eis tein polein’. In 2010 Europese Culturele hoofdstad.
Hij doet het voorzichtig, besmuikt, met passie en gène, met liefde en tederheid. Hij leidt je vrolijk in een wentelende dans binnen een helder gesluierd liefdesverhaal, onmogelijk en toch reëel. Hij probeert de tijd te doen vergeten. Want dat is de grootste troost die het leven kan bieden, het gevoel voor lineaire tijd kunnen vergeten. We vinden troost ‘als de tijd er niet is’. De tijd is bedrieglijk, de tijd is aan verandering onderhevig, er is een officiële tijd, een eigen tijd en een ‘tijd van buiten’. Maar wie het gevoel heeft dat de tijd stil staat, heeft de prettige indruk dat ‘alles tot in de oneindigheid’ blijft bestaan, wat ons een geruststellend gevoel biedt, ‘van geborgenheid, van continuïteit’.

‘À la recherche du temps perdu’, Marcel Proust in Istanbul.

Orhan Pamuk leidt je vaardig in een leven van de nieuwe rijken in Istanbul, een cultuuromslag op de grens tussen oost en west, tussen grootstad en platteland, tussen nieuw en oud, tegen een achtergrond van de gewelddadige gevechten en staatsgrepen in het Turkije van de jaren zeventig.

Het ‘Museum’ lezen is een heerlijk langdurige belevenis, een niet eindigende film, een nauwelijks te stuiten verzameling van voorwerpen: zuiver fetisjisme, maar dan zo uitvergroot dat het voor alle verzamelaars en collectioneurs kan staan. Een niet aflatend verlangen naar erotische spanning zoals bij een kleine jongen en zijn eenzame moeder, in erkers en op divans, slaap- en badkamers, cafés en restaurant, openlucht en overdekte bioscopen.

Het ‘Museum van de onschuld’ lezen is geen vluggertje. Al verleidt de Nobelprijswinnaar je telkens weer met poëzie (zijn ‘Soms’ – hoofdstuk is meesterlijk), erotiek, gesprekken, smaken, geuren, geluiden. Het is een verfijnd spel van veinzen en doen alsof, van mannentwijfel en vrouwenvertedering, van verstrooide wijsheden, en vooral van onmacht, de schoonheid van onmacht.

Orhan Pamuk is een liefdevol schrijver omdat hij de verloren tijd voor zichzelf en voor ons heeft teruggevonden.

http://www.vn.nl/Standaard-media-pagina/HetMuseumVanDeOnschuldOrhanPamuk.htm

http://www.nrcboeken.nl/recensie/smachten-naar-wat-niet-bestaat

http://www.nrcboeken.nl/recensie/pamuk-schreef-een-kloeke-roman-over-begeerte-in-een-kleine-en-grote-context

http://gerbrand.nl/orhan_pamuk_the_museum_of_innocence_interview_reading

http://www.gerbrand.nl/orhan_pamuk_the_museum_of_innocence_interview_reading

410.De betekenis van het elkaar aankijken in een maatschappij als de onze waar mannen en vrouwen elkaar buiten de familie om nauwelijks kunnen leren kennen of met elkaar kunnen afspreken, drong pas laat tot me door – misschien ook omdat ik een deel van mijn jeugd in Amerika had doorgebracht. Pas na mijn dertigste begreep ik het, dankzij Füsun… Maar ik besefte heel goed wat de waarde ervan was, en voelde steeds hoe diep het kon gaan. Füsun keek precies zo naar me als vrouwen op Iraanse miniaturen, of als vrouwen in fotoromans en filmscènes.

411. De vage wereld tussen voelen en verbeelden was een tweede grote ontdekking die ik gewaarwerd terwijl ik dank zij Füsun de subtiele kneepjes van de kijkkunst leerde. Blikken uitwisselen, dat was natuurlijk de methode om jezelf woordeloos, alleen met je ogen, uit te drukken aan degene die tegenover je zat. Maar wat je precies uitdrukte, en wat de ander er precies van begreep bleef altijd gehuld in een vaagheid die niet onaangenaam was.

412. ‘ Als u een mooie vrouw ziet lopen, kijk haar dan niet zo strak aan alsof u haar wilt vermoorden.’ (…) Sibel had me vaak verteld hoe hinderlijk mannen waren die van het platteland naar Istanbul waren getrokken en een mooie vrouw met onbedekt hoofd, voorzien van make up en lippenstift, ongegeneerd en onophoudelijk stonden aan te gapen.

463. Ik vond het heerlijk om die ‘doen-alsof’- rituelen te observeren, die ingewikkelde subtiele gedragingen waar antropologen meestal niets van begrijpen. ik vond de ‘doen-alsof’-cultuur geenszins hypocriet.

524. Mijn moeder merkte dat ik niet onder de indruk was geraakt van haar woorden en werd boos. ‘ In een land waar mannen en vrouwen niet bij elkaar kunnen komen, elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar spreken, daar kan geen liefde bestaan’, zei ze op stellige toon. ‘En weet je waarom? Omdat mannen, zodra ze maar een geschikte vrouw bespeuren, meteen boven op haar springen als een beest dat wekenlang honger heeft geleden, of ze nu mooi of lelijk, goed of slecht is. Zo zijn ze at allemaal gewend. En dan denken ze dat het liefde is. Hoe kan er in zo’n oord nu liefde ontstaan? Houd jezelf alsjeblieft niet voor de gek.’

Kunsthal Rotterdam, Binnenste Buiten – Made in Holland – Huid en Haar – Bosporus

28 februari 2010

Kunsthal Rotterdam: Binnenste Buiten, Boijmans Van Beuningen op bezoek.

Een deel van de enorme collectie uit de depots van de achterburen Museum Boijmans Van Beuningen werd langs de gigantische en nog steeds onvoltooide ondergrondse autoparking/regenwaterbuffer naar de Kunsthal versleept.
Ruim 1200 schilderijen waaronder talrijke spraakmakende kunstaankopen worden op een bizarre manier gepresenteerd. De tentoonstelling moet de indruk wekken dat je door en depot van Boijmans loopt en meteen geconfronteerd wordt met een kunstkamer uit de 17de eeuw, waar iedere hoek en kant benomen wordt door een schilderij, groot en klein, alle genres door elkaar. Het weet wel nieuwsgierigheid te wekken. In de depotsleuven hangen minder bekende werken met nauwelijks en inkijk tegenover elkaar met een nummer dat je kan uitvogelen op tweemaal drie flatscreens. Een wat merkwaardige en amateuristische toepassing van moderne media in dit genre. In drie grote historische groepen worden de depotstukken aangeboden. Een tiental topstukken zitten wat verborgen tussen het visuele labyrinth. Geen van de werken heeft een vermelding, behoudens de originele op de lijst. De liefhebbers van puzzelen kunnen zich uitleven met enkele geplastificeerde nummerkaarten opgesteld.
Opvallend wordt zo het enorme kwaliteitsverschil duidelijk tussen schilders van vroeger, de toppers waren echte toppers, de middenmoot kende uitschieters, en nogal wat bleken en bleven ondermaats, ook na een paar honderd jaar. Er hangen een paar familieportretten waarop de personages figureren als houten klazen. Kostbaar maar pijnlijk. Eenzelfde fenomeen bij de moderne stromingen waar vlakheid en visuele hoogstandjes de onbenulligheid van sommige werken hooguit nog als behang kan presenteren.
De tentoonstelling stelt de noodzaak van behoud en beheer van niet vaak getoonde objecten aan de orde. Voor eenmaal hangen deze werken uit het depot gezamenlijk op zaal: ontdek uw favorieten in de veelzijdige collectie. De Kunsthal keert Museum Boijmans Van Beuningen letterlijk binnenste buiten! Verschillende musea in Nederland maken plannen voor of zijn bezig met de bouw van nieuwe depots. Er is veel ruimte nodig om alle kunstschatten uit de Collectie Nederland te bewaren. De tentoonstelling Binnenste Buiten stelt vragen als: Hoe bewaar je kunstschatten als je weet dat in het verleden vaak andere waarderingscriteria golden dan nu? Wat is de noodzaak van het behouden en bewaren van niet vaak getoonde objecten en welke dilemma’s spelen er? Hoe snel groeit de Collectie Nederland en is ontzamelen niet een beter antwoord dan de bouw van nieuwe depots? En tenslotte, kunnen instellingen zonder collectie zoals de Kunsthal niet actiever ingezet worden om de schatten in de depots van Nederlandse musea beter zichtbaar te maken voor het publiek?’
Terecht vragen die hier geen antwoord kunnen krijgen.
Nog tot 24052010.

Made in Holland, uitvindingen en innovaties.

Kunsthal Rotterdam presenteert in samenwerking met het Nationaal Archief en de Technische Universiteit Delft een veelzijdige familietentoonstelling over Nederlandse uitvindingen en innovaties. ??Waarlijk een tochtje door een recentere versie van hollands glorie. Een reeks vernuftige ontwerpen en modellen, zeer divers filmmateriaal, octrooien en verfijnde tekeningen die duidelijk maken waarom en hoe Nederlanders uitvinden en innoveren. Vooral vroeger tot het laatste kwart van de XX ste eeuw. De tentoonstelling laat op een verrassende manier zien hoe allerhande problemen door de eeuwen heen zijn opgelost, hoe nieuwe producten worden uitgetest en hoe kleine ontwerpen onze samenleving kunnen veranderen. De collectie octrooien en tekeningen van het Nationaal Archief uit de periode 1580 tot 1990 vormt samen met de proefmodellen en ontwerpen van de TU Delft een indrukwekkend overzicht van wat Nederlandse uitvinders en ontwerpers door de eeuwen heen hebben voortgebracht. Er zijn tekeningen te zien van beroemde uitvinders als Simon Stevin en Jan Adriaanszoon Leeghwater naast de ingenieuze windbestendige SENZ stormparaplu of praatpaal van industrieel ontwerpers uit Delft. In een windturbine worden bezoekers uitgedaagd de paraplu op stormvastheid te testen.

Na de niet zo geheime geheimen van Syrische lingerie (!) te hebben doorstaan en een reeks historische trapautootjes te hebben bewonderd, blijken vooral Carolein Smit en Nicole Segers op de topverdieping de moeite waard.
Smit biedt met haar Huid en Haar prikkelhaasjes met een geveinsde arrogantie of een rode spaghetti baby die je met ontvelde grimas toelacht: balanceren tussen nieuwsgierig en walging, aantrekken en afstoten. Het heeft iets van katholieke relieken die door de eeuwen met edelstenen en goud werden bekleed om hun uitstraling meer gewicht te geven voor de argeloze gelovigen, de toeschouwers van ouder leed.

Ontmoetingen langs de Bosporus.

Nicole Segers daarentegen houdt het met haar foto’s uit 2007 langsheen de Bosporus beleefd en boeiend. Ze tast de grens af tussen Europa en Azië waar deze Istanboel doorklieft. Met de veerpont van de grote heen en weerwolf waakt ze over ontmoetingen tussen oost en west, maar niet als clichés. Ze doet het met liefde en respect en vooral vanuit de schijnbare rust van het water en het uitzicht op de verschillende delen van dé stad: ‘Eis tèn polin’. Dat maakt haar foto’s indrukwekkend en uitnodigend.

Rik Torfs, Wie gaat er dan de wereld redden? – uitg Van Halewyck 2009

23 februari 2010

Rik Torfs, Wie gaat er dan de wereld redden? – uitg Van Halewyck 2009

Zoals steeds slaagt Rik Torfs erin om weer als discrete gymleraar op te treden bij zijn programma van gymnastiek voor de geest van de lezer. Hij doet het met brio en je voelt zijn plezier in zijn zinnen. Hij laat de lezer dan ook delen in de intellectuele pret waarmee hij ondermeer zijn eigen politieke ambitie-ballonnetjes heeft gewogen en te licht bevonden. Hij doet het voorzichtig en glunderend en de lezer is niet boos wanneer hij zich erin geluisd voelt. Rik Torfs laat echter obstinaat de machtsvraag in het midden. Voor wie de wereld gaat redden is dat een ondraaglijke handicap. Al weet hij dat in kerkelijk recht redelijk te compenseren. (‘Het kerkelijk wetboek heeft het niet over mensenrechten, maar over plichten en rechten van de christengelovigen. Plichten en rechten. In die volgorde. p.99) Hij heeft de relativiteit van zijn eigen denken leren toetsen aan dat van Rik Torfs, en dat laat vaak een fijn schurend gevoel na. Schurend, zeker, want hij weet zijn lezers nog steeds hinkelend te lokken: nu eens op een linker-, dan weer op een rechterbeen, een intellectueel hinkelspel. Fijn ook, want zonder grove truken laat staan unieke zekerheden die door de strot moeten geramd. Rik Torfs haalt ze zelf met vaardigheid onderuit. Hij maakt het zelfs begrijpelijk hoe draaglijk, ja zelfs aangenaam, het geloof in de verrijzenis kan zijn. Torfs behandelt individualisme, trouw en solidariteit, normen en waarden, leven en dood. Rik Torfs lezen is balsem voor de ziel, ook van de ongelovige.

20. Je kunt immers ook knielen om je van anderen te onderscheiden. Hen op hun fouten te wijzen. Wie knielt verheft zich om wie niet knielt te vernederen.

23. Gustave Thibon: ‘ La solidarité devient enfer dès qu’on veut en faire un paradis’.

31.Gustave Thibon ziet in krampachtige trouw een cultus van het ik: ‘Alle omstandigheden om mij heen kun je veranderen, maar ik voor mij verander niet, omdat ik het niet wil. Mijn verbintenis is niet afhankelijk van de levende uitwisseling waarover jij spreekt, zij heeft voor mij een absolute waarde, geheel op zichzelf, en ik zal haar nakomen tot elke prijs.’

49-50. Omdat de universiteiten hun kritische functie niet meer kunnen of willen vervullen, vluchten ze in een moreel discours. Als ze niet langer de nieuwe ideeën leveren, dan toch de moraal. Door zich op moraal en solidariteit te storten proberen hun rectoren hun macht te herwinnen. (…) De laatste decennia zijn ze zo gewoon geraakt om zich naar regeltjes te plooien, dat ze zich nauwelijks nog een werkelijkheid kunnen inbeelden die niet door die regeltjes wordt beheerst.

86. Daarbij moet worden gedacht aan een variabel solidariteitsmodel. De West-Europese solidariteit blijft bestaan. Ze moet ook in de toekomst een pijler zijn van onze samenleving, zelfs al levert ze ons dat tegenvoer Amerikanen, Indiërs of Chinezen concurrentieel nadeel op (vaak cynisch geëxploiteerde) schaamte en morele verontwaardiging, is er nood aan een meer pragmatische solidariteit die in het begrip zelf gradaties durft te ondertekenen, gradaties die trouwens vak overeenstemmen met de keuzes van het solidaire individu.

95. Gedeelde waarden maken het leven draaglijk. Hun charme bestaat erin dat ze niet als vrijheidsbeperkend worden aangevoeld.

97. Wanneer waarden niet langer door de burgers worden gedeeld, zijn er normen om deze lacune te ondervragen. Waarden zijn niet afdwingbaar, normen wel. De norm versterkt de waarde niet, hij vervangt haar.

98. Iets wat je spontaan doet, kan het voorwerp van rebellie worden wanneer het verplichtend wordt gesteld. (…) Als een waarde die ik altijd heb nagestreefd plotseling, zonder dat ze van inhoud verandert, tot norm wordt verheven, heb ik de neiging de nieuwe norm meteen te overtreden. De norm berooft de mensen immers niet alleen van hun autonomie, maar ook van de mogelijkheid om genereus te zijn.

101. Toch gaat er een zekere charme uit van de Romeinse norm. eerder dan een echte norm, is hij een officieel erkende en bekroonde waarde, zonder dat hij in het persoonlijke leven van concrete mensen dwingend afdwingbaar wordt. Niettemin kleeft er één belangrijk nadeel aan de Latijnse normcultuur: je moet een insider zijn om te weten wanneer het echt serieus wordt. Wanneer de norm niet alleen om eerbiediging, maar ook om naleving vraagt. Het volstaat niet te lezen wat er staat, zwart op wit. Je bent verplicht een kunstenaar te zijn om in te schatten of de norm naleving vereist. Een kusntenaar? Op zijn minst een levenskunstenaar. Dat vinden wij niet fijn, want levenskunstenaars wensen wij niet te worden.

119. Je dient je onder te dompelen in het bloedeloze jargon van de onderwijskundigen, een beroepscategorie die er alles aan doet om de bijzonder simpele redeneringen die zij ontwikkelt in een ontoegankelijke jargontaal te verpakken, zodat ze voor de gemiddelde burger volledig ontoegankelijk worden en er dus een schijn van geleerdheid ontstaat.

131. Normen en waarden zijn geen synoniemen. Waarden zijn gedragswijzen die door mensen spontaan worden gevolgd. Normen worden opgelegd en zijn afdwingbaar. Naarmate de waarden sterker verdampen, is er nood aan meer normen, maar dat is geen succes, en allerminst een teken van maatschappelijke gezondheid.

148. Gruwelijk is de samenleving waarin aan niemand iets te verwijten valt.

162. De idealistische Chirojongens die in de jaren zestig of zeventig van de vorige eeuw plotseling maoïst werden in plaats van naar het priesterseminarie te trekken zoals amper een decennium voordien, veranderden niet echt van mening. Ze ruilden de ene zekerheid voor de ander in, belangrijk was vooral dat ze geen dag zonder zekerheid waren.

196. Wat iedereen kan delen, of toch zou moeten delen, is een publieke redelijkheid die wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Daarnaast is er een soort van private, minder wetenschappelijke redelijkheid die je niet zomaar met anderen kan bespreken en al zeker niet kan opdringen. Het gaat daarbij niet langer om het zuiver rationele. Onze gevoelens sijpelen erin binnen en kleuren de ideeën.

202.Over smaken, kleuren en vrouwen kan niet worden gediscussieerd. Wat een ongelooflijke onzin! Want waarover zouden we anders in godsnaam moeten discussiëren?

207. Over twijfel gesproken. Zit daar niet een groot deel van de spirituele identiteit van Europa? Europeanen hebben geleerd te twijfelen. Doe je dat niet, en heb je altijd gelijk, dan dreig je de andere, die helaas altijd ongelijk heeft om die reden te vermoorden. Dat hebben wij in Europa heel vak gedaan, denk maar aan de godsdienstoorlogen. Ook later speelde een gebrek aan twijfel ons parten. Adolf Hitler zal wellicht neit worden herinnerd als de man die zijn volk leerde twijfelen. Twijfel bevrijdt ons van fanatisme. Twijfel en humor, die natuurlijk ook een vorm van twijfel is, omdat humor wat absoluut lijkt van zijn voetstuk haalt.

222. Maar de vrijheid die het risico inhoudt dat er echt een mening wordt vertolkt die geprefabriceerde gedachten verstoort, stuit nog steeds op meer argwaan dan doorgaans wordt vermoed. Zeker aan de universiteiten, maar ook in creatieve milieus.

238. We zijn ons verrijzenisgeloof kwijtgespeeld omdat we bang zijn om te dromen en te vertrouwen.

Het vijfde Gravensteenmanifest: Driemaal links is ook rechts.

21 februari 2010

22 februari 2010
Het vijfde Gravensteenmanifest: Driemaal links is ook rechts.

Politiek links in Vlaanderen smelt weg. Klopt het hart van de Vlamingen inderdaad rechts, zoals de recente publicatie, Rechts Vlaanderen van Henk de Smaele, beweert? Of is het eerder zo dat de kiezers zich niet meer herkennen in wat ‘linkse partijen’ hen te bieden hebben? De Gravensteengroep, bestaande uit leden met verschillende politieke en ideologische achtergronden, neigt naar het tweede antwoord.

Ten eerste stelt links geen structurele hervormingen meer voor, maar beperkt het zich tot een sociaal beleid. Links voert geen economische strijd meer. Ten tweede kiest links na de sterke opkomst van rechts in Vlaanderen voor de moraliserende reactie. Het morele oordeel vervangt analyse en onderzoek. Links hypothekeert hiermee zelf de mogelijkheid tot efficiënte politieke acties. Ten derde: ter compensatie van zijn slinkende kracht in Vlaanderen, teert links op de macht van de linkse partijen in Franstalig België.

Precies de weerstand van de Franstalige partijen tegen een democratische staatshervorming verhindert echter de efficiënte organisatie van een sociaal beleid. Dit beleid omvat de belangrijkste hefbomen voor een herverdeling van de welvaart, zoals fiscaliteit, sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid. ‘Solidariteit’ in België lijkt steeds meer op liefdadigheid, omdat de federale overheid geld verdeelt zonder structurele aansporing tot economische aanpassingen of tot politieke verantwoordelijkheid (onder meer door de Bijzondere Financieringswet 1989). Vlaams links biedt geen verzet, want het denkt in termen van de Belgische machtsstructuren. Zo gaat het echter voorbij aan de culturele en sociale strijd van zijn eigen verleden. De Rode Leeuwen zijn tricolore muizen geworden.

De linkse leegte

Linkse politici hebben de opmars van de (neo)-liberale politiek niet tegengehouden, integendeel: sinds het einde van de jaren 1980 hebben ze mee overheidsbedrijven geprivatiseerd, de pensioenen naar de beurs verplaatst, regelgeving en controle op de financiële markten afgebouwd (Schröder in Duitsland, Jospin in Frankrijk, het duo Blair-Brown in Groot-Brittannië, Clinton in de VS). In België tolereert links een onrechtvaardige fiscale politiek.

In deze context vormt ‘solidariteit’ niet langer de inzet voor een politiek-economische strijd ter verdediging van de zwakkeren. Die solidariteit garandeert zelfs geen billijke herverdeling meer. Links legitimeert de eigen inertie door te stellen dat het (neo)-liberalisme de enig overblijvende ideologie is waartegen het, ook op Europees vlak, bitter weinig vermag. Het bewijst lippendienst aan een slecht omschreven ‘solidariteit’, maar staat sprakeloos tegenover het onbeperkte streven naar winstmaximalisatie.

Het potentiële linkse electoraat haakt af, omdat deze voorgestelde ‘solidariteit’ hoofdzakelijk inspanningen vraagt van de traditioneel belangrijkste component van dat electoraat, namelijk de werkende bevolking. Opdat zij zonder morren zou bijdragen aan banken in crisis, aan schatkisten zonder bodem, en aan nieuwkomers in nood.

Links spitst zich intussen toe op het sociaal beleid. Daardoor verschuift zijn doelpubliek van de werknemers naar de sociaal hulpbehoevenden. Als deze laatste groep vandaag een linkse stem uitbrengt, dan doet ze dat om iets te behouden, niet om iets te veranderen. Tegenwoordig is er dan ook geen strijdend electoraat meer dat zich in een politieke partij verenigt. Er zijn slechts politieke partijen op zoek naar een electoraat.

Elke linkse beweging heeft een verankering in de bevolking nodig. Maar een eigen volksbeweging klinkt wel meteen verdacht voor links in Vlaanderen. Links houdt dan ook weinig rekening met de verzuchtingen van zijn traditionele electoraat uit angst voor de associatie met rechtse partijen. Met het kiezersvolk dat naar populistische partijen overloopt wil dit links niets te maken hebben. Wie van links identificeert zich immers nog met de arbeidsklasse? Niemand die in politieke zin macht heeft. Maar links denkt wel te kunnen overleven dankzij België… Zo draait de spiraal neerwaarts. Het klassieke electoraat van links kiest nu voor rechts. Wie overblijft op links kijkt naar België voor steun. België, schijnbaar de enige garantie dat rechts niet het hele politieke spectrum overneemt.

In werkelijkheid is het precies de Belgische constructie die haaks staat op een progressief project. Ondertussen lijkt Vlaams links enkel nog betekenisvol voor wie meegaat in de illusie dat België een soort non-identiteit biedt waarbinnen een louter sentimenteel voorgestelde ‘solidariteit’ mogelijk is. De rechtse partijen in Vlaanderen worden groter, want met zijn elitaire opstelling heeft dit links zichzelf de pas afgesneden om een volwaardige beweging te kunnen worden.

De linkse politieke actie wordt dan vervangen door het morele (voor)oordeel. Zo’n houding laat niet langer toe dat er nog kritische vragen worden gesteld bij de organisatie van de (federale) staat. Zelfs niet als die staat minder democratisch wordt en de ontwikkeling van de solidariteit steeds meer beperkt.

Vragen bij de Belgische organisatie van de “solidariteit”

Solidariteit op lange termijn verzekeren veronderstelt ingrijpende veranderingen aan de huidige status quo. Een systeem wordt pas solidair, geloofwaardig en aanvaardbaar wanneer het efficiënt, doorzichtig en met politieke verantwoordelijkheid wordt georganiseerd, wanneer het dus anders verloopt dan in België het geval is. Dit veronderstelt een duidelijke reorganisatie van de solidariteit tussen regio’s, zonder de federale overheid als mistgordijn.

Geeft men met deze positie toe aan rechts in Vlaanderen? Neen, want een staatshervorming dient niet om de solidariteit af te schaffen, maar om haar mogelijk te maken als iets dat de liefdadigheid overstijgt. Een open pleidooi voor meer autonomie zou de linkse partijen in Vlaanderen juist kunnen versterken.

Zal een hervorming van de solidariteit de verarming van de bevolking in het zuiden van het land met zich meebrengen? Niet noodzakelijk. De duidelijkste verliezer van een structurele hervorming is de huidige Franstalige politieke elite, die aan invloed verliest naarmate ze verantwoordelijk wordt gesteld voor het door haar gevoerde beleid. Hoe kan dat een slechte zaak zijn voor de gewone burger?

De Belgische natiestaat verliest in elk geval op twee niveaus aan belang. Het politieke zwaartepunt verschuift naar de regio’s en de economische markt kent steeds meer een Europese of zelfs globale integratie. Links heeft er dus alle belang bij de organisatie van deze veranderingen goed te begeleiden en op de evolutie te anticiperen. Indien links elk streven naar een staatshervorming, ook uit progressieve hoek, probeert te herleiden tot een voorbijgestreefd en ‘egoïstisch’ romantisch nationalisme, vervreemdt het verder van zijn bestaande en potentiële kiezersvolk, dat zich terecht vragen stelt bij de Belgische constructie. Belgisch links slaagt er niet in om het sociale en fiscale beleid transparant, efficiënt en met politieke verantwoordelijkheid te organiseren. Ondertussen strijdt links evenmin tegen het systeem dat de economische crisis veroorzaakte. De ‘solidariteit’ wordt gegijzeld door het partijpolitieke machtsspel. Ze leidt niet tot gelijkwaardigheid. Vlaams links implodeert dan ook door zijn voorkeur voor de oude Belgische machtsstructuren. Wie zich in Vlaanderen links voelt, blijft verweesd achter.

Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Brigitte Raskin, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Peter De Graeve, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.
www.gravensteengroep.org

Marc Chavannes, Niemand Regeert – De privatisering van de Nederlandse politiek – NRC Boeken 2009.

7 februari 2010

Marc Chavannes, Niemand Regeert – De privatisering van de Nederlandse politiek – NRC Boeken 2009.

Wie eens vluchtig door een land reist, wie een vakantie spendeert, mensen benadert en zich benaderd voelt omwille van een mimetisch genot, een utopisch verlangen, een oud zeer of vertrouwen dat op wederzijdse sympathie en respect leunt, mag zich gelukkig prijzen wanneer hij of zij zich op die wijze in den vreemde ophoudt.
Wie langer in een land, een stad, een samenleving schuil gaat of beweegt, wie dieper doordringt in de eigenaardigheden, de merkwaardigheden van het dagelijkse leven en lijden, heeft nood aan reflectie en afstand, maar kan dit enkel vinden in het eigen verleden, de eigen cultuur en de herinneringen aan wie hij- of zijzelf ooit is geweest.

Dan is het handig om een boek als ‘Niemand regeert’ van Marc Chavannes te mogen spellen, en te reflecteren op de illustraties van Ruben L. Oppenheimer.
Hij onderzoekt reeds jaren als journalist van NRC in zijn columns wat de transitie in Nederland teweeg heeft gebracht, hoe diep de privatisering inhakt op het sociaal weefsel en op de politiek in wat ooit en bakermat van de westerse democratie is geweest.
Het is een pijnlijk boek, een villijnig boek en handleiding voor erger en elders.

99. En dat is waar het deeg niet wil rijzen. De bonusmiljoenen komen in veel gevallen ook als het helemaal niet goed gaat. Alle verhalen over globalisering en de markt voor CEO’s ten spijt, er zijn weinig Nederlandse topmanagers waar het buitenland om schreeuwt. De beloningsspiraal in de top van steeds meer bedrij- ven is eerder te verklaren door falende controle, oude-jongens- krentenbrood-commissarissen. Angst niet mee te tellen, in plaats van rationele economische argumenten.
De onevenwichtige loonvorming bij bovenbazen wordt verergerd door buitenlanders in raden van commissarissen, die uit grotere landen met grotere monden komen. En geen zin hebben in gezeur, zeker niet tegenover kandidaat-ceo’s die de verlegenheid exploiteren van commissarissen die merken dat het bedrijf in ondiep water terecht is gekomen, terwijl zij andere lucratieve baantjes deden.
Heel handig, de kwadraatverdieners hebben ieder begin van moreel besef tot notdone verklaard. Trap er niet in, er wordt niet te veel gemoraliseerd in deze discussie, maar te weinig. Bovenbazen die vijftig keer het jaarloon van een geschoolde of gestudeerde vakman verdienen, beseffen die echt niet hoe verwoestend voor de onderlinge verhoudingen hun uitgestreken smoel is? Hoe demotiverend die impliciete degradatie is van de mensen die het bedrijf met hun inzet en talent tot een succes maken?
Het is niet de schuld van het boardroomproletariaat dat in de toplaag van semi- en ex-overheidsorganisaties deze schaamteloze zelfophemeling wordt gekopieerd. Woont één Nederlandse huurder beter sinds de directeur van zijn woningbouwcorporatie 4,5 ton euro is gaan verdienen? Rijden de trams in Amsterdam beter onder directeuren die meer verdienen dan de minister- president? Is het besturen van de Vrije Universiteit anderhalf keer zo moeilijk als het leiden van een groot ministerie als Ver- keer of VROM?
Wie niet bereid is het ROCAmsterdam te leiden voor 171.000 euro, de Balkenende-norm, gaat gerust wat anders doen. Zijn opvolger zal echt niet slechter zijn en misschien zijn prioriteiten als dienaar van de publieke zaak beter op orde hebben. Het is goed dat het kabinet, zij het heel voorzichtig, op dit gebied doet aan morele herbronning.

121. Het opvallende van de crisis is dat de meeste gewone mensen allang wisten wat er mis was. Grootspraak, hebzucht en onverschilligheid. Marktdogmatisme als dekmantel voor een egomaan kapitalisme. Sociale samenhang achterhaald verklaard, net als ‘het milieu’. Het economisch neo-liberalisme verhief financiële gegevens tot dé prestatierneter. En wij pikten het.
De auto, ooit een kenmerk van vooruitgang, werd een monu- ment van stilstand. Detroit verhulde jarenlang zijn gebrek aan industriële fantasie met de suv; de PC Hooft-kruiser werd hier een agressief-snobistisch symbool van onverschilligheid. Ook opkomende landen verbruiken steeds meer schaarse grondstoffen. Wat overblijft gaat nog steeds over de schutting. In 1972 zei de Club van Rome al dat er ‘grenzen aan de groei’ waren. Meer dan actueel gezien de herontdekking van waarden die gaande is.
De soevereine staat, door de financiële paniek weer vluchtig populair, moet zichzelf opnieuw bewijzen. Jaren gehoond om zijn ambtelijke traagheid vocht het duo politiek en bestuur terug met beloftes van bedrijfsmatige efficiency die hun ingebouwde mislukking overschreeuwden met nog flitsender pretenties. De burger als klant en klager, de werknemer een kosten- en lastpost. In beide rollen worden we gereduceerd tot ballast.
Materiële welvaart én onbehagen – dat is onze gemoedspendule in een post-ideologische wereld. Ieder jaar meer kunnen kopen voelt niet goed als de thuiszorg voor je ogen wordt afgebroken. In veel Westerse landen voltrok zich eenzelfde ontwikkeling, met andere voorbeelden. Amerikanen verloren hun baan, maar konden meer lenen om de producten die zij vroeger maakten goedkoper uit China te importeren. Zij leefden boven hun stand, met drie creditcards en een hypotheek-op-drijfzand.
Bemard Madoff, de oplichter van de eeuw, gaf met zijn piramide-beleggingsfonds een perfecte parodie op de financiële sector die de crisis deed ontvlammen: ondoorzichtig en vol spreadsheetfantasmen. Zelfs de gepolijste bankiers die speciale fondsen oprichtten om honderden miljoenen naar Madoffs bodemloze put te sluizen kregen geen inzage in zijn boekhouding. En zij zwegen zolang de rendementsballon thermiek had. Het werd steeds gewoner: oplichting en derivaten van oplichting.
Kredietbeoordelaars en accountants laten zich betalen door de firma’s wier gezondheid en eerlijke financiële berichtgeving zij moeten bevestigen. In een aantal gevallen zijn zij medeplichtigen van de hoofddaders. Toezichthouders wereldwijd zijn daders noch medeplichtigen, maar uit de feiten is niet af te leiden dat zij voldoende hebben gedaan waar zij voor zijn: streng toezien op een integer financieel systeem en eerlijke markten. In het Amerika van George W. Bush was hun falen bijna een ideologische instructie, in West-Europa schoten kennelijk inzicht en wilskracht tekort.
Zo kon een financiële tulpenmanie groeien die werd verkocht met allengs verdachter geurende begrippen als aandeelhouderswaarde, risk management, leveraged buy out en credit default swaps.

163. Tegelijk moesten gelijkere kansen voor minder bevoorrechte milieus worden afgedwongen. Wie kon dat beter dan de over- heid? De ene na de andere bewindspersoon ging aan de slag. Minder autoritaire onderwijsmethoden en bezuinigingen lagen wonderwel in elkaars verlengde. De output moest omhoog, dus gingen de normen omlaag. Iedereen doctorandus, heb ik dat wel eens genoemd. Ook al weer achterhaald. Goede bedoelingen zijn niet genoeg.

199. De hele Betuweroute was toch goed voor de werkgelegenheid? Om steenkool naar Oostenrijk te rijden heb je niet veel Nederlandse handen nodig. Zo zijn er wel meer problemen te bedenken waarvoor de Betuweroute de ideale oplossing was.
Het vervelende is dat dit land kennelijk het publieke raffinement mist om zich internationaal te oriënteren op hoe je zoiets doet, hoe je een probleem definieert, hoe je de beste alternatieve oplossingen verzamelt, hoe je tot een afweging komt, hoe je het best lijkende plan optuigt en financiert en hoe je het gekozen project zo beheert dat je kan bijsturen en profiteren van nieuwe ontwikkelingen.
Bij de Zuiderzeelijn, ook zo’n Tramlijn Begeerte, in dit geval vooral politiek afgedwongen, is men wel tijdig opnieuw gaan denken. Dat blijft nodig bij de Betuweroute. Hoe lang subsidieren? Waneer komt het moment er een pretpark van te maken? Heel Duitsland komt kijken. Denk eens aan de hotel- en horeca- banen die dat genereert.

231. In Nederland is een strijd gaande tussen beroepsbeoefenaarsen bestuurders, mensen die wat kunnen en de maatschappijkneders. Bij de politie gaan de seruize stakingsacties over geld én over waardering. Vergelijkbare breed gevoelde vormen van onbehagen zijn ook te zien in het onderwijs – van basisschool tot universiteit – en in de zorg – van thuiszorg, huisartsen, psychologen tot verpleegkundigen en medisch specialisten.
Het kabinet-Balkenende IV wilde professionals weer hun plaats geven. Minister Plasterk zei het eerder bij Beter Onderwijs Nederland en onlangs gaf hij als bewijs zijn zegen aan een voorzitter van de Publieke Omroep uit omroepkring – geen tweedehands politicus zoals meestal. Maar de regelpretentie is epidemisch. Gratis schoolboeken. Zorgmakelaars. Een kaste van maatschappijmonteurs rolt over Nederland een laag van dwingende regelsystemen uit. Zij werken bij ministeries en adviesbureaus en delen een naïef vertrouwen in de maakbaarheid van menselijk gedrag en de alkunde van informatisering.
Kijk voor de grap eens naar het dwingende padvindersproza op verwijsindex.nl. Daar wordt meegedeeld: ‘Informatie-uitwisseling in de jeugdketen vormt een probleem. Organisaties werken soms langs elkaar heen en delen informatie over jongeren onvoldoende.’
De jeugdketen. Dat wist u niet, maar die bestaat. Alleen werken de organisaties langs elkaar heen. Soms. In het weekeinde kunnen zij de politie niet helpen. ‘De Verwijsindex is een initiatief van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin.’ Het virtuele ministerie van André Rouvoet, die van het elektronische kinddossier, weeft een web van waarneminkjes over jongeren. Hoe geldig die indrukken zijn, wie er naar kijken mag, wat er mee gebeurt, dat regelen we later.
De maatschappijkneders bestellen enorme systemen om uw probleem voor altijd te regelen. Jeugd, thuiszorg, files, ‘uit de pan rijzende kosten van de gezondheidszorg’. Om de benodigde miljoenen te krijgen wordt een markt verzonnen en moet de beroepsgroep even worden gekleineerd.
236. Deze fundamenteel beledigende mechanismen zijn sleutelelementen van het nieuwe zorgstelsel. Dat is al een tijdje geleden ingevoerd, maar in werkelijkheid is het nog in aanbouw. Gelovigen in de zegeningen van de markt verwachten kwaliteits-prijs- wonderen als een groter deel van de zorg wordt opengesteld voor concurrentie. Daar tussendoor wordt een gekrnakende bureaucratische bemoeistructuur opgetuigd. Zie het dbc-drama bij psychiaters en psychotherapeuten.
Als de Kamer lering wil trekken uit twintigjaar voorgekauwde en doorgedrukte onderwijsvernieuwingen, dan is dat moedig en absolute winst. Maar laat die helderheid niet verloren gaan als nu onder hun ogen weer zo’n monstersysteem wordt opgetuigd waar iedere Nederlander gaandeweg meer mee te maken krijgt. Andere Kamercommissie, maar een vergelijkbare mate van pretentie bij de zieners. Dwingelandij gebaseerd op drijfzand – dat is waar de Kamer van af wilde.
Minister Donner sprak wijze woorden toen hij economiestudenten in Rotterdam er op wees dat het gevaarlijk is te doen alsof de overheid een BV is. Dat wekt verwachtingen die niet kunnen worden waargemaakt. En dan ‘faalt’ de overheid weer in de beeldvorming. Hij had er bij kunnen zeggen: zo mogelijk nog gevaarlijker is het wanneer de overheid zich voordoet als een bedrijf én de serieus werkende vakman en -vrouw behandelt als een veelpleger die tegen zichzelf moet worden beschermd.

Joke J. Hermsen Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst. Arbeiderspers 2009

7 februari 2010

Joke J. Hermsen Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst. Arbeiderspers 2009

Haar boek opent met een vers van Gerrit Kouwenaar uit ‘De tijd staat open’ (1996)

Het is laat zoals ieder jaar,
de tijd zit krap in zijn heden,
vandaag is steeds weer geweest
steek dus het licht aan dat de toekomst nog uitspaart,
spreek het brood aan dat nog niet doof is,
maak de taal waar achter zijn tekens,
spel het vlees, stil de tijd, leef nog even –

Joke J. Hermsen heeft met haar werk een aanlokkelijk pleidooi geschreven voor een langzame toekomst, vooral tijdens vakantieweken in midden Italië, Etrurië rondom de navel van de wereld in het Bolsena meer. Ze doet dat met een aangename eruditie en een verleidelijke stijl. Ze weet moeilijke filosofische begrippen invoelbaar en begrijpelijk te presenteren. Ik heb ervan genoten, zelfs in Rotterdam bij nacht en ontij.
Haar pleidooi nodigt uit tot reflectie bij de lezer. Zo durft ze Ernst Bloch met ‘Das Prinzip Hoffnung’ ruimte te geven om weer illusies te leren hanteren als drijvende kracht tot verandering, ondank de ellende waarin maakbaarheidsideologieën mensen hebben geleid.

‘De belangrijkste functie van de utopie is volgens Bloch dat zij ons in staat stelt te bekritiseren wat er reeds is. Zodra samenlevingen dit vermogen verliezen en de utopie als een gevaarlijke illusie uitbannen, belanden zij op een even gevaarlijk als dood spoor. In een interview uit 1964 met de Duitse filosoof Adorno stelt Bloch dat hij dit zowel voor als achter de Berlijnse Muur heeft waargenomen: beide ideologieën hebben de hoop verbannen en verstarren op gevaarlijke wijze in hun eigen dogmatiek: ‘Zowel het Oostblok.als de westerse samenlevingen zijn aan boord gegaan van een sinister schip dat elk utopisch verlangen verboden en verbannen heeft.’ (155)
Ernst Bloch: ‘ Ik ben, maar ik heb mijzelf niet. Daarom word ik.’ De meest kenmerkende ervaring van de mens is dus een onvoltooidheid, een niet volledig bij zichzelf thuis zijn en dus een onderweg –zijn, een voortdurend in wording zijn. (…) De zin van het menselijke bestaan schuilt juist in het wordingsproces zelf. Mens-zijn betekent een voortdurende zelfoverschrijding en verkenning van de mogelijkheden die zich in de duistere kern van onze subjectiviteit schuilhouden. (160).

Ze heeft ook een mooie argumentatie uitgewerkt waarom ook bij de oude Grieken de toekomst herkend werd als achter ons liggend.
Niet alleen de Aymara uit de Andes bleken deze tijdsbeleving te hebben, ook de Oude Grieken hadden een andere visie op de tijd van nu, morgen en vroeger.

20. Niet voor niets stamt het woord ‘ school’ af van het Griekse woord ‘scholè’, dat ondermeer rust betekent. Pas in rusttoestand, in het interval tussen twee handelingen, kunnen we tot bezinning en reflectie komen. Pas als we nietsdoen opent zich de ruimte van het denken en van de creativiteit, verschijnselen die zich door geen vooropgesteld doel of economisch nut laten sturen of opjagen.

47.Want Bergson had wel degelijk oog voor die tragiek, die hij met name in de vervreemding van de mens ten opzichte van zichzelf zag, en die daarmee ook een gemakkelijke prooi voor manipulatieve, totalitaire doctrines kon worden. Want de mens als een ‘meestentijds van zichzelf vervreemde automaat’, die alleen nog in staat is ‘op praktische wijze op de prikkels uit zijn omgeving’ te reageren is volgens Bergson niet alleen zijn vrijheid maar ook zijn geweten
en menselijkheid kwijt.
De Franse filosoof Merleau-Ponty was een van de weinigen die later openlijk zouden toegeven dat ‘we geen zorgvuldige lezers van Bergson zijn geweest. Hadden we dat wel gedaan, dan zou hij ons dingen geleerd hebben die we nu als de ontdekkingen van de existentialistische filosofie zijn gaan beschouwen.’
Sartres kritiek op de mechanisering van het wereldbeeld door de wetenschap en zijn pleidooi voor de ontwikkeling van een niet objectgericht bewustzijn kan inderdaad met Bergsons denken vergeleken worden, maar zijn idee van vrijheid staat er eerder haaks op. Voor Sartre zijn we immers pas authentiek – of onszelf – als we onze absolute vrijheid op ons nemen. Het bewustzijn van die vrijheid leidt voor Sartre echter onherroepelijk tot angst; niet angst voor iets
specifieks, maar, in de voetsporen van Heidegger, angst voor het niets. Een groter verschil met Bergson is nauwelijks denkbaar. Authenticiteit en vrijheid ontstaan bij hem juist tijdens de schaarse momenten waarop de ervaring van de tijd als duur door de mechanische en onvrije handelingen van het door kloktijd geregeerde ik heen kan breken.

61. We staan, sinds de kwantumfysica, niet alleen voor een grondige herziening van ons wetenschappelijke wereldbeeld, maar ook voor de opgave om een van de meest structurerende principes van ons bestaan – de tijd – te herinterpreteren.
Want we leven niet zozeer in de tijd en we hebben niet alleen veel of weinig tijd, ‘we zijn ook de tijd’, zoals Bergson schreef.
Zoals we over de tijd denken, zo denken we over onszelf. ‘Er zijn twee ervaringen bij de mens die belangrijk zijn’, stelt Ilya Prigogine. ‘Er is de ervaring van de herhaling: de zon die opkomt, de getijden, het repetitieve. Daarop zijn de mechanische en rationele wetten gebaseerd. Maar er is ook de creativiteit
en de drang tot vernieuwing bij de mens. Bergson maakte zo veel indruk op mij, omdat hij stelde dat creativiteit een universele ervaring is en tijd altijd vernieuwing. Einstein zei nog: tijd is illusie. Voor mij (evenals voor Bergson) is tijdrealiteit, Als er een gemeenschappelijk ding is in het universum, dan is het wel tijd. Dus heb je een fysica nodig waarin de tijd een belangrijke rol speelt. We staan nu in zekere zin weer aan het begin in de wetenschap. We weten nu zeker dat het niet de geometrische, statische wereld is die we dachten te zien.

73. Neurowetenschappers als John Eccles en Wilder Penfield betogen, eveneens in overeenstemming met Bergsons gedachtengang, dat de hersenen als een soort ‘ boodschapper van het bewustzijn’ beschouwd moeten worden, als een gecompliceerd orgaan dat bewustzijn registreert, selecteert en doorgeeft.

134. Literatuur richt zich voor Bachmann op datgene wat nog niet gezegd is, op het utopische van de taal, en is daarom altijd in een strijd met het onzegbare verwikkeld. Het onzegbare verwijst enerzijds naar datgene wat er in de naoorlogse tijd allemaal ongezegd bleef en verzwegen werd, en anderzijds
naar datgene waarvoor de tijd nog niet gekomen is. De literatuur moet zich, wil zij iets nieuws kunnen zeggen, op een taal richten die nog niet bestaat en kan in die zin met Ernst Blochs concept van de hoop vergeleken worden, zoals we in
het volgende hoofdstuk zullen zien. Literatuur probeert volgens Bachmann te vertrekken uit de Gaunersprache, waarmee ze de triviale, alledaagse taal bedoelt die de betekenis van de woorden vervlakt en uitholt en waarbinnen de sleetse meningen, stereotiepe uitdrukkingen, clichés en vooroordelen overheersen.
De literatuur voert strijd tegen deze taal, maar kan dit alleen doen als ze zich daarbij richt op een andere taal: ‘De literatuur dus, hoe dicht ze ook bij de tijd en de gewone taal moet blijven, moet geroemd worden vanwege haar wanhopig
onderweg zijn naar een taal die nog nooit geregeerd heeft, en is alleen daarom roem en hoop van de mensen.’

201. Ook Seneca in zijn De brevitate Vitae ging uit van een toekomst die achter ons ligt, en daarom voor ons niet zichtbaar is. Als die toekomst wél voor ons lag, dan zouden we wel beter met onze tijd omgaan, zo vermaant hij de lezers. (…) De toekomst dut of dringt van achteren, en het volume of gewicht waarmee ze dat doet zijn de mogelijkheden die nog voor ons in het verschiet liggen.

207. Dit soms tamelijk neurotisch plannen van de toekomst en voortdurend gericht zijn op wat er komen gaat, doet velen van ons westerlingen het nu, het leven bij de dag, vergeten. Volgens Van Hasselt leven de Grieken juist heel erg bij de dag, en vinden ze langer dan een paar dagen vooruitkijken al bijna een
onmogelijke opgave. Ze zijn heel goed in staat bij het uur te leven, zonder zich over welke toekomst dan ook veel zorgen te maken. Dit gaat zelfs zover dat tot voor kort alle Griekse bioscopen de films achter elkaar door draaiden en men op ieder gewenst moment de zaal kon binnengaan en de draad van het verhaal gewoon ergens halverwege oppakte. Het ging om de scène die nu draaide, wat eraan vooraf was gegaan, deed er eigenlijk niet zoveel toe. Met deze carpe-diem-houding, gecombineerd met het zwakke besef van controle over de tijd, bevinden zij zich volgens Van Hasselt op het snijvlak van de oosterse en de westerse cultuur.

Fotomuseum Antwerpen – Carl De Keyzer ‘Congo (belge)’ en ‘Congo belge en images’ nog tot 16052010

7 februari 2010

Fotomuseum Antwerpen – Carl De Keyzer ‘Congo (belge)’ en ‘Congo belge en images’ nog tot 16052010

De ellende is niet te overzien, zelfs in kleur wordt de schrijnende tegenstelling met de bijna 100 jaar oude fotocollectie uit het Museum van Tervuren niet minder erg.

‘Congo (belge)’ van Carl De Keyzer is een unieke fotoreeks met historische betekenis, die confronterend is omdat ze zowel vragen oproept bij de manier waarop België deze kolonisatie architecturaal en urbanistisch heeft ingevuld, als bij de oorzaken van de huidige staat van chaos en verval. Het is het eerste allesomvattende fotografische project dat over Congo gemaakt is.
‘Congo Belge en images’ vormt de neerslag van een ‘ontdekkingsreis’ doorheen de immense fotocollecties van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Fotograaf Carl De Keyzer en architectuurhistoricus Johan Lagae kozen bijna 100 zeldzame of nog nooit eerder gepubliceerde foto’s van Belgisch Congo uit de museumarchieven, waarvan het merendeel dateert uit de periode 1885-1908.
De tentoonstelling biedt geen historische overzicht van de fotografie in Belgisch Congo en focust evenmin op de koloniale beeldvorming of het gebruik van foto’s in de koloniale propaganda. Ze plaatst daarentegen de koloniale fotograaf als auteur op de voorgrond. Via actuele reproductietechnieken worden  beelden die stammen uit de vroege periode van de koloniale fotografie hier voor het eerst in hun volle detail getoond.
Door de keuze voor onconventionele beelden die vaak in de archieven verborgen zijn gebleven, biedt ‘Congo belge en images’ tegelijk ook een blik op een ongekende, complexe koloniale realiteit die ons dwingt het verleden van Belgisch Congo op een andere manier te bekijken.

Juist, ja. Daartoe word je als toeschouwer waarlijk gedwongen.
De ellende is niet te overzien, de chaos peilloos, het gevoel van verlies en miserie onoverzichtelijk.
Je zou nog respect krijgen voor de Kongolese ambtenaar die zich afvraagt waarom de Belgen niet gewoon terugkomen, zij kennen Congo toch beter en vooral gingen zij volgens hem heel wat beter om met de inboorlingen dan de Chinezen die er nu aan zet zijn.
Je zou Karel De Gucht nog gelijk geven als hij verklaart dat de Kongolese elite eerst orde op zaken moet stellen in eigen land voor ze wat dan nog kunnen vragen of eisen.
Je zou monseigneur Van Gheluwe, bisschop van Brugge, nog gelijk geven dat het niet kan dat Afrikaanse priesters in Vlaamse parochies het woord Gods verkondigen omdat ze daardoor als onderdeel van de reeds zeer beperkte intellectuele elite aldaar hun volk en land beroven van een geschoold iemand, zij het dat de scholing zich doorgaans beperkt tot het Woord Gods.
Adembenemende ellende.

Brugge Poezie in Dubbeltijd – Een ritselende revolutie

7 februari 2010

Brugge Poezie in Dubbeltijd – Een ritselende revolutie

In Brugge kan het goed zijn om je stappen te horen tussen gevels van vergeten dromen en verlaten angsten omdat in een koude waterige zon langs een traject waar nauwelijks toeristenstromen komen, een vers als excuus kan dienen om na een fijne tafeltijd bij Zeno – de voetstappen te volgen van wie ons is voorgegaan.

Zeno, het hoofdpersonage van Marguerite Yourcenars historische roman “Het hermetisch zwart”, is een arts, alchemist en reiziger, geboren en opgegroeid in het 16e eeuwse Brugge.
Zijn persoon staat voor het ontstaan van het vrije denken.
Zijn zoektocht naar bewustwording, doorheen Europa, en in het bijzonder in de alchemie oversteeg het toenmalig erkende normbesef.
Dit huis staat op haar beurt voor een zoektocht naar smaken, producten en bereidingen die door hun alchemistisch proces het gewone naar het buitengewone laten evolueren.
In vrijheid van geest creatief omgaan met de materie is het doel.

Voorwaar een boeiende opening voor een culinaire reis.

In haar ‘Carnets de Note de L’Oeuvre au Noir’ schrijft Yourcenar: “In 1971 ben ik in de straten van Brugge alle gangen van Zeno nog eens nagegaan (…) Ochtendwandelingen, een hele aprilmaand lang, soms in de zon, vaker in nevel of motregen. En met mij Valentine, het mooie, lieve, blonde wezen, dat krachtig blafte tegen de paarden (wat ik haar belette), dat vrolijk over de binnenplaats van Gruuthuse rende, dat in de tuin van het Begijnhof rondsprong tussen de narcissen – en nu (zes maanden later, 3 oktober 1971) even dood als Idelette, als Zeno, als Hilzonde.
Yourcenar hield ook heel veel van de buurt rond de Sint-Annakerk en de Jeruzalemkerk, die gewijd was aan de Heilige Elisabeth van Hongarije die ze als kind had uitgebeeld in de processie op de Zwarteberg. Bij zijn vertrek uit Brugge vraagt Zeno aan Wivine die bij haar oom, pastoor van de Heilig Kruiskerk van Jeruzalem te Brugge, woont om een bundel te maken van zijn schriften om ze naar Jean Myers te brengen.

?Deze buurt is nu ook in de wandeling van Gwy Mandelinck voor ‘Een ritselende revolutie’ opgenomen en ten uitzonderlijken titel is de Jeruzalemkerk deze keer wel toegankelijk en zeer de moeite.

Bij het Gezellemuseum is het goed ‘Dien avond en die rooze’ te kunnen beluisteren voor Eugeen Van Oye.
In de Sint Annakerk gaat de prins van de Nederlandse dichters verder – ‘k Hoorde zo geerne de veugelkens schufelen.
De O.L.V. Ter Potterie kerk met Bart Moeyaert, Jozef Deleu en Dirk van Bastelaere is zeer de moeite, niet alleen om de verzen en het belendende Hospitaalmuseum met de Alzeheimerblues van Erwin Mortier en Dirk Roofthooft die Moedermomenten van Sylvie Marie leest.

Bozar – El Greco – Domenikos Theotokopoulos 1900 – El Cubismo Museum van Elsene

7 februari 2010

Bozar – El Greco – Domenikos Theotokopoulos 1900

Nog tot 09052010 in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel is het fenomenaal visitekaartje te zien van het Spaanse voorzitterschap van de EU: El Greco.
Hij was een kunstenaar die leefde en werkte op grenzen – vanuit de Kretenzische Renaissance naar Venetië, Rome en Toledo.
Zo kon hij een unieke stijl ontwikkelen die door zijn tijdgenoten niet altijd gewaardeerd werd, ondanks een fenomenaal commercieel inzicht.
Zijn maniërisme en kleurgebruik onthulde teveel van het schimmenspel achter de religieuze en profane kamerschermen van de macht.
Zo beeldt hij op ‘El caballero de la Mano en el Pecho’ vermoedelijk Juan de Silva uit, markies van Montemayor en notario mayor van Toledo.
In zijn portretten weet hij oneindig veel beter dan toen gebruikelijk was bij de picturale toppers het karakter te suggereren van de afgebeelde personen.
Hij slaagt erin een indringende driehoeksverhouding te realiseren tussen het personage, de toeschouwer en de schilder.
Voor vele door hem geschilderde machtigen was dit ongetwijfeld een moeilijke confrontatie.
De markies van Montemayor wordt gekonterfeit als het ideaalbeeld van de katholieke edelman, in het teken van trouw – die borg kan staan voor al het geld en de macht die hem wordt toevertrouwd – waar iedere toeschouwer én hijzelf goed weet dat in deze pose, kleding en zwaard meer te verbergen dan te betekenen hebben.
Dat de Spaanse Grandes en prelaten bij de unieke en onthullende combinatie van iconenkunst, chiaroscuro, kleurenspel en maniërisme een onbehaaglijk gevoel hadden, is dus niet verwonderlijk. Zijn altaarstukken en wedstrijdopdrachten voor het hof werden met zoveel argwaan bestudeerd door de zeer eerwaarde, geleerde en hoogedelgeboren juryleden, dat hij telkens buiten de boot viel als officiële schilder van de macht.
Toch slaagde hij erin een commercieel atelier op te richten dat hem en zijn familie ruim economische succes opleverde.
Door de vergelijking van de portretten van o.m. Diego de Covarrubias met die van tijdgenoten is de tentoonstelling ook didactisch boeiend voor de moderne westerse ontwikkeling van de portretkunst en de invloed van El Greco hierop.
De discussies over het afbeelden van het menselijke portret in ‘Ik heet Karmozijn’ van Nobelprijswinnaar literatuur Orhan Pamuk is bij de schilderijen van El Greco te volgen:
“De Italiaanse meester had de Venetiaanse edelman zo afgebeeld, dat je meteen kon zien dat hij het was en niemand anders. Als je die man nooit gezien had en men vroeg je hem te vinden, dan zou je hem dankzij dat schilderij, onmiddellijk herkennen in een menigte van duizenden mensen. De Italiaanse meesters hadden een stijl en vaardigheid ontwikkeld waarmee je onverschillig welke man kon onderscheiden van ieder ander, niet dankzij zijn kleding en onderscheidingstekenen, maar dankzij zijn gezicht. Een portret noemen ze dat. ?Als je gezicht op zo’n manier wordt afgebeeld, al is het maar een keer, vergeet niemand je meer. Iemand die naar een afbeelding van jou kijkt voelt je in zijn nabijheid, al ben je nog zo ver weg. Ook iemand die je nooit in levende lijvige gezien heeft, kan, jaren na je dood, oog in oog met je komen, alsof je tegenover hem staat.” Orhan Pamuk, Ik heet Karmozijn – uitg. Arbeiderspers (39-40)

De catalogus is een schitterend handwerk, vooral omdat door Ana Carmen Lavín Berdonces zonder taboes wordt ingegaan op de historische betekenis van El Greco en de constructie van de mythe rond hem in Toledo bij de vorige eeuwwisseling. Deze mythe zou later passen in de officiële cultuurpolitiek en een ferme aanzet geven tot cultuurtoerisme aan het einde van de XIX de eeuw. Met Primo de Riveira en Franco werd de Toledaan ingepast in het conservatieve nationalisme dat een loden deken over Spanje zou spreiden.

Wie was El Greco voor de meeste mensen? Een sombere, donkere,groene, blauwe, gele schilder bij wie het blote vlees lijkt op dat van de doden en het rode vernis, stolsels van pas geronnen bloed…’ Emilio Pardo Barzán.

El Greco 2 El Cubismo Elsene

Categorie Actualiteit | Reacties uit

Gedichtendag 2010 – Het wordt tijd!

28 januari 2010

Het wordt tijd

Het wordt tijd dat wij orde op zaken stellen.
De woede verzamelen. Een republiek voorspellen.
Een vlag ontwerpen naar Jackson Pollocks model.

Het wordt tijd dat wij de vette gans
van de zakelijkheid villen en samen met haar,
de boswachters die hout en wild ruilen voor goud.

Het wordt tijd dat wij verloochenen wat aangeslibd is
en kiezen ons niet langer verlamt. Dat een vuist
de littekens in de handpalm vervangt.

Het wordt tijd dat wij prikkeldraad om ons heen zetten en
met rode letters op groen vlak verkondigen: Ontoegankelijk.
Herstel van landschap. Een decennium is voorbij.

Eddy van Vliet (1942 – 2002) – ter gelegenheid van Charta 91

Zoals ik door het buigen van mijn hoofd
aan de regen denk te ontkomen,
zal ik vergeten wat mij is ontnomen.

Eddy van Vliet

Richard Powers, Gen voor geluk, een revisie. Contact 2009

26 januari 2010

Richard Powers, Gen voor geluk, een revisie. Contact 2009

Na ‘ Het zingen van de tijd’ – 2003 – en ‘De echomaker’ -2007- noodt ‘Gen voor geluk’ voor een nieuwe contemplatie naast de vervoering bij het lezen van Powers literair kunnen.
Het viel mij deze keer wel behoorlijk tegen. Powers heeft zijn schrijfstijl aangepast aan de hypertijdsbeleving in Chicago van na 911 waar alles alleen maar sneller kan en levens elkaar nauwelijks nog kunnen ontmoeten, laat staan raken.
In die zin laat hij zich verleiden tot een stijl die bij mij de vergelijking kan doorstaan met de Portugese topauteur Antonio Lobo Antunes in zijn ‘Dans der verdoemden’ en meer nog in ‘Fado Alexandrino’ waarmee ik vorige zomer mijn ogen en fantasie gemarteld heb. Na Saramago’s interpunctieloze schrijftechniek lijken de Portugezen om een of andere reden te vallen voor technisch heen en weer en wentelen op en neer.
Zo ook vele jaren later Richard Powers in de revisie van ‘Gen voor geluk’ waarmee hij de parallel lijkt te willen tekenen tussen het leven op het wereldwijdeweb en dat in de geest van mensen in Amerikaanse voorsteden.
Ik ben niet overtuigd dat de vorm, de stijl noodzakelijkerwijs gelijk moet lopen met de inhoud van een roman.
Chaos op papier in woorden en zinnen, posities en standpunten leiden niet noodzakelijk naar een chaotische begripsbeleving bij de lezer.
Powers is hier voor mij in deze val getrapt.
Wat niet belet dat hij in ‘Gen voor geluk’ wel degelijk komaf maakt met de waanzin van mineure neurobiologen en aanverwante zelfverklaarde exacte wetenschappers. Zij blijken vaak niet in staat voldoende afstand te bewaren tegenover hun fantastische ontdekkingen die zouden aantonen dat de menselijke vrije wil illusie zelfs niet als illusie mag blijven bestaan.
Dat is dan ook de verdienste van Richard Powers met deze roman.
Net zoals we over het podium onder de schijnwerpers en voor het oog van ontelbare veiligheidscamera’s ronddartelen, spelen we het spel van het leven op het drijfzand van genetische antecedenten.
Hierbij lost nieuw verklaarde ‘kennis’ nauwelijks wat op.
Het spel blijft het spelen waard, met passie en inzet.

84.Televisie was wat de sprookjes van Grimm wilden zijn als ze groot werden
Televisie was een achtbaanssnelweg naar de amygdala
Televisie was de enige verslaving die je sociaal beter liet functioneren
Televisie was waar de homo ergaster over dagdroomde,
aan de kust van het Turkanameer, tussen de maaltijden door.

117.Iedereen kan bevrijd worden, bij de juiste combinatie van gedragsaanpassing, medisch ingrijpen en praten. En van die drie was praten het belangrijkst.

119.Als je een generaal pardon wilt uitvaardigen voor elke sociale misdaad die we jegens elkaar begaan, hoef je het publiek er alleen maar van te overtuigen dat ons lot in onze genen zetelt.

127.Als je op verkenning uitgaat en je vindt voedsel, is dat toppie. Maar als een troep leeuwen tijdens je slaapt je schuilplaats ontdekt: einde verhaal. Het slechte kan veel meer schaden dat het goede je baat. Dus de natuur selecteert de pessimisten.
129.Seksuele selectie, de betrouwbaarste, eerbiedwaardigste vorm van eugentica, heeft ons omgekneed tot de fictiebehoevende lezers die we momenteel zijn. Een deel vna mij zou graag tot een soort horen die af en toe de vrijheid krijgt over iets anders te lezen dan zijn eigen gevangenschap. De rest van me weet dat de roman altijd een soort Stockholsyndroom zal zijn – liefdesbrieven aan de bevlieging die ons ontvoerd heeft.

171.. De meeste mensen zijn al behoorlijk gelukkig. Wat we eigenlijk willen is gelukkigER zijn. en de meeste mensen denken dat ze dat in de toekomst mee zullen maken. Dat houdt ons in de loopgraven.

260. Nobelprijswinnaar Anthony Blaze schrijft een veel gereproduceerd opiniestuk in The Guardian:
‘We moeten voor eens en voor altijd af van onze verouderde ideeën over erfelijkheid. Genen bepaken niet de genetische code van eigenschappen. Ze stellen eiwitten samen. En afzonderlijke eiwitten kunnen ongelooflijk uiteenlopende dingen doen, afhankelijk van de vraag waar en wanneer ze zijn aangemaakt… We hebben geen gok-gen, geen intelligentie-gen, geen taal-gen, geen rechtloop-gen en overigens geen apart gen voor krulhaar. We bezitten ongetwijfeld geen verzameling genen die de functie hebben ons gelukkig te maken.’

274. Ze merkt nauwelijks iets van de rimpelingen. In dit land, waar culturele transformaties enkele keren per nieuws cyclus van vierentwintig uur over het hele continent wortelschieten, de biosfeer overnemen en weer wegsterven, is het enige wat ze hoeft te doen wegkruipen, het jaar afmaken en wachten totdat de aandacht van het publiek terugdrijft naar scheidingen van beroemde personen en ruzies over voogdij, zoals het hoort.

Menno Lievers, De val van Hippocrates. De Bezige Bij 2009

23 januari 2010

Menno Lievers, De val van Hippocrates. De Bezige Bij 2009

Met een ingenieuze constructie weet Menno Lievers een roman samen te stellen die leest als een hellevaart naar de normen van Dante’s Divina Commedia, maar dan wel uitsluitend het Inferno – tot de Loutering laat staan het Paradijs zal de lezer niet doordringen. In de steek gelaten door zijn Beatrijs wordt de hoofdpersoon, Erik Liefco, een Nederlandse arts uit de jaren tachtig van de vorige eeuw overgeleverd aan duivels en hellevuur. Zijn finale einde komt als een verlossing.

Menno Lievers is zelf opgeleid als arts en verwerkte zijn eigen ervaringen uit stages en emplooi als overbodige arts-assistent die in de jaren tachtig van de vorige eeuw wegens de numerus clausus in opleidingsplaatsen (behoudens familie en goede relaties uiteraard) bruikbaar waren als goedkoop werkvee in vele perifere ziekenhuizen.
De auteur koos initieel voor geneeskunde omdat de schrijvers die hij bewonderde, zoals Slauerhoff, Céline en Tsjechov, ook arts waren: ‘

Wat je meemaakt in de arts-patiëntverhouding, geeft natuurlijk materiaal om over te schrijven. Typerend voor mijn opleidingsperiode was dat alle opleidingsplaatsen op slot zaten. Veel van mijn vrienden werden agnio zonder uitzicht op een opleidingsplaats. Ik ken vrijwel niemand die het specialisme heeft kunnen doen dat hij ambieerde. En op een gegeven moment was je te oud om je te specialiseren.’ (interview Medisch Contact 21/1/2010)

Lievers zelf ontsnapte door als filosoof te promoveren in Oxford.
Hij weet als ervaringsdeskundige met voldoende afstand in tijd en ruimte – en dus met voldoende reflectiemogelijkheden – een verhaal te construeren waarin hij belangrijke themata bij elkaar brengt in de infernale leef- en werkomgeving van een ziekenhuistoren waar de hoofdpersoon ten onder gaat aan zijn allesoverheersend verlangen om lief en goed en zorgzaam bevonden te worden.
Een fenomeen dat wel meer bij jonge artsen en verpleegkundigen tot problemen kan leiden.
Bij oudere artsen is dit zeldzamer wegens intussen – al dan niet met de drager zelf – verdampt in de kolkende hitte van het vak dan wel verkild tot een ijzig sarcasme omwille van het behoud van het vege lijf en de vage hersenen, als deze als niet vertroebeld werden door overmatig en langdurig gebruik van hallucinogenen en alcohol in een werkomgeving waar door chronisch slaapgebrek de werkdruk ook zonder pillen en pep tot waanbeelden kan leiden.
Geneeskunde studeren is meer dan een vak leren, technieken oefenen of wetenschap leren bedrijven.
De medische professie eist een inwijding, een langdurige ontgroening: geen drie, geen vijf maar zeven reizen naar het licht van het leven, de gunst van de kunst, het recht om te onderzoeken, te oordelen en uit te voeren.
Nergens passen mensen zich zo goed aan hun beroep aan als in die kunst van het genezen.

‘Iedere arts had zijn eigen waarheidscriterium: onzekerheid gold als een teken van zwakte, een karakterfout, gebrek aan zelfvertrouwen, onderwerping aan een ander, machtsverlies, en uiteindelijk gezichtsverlies.’

Een arts is in de optiek van hoofdpersoon Liefco iemand die ‘wij’ zegt waar hij ‘de wetenschap’ bedoelt en als een God waakt over het lichaam ‘dat zich onttrok aan de menselijke wil, de toekomst, wensen, liefde, verwaarlozing, plannen’. ‘En zo iemand, hield ik mij voor, wilde ik ook worden.’ Maar dat betekent dat hij zich moet aanpassen aan een cultuur die hem vreemd blijft.
(Medisch Contact)

Menno Lievers tekent de metamorfose van een schuchtere studente tot een snauwerige bitch die in haar groen operatiepak op bloedbesmeurde klompen tegen het personeel en de patiënten tekeer gaat om haar eigen onzekerheid te maskeren.
Het leven van de arts assistent en de naijverige specialisten wordt met brio beschreven, van algemene interne, over chirurgie, neurologie tot in de gynaecologie waar het morsige begin van eenieders bestaan wordt blootgelegd. Tot de fertiliteitskliniek waarbij de behandelende arts iedere hulpvraag met zijn eigen ingevroren sperma bedient.
Tussendoor wordt een steeds infantielere vorm van seksbeleving verteld – uiteraard met alle beschikbare verpleegsters – waarbij de graad van zwelgen gelijkloopt met het steeds dieper afdalen in de moederschoot van de dood.
Even terloops blijkt het routineus bedelen van de medicijnen voor een zachte dood – lang voor een euthansiewetgeving van kracht werd – gemeengoed.
En wordt Erik Liefco – wanneer hij toch niet blijkt te voldoen aan de initiatiecriteria – door het infernale ziekenhuis gedumpt.
Lievers heeft in zijn boek onder meer de zaak Lucia de B. verwerkt, de Haagse verpleegkundige die in 2004 werd veroordeeld tot levenslang en tbs voor zeven moorden en drie pogingen tot moord, maar in 2008 voorlopig op vrije voeten kwam.
Omdat na de dood door verstikking van de moeder van een ziekenhuisfunctionaris van elders in het land een interne controle start naar de vele overlijdens en al gauw blijkt dat de arts- assistent-niet-in-opleiding Liefco steeds in de buurt was, wordt hij er op statistische wijze uit geplukt en net als de Haagse verpleegkundige beschuldigd van moord. Intussen is zijn leven ook privé een puinhoop en heeft hij zich laten verleiden tot een schijnhuwelijk om een arme Colombiaanse prostituee aan een verblijfsvergunning te helpen zodat ze als verpleegkundige aan de slag zou kunnen. Ras begrijpt het meisje dat de seksuele hulpverlening meer financieel soelaas te bieden heeft dan para-medische zorgverlening.

Lievers licht zijn talrijke behoorlijk realistische seksscènes in Medisch Contact toe als: ‘Ik wilde laten zien dat medische kennis de beleving van seksualiteit verandert. Door de kennis van de anatomie en fysiologie van de seksualiteit verdwijnt het mysterie uit de beleving ervan, omdat je als arts al zoveel hebt gezien dat je niet snel meer wordt verrast.’

‘De Val van Hippocrates’ is een ontluisterende roman. Het is geen fraai verhaal, maar helaas niet ver bezijden de waarheid en de realiteit.
Aankomende artsen kunnen het lezen als een waarschuwing, hoe ze het niet moeten doen, hoe ze zich niet moeten gedragen, hoe ze voldoende afstand moeten kunnen nemen en houden van hun werk, collega’s en patiënten om ze voldoende nabij te kunnen zijn. Pas dan kunnen ze hun eigen geestelijke gezondheid en fysische integriteit beschermen.

De val van Hippocrates kan alleen maar gestuit worden wanneer de geneeskunde haar wetenschappelijke basis en pretenties in vraag kan stellen, wanneer ze niet alleen in de opleiding maar ook in de nascholing ruimte maakt voor een filosofische, ethische en menselijke benadering van ziekte, gezondheid en helende relaties. Dan wordt de roeping en het vak weer een kunst in plaats van een beroepsopleiding op universitair niveau.
Een academisch opleidingsniveau eist een kritische graad van zelfreflectie die in de dagelijkse (ziekenhuizen)praktijk doorgaans ver zoek is. Bij de universitaire initiatie evenzeer.

39.Het was vreemd: over de hele wereld hadden miljoenen artsen miljoenen boeken en artikelen geschreven die je volgens hen zelf beter ongelezen kon laten, omdat het om de praktijk ging: om wat je met je eigen oren en ogen en neus had gehoord, gezien en geroken. Om je eigen ervaringen, niet om die van een ander. Iedere arts had zijn eigen waarheidscriterium: onzekerheid gold als een teken van zwakte, een karakterfout, gebrek aan zelfvertrouwen, onderwerping aan een ander, machtsverlies, en uiteindelijk gezichtsverlies.

145. Alles wat bewaard moest worden lag in de kelder. Langs kasten met uitpuilende statussen, gerangschikt op geboortejaar, liep ik naar mijn locker. Ik vroeg me af hoeveel informatie er klopte in medische statussen. Wat was eigenlijk de status van het medisch feit? Artsen lazen wel literatuur, maar hielden vooral van de Russen, de joodse vertellers, een enkeling las Dickens. Als ze wisten dat er boeken bestonden waarin schrijvers en filosofen beweren dat ieder leven beschouwd moet worden als een tekst die op talloze manieren gelezen kan worden, zouden ze die schamper terzijde schuiven. Artsen waren empiristen, geen idealisten. Het leven was voor hen een ontdekkingsreis, geen uitvinding. En toch, de anamneses die hier in de medische statussen waren opgeslagen als objectieve medische feiten, waren de schriftelijke neerslag van een gesprek tussen arts en patiënt. Het waren verhalen. De zieke vertelde wat hij dacht dat hij moest vertellen en maakte uit de flarden informatie die hem in zijn zenuwen bij de dokter te binnen schoten een verhaal, waarin hij sommige gebeurtenissen benadrukte en andere wegliet. De arts stelde een aantal vragen om het verhaal in de richting van een ziektegeschiedenis te duwen en noteerde zijn interpretatie van de zelfinterpretatie van de patiënt. Een archief symboliseerde in de literatuur orde in de chaos, maar een medisch archief was naar de letter en de geest de grote chaos zelf.

Europalia China Het omhelzen van de maan, Spiegel van de Tang dynastie.

17 januari 2010

Europalia China Het omhelzen van de maan, Spiegel van de Tang dynastie.

Nog tot 14 maart biedt het Antwerpse Provinciehuis ruimte aan een boeiende tentoonstelling waarbij zoals wel vaker de catalogus meer te betekenen heeft dan de expositie zelf.
De presentatie is mooi, met veel aandacht voor de ontwikkeling van het Chinese boeddhisme, enkele mooie stukken keramiek en vroeg porselein, een schitterend vergulde bronzen draakje en enkele mooie kleine vergulde bronzen, alsmede een reeks mooie terracotta beelden van dieren en mensen.
De stukken zijn bijna allemaal afkomstig van het Shaanxi History Museum, het Zhaoling Museum met objecten uit de necropolis van de grote tweede Tang-keizer Taizong (reg. 626-649) en het Beilin Museum voor het merendeel van de boeddhistische stukken. De tentoonstelling kadert in 25 ste verjaardag van de vriendschapsbanden tussen de provincies Antwerpen en Shaanxi in China, die dateren van de Janssen Pharmaceutica vestiging in Xi’an, de hoofdstad van Shaanxi.
Destijds werd de interesse van Paul Janssen voor de Chinese Volksrepubliek gewekt door twee personeelsleden die zich toen tot het Marxisme Leninisme en de Gedachte Mao Zedong bekenden. Zij werden wel ontslagen maar hun zaad zou kiemen en Paul Janssen kwam in Shaanxi terecht waar hij de eerste grote farmaceutische joint venture oprichtte in China met Xian-Janssen.

Meteen is de exclusieve band met Shaanxi en de selectie aldaar een minpunt voor de toch wel beperkte tentoonstelling over de Tangkunsten.
Er zijn nauwelijks beelden van de fantastische Tang paarden in de typische kleurenglazuur, en al helemaal geen van de fameuze Tang vrouwen met forse boezem, laat staan hofdames die voor het eerst en als enigen tot vandaag hun borsten prominent etaleerden.
In de Chinese geschiedenis een cultuurschok die zich enkel kan meten met wat er vandaag aan de hand is in het Rijk van het Midden.
Er wordt wel veel aandacht besteed aan de kledij van de voluptueuze Tang vrouwen, die een tot dan ongekende vrijheid hadden.
Dit leidde tot een extreem gevarieerde opsmuk en hoge haarstukken, tot het dragen van mannenkleren, diepe decolletés en forse amazones in spreidstand op weelderige paarden.
De collectie bronzen paardentuig is mooi, met bewerkte gespen en vele gebalanceerde stijgbeugels, uit een periode dat men in West Europa onder Merovingers en Karolingers nog geen stijgbeugels kende. In China werden ze reeds teruggevonden in sites uit de derde eeuw. In Europa pas vanaf de 8ste en 9 de eeuw.

‘Het omhelzen van de maan ‘ verwijst als titel van de tentoonstelling naar een vers van de beroemdste Tang-dichters, Li Bai.
Voor de Chinese cultuur is de maan de spiegel van de zon, yin tegenover yang, ‘als droom en bezinning tegenover werkelijkheid, als de schaduw van het hiernamaals tegenover de realiteit van het heden, ontastbaar, maar toch erg aanwezig.’
De ruimte is ingericht als een gestileerde tuin met doorgangen en doorkijkjes, met een discrete belichting maar te weinig toelichtingen.
Een audiogids was handiger geweest dan een gekopieerde wandelgids.

Curator Annemie Bonneux heeft met de literaire aspecten van de tentoonstelling een prachtige spiegel gemaakt.
Met veel aandacht voor Li Bai (701-762) en zijn verzen over het drinken van de wijn onder de maneschijn.

Een vraag aan de maan met wijn in de hand.
Hoelang al staat de maan wel aan de hemel?
Ik zet mijn beker neer en vraag het haar.
De mensen reiken naar de maan,
Maar kunnen haar niet grijpen;
Toch is zij op hun pad een trouwe gezellin.

Er wordt tijd en ruimte besteed aan de Wijn, de Maan en de Weg van de Tao.
Dus ook aan de drinkgelagen en drankgedichten.

Li Bai paste naar verluidt zijn poëtische analyses van de Tao toe bij zijn eigen euthanasie: stomdronken in een bootje probeerde hij de maan te omhelzen in het water.

Chang’an – Hemelse Vrede – was gedurende vele dynastieën de hoofdstad van het rijk.
Vandaag als Xi’an nog steeds een fenomenale stad, niet alleen door de terracottalegers en de vele grafsteden,
maar ook als het historische einde van de zijderoute en dus een verzamelplaats van vele volkeren en culturen.
De verzen op de banieren in de tentoonstelling zijn goed gekozen.

Boven de muren van Chang’an
Lijkt de maan van gebleekte zijde. ( Cui Hao)

‘Nachtgedachten’ van Li Bai werden eind april 2009 een herinnering
toen ik boven de Pagode van de Grote Wilde Gans de maan zag verschijnen aan een blauwe hemel
terwijl ik de verkopers van alle mogelijke antiquiteiten en grafvondsten van mijn lijf probeerde te houden.

Ik kijk omhoog naar de heldere maan
ik kijk omlaag en denk aan thuis

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand. Atlas 2009

13 januari 2010

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand. Atlas 2009

‘ Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was en dat het geen zin had mijn lucifers bij de brand af te strijken’, aldus M. Vasalis
Voor de ook in 2009 overleden vader heeft Luc Devoldere zijn Lucifers bij de brand gehouden.

Met dit ‘ Boek als werkplaats’ heeft Luc Devoldere lezers van het nachtkastje indringende nachten te bieden. Hij streeft niet naar de waarheid, hij is geen lamerende nostalgicus. Geen pleitbezorger van verkrampte idealen. Hij zwelgt niet in een cultuur die nooit bestaan heeft, behoudens in het gesloten denken van verborgen maakbaarheidsideologen.
‘ Lucifers bij de brand’ pleit niet hoogdravend voor geestelijke adelbewijzen.
Luc Devoldere houdt zich verre van protserig etaleren van zijn opmerkelijke eruditie als classicus en hoofdredacteur van Ons Erfdeel.

Ik hoorde hem voor het eerst op het 28ste Medisch-Psychologisch weekend van de toen nog Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen te Blankenberge, begin oktober 1997.
Hij sprak daar na een briljant discours over taal en betekenis door de diep betreurde Patricia De Martelaere en een reeks doordenkers van Sam Ijsseling over de macht van het woord. Ijsseling was net gewipt als filosofieprof aan de Leuvense faculteit geneeskunde omdat hij volgens de decaan met zijn verwarrende woorden alleen maar twijfel zaaide bij de aankomende artsen, die wel wat anders dan twijfel nodig zouden hebben in hun vakgebied.
Devoldere hield voor de verzamelde Vlaamse huisartsen die dieper wensten te graven in de twijfels over hun vakgebied een lezing over
‘LITERATUUR LIEGT DE WAARHEID, Over macht en onmacht van het woord, over vergelijkingen en koolstofatomen’.

Hij begon met het vers van Judith Herzberg.

Ziekenbezoek

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

Hij duidde voor de aanwezige huisartsen aan de hand van citaten van de Siciliaanse Griek Gorgias de retorica: de peithous dèmiourgos is de vervaardiger, bewerker van de overreding, die ook altijd verleiding is. Het woord is niet alleen machtig. Het verleidt ook, het fascineert. De tragedie (die) bedriegt, maar op zo’n manier dat de bedrieger rechtvaardiger is dan wie niet bedriegt, en de bedrogene verstandiger dan wie zich niet laat bedriegen.

Door de macht van die woorden werden wij wegens herkenning geraakt en besmet. Het hielp ons nadenken over de positie van een huisarts als bewaarder van de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem. Het leerde ons beter begrijpen waarop ons helen steunde wanneer wij in een vertrouwensrelatie met een patiënt die we noch naar taal, noch naar gedrag konden verstaan toch genezende woorden konden spreken en helpende handelingen konden verrichten, een essentiële houding voor een vertrouwensdokter, behoedzaam met machtsmiddelen.

Het was een verademing op die manier te mogen nadenken over je vak als huisarts.
Intussen zijn we beiden vele jaren verder op onvermoede wegen, langs peilloze ravijnen over twijfelachtig drijfzand van eens zo geroemde wetenschappelijke zekerheden.

Een verslag van die tocht krijgt de aandachtige lezer van Luc Devoldere aangereikt in ‘Mijn Italië’.
Met ‘Lucifers bij de brand’ gaat hij verder en mag de lezer een heel eind mee.

189. De mooiste zin die ik hoorde is deze: ‘ S’il y a blessure, il y a deux lèvres, er ces lèvres laissent l’ espace aux paroles. (…) L’ écrivain donne a la douleur le repos de la forme.’

‘ Toen hij nog jong was, dacht hij dat cynisme ‘ een wind was en geen mes’, dat het ‘ bloeide uit de gletsjerspleet’. Zo schreef hij het toch op. Cynisme was toen nog een literaire pose, de maliënkolder van een adolescent. Nu ademt hij fijn stof in tussen mensen met messen op zak.’

Soms hilarisch, soms heel persoonlijk, soms ontroerend, vaak met schitterende commentaren bij bedenkingen van anderen en zichzelf dwingt Luc Devoldere de lezer van steunbeen te wisselen om een nieuw evenwicht te zoeken. Hij doet het niet brutaal, noch ruw, maar heel behoedzaam, zoals egeltjes het plegen te doen.
Een millennium van oorlogen heeft het Westen (immers) sterk gemaakt, een eeuw van ‘psychologie’ heeft het in het nauw gedreven‘ aldus Emile Cioran.
Dat vereist enige omzichtigheid ook al loeit het laaiende vuur.
Daarom laat Devoldere ons schroomvol toe bij zijn volstrekt overbodige pogingen om lucifers af te strijken bij het vuur.
Een fascinerende – bittere, verzengende, louterende – werkplaats, voor de lezer.

‘Dingen zijn producten geworden; situaties heten voortaan opportuniteiten, vriendenkringen netwerken en van werk veranderen is een uitdaging. In de politiek worden de studiediensten vervangen door communicatiecellen. Communicatie heeft conversatie gedood. Opleiding neemt het over van vorming; informatie van kennis. Vaardigheden hebben kennis overigens verdrongen. Welkom in de eenentwintigste eeuw.’

Luc Devoldere heeft met zijn ‘Lucifers bij de brand’ niet alleen voor zijn vader een volstrekt overbodig maar waardevol monument geconstrueerd.
Voor ons, zijn lezers, heeft hij een uitnodiging geschreven: ‘HOSPES COMESQUE’ waardoor we ons telkens weer eventjes zijn gast en gezel kunnen voelen.

Zijn vergelijking tussen Descartes en Montaigne is snijdend en zal vele al dan niet zelfbenoemde wetenschappers een ferme opkikker bieden.
Spinoza’s Ethica, Emile Verhaeren en de donkere wateren van de Schelde bij Sint Amands, Nietzsche, Cioran, Margueritte Yourcenar, vader en zoon en de zoon die zelf vader is geworden, samen en afzonderlijk in een esthetische verleiding.
Lucifers lezen is verleidelijk.

Lees verder »

Rob Riemen Adel van de geest, een vergeten ideaal. Atlas 2009

10 januari 2010

Rob Riemen Adel van de geest, een vergeten ideaal. Atlas 2009

Als directeur van Nexus aan de Universiteit van Tilburg probeert Rob Riemen intellectueel weerwerk te bieden aan de intellectuele leegte die hij in de hele westerse wereld waarneemt.
Voor de eerste uitgave van Nexus koos hij het motto van Marguerite Yourcenar uit haar beroemde roman Herinneringen van Hadrianus:
“Ieder die het geluk heeft in zekere mate voordeel te trekken uit dat culturele erfgoed was volgens mij verplicht het aan de mensheid door te geven.”
Nexus pleit nu voor ‘Inzicht door samenhang’.
‘Het Nexus Instituut bestudeert het Europese cultuurgoed in zijn kunstzinnige, levensbeschouwelijke en filosofische samenhang, om zo inzicht te bieden in eigentijdse vragen en uitdagend vorm te geven aan het cultuurfilosofische debat. Als culturele denktank beoogt Nexus een stijl van kwaliteit, eruditie en tolerantie, om op die wijze een contrapunt te zijn voor kleinheid van geest, verzuiling en nationalisme, de troosteloosheid van het niets weten en het fanatisme van het enig weten. Nexus wil zich op deze wijze scharen in de Europese humanistische traditie.’
Rob Riemen gaat met ‘ Adel van de geest, een vergeten ideaal’ dieper in op de figuur en de betekenis van Thomas Mann. Hij gebruikt heel veel citaten van Europese denkers – Socrates, Spinoza, Goethe en de Italiaanse verzetsstrijder Leone Ginzburg – om westerse intellectuelen die de aanslagen van 9/11 aangrepen om het materialisme en de decadentie van de westerse maatschappij ervan langs te geven. Voor hem is dat een voorbeeld van het hedendaagse verraad van de intellectuelen: hun politieke (deels anti-Amerikaanse) denkbeelden prevaleren boven het fundamentele verschil tussen goed en kwaad. Hij vergelijkt dit met Julien Benda’s ‘Verraad van de klerken’ uit 1927.
Hij eist dat precies de intellectuelen niet hun eigen politieke denkbeelden, maar ‘de waarheid zelf als enige richtsnoer nemen voor hun denken en handelen’. Dit is voor hem de kern van het streven naar adel van geest. Volgens hem vereist dit een grote moed, zoals Socrates die had.

Inhoudelijk is ‘ Adel van de geest’ waarschijnlijk een interessante inkijk in wat rest van een vergeten ideaal, althans voor nieuwkomers. Voor de ouderen is het eerder een gekend verhaal, daarom niet minder betreurd.
De hoop die Riemen nastreeft zal ijdel blijken, maar is daarom niet minder aantrekkelijk.
Mij komt het een ietsje te glad en te naïef voor want dat ’streven naar waarheid’ is historisch een huizenhoge dooddoener zoals er dertien in een dozijn gaan. Mooie intentieverklaringen, lofzangen op de Europese adel van de geest (die in het verre en recente verleden behoorlijk wat menselijke ellende heeft voortgebracht, niet alleen in West-Europa) zonder verdere effecten behoudens intellectuele melancholie naar een wereld die nooit bestaan heeft. En dat was en is het dan wel ongeveer met die adelborsten.

50. Dit erfgoed ziet hij bedreigd door de Zivilisationsliteraten (een onvertaalbaar neologisme van Mann) met hun ‘politisering van de geest’. Zij verkondigen dat al het geluk te danken is aan politieke ideologie en maatschappelijke instituties. Het geluk van de mensen is daarom geen metafysisch of religieus vraagstuk, maar een politiek probleem. Zij geloven in de perfecte maatschappij en de perfecte mens. En juist deze gedachte riep bij Thomas Mann de meeste weerzin op, want zij betekende in feite de ontkenning van wat hij tot de essentie van het bestaan rekent: de dood; de menselijke beperktheid; de mens als het wezen met vragen waarop geen antwoord komt.

66. Nog geen half jaar later moet Mann een In memoriam schrijven. Hij memoreert het volgende moment tijdens deze ontmoeting. De oude Fischer geeft een oordeel over een gemeenschappelijke kennis:
‘Geen Europeaan,’ zei hij met zijn hoofd schuddend. ‘Geen Europeaan, Herr Fischer, hoezo niet?’ ‘Van grote humane ideeën begrijpt hij niets.’ En Mann vervolgt: ‘Ik heb geen woorden om te beschrijven hoe diep geraakt ik was. Hier sprak, al bijna in de dood, een generatie die groter en beter was, dan de generatie die haar nu het heft uit handen neemt.’
De grote humane ideeën. Dat is de Europese cultuur. Dat is de traditie waar hij met het schrijven van Der Zauberberg bewust in was gaan staan. Echter, tegelijk met de publicatie van dit monument voor het Europees humanisme dringt de bange vraag zich op of deze cultuur wel zal blijven bestaan, of zij niet slechts een episode in onze geschiedenis zal blijken te zijn.
Lees verder »

Marcel Van Dam, Niemands land – biografie van een ideaal. De Bezige Bij 2009

3 januari 2010

Marcel Van Dam, Niemands land – biografie van een ideaal. De Bezige Bij 2009
 
‘Kon ik wat woede is
Maar in zijn deugd begrijpen
En er natuur van maken
Als boom van wortel blad.’

 
Met dit citaat van de Nederlandse dichter-tekenaar Chr. J. Van Geel opent Marcel van Dam zijn ‘Niemands land’. Hij slaat beter laat dan nooit een mea culpa, een paar keer spijkers met koppen en soms de bal behoorlijk mis.
Maar hij heeft ten minste de moed gehad en de verantwoordelijkheid genomen om zeer belangrijke maatschappelijke problemen te onderzoeken, ook als hij daarin zijn eigen fouten en die van zijn partij en ideologie blootlegde.
Mijn eigen kortstondige maar intense carrière in de sp die dan weer (van) “.a” werd en mijn ballingschap als huisarts in een achterstandswijk van Rotterdam heeft me toch menig bevoorrechte blik gegund achter de coulissen van het politieke theaterspel en de mogelijkheden voor scènespelers, dan wel de rolverdeling in het ‘multiculturele straattheater’ van een wereldhavenstad.
Vermits backbenchers en koorleden – laat staan de populistische toppers – wel moeten verkondigen dat ze de problemen van de mensen zullen aanpakken, wat zeg ik ‘zullen oplossen’, hoewel ze goed beseffen dat dit een doorgaans ijdele belofte blijven zal, rest hen indien vitaal en actief enkel het eigenhandig creëren van een ‘belangrijk maatschappelijk‘ probleem waarrond ze amechtig trachten te mobiliseren via de media.
De mooiste en ook schrijnendste voorbeelden hiervan vormen de propagandatheorieën over de vergrijzingkosten en de globalwarming die we de laatste maanden ten overvloede in de maag gesplitst kregen.
 
Marcel van Dam was decennia lang een zeer prominent scènespeler en dito poppenspeler in de coulissen van de sociaaldemocratische machtscenakels van Nederland.
 

336. Het recht op een redelijk bestaansminimum verdraagt zich ook niet met de nieuwe horigheid die in de neoliberale prestatiemaatschappij is gekoppeld aan het verkrijgen van een uitkering. Het is vernederend om van zoveel mensen doorlopend te eisen dat zij zich verantwoorden voor hun habitus. Sociale rechten en plichten van burgers horen niet samen te vallen. Als een sociaal recht ook plicht wordt, resteert plicht. Ik deel de opvatting van de Duits- Engelse socioloog Ralf Dahrendorf, die het in zijn in 1988 verschenen boek The Modern Social Conflict als volgt verwoordt: ‘Burgerschap is een niet-economisch concept. Het definieert iemands positie onafhankelijk van diens bijdrage aan het economisch proces. De elementen van burgerschap zijn dus onvoorwaardelijk. Dat geldt voor zowel rechten als plichten ( … ) Op het moment echter dat rechten en plichten hun onvoorwaardelijke karakter verliezen, staat de deur open voor de onzichtbare hand van de markt (die overigens ook welwillend kan zijn), maar bovenal voor de zichtbare hand van de machthebbers die mensen vertellen wat ze wanneer moeten doen. Aldus leidt (… ) workfare tot vormen van dwangar-beid.
 

Over de vrije wil en ons denken en handelen beklijft bij Marcel van Dam het meest de zogenaamd wetenschappelijk bewezen illusie van de vrije wil.
Op die manier wil hij verder toch wel weer bevoogdend vasthouden aan de vroeger gehuldigde maakbaarheidsidealen.
Wie echter de “illusie van het ‘ik’ en de vrije wil als de zintuigen door de evolutie geproduceerd” ziet “ omdat ze bruikbaar zijn,“ mist het plezier van het spel, ook het politieke en maatschappelijke veinzen waarmee mensen kunnen en willen communiceren en ook de bereidheid betuigen om hun verantwoordelijkheden te nemen en de gevolgen ervan te dragen. Wie deze interpretatie van de ‘vrije wil’ afwijst ontneemt de ander zijn menselijke waardigheid. Of het nu gaat om de betuttelende ‘doe het goed om het goede houding ‘ al dan niet in een sfeer van naastenliefde of solidariteit tegenover armen, sociaal zwakkeren, derde wereldbewoners. In die zin weigert hij te erkennen dat iemand als Theodore Dalrymple wel degelijk de vinger in de wonde legt met de analyse dat maatschappelijke oorzaken en het ontbreken van de vrije wil mensen ieder gevoel van verantwoordelijke betrokkenheid en eigenwaarde kunnen ontnemen. (p.262 e.v.)
 
 
Beter laat dan nooit doet hij in ‘Niemands land’ kond waar het – mede door zijn eigen beleidstussenkomsten – de voorbije 25 jaar is misgelopen tot ‘Niemandsland’. Hij ziet Nederland vandaag bestuurd als een naamloze vennootschap zonder aandeelhouders: ‘De cultuur is de laatste tientallen jaren over de volle breedte dienstbaar gemaakt aan economische doeleinden en ieder segment van de samenleving ondervindt er de gevolgen van. Humanitaire waarden als rechtvaardigheid, zorgzaamheid, gelijkwaardigheid, gelijkheid voor de wet, mededogen en solidariteit worden doorlopend aangepast aan het streven naar een optimale rentabiliteit van alles en iedereen. Minder langzaam dan we denken, in ieder geval heel zeker, glijden we af naar het sociaal-economisch model van de Verenigde Staten, naar het rampenkapitalisme van Naomi Klein. Nederland loopt daarmee tamelijk ver voorop in Europa. Terwijl het erop lijkt dat Obama in Amerika de weg naar meer humanisering weer is ingeslagen. Nederland dreigt een buitenpost van de beschaving te worden.’
 
Kostenpost
Ouderen heten nu een groeiende kostenpost – zeker in de ogen van hysterische klaplopers, gefrustreerde prinsen en politici op zoek naar goedkope populistische oneliners.?De doorgedreven vermarkting van de Nederlandse samenleving maakt alles van waarde niet alleen weerloos maar ook waardeloos.
In ‘Niemands Land ‘ heeft hij haarfijn voorgerekend hoe het Centraal Planbureau in deze probeert te voorspellen. De uitsluitend in het Engels gestelde nota ‘Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances’ gaat ervan uit dat de volgende honderd (!) jaar alle overheidsvoorzieningen – uitgaven voor huisvesting, defensie, gevangenissen, milieu, infrastructuur – het groeipercentage van de economie zullen volgen.
Op die manier wist de studie in 2006 reeds te voorspellen dat in 2011 een tekort van 3 % zou ontstaan. Evenzo voorspellen economen en statistici dat in de volgende honderd jaar de AOW (algemene ouderdomswet voor het basispensioen) met 4% zal stijgen en de zorg met 4,25%.?Nu al kan voorgerekend worden dat die extra basispensioenkost betaald zal worden met de belastingen op de steeds belangrijker wordende aanvullende bedrijfspensioenen. De reële kost van een mogelijk ‘vergrijzingsprobleem’ zal dan eerder 1,3% van het BBP bedragen. Cijfers die in het niet verdwijnen bij de ramingen van de gevolgen van de financiële crisis die eind 2009 maar liefst 7% krimp van het bruto binnenlands product bedroegen.

Weerloos
Jarenlang wordt er hoog opgegeven over de dramatische kostenstijging in de gezondheidszorg, vooral bij hoogbejaarden. Onmiddellijk gekoppeld aan de noodzaak van maximale medische voorzieningen. Alsof alle ouderen die bij hun zinnen zijn, daar ook maar een beetje zin in zouden hebben.?Blijkt intussen sinds enkele weken dat ook die prognoses behoorlijk overschat zijn. Ouderen blijven ook nog eens langer gezond en doen minder lang beroep op de duurste voorzieningen, als ze het al zouden wensen. Steeds meer hoogbejaarden beschouwen hun leven als voltooid en hebben een fysieke en mentale weerzin tegen ‘therapeutische volharding’ bij artsen en zorgverleners.

Weermannen
Wanneer de directeur van het CPB geconfronteerd werd met deze ernstige ramingfouten, vond hij niet dat zijn organisatie gefaald had. Hij vergeleek de CPB voorspellingen met die van de weerman. Als de weersvoorspellingen drie dagen later niet uitkomen, zal hij ook niet zeggen dat hij heeft gefaald.?‘ Dat is waar’, aldus Marcel van Dam, ‘En dat is ook niet erg, omdat op de voorspelling van de weerman geen overheidsbeleid wordt afgestemd. Sterker nog: in de meteorologie is duidelijk geworden dat het weer op langere termijn theoretisch niet is te voorspellen, omdat kleine veranderingen in de beginvoorwaarden tot grootschalige weersveranderingen kunnen leiden. Net zoals dat het geval is in complexe systemen als de economie. Dat is natuurlijk niet zo vreemd. Economisch gedrag is menselijk gedrag. Dat is net zo onvoorspelbaar als het weer en kan op hypeachtige momenten volkomen onbeheersbaar worden.?De directeur van het CPB kan wel deemoedig verklaren dat zijn organisatie slecht is in het voorspellen, en ook in de rapporten die worden gepubliceerd wordt altijd vermeld dat er grote onzekerheden zijn, maar politici nemen de cijfers tot achter de komma serieus en baseren daar hun beleid op. Ook verkiezingsprogramma’s worden ermee doorgerekend en partijen nemen elkaar de maat met de uitkomsten.?Veronderstellingen bedenken voor het gedrag van mensen in de komende honderd jaar, op die veronderstellingen berekeningen maken voor de overheidsfinanciën en daar vervolgens het beleid op baseren is tekenend voor de armoede van de hedendaagse politiek.?Door politici en hun vaak hooggeleerde fluisteraars wordt het verdedigd met de dooddoener: het is weliswaar onzeker, maar we hebben niet beter. Maar cijfers krijgen pas betekenis door de betekenis die je eraan geeft.’ (Niemands Land, p. 205)
 
Heel wat Nederlandse intellectuelen gingen de gewezen PvdA minister voor in dit belangrijke debat, met moed en bravoure. Zij vechten om boven te blijven.
?In België daarentegen is de toestand nog steeds hopeloos. Maar niet ernstig.
De meeste burgers in Belgenland koesteren reeds eeuwen een fundamenteel wantrouwen en ongeloof tegenover iedere overheid die beweert hen op uniforme wijze in juiste banen naar blijvend geluk te zullen leiden.
‘Om die reden vind ik het ook leuk om in beide landen te spelen. De mensen lachen met verschillende dingen’, weet theatermaker en lachtherapeut Wim Helsen. ‘De Nederlanders houden het graag helder en duidelijk, de Vlamingen volgen mij in de meest absurde verhalen en verbanden. Wij zijn blijkbaar meer aan chaos gewend dan zij. We voelen ons zelfs meer op ons gemak bij chaos. De Nederlanders zitten ook veel dichter op elkaar, ze geven voortdurend commentaar op de anderen. Wij gunnen elkaar meer vrijheid. Daarom kunnen wij, Vlaamse komieken en cabaretiers, de Nederlanders ook vaak verrassen. We brengen humor vanuit een invalshoek die ze niet verwachten.’
 

 
Marcel van Dam is ook vaak moedig in zijn bekentenissen:
 

60. Zelfs het deelnemen aan het schrijven van een verkiezingsprogramma in het midden van de jaren negentig en het kennisnemen van alle informatie die daarbij beschikbaar komt, hadden me niet op het goede spoor gezet. Onder mijn ogen was het afbraakproces begonnen van ongeveer alles waarin ik geloofde en dat naar ik vreesde zou kunnen leiden tot een samenleving die wreder en onrechtvaardiger was dan die tijdens de industriële revolutie in de tweede helft van de negentiende eeuw – niet vanwege een terugval van de welvaart tot het peil van toen, maar door een vorm van postmoderne onderdrukking en slavernij van meer dan 10 % van de bevolking, die geen  perspectief zou hebben ooit als volwaardig lid van de samenleving te worden geaccepteerd.
In kleine kring had ik me vaak laatdunkend uitgelaten over het falen van de elite bij het kritisch volgen van de politiek. Ik kwam tot de ontdekking dat de elite en ik elkaar niets te verwijten hadden: we hadden beiden niet minder dan een breuk in de beschaving over het hoofd gezien, een breuk waardoor de meerderheid zich alleen nog maar verantwoordelijk voelde voor het eigen welzijn, in plaats van dat van iedereen.
De sociaaldemocratie was in stilte ter ziele gegaan en ‘van de armen’ begraven. Het is een stelling met een hele zware lading, die niet kan blijven zweven. Loyaliteit aan de PvdA zou voor mij verraad betekenen aan de beginselen van de partij waarvan ik in mijn studententijd lid ben geworden, waarin ik altijd ben blijven geloven en waarvoor ik me altijd heb proberen in te zetten.
Wat ik ontdekte ging het belang van het bedanken voor de PvdA ver te boven. Dat was een steentje in een vijver, en waar ik achter kwam had het karakter van een stormvloed. Daar moest ik over schrijven.
Maar waar te beginnen? ‘Als je dat niet weet, kun je het beste bij het begin beginnen: zei Harry Mulisch. Voor mij lag het begin in de jaren zestig, waarin ik, volwassen geworden, meegezogen werd in de turbulentie van de tijd. Die jaren zijn door velen euforisch bejubeld en door nog meer men- sen verguisd, ze zijn schuldig verklaard aan alle tekortkomingen van latere jaren. Beide slaat nergens op. De tijdgeest is een product van miljarden kleine veranderingen in denken en gedrag van mensen die dat zelf niet in de gaten hebben. Tot in een nieuwe generatie al die kleine veranderingen samenkomen en een soort schokgolf in de cultuur veroorzaken.

Lees verder »

Blogs in 2009 op www.deredactie.be

3 januari 2010

Blogs in 2009 op www.deredactie.be

‘Alles van waarde moet zich weren’
Kannibalen in Kopenhagen
Rekeningrijden in Niemandsland
Grieppaniek in prikkenland
De doden weten zich te gedragen
Een gewilde zwangerschap en het Antilliaanse probleem
Placebo’s, parkieten en mensen
Merels
Meeuwen

Lees verder »

Categorie Actualiteit | Reacties uit

‘Fin du siècle, début du millénaire’ Decennium-bedenking I

1 januari 2010

Luc Devoldere in ‘ Lucifers bij de brand’ :

Stephen Toulmin onderscheidt in de moderniteit twee tradities.
De ene is die van de zeventiende-eeuwse Descartes: het is de traditie van de abstracte en economische rationaliteit, die met zo weinig mogelijk inspanning een maximaal rendement wil realiseren. De abstracte rationaliteit wil de mens met zijn ondoordringbaarheid, zijn massieve en concrete lichamelijkheid wegredeneren, de werkelijkheid bekijken sub specie aeternitatis, vanuit het gezichtspunt van de eeuwigheid, buiten elke context. Het symbool van deze traditie is het meetkundig traktaat; de grote metafoor ervan, de machine die afstelbaar, organiseerbaar en voorspelbaar is. Natuurlijk heeft deze rationaliteit voor een ongekende vooruitgang gezorgd op alle terreinen van het menselijk leven. De industriële en technologische revolutie zijn zonder haar niet denkbaar.
Maar deze cartesiaanse rationaliteit heeft een andere traditie van de moderniteit verdrongen: die van de zestiende-eeuwse Montaigne, die van de sceptisch-humanistische redelijkheid en van het essay. Die traditie heeft oog voor context, voor de concrete situatie en de aan plaats en tijd gebonden mens, en voor het belang van literatuur. In literatuur wordt immers onnadrukkelijk en zijdelings een diep inzicht over de mens aangereikt.
Literatuur biedt geen oplossingen voor problemen, maar ze kan door de schepping van een symbolische wereld de werkelijkheid wel inzichtelijker maken.
Het is niet doordat de menswetenschappen (recht, geschiedenis, ethiek, politiek, esthetica) niet het abstracte rationaliteitsmodel vertonen van de wiskunde en de positieve wetenschappen, dat er niet ook gedacht en geredeneerd wordt: alleen blijven de conclusies bij de menswetenschappen controversieel. ‘

Luc Devoldere ‘Lucifers bij de brand’, uitg. Atlas p.34-35

Overigens is het intussen reeds lang duidelijk dat de echt grote spelers in de Beta- en Gammawetenschappen, net als die van de Alfa’s, begrijpen dat de premisses en pradigmata van hun eigen vakgebieden vooral geen beperking mogen en kunnen vormen voor een gestalt benadering van de werkelijkheid en wat wij ons daarvan voorstellen. Tenslotte is niets wat het lijkt en wit nooit geheel tegengesteld aan zwart.

Onze wensen voor 2010

25 december 2009
Landschap in de stijl van Shen Zhou - 1650

Landschap in de stijl van Shen Zhou - 1650

‘De wegen slingeren
tussen nevelige toppen
en diepe kreken,
ik heb mij een kleine
en elegante rieten hut gebouwd.
De hoge pijnbomen
die ik eigenhandig geplant heb,
zijn oud geworden.
Sinds jaren heb ik geen voet meer gezet
op de bodem van officiële residenties.’

Wang Jian (1598 – 1677)

Landschap in de stijl van Shen Zhou – 1650
Beijing Capital Museum ‘De drie dromen van de mandarijn’
ING Cultuurcentrum Koningsplein 6 Brussel

Voor 2010 wensen wij jou en wie je lief is
in een elegante hut de behoedzame rust
van een kale monnik onder een lekkende paraplu,
vrij van aardse beslommeringen
en hemelse verplichtingen.

Mathieu Snykers, De Gesel van Darwin – of hoe we slachtoffers werden van de biologische evolutie

19 december 2009

Mathieu Snykers, De Gesel van Darwin – of hoe we slachtoffers werden van de biologische evolutie – ASP 2009

Met dit boek heeft de auteur een heldere inleiding geschreven tot de evolutietheorie en een didactisch gepresenteerde interpretatie van de mogelijke gevolgen voor mensen vandaag en morgen. Hij is doctor in de wetenschappen met specialiteiten materiaalfysica en kernfusie. Zijn brede interesse in de menswetenschappen groeide nadat hijzelf in 1991 ernstig ziek werd. Een periode van reflectie, studie en evaluatie zette hem aan tot publiceren: ‘Overleven met chemotherapie’, ‘De verborgen mechanismen van ons bestaan’ en ‘De zoektocht naar onszelf’. Sinds 1998 werkt hij ook als wetenschapsjournalist.

Mathieu Snykers besteedt in zijn ‘Gesel van Darwin’ veel aandacht aan fitnessindicatoren bij seksuele selectie en het belang van status als uitwas van die seksuele selectie.
Lees verder »

Rubenshuis Anwerpen – Kamers vol kunst in 17de eeuws Antwerpen

13 december 2009

Rubenshuis Anwerpen – Kamers vol kunst in 17de eeuws Antwerpen

Naast de toch wel fenomenale omgeving en collectie van het Rubenshuis dat alleen daarom al regelmatig een bezoek waard is, wordt nu uitgepakt met de kunstkamers van Willem van Haecht en een paar topstukken van Antoon Van Dyck, David Teniers, Quiten Metsys,Jan Brueghel. Na de val van Antwerpen van 1585 bleek ik er op de grens met de gereformeerde landen nog ruim genoeg handel en geld in het spel om de Antwerpse burgerij de kans te geven status en rijkdom te etaleren voor wie er voor hen toe deed.
Feesten, ommegangen, stadspaleizen, muziekstukken, kerken en schilderijen waren allemaal aan de orde in het onderlinge opbod van de topsinjoren. De max was echter een ‘kunstkamer’ al dan niet naar de realiteit geschilderd door een deskundige meester. Op een schilderij werd in een breedbeeldoverzicht alle kunst en rijkdom van de opdrachtgever gekonterfeit, al dan niet tijdens een mogelijk bezoek van een machthebber. Krasser nog, de echte kunstenaar werd gevraagd om een miniatuur van zijn eigen werk op de kunstkamerversie te schilderen. Om van die vele grote ego’s gedaan te krijgen dat ze een onderdeel uitmaakten van een visueel evenwichtig en boeiend geheel was ongetwijfeld een meesterstuk.
In het Rubenshuis hangen alweer een paar topstukken van Antwerpse patsers. Leuk om zien hoe ze het toch maar klaar speelden op de rand van verschillende machten als handelaars, diplomaten, spionnen, smokkelaars en fraudeurs. Maar, het moet gezegd, ze hadden smaak en lieten zich graag leiden door eruditie, kennis en stijl, eerder dan de gebruikelijke platitudes van nieuwe rijken.

Fotomuseum Antwerpen: Dolen onderweg in Europa – Infantization – Coal is bLack

13 december 2009

Michiel Hendryckx: Dolen – onderweg in Europa

Michiel Hendryckx heeft zich laten vangen. Zijn ‘ Dolen – onderweg in Europa ‘ wekt veel verwachtingen, maar lost er weinig in. En zo wordt ook de toeschouwer gevangen in het Antwerpse fotomuseum.
Het is een collectie dolende beelden, met vaak onduidelijke en slordige onderschriften – niet zonder fouten – waarvan er nu en dan oplichten om het meesterlijke talent van Michiel Hendryckx te illustreren. Maar die zwart-wit beelden worden dan weer elders in de tentoonstelling herhaald, zodat je als bezoeker het gevoel krijgt in een rondje te lopen. De fotograaf zou hiermee willen aantonen dat je alleen al dolend een stad, land of continent leert kennen.
Niets is minder waar.
Wie niet weet waarheen hij of zij doolt, wie geen voorkennis heeft, wie geen geschiedenis kent, doolt op zoek naar zichzelf in een wanhoopsspiraal. Zijn toelichtingen bij de foto’s weerleggen dit streven naar een radeloze of redeloze ‘photographie automatique’. Ook de toeschouwer kan niet kijken zonder vooringenomenheid, vooroordeel. Wie zichzelf wijsmaakt onbevangen te kijken of te fotograferen, speelt een boeiend bedrieglijk spel. Maar het blijft verstandig te weten dat het hierbij gaat om een spel waarin ieder doet alsof. ‘Objectieve wereld wars van spektakel en sensatie ‘ is als epitheton ornans een ijdel verlangen, dat ook al dolend niet wordt voldaan.

Europalia – China: The New Power of Chinese Contemporary Art

Dit euvel van ‘Dolen’ verdwijnt echter in het niets vergeleken bij het afgrijzen dat toeschouwers bevangt bij de aanblik van wat ‘Infantization’ heeft aangericht in China, meer bepaald in Sjanghai waar de ‘Gelatine Generatie’ haar gestoorde grenzeloosheid presenteert als ontwikkeling van een multimediale beeldcultuur die karakteristiek is voor het China van de 21 ste eeuw. De gevolgen van deze doorgedreven infantiliteit zal pathognomonisch blijken voor een nieuwe generatie Chinese adolescenten en jong volwassenen. De mentale en sociale ravage zal diep blijven woekeren. Beklemmend en beangstigend.

Danny Veys – Coal is bLack

Deze prachtige verzameling zwart-witfoto’s werden op de huid gemaakt zodat je de met koolstof gevulde poriën kan zien en de lelijkheid van het overzicht alleen maar vertederend werkt. De ruïnes van mijnen en mensen zijn van een archeologische schoonheid. Dat leven in die oude, onderkomen en levensgevaarlijke mijnbekkens – hier van de Donbass in de Oekraïne – is vandaag nog steeds reëel en uitzichtloos.
Veys is lid van Photolimits, een fotografenplatform, gespecialiseerd in sociale documentaire fotografie. De leden focussen op sociale fenomenen zoals culturele, economische en sociale spanningen, ecologie en religie. Danny Veys is eveneens docent aan de Hogeschool Sint-Lukas Brussel.
Voor Coal is bLack werkte hij in opdracht van COALFACE, een collectief van VZW Het Vervolg, projectencentrum van de Mijnstreek, dat vanuit Limburg internationale relaties tussen mijnbouwgebieden ontwikkelt. COALFACE wil de invloed van de mijnbouw op de identiteit van de mijnregio’s en de ziel van de inwoners benadrukken.

Jonathan Littell, Het droge en het vochtige. Arbeiderspers 2009

6 december 2009

Jonathan Littell heeft met ‘Het droge en het vochtige’ een handig toemaatje geschreven bij zijn meesterwerk ‘ De welwillenden’
Aan de hand van het boek van Klaus Theweleit (1942) uit 1977 ‘Männerphantasien’ analyseert hij de teksten die de Waalse SS collaborateur en Rex politicus Léon Degrelle heeft gepleegd.
Franstalig en katholiek België had zich voor de oorlog massaal aan de voeten gegooid van ‘le beau Léon’ en tijdens de oorlog wist hij ruiml te recruterren voor het Waals Legioen onder de eens zo linkse arbeidersklasse van de Waalse industriesteden. Na de oorlog bleek dit niet meer te stroken met de mythe van het quasi unanieme Waalse antifascistische verzet. Degrelle vluchtte naar Franco Spanje en werd geen strobreed in de weg gelegd door justitie ook al was hij ter dood veroordeeld en bleek hij al die jaren vrolijk privé bezoeken te brengen aan zijn vroegere vaderland. In 1980 wist Maurice Dewilde hem nog te interviewen en bleek van zijn droge versie als ‘le beau Léon’ niet veel meer overeind.

Theweleit kwam in zijn onderzoek tot de conclusie dat een ‘fascistisch bewustzijn’ niet alleen in word en daad maar uiteraard ook in het zelfbeeld van betrokkenen terug te vinden was.
Littell omschrijft dit bij Degrelle:
De fascist (heeft) het proces van scheiding ten opzichte van de moeder in feite nooit voltooid, is het nooit gekomen tot vorming van een Ik in de freudiaanse zin van het woord. De fascist is de ‘nog niet volledig geborene’.  (…) Hij heeft met behulp van discipline, training en lichamelijke oefening een uitwendig Ik opgebouwd (…) in de vorm van een schild, pantser, een spierenharnas. Onder dat pantser, in een voor de fascist ontoegankelijk gebied, bevinden zich al zijn aandriften, zijn wensfuncties, die volstrekt vormeloos zijn, omdat er geen objectrelatie mogelijk is.

‘De fascist’ doet er in Theweleits visie alles aan om zijn pantser intact te houden. Vandaar zijn hang naar uniformen, duidelijke regels en monumentale architectuur, oftewel alles wat hard, helder en vastomlijnd is.

Vijanden voldoen dus aan het tegendeel van deze mannelijke eigenschappen: Sovjetsoldaten heten dan in de beleving van ‘le beau Léon’ ‘vochtig’ en overspoelen als een rode smurrie die opborrelt uit het moeras als slijmerige reptielen het Duitse droge mannenland. Duitse soldaten zijn vastberaden, lid- en vormvast, zelfs in de dood blijven ze een fallische droge waardigheid bewaren.

Onder twee foto’s van Degrelle in Spanje ( 1949 en 1983) merkt hij op:

104.Naar mijn overtuiging is voor Degrelle de tijd in 1945 letterlijk stil blijven staan. Of nog nauwkeuriger gezegd: de tijd, losgekoppeld van de werkelijkheid die gestalte had gekregen in de oorlog, is blijven doordraaien in het niets, in de ijzige kringloop van de pure herhaling, waarin Degrelle zich ophield als een uitgeholde figuur, verstard in zijn geestesproducten, strak overeind gehouden en tegen de werkelijkheid beschermd door zijn SS-unifrom, als een kreeft door zijn pantser. Wat zijn de verschillen tussen deze twee foto’s, waar 34 jaar tussen zit? Het frisse, levendige, montere gezicht is uitgedijd, maar het is niet veranderd; we kunnen niet eens zeggen of het echt verouderd is; veeleer lijkt het te zij gestold, geleidelijk te zijn versteend tot een reptielenmasker dat de chaos moet afdekken; en de stralende glimlach van de zonnekrijger is geleidelijk veranderd in de afzichtelijke grimas van de dood.

Littell weet ook te recapituleren dat Degrelle destijds model heeft gestaan voor ‘ Tintin, mon copain’ , de droge journalist van de klare lijn uit de gelijknamige stripreeks van Hergé.
De twee Franse rechercheurs die in de waanzinnige chaos van de laatste oorlogsmaanden wegens verdenking van moord op een onnavolgbare manier jacht maken op de hoofdfiguur uit ‘ De welwillenden’, Max Aue, zijn op het lijf geschreven van de detectives Dupond&Dupont of Jansen&Janssen.
Merkwaardig goed geargumenteerd toch hoe in tijden van verwarring en prangende nood mensen zich proberen vast te houden aan clichés over de wereld, de ander en zichzelf om hun hoofd boven het drijfzand trachten te houden.
Dan mag de incestueuze erotische scene tussen Dr. Max Aue en zijn zus recent nog de ‘Bad Sex in Fiction Award’ ontvangen hebben, ‘De Welwillenden’, inclusief seks scenes blijft een fenomenaal meesterwerk.

europalia.china – Zoon van de Hemel – PSK Brussel

1 december 2009

europalia.china – Zoon van de Hemel – PSK Brussel
nog tot 24 januari 2010.

Wat doorgaat voor het vlaggenschip van de veertigste verjaardag van de Europalia is eerder een flottielje van prachtige scheepjes, warrige sloepen en een enkele imperiale jonk.
‘Zoon van de Hemel’ pretendeert voor een publiek met weinig voorkennis een indruk te suggereren van groei en bloei van het Rijk van het Midden waar de heersende keizer als ‘Zoon van de Hemel’, pontifex maximus, bruggenbouwer tussen hemel en aarde hoorde te zijn.
Dat is als rode draad een schraal en broos houvast voor wie echt iets wil begrijpen van het verschil tussen Oost en West, tussen het Rijk van het Midden en de barbaarse en harige langneuzen die zich vergapen aan de soms spectaculaire jaden, bronzen, gouden en porseleinen kleinodiën in vitrines. De geschilderde roltaferelen, sommige gewaden en wandschilderingen zijn prachtig geconserveerd dan wel ‘merkwaardig’ goed gerestaureerd.
Al is de toelichting van de audiogids summier en weet de schitterende catalogus veel goed te maken, er zitten serieuze gaten in de slagorde van deze imperiale Chinese vloot zoals hij gepresenteerd wordt onder de veelbelovende tittel ‘Zoon van de Hemel’.

Vooreerst missen de commentatoren een unieke kans om aan de hand van de indrukwekkende bronzen offervaten duidelijk te maken dat daar een zeer belangrijke historische breuklijn loopt in de ontwikkelingen tussen oost en west. Waar de neolithische revolutie zich in ongeveer de hele mensheid van Eurazië nog rond eenzelfde periode gelijkaardig ontwikkelde, bleek de bronstijd vrij snel tot een splitsing te leiden tussen beide culturen. Met verstrekkende gevolgen.

Roberto Calasso heeft dit omstandig vergeleken in zijn schitterend boek ‘De bruiloft van Cadmus en Harmonia’.

126. Slechts weinigen herinneren zich dat onder het bronzen deksel van de drievoet waar nu de Pythia zit ooit de verminkte ledematen van Dionysus Zagreus kookten. En dat volgens sommigen Dionysus de eerste was die profeteerde vanaf de drievoet. En ook dat een slang om het onderstel van de drievoet lag gerold.
Tijdens de bloei, maar ook tijdens het verval, was Delphi het tegendeel van wat de helleniserend 19e eeuw de klassieke geest noemde. Het was een bazaar, een oerwoud van trofeeën, een kerkhof. Het beginsel ervan nodigde uit tot die opeenhoping. Schilden en boegbeelden, wijgeschenken van militaire overwinnaars.
Er is een voorwerp dat een zeer hoge graad van beschaving aangeeft, waarbij andere ons bekende voorwerpen verbleken: de bronzen ketel. In China van de Shang-dynastie draaide hele leven om dit cultusvoorwerp.
In het Dorische Griekenland nam dat vaatwerk één enkele overheersende vorm aan: de drievoet.
128. De bronzen voorwerpen met hun groene weerschijn zouden na een bepaald tijdstip begraven blijven in löss of in verzamelingen van de Shang-periode. Maar de Chinese vormen blijven van geslacht op geslacht de oervormen van het brons herhalen. Vaste decoratieve patronen en architectonische stijlelementen knoopten min of meer direct weer aan bij die oorsprong. Ook in Griekenland geeft de drievoet het oplichten van een nieuwe bloeiperiode aan, naar daarna verdwijnt hij voorgoed, verdrongen door een andere vorm: de menselijke gestalte.
Sindsdien werden in Delphi en Olympia steeds minder bronzen drievoeten aangeboden en steeds meer standbeelden. Het waren vaak goden, maar soms ook overwinnaars in een oorlog of een wedstrijd die zichzelf toewijdden. Het omgekeerde van wat nu gebeurt: de winnaar ontvangt geen belachelijk beeldje als prijs, maar de prijs is dat de winnaar toestemming krijgt om een, vaak indrukwekkend, beeld van zichzelf op te richten en aan de god te wijden. Op hoge zuilen verhieven zich gestalten die nu een naam kregen. Toch ontlenen deze gestalten hun sacrale karakter een tijdlang aan de anonieme eerbiedwaardigheid van de drievoet, waarvan ze het tegenovergestelde zijn. Maar het voedsel of de vloeistof die in de ketel voor de god werden toebereid, verdwijnen. Hun kracht is overgegaan in de plooien van een marmeren peplos, een paardentuig, de vleugels van een sfinx. Het offer is niet langer eetbaar: voor het eerst kan men er alleen naar kijken.

Een ander merkwaardig fenomeen in deze tentoonstelling is het ontbreken van vrouwen- en paardenbeelden uit de Tang dynastie. Nochtans een periode van omzeggens 300 jaar reusachtige macht (van de Kaspische Zee tot Japan en Korea) en schitterende bloei, gepaard aan een veel zelfbewustere positie van de vrouw. Al is de grote terracotta koutouende ambtenaar en indrukwekkend beeld.
Tot slot is het ook niet te verklaren waarom geen aandacht besteed wordt aan de gruwelijke ondergang van de Ming dynastie die in de helft van de XVII de eeuw onder de voet gelopen werd door de Mantsjoe paardenvolkeren die zich als Qing keizers de macht toe-eigenden.
Voor de Han Chinezen van toen én voor die van vandaag blijft dat een existentiële cultuurschok die nog steeds doorzindert in poëzie, filosofie en schilderkunst. Een voorbeeld daarvan is te zien in de magnifieke tentoonstelling ‘De drie dromen van de mandarijn’ in de ING galerij op het Koningsplein.

Bijgevolg is het voor een aandachtige bezoeker onduidelijk wat nu precies de rode draad is die de organisatoren voor ogen hadden. ‘Dubbele Harmonie’ is zeker, gezien die visie in China vandaag de officiële partijlijn is. Dus wordt naar aloude gewoonte de geschiedenis in die zin herschapen, ook die van de verschillende zonen des hemels.

Tom Holland, De gang naar Canossa. De westerse revolutie rond het jaar 1000.

21 november 2009

Tom Holland, De gang naar Canossa. De westerse revolutie rond het jaar 1000. Athenaeum – Polak & Van Gennep Amsterdam 2009.

In zijn derde magistrale benadering van de Europese geschiedenis behandelt Tom Holland de periode voor en na de eerste Millenniumwende.
Hij weet geloofwaardig te maken hoe de kracht van een idee de geschiedenis kan bepalen.
Volgens de apocalyptische voorspelling van Johannes zou 1000 jaar na de Verlosser de wereld ten onder gaan en het Laatste Oordeel zich aandienen.
Toen in het jaar 1000 niets noemenswaardig gebeurd, was het wachten op het jaar 1033 wegens dan de Verlosser 1000 jaar geleden gestorven aan het kruis en ten hemel opgenomen.
Deze apocalyptische kalender zou een reeks intellectuele en culturele ontwikkelingen op gang brengen die uiteindelijk de basis vormen voor de scheiding tussen kerk en staat in het westerse denken.
Cijferfetisjisme is van alle tijden en steeds een houvast voor mensen op den dool.
Zoals heden ten dage Maya kalenders worden geïnterpreteerd tot ondergangfilms om lekker bij te griezelen – alleen Mekka wordt gespaard – al dan niet ten gevolge van ‘global warming’.
In 1033 was het weer niks.
Maar intussen heeft Tom Holland haarfijn de loop der geschiedenis uit de doeken gedaan aan de hand van kasteleins, graven, hertogen, koningen en keizers, monniken, abten, bisschoppen, kardinalen en pausen. In een briljante verteltrant met oog voor detail en de grote lijnen aan de horizon. Van de Vikingen, over de Franken tot de Moren, van de Angelen, over de Saksen. Polen en Hongaren tot de Turken, van Rome over Istanboel tot Jeruzalem.

71. Bijna vijf eeuwen waren er inmiddels sinds de ineenstorting van Romes rijk in het westen verstreken. Toch bleef de geest ervan rondwaren door de dromen van eenieder die Gods plannen voor de toekomst van de mensheid poogde te doorgronden. Net als in de tijd van Karel de Grote zocht men in de oneindig veel woeliger tijden van Adso de oplossing van alle problemen die het christendom teisterden in een terugkeer naar het lang vervlogen verleden. Ook de climax van de geschiedenis van de mens kon alleen daar liggen. De schipbreuk aller dingen werd wel gevreesd, maar tegelijkertijd als een haven gezien, als de ontsnapping aan eindeloos woedende stormen en golven. Uiteindelijk zouden er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen, en zou de Zoon des Mensen terugkeren, maar eerst, ‘al zien we het, waar we ook kijken, in vrijwel volledig verval’, zou er de terugkeer naar een Romeins rijk moeten zijn.

Tom Holland ziet in zijn visie op de geschiedenis de economische, demografische, geografische en klimatologische veranderingen hoogstens als schaduwen in de verte figureren. De kern van menselijk handelen ligt bij hem eerder op de illusies die een bevolking en haar leiders weet te veralgemenen en waarnaar ze dan proberen te handelen.

308. De mythen die een volk over zichzelf vertelde, en het gevoel een natie te zijn met een eigen identiteit, waren over het algemeen dieper verankerde kenmerken dan het koningshuis waardoor het geregeerd werd.
164. Het was dan ook geen toeval dat in de decennia waarin plotseling in heel Frankrijk kastelen verrezen tegelijkertijd het recht op vrije beweging van de boerenstand systematisch werd ingeperkt. Bossen en rivieren, die oermiddelen van bestaan, kregen een ring van tolheffingen om zich heen of werden domweg tot verboden gebied verklaard. En het was onvermijdelijk: hoe gemakkelijker een landheer beperkingen kon opleggen, en land kon privatiseren dat voorheen gemeenschappelijk was, des te sneller dat ook plaatsvond. De arme man die met pijl en boog het bos in trok om wild voor zijn kookpot te schieten, zoals ze dat in zijn familie al sinds mensenheugenis deden, werd opeens als een stroper, een misdadiger afgeschilderd.
Boeren mochten niet meer jagen, schieten of vissen. Wie eten wilde, moest er nu het hele jaar rond voor op het land werken.
Alle verandering was ten kwade, dat was duidelijk, en dat gold vooral voor zulke heftige, ontwrichtende vormen van verandering. Toch zag ook de meest radeloze boer dat er weinig tegen de nieuwe wetten viel te ondernemen, hoe hardvochtig ze ook waren – in ieder geval niet als de verantwoordelijke landheer een machtige vorst, hertog of graaf was die over de ban beschikte. (…)
Bij de boerenbevolking was de angst voor anarchie niet minder groot dan bij de landheren. De onrechtvaardige eisen van een wrede wet waren weliswaar meedogenloos hard, maar wat de boeren nog meer vreesden was een wereld waarin helemaal geen wet bestond.

De kern van zijn boek draait rond de stelling dat de investituurstrijd tussen de Duitse Keizer en Paus Gregorius VII (Hildebrand) over bisschopsbenoemingen tot kerkelijke leiders met wereldse macht aan de basis ligt van de scheiding tussen kerk en staat in West-Europa. De Duitse heerser Hendrik IV trok in januari 1077 de Alpen over om in ijs en sneeuw aan de voeten van de paus in Canossa vergiffenis te vragen voor zijn poging om zelf zijn bisschoppen aan te duiden. De paus had hem eventjes in de ban gedaan en al zijn leenheren ontlast van hun eed van trouw. Velen zagen hun kans schoon om Hendrik de rug toe te keren.
Drie dagen diende Hendrik zich te vernederen opdat de paus hem weer als dienaar van de Roomse Kerk zou erkennen. Hij zou hem op zijn beurt na het keren der kansen uit Rome verdrijven en een tegenpaus aanstellen die hem dan tot keizer van het heilige Roomse Rijk zou kronen.
Het begin van de fundamentele breuk tussen de Roomse Kerk en haar aardse dienaren. De heersers zouden nadien korte metten maken met het pausdom als wereldse macht. De pausen en hun hofhouding van kardinalen en bisschoppen zouden voor altijd gedwongen zijn een modus vivendi te vinden met de wereldse heersers en machthebbers, en vice versa.
De scheiding tussen kerk en staat was geboren en zou in het westen tot op heden niet meer teniet gedaan worden. Niet in de islam, noch in de reformatie zou nog ooit zo’n grondige scheiding der geesten doorgevoerd worden.
De spanning tussen wereldse en geestelijke leiders creëerde in Europa een permanente staat van alertheid.
Beide kampen hielden elkaar in een dynamische houdgreep en zo nodig de hand boven het hoofd.

228. Eigenlijk was een nieuwe kerk, bijna net als een kasteel dat dreigend op zijn heuvel stond, een duidelijk teken van de nieuwe hebzucht die heerste. Een rijke kastelein die de bouw van een kerk financierde en daarmee privatiseerde wat voorheen publiek was, bestempelde daarmee immers in feite het volk dat de kerk gebruikte als zijn eigendom.
Maar ook het boerenvolk zelf, dat van zijn vrijheden beroofd was en gedwongen werd in dorpen te wonen, had belang bij de bouw van een kerk in zijn midden. De aanhangers van de godsvrede pleitten er vurig voor dat de ambitieuze landheren en hun snoevende, intimiderende ridders de onschendbaarheid van gewijde grond erkenden. Het was een man die wapens droeg ten strengste verboden het cimiterium op te gaan, het terrein rond de kerk waar de doden werden begraven en de levenden in vrede bijeenkwamen, of dat nu was om markt te houden, een rechtszaak bij te wonen of een bruiloft te vieren. Een kerkhof mocht dan geen tastbare borstwering hebben, iedere ridder die de vredesgelofte aflegde moest aanvaarden dat die er even ondoordringbaar stond als die van een donjon. Zo beschouwd was de dorpskerk geen aanvulling op het kasteel, maar meer een spiegelbeeld ervan: twee bolwerken, een dat de machtigen beschutting bood, en een dat de zwakken beschermde – het een het nest van krijgsheren en het ander een vesting van God.

Gregorius opvolger – Urbanus II ( als monnik Odo uit Cluny naar Rome gestuurd door abt Hugo) zou de kruistochten starten om de invloed van de islam terug te drijven. Wie zich daarin schuldig maakte aan zonden tegen het menselijke leven kreeg vergiffenis en de belofte op het paradijs zoals in een echte jihad.
Tom Holland besteedt in Canossa veel aandacht aan de betekenis van de Bourgondische Abdij van Cluny voor de ontwikkeling van het westerse denken en de invloed ervan op volkeren en landen in Europa.

181. Het toonde iets heel wezenlijks aan: dat de maatregelen die werden genomen om de mensheid te wapenen tegen de dreigende aanval van de antichrist en haar voor te bereiden op het einde in de vorm van de wereldbrand, de wereld tegelijkertijd een nieuw begin en een nieuw samenlevingsmodel boden. Odilo ( in Cluny) was niet de enige leider van de vredesbeweging die met deze paradox koketteerde. In Verdun had bisschop Hugo bijvoorbeeld de daar verzamelde ruiters enerzijds de rol toebedacht van ‘ridders van Christus’, die op de heiligenrelieken hadden gezworen als een keurkorps voor de hemel dienst te doen, en anderzijds wilde hij ze inzetten voor zijn ambitieuze plannen om de rechtsorde te herstellen. Wat kon het voor kwaad je zo in te dekken? Misschien zou de wereld vergaan – misschien ook niet. In beide gevallen diende de kerk zich te blijven inzetten voor vrede.

Lees verder »

Il Divo – Giulio Andreotti en het spel van de macht.

14 november 2009

‘ Il Divo ‘ – Giulio Andreotti en het spel van de macht.

De acteur Toni Servillo geeft op een grootmeesterlijke manier gestalte aan de Italiaanse eerste minister Giulio Andreotti in de film van Paolo Sorrentino ‘Il Divo – De sterspeler’.
Andreotti wordt voorgesteld als de vleesgeworden verkrampte nek- en schouderpartij die – tot in zijn stuitbeentje verstijfd – probeert een machtsapparaat recht te houden dat als een hol vat van ijdelheid de troon van de macht bezet houdt en dus alle democratische aspiraties, inhoudelijke en vormelijke, sprezzatura en elegantie, grootsheid en menselijkheid tot Berlusconiaanse cimbalen zal voeren.
De film handelt over een moeizaam en moeilijk verhaal: de betrokkenheid van de Italiaanse eerste minister en intussen senator voor het leven, Giulio Andreotti (°1919).
Hij zit sinds 1945 in het parlement voor de DC, Democrazia Cristiana.
Door de stichter van deze politieke beweging tijdens de tweede wereldoorlog, De Gaspari, werd hij getaxeerd als: ‘Die jongen kan zoveel dat hij tot alles in staat kan worden.’ Waarop Andreotti tijdens een van de talloze processen over zijn parlementaire onschendbaarheid antwoordde: ’Laat De Gaspari hierbuiten!’ .

Andreotti nam aan 33 van de 59 regeringen sinds 1945 deel. Hij was zeven maal minister-president en recordhouder van de kortste ambtsperiode: 8 dagen. Hij beheerste in de jaren ’80 de politiek in Italië en keerde als kopstuk terug tussen ‘89 en ’91. Hij was 8 keer minister van defensie, 5 keer minister van buitenlandse en zaken, 2 maal minister van financiën, 2 maal minister van begroting, 2 maal minister van industriële zaken, eenmaal minister van de schatkist, eenmaal minister van binnenlandse zaken.
In 1991 werd hij door president Francesco Cossiga tot ‘senatore a vita’ (senator voor het leven) benoemd. Hoewel uit Rome afkomstig, bleek Andreotti zijn electorale basis in Sicilië te hebben. Door maffiabazen werd hij als ‘ lo Zio’, oompje, omschreven. En toch bleef hij halsstarrig iedere band met de maffia ontkennen.

De film concentreert zich op de periode waarin de enorme vertakkingen van het Italiaanse corruptiesysteem, Tangentopoli, door de ‘Mane Pulite’-magistraten aan het licht gebracht werden. Na zijn laatste vroegtijdig afgevoerde regeringen startten de processen tegen Andreotti wegens banden met de maffia. In zijn verdediging suggereert hij dat het precies de maffia was die hem via een georchestreerde campagne van pentiti in diskrediet wil brengen omwille van de intussen goedgekeurde anti-maffiawetgeving: ‘Ik heb slechte mensen gebruikt om iets goeds te doen’.
Andreotti werd uiteindelijk toch veroordeeld voor zijn banden met de maffia maar wegens verjaring kreeg hij ontslag van rechtsvervolging.

Een goed begrip van het verhaal in de film vereist een grote kennis van de politiek in Italië van die periode. Maar voor liefhebbers van machtstheater is dit niet noodzakelijk. De regisseur heeft hier een meesterwerk afgeleverd waarbij het beeld, de stijl, het decor, de muziek als een universele tragedie van het spel van de macht op een sublieme manier wordt gestileerd in ‘ Il Divo – de sterspeler ‘ .
Zo is deze film de tegenhanger van Roberto Saviano’s ‘Gomorra’ geworden.
‘Gomorra’ toont het rauwe veldwerk, ‘Il Divo’ behandelt de hoofdpijn aan de top.

Met Andreotti hebben de christen-democraten herhaaldelijk een pact gesloten met de duivel en wat er van hun ziel restte, verkocht voor het behoud van macht. Andreotti weet dit, beseft en bespeelt dit en verstijft onder de pijn van het zijn in migraine. De enige lichaamstaal die leesbaar blijkt achter het Machiavellistische masker van de immanente en imminente macht zijn handen en vingers. Het draaien met de duimen werkt geruststellend. Draaien met de ring impliceert verveling. Bij de vingertoppen tegen elkaar dringt de afronding naar het einde.
De film laat zijn verantwoordelijkheid en/of betrokkenheid bij de ontvoering van en de moord ( maart – mei 1978) op de medechristendemocraat Aldo Moro door de Rode Brigades doorwegen op zijn eigen politieke falen. De beschuldigingen van Aldo Moro in zijn brieven om hulp bij zijn vrijlating lijken blijvend te vreten aan de immanentie van Adreotti’s macht. Aldo Moro was binnen de christendemocratie een voorstander van het ‘historisch compromis’ waarmee de leider van Italiaanse Communistische Partij Enrico Berlinguer hoopte een regering van nationale eenheid en solidariteit op de been te brengen na de verkiezingen van 1976. De rechtse vleugel van de DC met Andreotti en de Amerikaanse politieke hoofdrolspelers zagen hierin een mogelijk nieuwe doorbraak voor de invloed van Moskou in West-Europa.
Wanneer een eminent journalist Andreotti confronteert met het ongerijmde in zijn talrijke verklaringen betreffende corruptie en maffiabanden en vraagt of hij dan nog kan geloven in het toeval, antwoordt Giulio Andreotti: ’Ik geloof niet in het toeval, ik geloof in God!’.
Eminente kardinalen en curiekopstukken eren hem in het Vaticaan door te verklaren dat hij het was die aan Johannes XXIII vertelde: ‘Uwe Heiligheid kent het Vaticaan niet. Ik zal u helpen het te leren kennen.’
Zijn verdediging voor de parlementaire onderzoekscommissie is boeiend: ‘Vele jaren was ik de internationale vertegenwoordiger van Italië. We kunnen niet toestaan dat dit land zou geleid zijn door een referent van de maffia want dit is niet geloofwaardig in het buitenland. Dit proces brengt niet alleen mij in diskrediet’.
Wanneer hij geconfronteerd wordt met zijn contacten met Licio Gelli van de Vrijmetselaarsloge Propagande Due – P2 – , het Vaticaan en de moord op Roberto Calvi, de bankier van God, antwoordt Andreotti: ’Hoe zou ik ooit genoegen nemen met één loge!’
Wanneer hij finaal een gooi naar het veilige presidentschap hoopt te kunnen doen, en de senaat eindeloze stemmingen hield om tot een meerderheid te komen, faalt Andreotti.
De vlucht vooruit wordt gefnuikt en het moeizame, slopende en stinkende handwerk om zijn vijanden, aartsvijanden en politieke vrienden eronder te houden wordt zijn verdere lot: ‘Macht is een ziekte waarvan je niet genezen wil worden’. ‘Macht verslijt wie haar niet bezit’

Andreotti speelt het spel van de macht met een meesterlijke ironie, vaak met gruwelijk sarcasme. Wanneer tijdens een diner de steun voor zijn kandidatuur voor het presidentschap besproken wordt door de kopstukken van de Democrazia Cristiana, kijkt hij om zich heen en zegt:
‘Ik ken mijn beperkingen en ik weet dat ik klein van stuk ben, maar ik bevind mij hier nu ook niet bepaald in een wereld van giganten.’
Wanneer zijn echtgenote hem vraagt naar het lot van de vele gewezen adjudanten en leden van zijn hofhouding, antwoordt hij haar:
‘Bid voor hen, want zij zijn kapotgemaakt door het leven en de omkooppraktijken.’
Op meer dan 26 klachten tegen hem wist hij zonder verpinken te antwoorden ’Ik herinner me dit niet meer’, terwijl zijn fameuze archief kelders volgepropt zitten met belastend materiaal over mede- en tegenstanders uit heel Italië.
‘Behalve voor de Punische oorlogen, omdat ik er te jong voor was, werd ik reeds van alles beschuldigd’.
Alle aanklachten werden geseponeerd.
De film staat bol van schitterende citaten die in een soms stokkende woordenvloed de kijker overweldigen:
‘Zonder behoefte leef je langer’.
Over zijn enthousiaste nieuwe minister van openbaar vervoer: ‘Een gek die niet zegt dat hij Napoleon is, zegt dat hij de balansen van de staatsspoorwegen zal saneren’.
‘Ik laat me ontmoedigen door de kleine dingen, niet door de grote aanklachten.’

‘IJdelheid staat hierbuiten. Ik kom uit de provincie, de armoede. Culturele legitimatie was belangrijker voor mij dan politieke. Ik was altijd liever een geleerd man dan een staatsman’.

‘Il Divo’ toont hoe macht die zich decennialang vast gesoldeerd op de troon probeert te handhaven, verwordt tot een ijdel vat van corrupte houdgrepen.
Andreotti kon het wankelen niet langer vermijden. Silvio Berlusconi zou later zijn strijd tegen het gerechtsapparaat verfijnen en dank zij de invloed van de eigen media de Italiaanse kiezers bij herhaling weten te lijmen.

In alle Italiaanse rechtbanken staat in koeien van letters te lezen:
‘La legge è uguale per tutti’
Velen vullen dit aan met : ‘ma non tutti sono uguali’
of ‘ma non così la sua applicazione’.

John Lukacs , Hitler en de geschiedenis – Hitlers plaats in de 20ste eeuw uitg. Icarus | Anthos

5 november 2009

John Lukacs , Hitler en de geschiedenis – Hitlers plaats in de 20ste eeuw uitg. Icarus | Anthos

De Hongaars-Amerikaanse historicus John Lukacs (Boedapest, 1924) was vorig jaar te gast op het Andere Boek waar hij met een zelden geziene vitaliteit en helderheid op aangeven van Rik Van Cauwelaert (Knack) even de maat nam van de twintigste eeuwse geschiedenis in Europa en de wereld.
John Lukacs is de zoon van katholieke vader en een Joodse moeder en dus voor de nazi’s een jood. In 1946 emigreerde hij naar de Verenigde Staten, uit onvrede over de heerschappij van de communistische bevrijders van zijn land. Hij verweet de regering van de Verenigde Staten dat er na de dood van Stalin in 1953 geen dooi optrad in de betrekkingen met de Sovjet-Unie.
Lukacs omschrijft zichzelf als een conservatief, maar hij nam krachtig afstand van het beleid van George W. Bush.

Op 6 december 1941 ontketenden de Russen voor Moskou een enorm tegenoffensief. De hoop op een overwinning voor de Duitsers voor het jaareinde was daarmee verkeken. „Twee weken later zou Hitler tegen Halder gezegd hebben dat dit betekende dat een militaire zege er niet meer in zat. De enige kans die Duitsland restte was de strijd zo lang mogelijk vol te houden, in de hoop dat het bondgenootschap van de geallieerden uit elkaar zou vallen.” Aldus Lukacs in een interview in NRC 05122008.

Het besef dat de kans op victorie achter de horizon verdwenen was, had volgens hem twee belangrijke gevolgen: de beslissing het Europese Jodendom uit te roeien en het gereedmaken van Duitsland voor de totale oorlog. Dat laatste gebeurde met veel succes, hoewel de uiteindelijke nederlaag niet kon uitblijven. Lukacs: „Maar het is ongelooflijk dat de Sovjets er na Stalingrad nog ruim twee jaar over gedaan hebben om Berlijn te bereiken.”

In het uithoudingsvermogen van het Duitse volk en zijn leger openbaarden zich de krachten waarvan de nazi’s tijdens hun bewind goed gebruik hebben gemaakt, meent Lukacs. „Het patriottisme van veel Duitsers was ook zonder de invloed van de nazi’s veranderd in een fel nationalisme. Na de ineenstorting van het Derde Rijk pleegden tienduizenden mensen zelfmoord – en dat waren lang niet allemaal nationaal-socialisten. Hoeveel mensen pleegden er zelfmoord na de teloorgang van de Sovjet-Unie en de andere communistische staten van Oost-Europa enkele decennia later? Niemand! Ziedaar het verschil tussen de mate waarin het nationaal- socialisme en het communisme deel uitmaakten van de nationale identiteit.”

John Lukacs weet in deze analyse van Hitlers plaats in de 20ste eeuw een boeiend, erudiet en helder verhaal te presenteren, dat tot denken aanspoort en helpt aloude clichés te verlaten. De lezer kan zo wellicht vermijden door het mantra van de uitgeslepen paden te verzanden in simpele verklaringen die er bijgevolg voor zullen zorgen dat de geschiedenis zich herhaalt als een gruwelijke farce.

105.
In Duitsland was al in 1914 op niet mis te verstane wijze duidelijk geworden dat het internationale socialisme tot mislukken gedoemd was.
Toen de Kaiser op 2 augustus van dat jaar in de Rijksdag verscheen en opriep tot nationale eenheid, sloot het grootste deel van de Duitse socialisten zich bij de andere afgevaardigden aan en stemde voor de oorlogskredieten.
In de warme stoofpot van nationalistische emoties smolt het wezen van het internationale socialisme weg als sneeuw voor de zon. (En dat gebeurde elders in Europa ook, ten minste gedeeltelijk door de democratisering van de verschillende samenlevingen; want democratie vernationaliseert zelfs meer dan het verinternationaliseert, en tegen 1914 had de Duitse fabrikant al meer gemeen met zijn arbeiders dan met een Franse fabrikant.)

Hitler begreep dit zeer goed. Hij doorzag de zwaktes van de marxistische opvattingen over menselijke natuur en samenleving, zoals hij ook wist hoe (en waarom) hij over de gevaren van het marxisme moest preken. We dienen respect te hebben voor de Duitse sociaal-democraten die zich in 1933 tegen Hitler verzetten (ze waren de enige partij die tijdens de memorabele zitting van de Rijksdag op 21 maart 1933 stemden tegen het besluit om Hitler met de volle macht te bekleden). Maar in 1933 wist Hitler dat de socialistische en communistische arbeiders hun partijen in drommen verlieten, en dat velen van hen al in een vroeg stadium en even zo makkelijk bij hem aansluiting zochten; en dat de enige bedreiging voor hem van rechts zou komen, en niet van links.

John Lukacs , Hitler en de geschiedenis – Hitlers plaats in de 20ste eeuw

Europalia-tentoonstelling: ‘The state of things’, immature blaaskakerij – ‘De Zijderoute, een reis door leven en dood’, origineel met mooie stukken – ‘De drie dromen van de mandarijn’, een intellectueel droombezoek van hoog niveau.

1 november 2009

Europalia-tentoonstelling: ‘The state of things’, immature blaaskakerij – ‘De Zijderoute, een reis door leven en dood’, origineel met mooie stukken – ‘De drie dromen van de mandarijn’, een intellectueel droombezoek van hoog niveau.

‘The state of things’

focust op de hedendaagse kunst in België en China.Curatoren Luc Tuymans en Ai Weiwei maakten een zeer persoonlijke selectie. De expo is “een subjectieve diagnose vanuit het standpunt van 2 kunstenaars die zelf deel uitmaken van de kunstmarkt en de internationale kunstscène”.

In het kader van Europalia China in Bozar, Brussel nog tot en met 10 januari 2010.

Zelden een verzameling flauwe kul van dit niveau mogen meemaken.

Er hangen een paar boeiende foto’s, een enkele interessante plastiek en verder een verzameling mikmak van hier en ginder die vooral verbijstert door de absolute onbenulligheid die fraai verpakt gesleten wordt door zelfgeadelde grote namen die zich graag bewonderen in spiegelende ramen.
Dat wordt beter begrepen als je de Canvas uitzending ‘Hoge Bomen’ op 21/10/2009 mocht genieten waar de heer directeur-generaal Paul Dujardin een waarlijk beschamend ‘eentweetje’ speelde met Luc Tuymans. Van een verhelderende onbenulligheid.
Het sfeertje van oplichters onder elkaar: verbale ‘ouwe jongens krentemik’ – pingpong om de kluit te belazeren.
Premier Van Rompuy was alvast zo eerlijk bij het verslag van zijn geleid bezoek op te merken dat het vooral Tuymans’ verhaal was dat wat kon boeien en dat de tentoonstelling ‘Zoon van de Hemel’ veel beter was.
Op het inleidend debat op maandag 19 oktober werden de beide heren curatoren op een bepaald moment omschreven als ‘dissidenten’. Gelukkig kon Luc Tuymans de moderator, Hans De Wolf, nog even corrigeren dat hij zich niet echt meer als dissident beschouwde en wist Frank Uytterhaegen op te merken dat Ai Weiwei in de officiële partijpers China Daily opgenomen werd in de lijst van de 60 figuren die in de voorbije 60 jaar een grote invloed hebben gehad op de ontwikkeling van China. De rest van het debat was van hetzelfde niveau als de tentoonstelling en de Chinese kunstmarkt: ‘immatuur’
Immatuur omdat ‘The state of things’ niets te maken heeft met de gelijknamige film van Wim Wenders maar enkel slaat op een slecht georganiseerde tentoonstelling die amateuristisch bij elkaar gesprokkeld werd. Flirtend met een onbestaande censuur vanwege de Chinese overheid om de reëel bestaande onbenulligheid te verontschuldigen of te maskeren, is een lachwekkend en goedkoop truukje waar alleen groupies nog nat van worden.
Immatuur omdat het gezeur over Chinese kunst tijdens het zogenaamde debat al even onbenullig lachwekkend was, niet alleen omwille van het lamentabele Engels dat gevoerd werd. ‘Tegen de achtergrond van een China in volle expansie, met al zijn tegenstrijdigheden’ zouden de relaties tussen kunstenaar en kunstmarkt, en tussen creatie en marketing in China uitgelicht worden.??
De deelnemers aan het debat: Luc Tuymans (samen met Ai Wei Wei curator van de tentoonstelling ‘The State of Things’), Colin Chinnery (directeur ShContemporary Art Fair, Shanghai), Karen Smith (curator en criticus in China), (Modern Chinese Art Foundation & Chinalink) en Sus Van Elzen (auteur en journalist). Moderator: Hans de Wolf (VUB/The Platform).
Sus Van Elzen probeerde een verklaring op te bouwen vanuit de urbanistische evolutie van Chinese steden, vooral Beijing, om een verklaring te geven voor de manier waarop in oude industriële complexen kunstenaars bij elkaar kruipen om hun ding te doen in de hoop er poen uit te puren. Hij werd daarbij afgekapt wegens de anderen ook nog wat te vertellen. Colin Chinnery – vroeger UCCA in Beijings 798 Art District – repte met geen woord over de problemen daar, laat staan over de ellende die mecenassen en kunstliefhebbers als Guy & Myriam Ullens van UCCA meegemaakt hebben bij hun decennialange inspanningen voor Chinese moderne kunst. Frank Uytterhaegen was de enige die opmerkte dat de Chinese markt van moderne kunst ‘immatuur’ was. Maar hij was niet echt duidelijk over het waarom. Geen enkele aanwezige repte daar overigens een woord over.
In feite was het debat een verstijfde confrontatie van besmuikte dames en heren die vooral het achterste van hun tong niet wensten te laten zien wegens elkaar om commerciële redenen pappend en nathoudend.
Kortom het klassieke ‘ons kent ons’ – onderonsje waar het grote publiek beaat voor in katzwijm moet vallen wegens piekeren over diepzinnige opmerkingen.
Maar zelfs die waren er niet. Even lichtte het op wanneer men een vergelijking probeerde te maken tussen de positie van Chinese kunstenaars – intellectuelen en westerse tegenhangers in de loop van de geschiedenis. In China was de hoogste betrachting van een kunstenaar traditioneel een intellectuele positie in het hoogste politieke en ambtenarenapparaat. De beroemde – ooit dissidente – cineast Zhang Yimou is daarvan een schitterend voorbeeld nu hij als officiële propagandachef de Olympische ceremonieën mocht ontwerpen. Chinese avant garde artiesten dromen vandaag van tentoonstellingen van hun werk in officieel gewaardeerde musea en locaties, waarna een benoeming aan een of andere academie of kunstenschool.
In het westen was het werk van de meeste kunstenaars traditioneel eerder een kritisch onderzoek van maatschappelijke machtsituaties. Uiteraard waren er ook erg veel die zich graag lieten ridderen, dan wel consacreren door ’s lands machtscenakels, hofhouding en magnaten.
Maar vandaag is de situatie in China ook immatuur omdat Chinese kunstenaars en kunsthandelaars de uniciteit van een werk niet wensen te erkennen. De kunstenaar zelf is vaak bereid – mits passende pecunia – het eigen werk te copieren en aan originele prijzen te verpatsen via galerijen. Namaak en oplichterij is de regel, integriteit de uitzondering. Overigens niet alleen op de markt van moderne kunst, ook in wat onder de naam antiek of klassiek wordt aangeboden.

Volgens Paul Dujardin bij Hoge Bomen op Canvas was het allemaal ‘niet erg Luc, niet Luc, niet erg Luc’ .
Volgens Claire Kirschen, de commissaris-generaal van Europalia-China, is het ook ‘erg’ in haar reactie op deze aflevering.
Volgens mij was het erg, Luc, heel erg.
Dodelijk erg.

‘De Zijderoute, een reis door leven en dood ‘
in de Koninklijk Musea voor Kunst en Geschiedenis, Jubelpark te Brussel. Nog tot 7 februari 2010.

De tentoonstelling is een zoveelste reis tussen de randen van het westen naar Xi’an in China, met enkele prachtige stukken uit grafvondsten langs de route op het grondgebied van het huidige China.
Merkwaardig en opvallend is de grote aandacht voor alle andere niet Han-volkeren die langsheen en van deze route leefden. Het geeft een idee van de onderlinge invloeden via die zijderoutes waar allerlei religieuze, artistieke, culturele taalkundige elkaar millennia lang beïnvloed hebben.
De prestatie hier lijkt mij de bereidheid van de Chinese uitleners om mee te werken aan een project dat nu eens niet de alles zaligmakende en wereldoverheersende Han-cultuur centraal stelt in de visie op de Zijderoute. Verfrissend en boeiend is het wanneer zelfs de culturele leiders van het volk van het Rijk van het Midden bereid zijn te laten zien welke andere volkeren, religies en culturen die Han beschaving vaak ten gronde beïnvloed hebben, langs handelsroutes, door de commercie, welteverstaan.

De drie dromen van de mandarijn
in het ING Cultuurcentrum Koningsplein 6 ?B-1000 Brussel, nog tot 14.02.2010

Tot op heden is dit de enige tentoonstelling die mij heeft kunnen fascineren. Niet alleen door de schitterende presentatie en de prachtige stukken, maar ook door de boeiende filmische toelichtingen en de magnifieke catalogus. ‘ De zoon van de hemel’ wacht nog even.

Rond het begin van onze tijdrekening ontwikkelde zich in China een typische literatencultuur, niet enkel onder de mandarijnen met een officiële functie, maar ook onder een groot aantal intellectuelen en kunstenaars. Deze tentoonstelling wil een beeld schetsen van de wereld van deze literaten. Hun cultuur zit diep geworteld in eeuwenoude tradities. De tentoonstelling focust in het bijzonder op de periode aan het einde van de Ming en het begin van de Qing, tussen de 16de en de 18de eeuw. ??De tentoonstelling bestaat uit twee delen: in het eerste deel staat de erudiete mandarijn centraal. Daarbij komen aspecten aan bod als zijn vorming, zijn verzuchtingen, de band met zijn voorouders en meesters en zijn gehechtheid aan emblematische voorwerpen: antiquiteiten, “schatten uit het literatenkabinet”, boeken en schilderijen. Het tweede deel van de tentoonstelling schetst een portret van de literaat als niet-officiële ambtenaar. Dit wordt weergegeven in drie luiken, die “dromen” worden genoemd. ??”De droom van het bamboebosje” verwijst naar zijn levensvisie, met als belangrijke waarden de onafhankelijkheid tegenover de macht, vriendschap onder gelijkgestemden en een intense kunstbeoefening. “De droom onder de prunusboom” illustreert het gevoelsleven van de literaten, zowel mannen als vrouwen. “De droom van de vlinder” voert de bezoeker naar de tuin, waar de literaat in alle intimiteit kan wegdromen en één worden met de “grote natuur”. ??ING werkt voor deze tentoonstelling samen met een bevoorrechte partner, het Capital Museum van Beijing. Daarnaast kreeg ING ook de medewerking van diverse musea, zoals de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van Brussel, het Musée Guimet en de Bibliothèque Nationale de France in Parijs, het Brooklyn Museum in New York, de Sackler Gallery in Washington en het Ostasiatiska museum in Stockholm. ?

De film met de toelichting bij het fenomenale meesterwerk ‘Jintingbergen in de herfst’ van Shitao uit het Guimetmuseum te Parijs is een revelatie.
Ook de schildertechnieken en kalligrafische kunsten worden onthuld op een manier die de meesterlijke stukken beter leert lezen, begrijpen en appreciëren aan de geïnteresseerde toeschouwer.
Er wordt veel aandacht besteed aan de houding van de intellectuelen, literaten en mandarijnen tijdens de ondergang van de Ming en de machtsgreep van de Qing in 1644 die uit Mantsjoerije met de noordelijke paardenvolkeren de oude Mingdynastie onder voet liepen.
De reflecties van de literaten over de wereld, het leven, het zelf en de ander in een poëtische taal en een magnifieke schilderkunst zijn van een fundamenteel ander niveau dan ‘The state of things’.

M Leuven – Rogier van der Weyden, de Passie van de Meester, van het portret en de abstractie

25 oktober 2009

M Leuven – Rogier van der Weyden, de Passie van de Meester, van het portret en de abstractie.
Nog tot 06122009 in M

Het nieuwe strakke gebouw van Stéphane Beel voor het Leuvense museum M blijkt een schitterende ingreep in de oude museumsite Vander Kelen-Mertens. Een prachtige constructie werd tussen straat, binnentuin en Hotel Savoye gepast. Van binnenuit heb je een schitterend overzicht op de Leuvense toppers en de armzalige uniforme herstelarchitectuur van de verwoesting in de eerste wereldoorlog. Het nieuwe gebouw lijdt echter onder de Mega-expositie over Rogier van der Weyden in een wirwar van ingewikkelde tentoonstellingsruimtes. Dit is des te lastiger voor normaal betalende bezoekers omdat de overrompeling van de tentoonstelling door talrijke extra- groepsbezoeken van hardhorige bejaarden een rustig bekijken van topstukken moeilijk maakt. In dit nieuwste museum horen de gidsen nog steeds hun stem luid te verheffen om de aandacht van hun groepen gaande te houden. In andere musea van dit niveau hebben gidsen een micro en hun volgelingen oordopjes om de sacrale stilte niet te verstoren van de andere bezoekers. In Leuven lijkt ‘M’ een marktplaats voor hardhorenden. Niet alle audiogidsen zijn even goed afgesteld en de chaos bij het begin van iedere uurslot is verbijsterend voor een museum en een tentoonstelling van dit niveau.
Ook de website van ‘M’ is er nog een van ‘sorry’.

En toch is een bezoek zeer de moeite: Rogier van der Weyden (1400-1464) was een der eerste ‘ Vlaamse primitieven’ en een der grootsten. Zijn portretten van Karel de Stoute en Filips de Goede zijn fenomenaal. Zijn kruisafnemingen en zijn Maria Magdalena lijken archetypisch. Zijn invloed op andere schilders, beeldhouwers, tapijtwevers was dermate groot dat zijn schetsen, poses en ensceneringen nog eeuwenlang herkenbaar blijven bij latere kunstenaars.
De audiogids levert boeiende toelichtingen. Benevens een wat lomp en ridicuul tweegesprek met commentaar als die van de ‘ vox populi’ is er een interessante bespreking door Gabriel Rios die oorspronkelijk als leerling-schilder naar België emigreerde en die in de loop van zijn verblijf hier Rogier van der Weyden heeft leren kennen. Om de draagwijdte van zijn schilderijen te vatten, moet je ze immers leren lezen, leren appreciëren. Niet alleen Gabriel Rios.
Het slotwerk van de Zeven Sacramenten wordt door kardinaal Daneels vakkundig en poëtisch mooi besproken als een ode aan zijn geloof en dat van de opdrachtgevers en Rogier van der Weyden.
Maar het meest fascinerend leken de digitale beeldcommentaren van Walter Verdin, The Sliding time, waarin hij op grote flatscreens fragmenten laat verglijden van de Kruisafname voor de Grote Gilde van de Voetboog van Leuven. Het werk hangt in het Prado te Madrid en wordt niet meer vervoerd.
Door Verdins trage verglijding van fragmenten herkend ik plots een ander aspect van Rogier van der Weyden: hij is naast een meester van de passie en de ingetogen expressie minstens zo indrukwekkend als abstract schilder.
Lang heb ik hem begrepen als een meesterlijk portrettist die tevens internationaal PR manager speelde voor de Vlaamse laken- en weefindustrie. Zijn aandacht en benadering van elk stuk textiel is verbijsterend.
Maar wanneer je hoofd en handen wegdenkt, zie je een subtiel spel van lijnen, golven,kleuren, grijstinten die minstens zoveel emotie uitdrukken als zijn ingetogen portretten.

Paul Verhaeghe Het einde van de psychotherapie. Uitg. De Bezige Bij 2009

18 oktober 2009

Paul Verhaeghe Het einde van de psychotherapie. Uitg. De Bezige Bij 2009

Het is goed dat er nog mensen zijn die erin slagen een historisch in- en overzicht te koppelen aan een intense nabijheid bij de andere, in casu de patiënten.
Het is passend dat het gedaas van eenkennige mediageile pseudowetenschappers weersproken wordt.
Het is terecht dat de mechanismen van de macht in de gezondheidszorg, geestelijke en lichamelijke, ontrafeld worden opdat patiënten en zorgverleners minder weerloos zijn wanneer ze zich overgeleverd voelen aan de kunstgrepen van de psychomedische commercie.

Het is dus de hoogste tijd dat ‘Het einde van de psychotherapie’ van de Gentse hoogleraar psychologie, Paul Verhaeghe, gespeld wordt door beleidsverantwoordelijken, politici, zorgverleners en patiënten.

Samen met ‘De Depressie epidemie’ van zijn Groningse collega Trudy Dehue wordt in deze boeken de verschuiving gefileerd van ziekte naar tobbend onwelbevinden.

22. De combinatie van een hang naar kortetermijnwinsten met het dalende belang van kennis en ervaring doet verdwijnen wat groepen samenhoudt: loyaliteit en solidariteit. Angst wordt vandaag als een ziekte beschouwd waarvoor we best medicijnen slikken.
Net als depressie zijn deze twee psychiatrische klassiekers duidelijk in hetzelfde bedje ziek als de persoonlijkheidsstoornissen, en dat bed staat niet toevallig binnen een bepaalde sociaaleconomische context.
69. Dergelijke farmaceutische successen zijn slechts mogelijk omdat de modale mens niet beter vraagt dan een makkelijk antwoord, waarbij men noch het eigen aandeel hoeft te erkennen, noch zelf inspanning hoeft te leveren om er iets aan te doen. Ter overdenking: het merendeel van de hedendaagse patiëntenorganisaties laat zich royaal sponsoren door Big Pharma, en vermeldt dit zelfs met enige trots op hun website… Onze toegenomen gezond- heid en levensduur, het verdwijnen van een religieus geïnspireerd schuldgevoel, het neoliberaal opleggen van het genot, dat alles heeft, in de vrij treffende bewoordingen van James Le Fanu, een verschuiving veroorzaakt van echt ziek (‘genuinely sick’) naar tobbend gezond (worried well’). Binnen een dergelijk vertoog vindt de idee van ‘lifestyle- en andere pillen een uiterst vruchtbare grond en is er voor een meestal moeizaam verlopende psychotherapie die een eigen inzet vraagt, geen plaats meer. Geef mij een pil waardoor ik vanzelf vermager, een fantastisch seksleven heb, beter presteer op mijn werk en vrij ben van angst. Meer moet dat niet zijn.

Helder en indringend weet Paul Verhaeghe duidelijk te maken hoe het verdwijnen van een stabiel sociaal weefsel van gezin en gemeenschap geleid heeft tot het verlies van identiteit. Wie niet meer weet waar hij vandaan komt, waartegen zij zichzelf heeft afgezet of waaraan iemand zich spiegelde, kan doorgaans alleen nog bij zichzelf terecht: een obsessieve betrokkenheid op het eigen lijf, lid en leden. Automutilatie, piercings, tatoeages en alle mogelijk vertoon tot het verlangen naar onmiddellijke behoeftebevrediging.

De Rotterdamse socioloog Willem Schinkel merkte tijdens het VPRO Zomergasten programma vorig jaar op dat de hele mei’68 – beweging, van studenten met of zonder arbeiders, een legitimatie opleverde voor een ander vorm van kapitalisme, postfordistisch, met geïndividualiseerde flexibele verhoudingen tussen mensen waarbij consumptie belangrijker is dan productie, een consumptiemaatschappij. De vrijheden die mei ’68 bepleitte zijn precies de vrijheden die passen bij dat type kapitalisme: seksuele vrijheid, emancipatie, individuele vrijheden los van collectieve structuren, los van familieverbanden. De hele idee van ‘revolutie’ was schijn, het was enkel de begeleiding van een nieuwe fase in het kapitalisme die er zat aan te komen. Men deed dat op basis van een ideologie, marxisme, bolsjewisme, maoïsme die toen al achterhaald was.

Wanneer de nieuwe generatie patiënten vereenzaamd bewinbaar was gemaakt, kon de medicofarmaceutische combine hier meelevend ter hulp komen. Volgens hen zijn de oorzaken van ziekte en onbehagen het gevolg van externe factoren, dan wel worden ze genetisch aangeleverd.
Het spreekt voor zich dat dan soelaas kan en moet geboden worden door een medicijn tegen oud worden en eenzaam zijn.
Op een briljante manier weet Paul Verhaeghe de trieste geschiedenis en het tragische gebruik van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) te onthullen.

129. Bij gebrek aan een duidelijke achtergrondtheorie over het psychisch functioneren en met de verplichting om telkens ‘evidence-based’ te werk te gaan, concentreert de jonge clinicus zich uitsluitend op uitwendig observeerbare verschijnselen, zeg maar: het gedrag. Dit is de ‘tabula rasa’-illusie van de onbevooroordeelde waarneming. Iets waarvan ongeveer elke filosofie en methodologie het illusoir karakter aangetoond heeft. Het resultaat – een schijnbaar objectieve ordening van wat men geobserveerd heeft – is grotendeels arbitrair en bij gebrek aan een ondersteunende theorie kan dit slechts leiden tot een psychodiagnostische botanica. De aldus verworven botanische categorisatie kent geen enkele sturende, conceptuele inbedding die toelaat te begrijpen waarover het gaat en een weging te maken. Bij gebrek daaraan moet onze jonge clinicus onvermijdelijk terugvallen op het plat normatieve en verglijdt zijn diagnose naar waardeoordelen, in termen van gewenst-ongewenst of aangepast-onaangepast gedrag. Anders gesteld: deze vorm van diagnostiek is vooral sociaal conformerend en hoort thuis in een ander register, meer bepaald het maatschappelijk-juri dische. Een diagnostische aanpak die beperkt blijft tot het gedrag leidt tot een negatief waardeoordeel vermomd als diagnose, zodat de behandeling slechts symptoomdempend en gedragscorrigerend kan zijn. Helaas is het succes van een dergelijke aanpak meestal zeer beperkt, wat menig jonge clinicus tot de overtuiging brengt dat die gedragsstoornissen een hardnekkige neurobiologische basis hebben. Het idee dat symptomen voor de patiënt wel eens een psychologische functie zouden kunnen hebben, is niet meer van deze tijd. Het is dan ook helemaal geen toeval dat de geschiedenis van de DSM-Task Force vooral een steeds toenemende invloed van Big Pharma vertoont, want de voornaamste symptoomdempende behandeling vindt plaats met medicijnen. Voor alle duidelijkheid: dit is geen therapeutische consequentie, maar een commerciële. Wat de antipsychiatrie probeerde te vermijden – de koppeling tussen botanica, justitie en het archief – heeft de DSM ten volle doorgevoerd. Een diagnostisch systeem dat geen aandacht wil besteden aan de oorzaken van een psychisch probleem en dat bovendien geen therapeutische bedoelingen wil hebben, hangt in het luchtledige.

Paul Verhaeghe heeft zich ook het hoofd gebroken over de vanzelfsprekendheid waarmee deze paradigmashift zich heeft kunnen ontwikkelen in één generatie: cijferfetisjisme als hulpmiddel om niet langer te moeten nadenken, laat staan te leren leven met twijfel, ook wetenschappelijke twijfel.

In één generatie is de farmaceutische industrie erin geslaagd de sociaal culturele visie op de psychische aandoeningen tot een overdiagnose van ‘disorders’ te drijven met een eng medische visie op etiologie en uiteraard medicinale behandeling.

55. Dat een groeiend aantal menswetenschappers zich gaat ontpoppen tot sciëntisten (wetenschapsfundamentalisten) die méér in de neurobiologie en de genetica geloven dan de eigenlijke neurobiologen en genetici zélf, dat wekt wel verwondering. De redenen hiervoor liggen vermoedelijk in de noodzaak om wetenschappelijk voor ‘vol’ aanzien te worden in combinatie met wat Stephen Jay Gould (1981) laconiek als ‘Physics Envy’ benoemd heeft. Deze leuke woordspeling op ‘penis envy’ (penisnijd) interpreteert treffend de op minderwaardigheidsgevoelens gebaseerde jaloersheid van de menswetenschapper op de fysicus, dus op de harde wetenschappen.
De impliciete boodschap hiervan is zeer belangrijk: straks wordt niet alleen psychotherapie, maar ook psychologie overbodig en krijgen zij hoogstens nog een functie als ondersteunende begeleiding bij de échte behandeling die op de échte oorzaken inwerkt. Op het lichaam toch?
De grootste bok schoot onlangs de Belgische prof Willem Verbeke, niet toevallig hoogleraar sales management aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die verwacht dat werkgevers binnen vijf jaar hun sollicitanten zullen testen via een hersenscan.

Universiteiten proberen steeds meer financieel gesponsorde leerstoelen aan te trekken en verwachten dat de eminente wetenschappers hun oren niet naar de wensen van hun broodheren laten hangen. Naïviteit of onverschilligheid?

Ook in de journalistiek is het huilen met de pet op:

66. Het laatste nieuwtje zijn de zogenaamde ‘infomercials’ of ‘publireportages’ die we al kennen van weekbladen en kranten en die nu ook als ‘radiomercials’ op de officiele radiozenders komen, en straks ongetwijfeld op tv. In feite is dit platvloers bedrog en pure volksverlakkerij, waarbij reclame voorgesteld wordt als objectieve, ja, zelfs wetenschappelijke berichtgeving. Tijdens onze ochtendkoffie horen we binnenkort hoe een pseudojournaliste een pseudoresearcher interviewt die ons kond doet van de laatste geneugten van, inderdaad, de pseudowetenschap. Het is een teken aan de wand dat men het niet eens meer nodig acht een dergelijke strategie te verbergen. (…)Aldus glijden platte reclame en pseudowetenschap naadloos in elkaar over.

131. De specifieke oorzaak van psychische stoornissen is relatief onduidelijk in die zin dat er nooit enkelvoudige oorzaken aangewezen kunnen worden. Ondanks die onduidelijkheid was er tot voor kort een klinische consensus dat de omgeving daarbij een belangrijke rol speelde. De karikaturale uitvergrotingen daarvan – alles ligt vast voor het vijfde levensjaar; alles is gevolg van leerprocessen en conditionering – bevatten een impliciete aanname: problemen hebben een geschiedenis. Dit sluit aan bij een oerklassiek psychiatrisch ge- geven, dat al een halve eeuw voor Freud benadrukt werd, bijvoorbeeld door de Gentse krankzinnigenarts Jozef Guislain, en dat nu het ‘dynamische gezichtspunt’ heet. Psychische verstoringen kennen een evolutie, waarbij de geschiedenis van de patiënt vaak een verklaring biedt. In de gevleugelde woorden van Guislain: ‘Il faut connaître l’envers du décor’(je moet de achterkant van het decor kennen).

222. Dit betekent dat er op een ruimer, maatschappelijk vlak een verschuiving moet hebben plaatsgegrepen, weg van het Symbolische in de richting van wat men veronderstelt de échte werkelijkheid te zijn. De huidige dictatuur van het getal is daarvoor indicatief. Onze preoccupatie met cijfers, en dan liefst ‘groeicijfers’(opiniepeilingen, kijkcijfers, beurskoersen, budgetten, salarissen, penislengte, et cetera) verbergt een onderliggende angst om te moeten denken. Alvorens men een discussie aangaat binnen een zogenaamd beleidsorgaan (aandeelhouders, faculteitsraad, ziekenhuiscommissie, politiek bureau) moet men eerst ‘de cijfers’ zien; heeft men die eenmaal gezien, dan is elke discussie overbodig.
Het getal wordt verondersteld vanzelf de waarheid te produceren over een verondersteld transparant gemaakte werkelijkheid. Dezelfde angst voor het denken verschijnt in goedbedoelde raadgevingen aan mensen in nesten: ‘Je moet daar allemaal niet zoveel over nadenken, dat lost toch niets op, het maakt de dingen alleen maar erger.’ De volgende logische stap is die naar het denken belemmerende medicijnen waarvan de benaming in het Frans – ‘des stupéfiants ‘ – zoveel duidelijker is dan het halfzachte ‘tranquillizers’. Cijfers zijn slechts bruikbaar binnen een genuanceerd denkproces – daarbuiten zijn ze niets anders dan argumenten ter manipulatie van de niet zozeer zwijgende dan wel naïeve meerderheid.
Intuïtief weten, gestoeld op ervaring, telt niet meer mee omdat het niet cijfermatig uit te drukken is. Omgekeerd krijgt iets overtuigingskracht zodra er cijfers zijn. De huidige wetenschap hecht enorm veel belang aan falsifieerbaarheid (het kunnen weerleggen van een stelling), en met reden. Nog nooit was wetenschap zo makkelijk te vervalsen en zo eenvoudig te manipuleren, nog nooit verkreeg een vervalsing zo makkelijk zoveel overtuigingskracht als vandaag. Het stijgend cijferfetisjisme illustreert het dalend belang en zelfs de teloorgang van de taal. Niet alleen omdat cijferwetenschappers niet kunnen schrijven, maar vooral omdat het veronderstelde waarheidsgehalte van taal op zich verdacht wordt, en vervangen door de zekerheid die men in het getal meent te vinden.

Schitterend is ook de passage over de ‘gelijke kansen’- meritocratie (Michael Young) en de DBC-codes – DiagnoseBehandelCombinaties – die nu reeds in Nederland een ravage aanrichten in tweedelijnsgeneeskunde en de psychotherapie: in een sfeer van zorgzame, zij het onpersoonlijke efficiëntie en berustend op de overtuiging van een perfect stuurbare wereld.

Paul Verhaeghe heeft de moed gehad om na te denken over zijn vakgebied, voldoende afstand genomen om een overzicht te krijgen van de geschiedenis van ziekte en gezondheid, de huidige diagnostische en therapeutische ellende (‘meten is weten’!). Hij heeft vooral de moed gehad op te staan en te laten weten waar het volgens hem op staat. Hij heeft geantwoord op de debilisering van de grondslagen van de psychotherapie – het in vertrouwen menselijke nabijheid bieden aan een patiënt. Hij heeft de pseudowetenschappelijke pretenties van de farmaceutische heilsleer aan mootjes gehakt en de tragedie van de ‘evidence based’ – pillentherapie als een commerciële succes maar therapeutische flop geduid.
Maar hij wijst ook op het merkwaardige fenomeen dat er nauwelijks of geen reactie komt, noch uit het vakgebied, noch uit de medische sector, laat staan vanuit de beleidsmakers en financiers van de gezondheidszorg. De collectieve reactie blijft uit: een illustratie van het probleem van de éénzaamheid.

225. Volgens de klassieke formule lokt actie reactie uit. Het daarin besloten risico is dat psychotherapie verschuift naar wat Foucault (1972) aangeklaagd heeft bij het ontstaan van de psychiatrie, namelijk een sociaal dwingende en disciplinerende macht onder het mom van pseudowetenschap en pseudohumanitarisme. Tegenwoordig is dit zo mogelijk nog meer het geval, en bovendien in combinatie met een nooit geziene farmacologisering en steeds toenemende dwangmaatregelen. Alleen de collectieve reactie ertegen blijft uit. De ironie wil dat dit uitblijven een illustratie is van het probleem: éénzaamheid.

Paul Verhaeghe Het einde van de psychotherapie

« Vorige berichten