Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Alessandro Baricco, Zonder bloed. uitg De Geus 2003

26 juli 2010

Alessandro Baricco, Zonder bloed. De Geus 2003

Bloedrode novelle in twee delen, schitterend geschreven, geraffineerd opgebouwd met de smaak van een Italiaanse Coetzee: kernvragen over wraak en vergelding, over woede en verlangen, over weten en zwijgen. Baricco behandelt menselijk handelen naar dit soort emoties in een miniatuur waardoor zijn benadering nog grootser blijft nazinderen bij de lezer.

83. Hoezeer je je ook inspant om maar één leven te leiden, de anderen zullen er altijd nog minstens duizend andere levens in zien, en dat is de reden dat mensen maar niet kunnen voorkomen dat ze elkaar kwaad doen.

87.Er waren een hele boel dingen die we moesten vernietigen voordat we konden bouwen wat we wilden, er was geen andere manier, we moesten in staat zijn om te lijden en lijden toe te brengen, wie de meeste pijn aankon zou winnen, je kunt niet van een betere wereld dromen en denken dat je die zomaar zult krijgen omdat je er netjes om vraagt, ze zouden nooit zijn gezwicht, we moesten ervoor vechten en als je dat eenmaal doorhad maakte het niet meer uit of het oude mensen of kinderen waren, je vrienden of je vijanden, je was de aarde aan het openrijten, dat moest nu eenmaal gebeuren, en dat kon je niet doen zonder dat het pijn deed. En wanneer het allemaal te gruwelijk dreigde te worden hadden we nog onze droom die ons beschermde, dan wisten we dat, hoe hoog de prijs ook was, de beloning veel groter zou zijn, want wij vochten immers niet voor een handvol geld, of voor een akker om te bewerken, of voor een vlag, wij deden het allemaal voor een betere wereld, snapt u wat dat betekent? Wij zorgden ervoor dat miljoenen mensen weer een fatsoenlijk leven kregen, en de kans om gelukkig te worden, om waardig te leven en te sterven, zonder te worden vertrapt of bespot, wijzelf stelden niets voor, zij waren alles, miljoenen mensen, wij waren er voor hén, wat is nou één kind dat tegen een muur aan sterft, of tien kinderen of honderd, de aarde moest worden opengereten en wij deden dat, miljoenen andere kinderen verwachten van ons dat we dat deden, en dus deden we dat (…)
89.(…) u moordde uit wraak, jullie moordden allemaal uit wraak, daar hoeft u zich niet voor te schamen, dat is de enige remedie die er bestaat tegen de pijn, het enige wat u hebt kunnen bedenken om niet gek te worden, dat is de drug waardoor we in staat zijn om te vechten , maar jullie zijn er nooit meer vanaf gekomen, het heeft jullie hele leven kapot gemaakt, daardoor zien jullie nu overal spoken, om die vier jaar oorlog te overleven hebben jullie je hele leven kapotgemaakt, en nu weten jullie niet eens meer (…) wat het leven is .106. Toen bedacht ze dat hoe onbegrijpelijk het leven ook is, je het waarschijnlijk doorbrengt met niets anders dan het verlangen om terug te keren naar de hel die je heeft voortgebracht, en om daar te leven aan de zijde van degene die je ooit uit die hel heeft gered. (…) Alleen maar vanuit het idee dat iemand die je eens heeft gered, je voortaan altijd kan redden. In een langdurige hel, precies zoals de hel waaruit we voortkomen. Maar onverwacht barmhartig. En zonder bloed.

Dezso Kosztolányi – Nero, de bloedige dichter. Uitgeverij Van Gennep – 2010

26 juli 2010

Dezso Kosztolányi, Nero, de bloedige  dichter. Uitgeverij Van Gennep – 2010

‘Zonder kunst is de werkelijkheid onvolledig’.

Pieter Paul Rubens was zeer geinteresseerd in de figuur van de Romeinse filosoof en schrijver Seneca, vooral in diens levenseinde dat door Kosztolányi meesterlijk beschreven wordt. Wellicht omdat ook Rubens zich herkende in de rol van mooiprater, souffleur, pedagoog en hofnar van de macht, ondanks het geniale van zijn eigen schilderkunst.
Seneca was de pedagoog van Nero die in een machtsgreep door zijn moeder op de troon gezet werd maar haar ten gepasten tijde liet liquideren. De getormenteerde jongeling had het in zijn hoofd gehaald dat zijn literaire, theatrale en wagenmennerstalenten opmerkelijk waren en hij beet zich dus uitzichtloos vast in kunsten die hij hooguit als dilettant kon benaderen, zij het dat hijzelf wel als keizer van het Roomse Rijk diende benaderd te worden.
Nero – die aanvankelijk best geapprecieerd werd wegens nog niet bedreven noch gedreven in het spel van de macht – ontpopte zich tot een ordinaire populist die zich graag ophield in de zwoele en stinkende onderbuik van Rome waar hij grootschalig succes kocht met gedurfde oneliners, geld en geweld. Zijn entourage was steeds minder bereid of in staat zijn imperiale ambities bij te sturen en zijn artistieke wanen te temperen.
De Hongaarse schrijver Dezso Kosztolány (1885 – 1936) die door de uitgever gepresenteerd wordt als inspirator van Sándor Márai staat tot deze auteur eerder als Nero tot echte dichters ondanks de lovende brief van Thomas Mann die als toemaatje in het boek mooie woorden overheeft voor dit verhaal van bloedig-pijnlijke dilettantisme, gruwelijk en komisch tegelijk.

197. Onder Caligula was zijn dienst begonnen als trouw dienaar van de keizer; hij had aan vele veldslagen deelgenomen en zou voor een kleinigheid zijn leven opgeofferd hebben. Nooit had hij zijn bloed gespaard, hij hing niet aan het leven. Maar in vredestijd kon een soldaat zelf over zoiets kleins als een aardkluit struikelen, zijn heldhaftigheid diende geen enkel doel en hij raakte de weg kwijt te midden van de vele listen en werd door uiteenlopende belangen alle kanten op geslingerd, als een blind werktuig. Hij wist geen raad meer in deze wanorde.

218. We mogen niet te zuinig zijn op ons leven, anders zullen we het verliezen. En dat geldt duizendmaal sterker voor een machthebber. Leg je geweten af. De ware heerser heeft dat nooit gekend. Wees niet bang om bang te zijn. Want alleen dat is wat je hindert.

Bedenkingen bij misbruik in een hiërarchische structuur als de Roomse Kerk met Luceberts ‘Ketters I-V’

9 juli 2010

Lucebert schilderde zijn ‘De ketters I-V’ in 1981 kort na de mislukte staatsgreep van Guardia Civil kolonel Antonio Tejero Molina. Met enkele honderden Franco aanhangers probeerde hij het democratiseringsproces in Spanje te keren door in het parlement schietend het spreekgestoelte in te nemen.
De heren hadden niet begrepen dat hun tijd voorbij was, ook in Spanje.
Lucebert inspireerde zich op ‘Los desastres de la guerra‘ , de beruchte reeks etsen van Francisco de Goya (1746-1828) waarin deze in tegenstelling tot het officiële verhaal van heldendaden en generaalssuccessen de gruwelen van de oorlogen tekent.
In enkele van die etsen ( nr. 36 en 39) is er ruimte voor een contemplatieve relatie tussen de beul en zijn slachtoffers.

Lucebert verwijst in zijn Ketters I duidelijk naar de Kardinaal Grootinquisiteur ( zoals bij Dostojewski) die alleen maar kan bestaan door de mishandelde slachtoffers in zijn gevecht voor het behoud van zijn ware leer in het ene godsgeloof.
In de volgende ‘Ketters II-V‘ evolueert de relatie tussen de prelaten en hun slachtoffers.
Hier onderzoekt hij de beschamende stilte, de gène en intimiteit van de relatie misbruiker-slachtoffer, die beiden gemijterd toegetakeld voor zich uit staren.
De Roomse Kerk heeft in Spanje een grote traditie van gruwelen om de macht te bekleden en te verdedigen.
Al van tijdens de Inquisitie tot en met de XXste eeuw.

De verantwoordelijkheid van de Spaanse katholieke clerus, Iberische prelaten en kardinalen was al die eeuwen verschrikkelijk. Ook tijdens het fascistische Franco regime.

Lucebert treft hier een situatie die eigen is aan alle gesloten culturen, religies, kloosters, sekten, scholen en omstandigheden waar hiërarchisch en in jaren meerderen zich het recht toe-eigenen om jongeren die hen toevertrouwd worden te gebruiken om hun eigen verlangens naar genot en pijn te bevredigen.
Het heeft iets van automutilatie op zoek naar gevoelswaarnemingen die ze niet meer op een menselijke manier kunnen beleven.

Zij ervaren zich hiertoe geroepen en gerechtigd als compensatie voor de eigen offers in het belang van de triomf van de gezamenlijke geloofsacte.
De slachtoffers worden in de vertrouwensrelatie van meerdere en jongere verleid door aandacht, geld, privileges en de beloftes dat ook zij later hun positie in de hiërarchie kunnen opnemen.
Slachtoffers en beulen, misbruikten en misbruikers verstijven in een verstommende houdgreep van mimetische pijnbeleving. Ze worden allemaal gemijterd.

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Uitg. Lemniscaat 2010

5 juli 2010

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Uitg. Lemniscaat 2010

Ik heb het voor Hans Achterhuis omdat hij het lef en de moed heeft heilige huisjes te ontmantelen, gebaande paden te bevragen naar hun mythische herkomst, betonnen waarheden te verkruimelen. Hij is er ook zo goed in beslagen omdat hij zijn eigen denken durft onderzoeken en kritiek levert op wat hij zelf ooit heeft verteld. Zijn ‘ De markt van welzijn en geluk’ (1979) zou me bijblijven. Net zoals het werk van Ivan Illich die hetzelfde deed voor de markt van onderwijs en geneeskunde.
Achterhuis had het lef om welzijnswerk te duiden dat zichzelf propageerde als de handige hulp voor een leefbare samenleving door het pamperen en steunen van mensen in achterstandswijken. Zo creëerde welzijnswerk een markt van behoeftigen voor de eigen belangenbevrediging van de sector.
Hans Achterhuis is al die jaren ook steeds verder doorgedrongen in de analyse van het utopisch denken.
Hij heeft de moed om achterwaarts vooruit te schrijden, terugdeinzend voor de aanblik van wat de ideologieën en utopieën die hij ooit steunde hadden aangericht. Hij sloot zijn ogen niet, hij wou weten waarom. En dat is een zeldzame en zeer waardevolle inspanning voor aanhangers en oud-volgelingen van utopisch gedachtengoed, zowel van links als van rechts.

Met zijn nieuw boek zoekt hij naar de wortels van de neo-liberalistische utopie van de vrije markt en weet de partij-ideologe bij uitstek te vinden in de persoon van Ayn Rand met haar ‘Atlas shrugged’ uit 1957. Na de bijbel het meest verkochte boek in de VSA.

In het Nederlands vertaald als’ Atlas in staking’, wat door de VOKA boys Leyman en De Bruyckere die als Vlaamse ondernemers N-VA minister Muyters mochten opvolgen in VOKA bij hun bezoek aan informateur Bart De Wever werd overhandigd om hun economische en politieke ideeën te illustreren.
Bart De Wever heeft ongetwijfeld Hans Achterhuis gelezen en weet wat het intellectuele en politieke gewicht is van dit soort deur-aan-deur belijders van de vrije markt utopie.

Het Voka-topduo Luc De Bruyckere en Peter Leyman wilde niet met lege handen voor De Wever verschijnen. Ze zouden daarom de vuistdikke klassieker van Ayn Rand, Atlas in Staking, meenemen.‘Meer dan duizend pagina’s, maar we hebben het in twee minuten voor hem samengevat’, zegt Leyman.

Soms vraag ik me af hoe ziek je kan zijn, hoe zielig je zelfbeeld, hoe geil je onmacht, hoe verknoopt je verlangens om als oud Volvo-Gent-baas en omlaag gevallen populistische politieke patser van de cd&v jezelf in 2010 nog te durven prostitueren bij de NVA informateur met een boekje als ‘Atlas shrugged’ van Ayn Rand.
Misschien heeft VOKA veel talent in huis, misschien zelfs nog potentieel politiek talent waarop NVA baas De Wever als stafrijmen hoopt te kunnen steunen met de stemme. Beide Voka-toplui kunnen evenwel niet tot die categorie gerekend worden.
Wie in 2010 – wanneer de gevolgen van de gruwelijke bankcrisis nog lang niet voorbij zijn – als volwassen mens en ervaren bedrijfsleider nog durft staan zwaaien met ‘Atlas in staking’ en de ideeën van Ayn Rand en Alan Greenspan is ofwel niet goed bij zijn hoofd, een gedreven kardinaal van het ‘objectivisme’ en de ultra liberale maakbaarheidsideologie of verblind door het Licht waarin dit soort figuren de wereld en zichzelf meent waar te nemen.

Terecht houdt De Wever tijdens de informatieopdracht de hand aan Fik Meijers analyse ‘Keizers sterven niet in bed’ van Uitgeverij Athenaeum.
Het blijft immers altijd lastig om een zelfbenoemde Praetoriaanse garde van de oude keizers van het lijf te houden…
Elke utopie spiegelt de mensen een werkelijkheid voor van welvaart, harmonie en geluk; dat geloof in de vrije markt is niks anders dan een utopie.

In de loop van zijn boek gaat Achterhuis in op het Atlantis van Ayn Rand en de gevolgen ervan in het neoliberalisme en neoconservatisme tot de kredietcrisis van vandaag.
Hij overloopt de rol en de geschiedenis van de vrije markt, de betekenis van het ‘gemeen’, de wederkerigheid en herverdeling tot de marktmaatschappij.
In deel 3 behandelt hij de filosfische benadering van Aristoteles tot Keynes.
Nadien gaat hij in op wat de gerealiseerde vrije markt utopieën met zich hebben meegebracht en wat de resultaten waren voor mensen, in Chili, na de Tsunami op Sri Lanka, de wateroorlogen, de vermarkting van de gezondheidszorg in Nederland en de hebzucht en bonussenziektes bij Nederlandse managers en bedrijfsleiders.

In de epiloog ‘Noch markt, noch staat’ doet hij een reeks handzame voorstellen om ‘het herstel van het evenwicht tussen markt, staat en burgermaatschappij’ zoals Nobelprijswinnaar Economie Joseph Stigliz het formuleerde.

De nodige praktische wijsheid om de elastische banden tussen markt en burgermaatschappij korter houden om terugschieten te voorkomen.
De nodige moed om die rek in de banden van de markt te weerstaan.
Zelfbeheersing en maatgevoel om ons niet te laten meeslepen door de utopische beloftes van de markt.
Alleen vanuit de civil society waar mensen zelf hun verantwoordelijkheid nemen en marktpartijen en overheidsdienaren op persoonlijke tittel aanspreken om zo nodig tot de orde op te roepen.
Voor een goed beheer van de oikos hebben we volgens Aristoteles ook rechtvaardigheid nodig, en dat is geen systeemeigenschap maar een menselijke.

Lees verder »

‘De man zonder eigenschappen’ van Robert Musil – deel I door Guy Cassiers en Toneelhuis.

22 juni 2010

‘De man zonder eigenschappen’ van Robert Musil – deel I door Guy Cassiers en Toneelhuis.

‘De theatrale oerdrang om je te verkleden en van gedaante te verwisselen, die tot de lusten van het leven behoort, werd hier zonder de minste bijsmaak aan hem vertoond, waarschijnlijk zonder enig besef van komedie; en wel zo sterk dat de burgerlijke gewoonte om theaters te bouwen en van het toneelspelen een kunst te maken en die men voor enkele uren huurt, hem naast deze onbewuste en blijvende kunst van het zichzelf-spelen als iets volkomen onnatuurlijks, laattijdigs en gespleten voorkwam.’ (p.107)

Guy Cassiers heeft met Toneelhuis een poging gedaan om een eerste deel van het meesterwerk van Robert Musil in theatervorm te presenteren.
Ik was er niet kapot van.
De man zonder eigenschappen is een complex, moeilijk, verrassend, benevelend, verslavend en vertwijfelend boek, waar taal, theater, toon, titel, tuig, teken en tijd door en over elkaar heen warrelen. Ondanks het schijnbare opzet.

In 1913 wordt in Kakanië, de Keizerlijke en Koninklijke Donaumonarchie aanstalten gemaakt om de 70 ste kroningsverjaardag verjaardag van Franz-Josef te vieren in 1918. In datzelfde jaar zou de Pruisenkeizer Wilhelm II 30 jaar heersen.
Maar niet is wat het lijkt en dus kwam van de respectievelijke vieringen niets terecht wegens tegen die tijd de beide keizerrijken en dat van de Russische familie afgevoerd in een orgie van bloed en staalbliksems.

In 1922 begint Robert Musil aan zijn literair meesterwerk dat zo vaak en door zovelen ter hand is genomen. Rond de honderdste pagina weegt het boek zo zwaar dat een verder lectuur volgehouden inspanningen vraagt, van de lezer. Het verhaal volgt immers schijnbaar lichtvoetige en punthoofdige kronkels die meanderen doorheen scherpe essayistische analyses die de stand van de wetenschappen wegen en te licht bevinden en telkens weer zoeken naar andere verbanden tussen vreten en moraal, lief en leed, genot en verlangen, bloed en bodem, incest en oorlog.
Bij ‘De man zonder eigenschappen’ worden die ferme inspanningen beloont, zij het met mondjesmaat maar met een blijvende onrust als opdracht in het hoofd van de lezer.

Marguerite Duras schreef ooit: ‘ Dit boek is voor mij een van de geweldigste leeservaringen geweest die ik heb gekend:het is een buitengewoon duister, onleesbaar en onweerstaanbaar boek; het lezen ervan is een mysterieus corvee, bijna onoverkomelijk voor het merendeel van de lezers, maar als het corvee eenmaal voorbij is en het lezen tot rust is gekomen, maakt er zich een betovering uit los die met niets anders te vergelijken is. ‘

Wanneer de eerste twee delen verschenen in 1930 is de politieke situatie in Midden Europa alweer fors onder spanning gekomen. In 1938 werden Musils boeken verboden en vlucht hij na de Anschluss uit Oostenrijk weg.
Op 15 april 1942 sterft hij in ballingschap in Geneve, in armoede en vergetelheid, nadat hij het hoofdstuk ‘Ademhaling van een zomerdag‘ had afgerond over het spanningsveld tussen hart en rede, tussen passie en overleg, tussen voelen en denken. Zijn magnum opus zou nooit voltooid worden, net zoals moderne denken nooit kan afgerond worden.

Want de spiegel, oorspronkelijk voor ons genoegen geschapen, zo redeneerde hij, was tot een instrument van de angst verworden, zoals de klok, die moet compenseren dat onze bezigheden elkaar niet langer natuurlijk opvolgen. (277)

De superioriteit van een man die zich heeft bevrijd van de wens om te leven is heel groot. (274)

Het is immers de wereldgeschiedenis die altijd à la baisse of à la hausse in mensen heeft gespeculeerd; à la baisse door list en geweld, à la hausse een beetje zoals mevrouw uw echtgenote het hier probeert, door het geloof in de kracht van ideeën. (536)

Als de vader arm is, zijn de zoons dol op geld; als pa geld heeft, hebben de zoons weer de hele mensheid lief. (1316)

Theaterversie
In zijn eerste deel lijkt Guy Cassiers een onmogelijke klus te klaren door acteurs stukken uit Musils schitterend proza te laten declameren, naast elkaar, tegen elkaar en met de rug naar elkaar toe.
Wellicht bedoeld om met bevreemdende effecten de toeschouwers te bekruipen, maar te lang, te moeizaam en te verwarrend om een draad te vinden in het betoog.
Cassiers breidt bovendien het reeds forse aantal personages in de roman nog verder uit voor zijn theaterbewerking.
Voor een begrijpelijke benadering van zo’n complex en lijvig boekwerk lijkt mij eerder een forse reductie van het aantal personages zinvol en haalbaar.
Musils boek kan makkelijker en beklijvender betreden worden door menselijke interacties tussen een beperkt aantal acteurs die hun relationele spanningen uitvergroten tegen een achtergrond van maatschappelijke fenomenen.
Overspelige lust en incestueus verlangen versus sarcastisch machtsmisbruik en dodende broederstrijd. Wie dit voor toneel wil bewerken, heeft immers ook tekstuele vrijheid, niet alleen visuele.

Het tweede deel van de voorstelling oogt daarentegen verbluffend door het spel van op jaloezieën gefragmenteerde beelden van Da Vinci’s Laatste Avondmaal en Ensors ‘Intrede van Christus in Brussel’. Hier wordt de dynamiek gekaderd in filmisch geprojecteerde beelden van declamerende acteurs die bewegen als iconen uit de Europese schilderkunst.

Goedkoop en compleet naast de kwestie is echter Cassiers’ hedendaagse interpretatie van Musils analyse van de ondergang van de grote Europese multiculti-keizerrijken. Dat wordt er amechtig bij de haren bijgesleept om toeschouwers op te zadelen met de angst voor de EU, het falen van een Europees beleid en de nakende ondergang van het land aan communautaire en nationalistische kwesties.
In zijn eigenste strategie van de angst creëert de regisseur zelfs extra personages om de voorstelling nog wat te ‘actualiseren’.
Een van hen wordt als graaf Von Schattenwalt opgevoerd om als Mussolini look-alike alsnog een retorisch surplus te arrangeren als waarschuwing tegen communautaire spanningen en daarin dreigend fascisme in een goudgerand decor van opgelijste politiechefs.

De manier waarop Cassiers inhoudelijk aan de slag gaat met Musils analyse van de nakende ondergang van de Midden Europese Keizerrijken getuigt van platte demagogie, van armtierig gezwets bij gebrek aan diepgang. Omdat de moeilijke emoties van Musils ‘Man zonder eigenschappen’ niet echt aan bod komen en zeker niet tot het publiek kunnen doordringen – ook niet bij wie het boek wel gespeld heeft – vergrijpt hij zich aan de truuk met de duif. En de duif is zoals steeds dood.

Hoe verdwaasd kan je zijn om een gelijkenis te suggereren tussen de hedendaagse EU en de Midden Europese Keizerrijken?
Hoe weinig moet je willen weten van de Europese geschiedenis NA de twee grootste Europese burgeroorlogen in de XXste eeuw?
Hoe oppervlakkig kan je omgaan met ontwikkelingen die precies uit de ondergang van de door Musil aan de kaak gestelde lemen rijken ontstonden?
Is dit een vorm van pseudo linkse romantiek en sadomasochistische automutilatie?
Is dit een goedkoop hengelen naar herkenning door een strategisch spel van de angst?
Of is dit gewoon luiheid in een oppervlakkige poging om te scoren met een vlugge bewerking van een der meest complexe literaire meesterwerken van de XX ste eeuw?
Musils boek werd in 1999 door de nog levende Duitse schrijvers en recensenten uitgeroepen tot de belangrijkste Duitstalige roman van de XX ste eeuw.

De Europese Unie is precies ontstaan op de puinhopen en de gruwelen van de ondergang die Musil analyseerde.
De EU is vanuit een compleet verschillend uitgangspunt opgebouwd en gebruikt heel andere machtstechnieken dan de oude keizerrijken, in een overigens compleet andere en geglobaliseerde wereld.
Wie daarover vragen heeft kan ze onderzoeken in het politieke meesterwerk van Luuk van Middelaar, ‘De passage naar de EU. Geschiedenis van een begin- Historische uitgeverij

`De tijd beweegt zich zo snel als een rijkameel. Men weet alleen niet waar naartoe. Je kunt doen wat je wilt, het komt er in deze klit van krachten niet op aan,’zover was men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog volgens Robert Musil.
De machtstructuren van de broze lemen rijken konden al decennialang geen gelijke tred meer houden met de economische en politieke ontwikkelingen. Zij dateerden uit een periode die definitief voorbij was. Het geweld van oorlogen en revoluties zou volgens Marx de vroedvrouw zijn van de nieuwe tijd en de nieuwe machtsverhoudingen. Dat blijkt ook zo geweest te zijn, alleen niet zoals Marx en zijn volgelingen hadden gehoopt. De synthese via EGKS, EEG, EU en Euro draaide veel Musilachtiger uit dan zij ooit hadden kunnen denken.

Niet het nationalisme werd de doodgraver van de Europese keizerrijken. De keizerlijke vrede bleek vooral een carcan voor een status quo dat niet meer te handhaven bleek. Onvrede bij een bevolking die economisch vanuit een premoderne, nog middeleeuwse en sociologisch gesloten gemeenschap in een indivdualistisch te bewinnen proletendom werd gecatapulteerd, bouwde steeds meer geweld op tegen de bestaande keizerlijke orde.
Die stemming heerste in Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

‘Daar verderop staat zo’n marxist, verduidelijkte Stumm, die zogezegd beweert dat de economische onderbouw van een mens geheel en al zijn ideologische bovenbouw bepaalt. En een psychoanalyticus spreekt hem tegen; die beweert dat ideologische bovenbouw geheel en al het product is van zijn onderbouw, waar driften de toon aangeven.”
(…)
‘Dat is de psychologie van de massa, Doorluchtigheid! mengde de geleerde generaal zich weer in het gesprek. Voor zover het de massa betreft, begrijp ik dat heel goed. De massa wordt alleen bewogen door driften, en dan natuurlijk door die welke de meest individuen gemeen hebben: dat is logisch! D.w.z., dat is natuurlijk onlogisch: de massa is onlogisch, zij gebruikt logische gedachten juist alleen om er goede sier mee te maken! Waar zij zich werkelijk door laat verleiden is enkel en alleen de suggestie! Als u mij de kranten, de radio, de filmindustrie en misschien nog een paar andere cultuurmedia geeft, neem ik het op mij om binnen een paar jaar – zoals mijn vriend Ulrich dat eens heeft genoemd – de mensen in menseneters te veranderen! Dit is ook waarom de mensheid een sterke hand nodig heeft! Uwe Doorluchtigheid weet dat overigens beter dan ik! Maar dat ook het in sommige gevallen zo hoogstaande individu niet logisch zou zijn, wil er bij mij niet in.’
(…)
Zo hangen de geschiedenis van de waarheid en die van het gevoel op vele manieren met elkaar samen, maar die van het gevoel is daarbij in het donker gebleven.(…)
Grappig bijvoorbeeld dat de religieuze en dus toch zeker ook hartstochtelijke ideeën die de middeleeuwen zich over de mens gevormd hebben, sterk overtuigd waren van zijn gezond verstand en zijn wil, terwijl tegenwoordig veel geleerden, wier hartstocht er hoogstens uit bestaat dat ze teveel roken, het gevoel als de grondslag van alle menselijke zien. (1318)

David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010

13 juni 2010

David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010

Al is het ‘een geschiedenis’, het is een beklijvende geschiedenis van Congo, van het centrum van Afrika, van 130 jaar wijzigende machtsverhoudingen in de wereld en het leven van mensen, ook in Azië en Europa.

David Van Reybrouck is erin geslaagd een magnum opus te schrijven waar dank zij zijn literaire kwaliteiten geen droge feiten en cijfers, geen eindeloze namen, falen en gruwelen de lezers niet moedeloos achterblijven.

Knap gehanteerde filmische technieken van in- en uitzoomen, van close-ups, kikker- en vogelperspectieven houden de lectuur van 582 bladzijden ‘Congo’ boeiend en verrassend.
David Van Reybrouck is er door zeven jaar titanenwerk in geslaagd om als laatste blanke de laatste levende ooggetuigen van de geschiedenis van de kolonisering en de dekolonisatie te spreken, hun verhalen te noteren, hun herinneringen vast te leggen voor wie na hen komen.

Maar hij doet meer, veel meer.
Hij onderzoekt bijvoorbeeld ook nieuwe fenomenen. Hij zoekt naar nieuwe verklaringen en laat zich niet verblinden of in slaap zeuren door mythische verhalen over leed en leven, over lijden en lot, schuld en boete en zelfverklaarde heroïek.
Zo trekt hij interessante parallellen tussen popmuziek, biermerken en nieuwe religies.
Dank zij succesvolle popsterren bouwden biermerken in Kinshasa een marktoverwicht uit onder leiding van een Nederlandse filosoof als CEO van Heineken.
De machtsstrijd tussen biermerken en mobilofonie-aanbieders analyseert David Van Reybrouck alsof je Machiavelli’s ‘Heerser’ toegepast ziet in Afrika.
Hij onthult praktijken van popgoden die zich letterlijk ontpoppen tot mensenhandelaars en slavendrijvers.

58. Maar het zou al te simpel zijn te stellen dat Stanley hen bevrijdde van de slavernij. Van oudsher werd slavernij in Centraal-Afrika niet in de eerste plaats begrepen als
een beroving van je vrijheid, maar als een ontworteling uit je sociale milieu.
Gruwelijk was het zeker, maar om andere redenen dan doorgaans wordt gedacht. In een samenleving die zozeer getekend was door gemeenschapszin, betekende ‘de autonomie van het individu’ helemaal geen vrijheid, zoals in Europa sinds de renaissance wordt geroepen, maar eenzaamheid en ontreddering. Je bent wie je kent; en als niemand je kent, ben je niets. Slavernij, dat was niet geknecht zijn, maar onthecht zijn, van huis zijn.

David Van Reybrouck weet te argumenteren waarom de situatie in Congo en Midden Afrika niet het gevolg is van premoderne machts- en productieverhoudingen, maar – veel erger – voortvloeit uit een postmoderne chaotische ‘failed state’ situatie.

495. Het etnisch geweld in Ituri was geen atavisme, geen primitieve reflex, maar het logische gevolg van grondschaarste in een oorlogseconomie die de globalisering diende – en in die zin een vooraankondiging van wat een overbevolkte planeet nog te wachten staat. Congo loopt niet achter op de geschiedenis, maar vóór.

499. Mobiele telefonie is voor Afrika wat de boekdrukkunst voor Europa was: een ware revolutie die
de structuur van de samenleving grondig herdefinieert.

521. (Naar aanleiding van de verkiezingen van midden 2006) Congo was een land zonder infrastructuur geworden. Het was onmogelijk om per auto van de ene naar de andere kant van het land te rijden. Zelfs de grote centra waren niet meer met elkaar verbonden. Congo was meer een archipel dan een pays-continent, een archipel waarvan de eilandjes enkel per vliegtuig, helikopter of prauw te bereiken waren. Niemand wist hoeveel mensen er woonden, niemand hield de geboortes bij, niemand had papieren.

180. In de steden ontstond ( in de jaren ’30 ) een nieuwe levensstijl die verschilde van de dorpscultuur, maar ook meer was dan een kopie van de Europese stadscultuur, al was het maar omdat die nieuwe Afrikaanse agglomeraties in niets geleken op hun Europese tegenhangers. Zelfs voor Belgen was de koloniale stad een geheel nieuwe ervaring! Er was meer ruimte en vrijheid, de afstanden waren groter, de lanen breder, de percelen rianter. De steden waren van meet af aan bedacht op het gebruik van de auto. Het had wel iets Amerikaans, vonden vele blanken. Léopoldville met zijn verschillende stadskernen zonder duidelijk centrum leek meer op Los Angeles dan op de middeleeuwse stadjes van België of de negentiende-eeuwse burgermanswijken van Brussel of Antwerpen. De koloniale stad hinkte niet achter het Europese model aan, maar liep erop vooruit. Toen een Belgische journalist zag hoe blanke vrouwen in Congo het vliegtuig namen om in Léopoldville te gaan bevallen, zei hij verrukt dat in de kolonie ‘een nieuwe samenleving, een nieuw België met nieuwe ideeën geboren werd’. Het leek alsof in Congo de jaren vijftig al in de jaren twintig begonnen.

300. (Over de eerste republiek.)
Net als in het theater was ook hier de tragedie van de geschiedenis geen zaak van redelijken versus redelozen, van goeden versus slechten, maar van mensen die samenkwamen en zichzelf stuk voor stuk als goed en redelijk beschouwden. Idealisten stonden tegenover idealisten, maar elk idealisme dat te fanatiek beleden wordt leidt tot verblinding, de verblinding der goeden. De geschiedenis is een afschuwelijk gerecht bereid met de beste ingrediënten

In tegenstelling tot de gebruikelijke zwart-wit analyse van Patrice Lumumba – zwarte duivel of Afrikaanse marxistische martelaar – besluit Van Reybrouck genuanceerd en blijkt de eerste Congolese premier te licht bevonden.

328. (Lumumba gewogen)
Lumumba groeide in een mum van tijd uit tot een martelaar van de dekolonisatie, een held voor alle verdrukten der aarde, een heilige van het goddeloze communisme. Die status had hij eerder te danken aan zijn gruwelijke levenseinde dan aan zijn politieke successen. Hij was alles bij elkaar nog geen tweeënhalve maand aan de macht geweest, van 30 juni De strijd om de troon tot 14 september 1960. Zijn palmares las als een opeenstapeling van blunders en inschattingsfouten. Zijn bruuske afrikanisering van het leger was sympathiek maar desastreus, zijn zoeken naar militaire steun bij de VS en de Sovjet-Unie was begrijpelijk maar vreselijk lichtzinnig, zijn militair optreden in Kasai kostte het leven aan duizenden landgenoten. Bij zijn leven vonden Youlou en Senghor, de eerste presidenten van Congo-Brazzaville en Senegal, zijn optreden al erg problematisch. Daartegenover stond dat hij nauwelijks op zijn taak was voorbereid, af te rekenen kreeg met een onbezonnen civiele exodus en een militaire invasie van de Belgen en moest toezien hoe de VN aarzelde om de Belgische agressie krachtig te veroordelen. Maar met zijn ongelukkige manier van reageren op reëel onrecht kweekte Lumumba stelselmatig meer vijanden dan vrienden. De tragiek van zijn kortstondige politieke loopbaan was dat zijn grootste troef van vóór de onafhankelijkheid – zijn onwaarschijnlijke talent om de massa op te zwepen – zijn grootste nadeel werd toen hij eenmaal als machthebber geacht werd iets serener op te treden. De magneet die eerst aantrok, stootte nu af.

Er was een tijd van missionarissen, Vlaamse kermissen en zilverpapier.
Er was een tijd van solidariteitsacties en hulporganisaties, van gouvernementele en niet-gouvernementele ontwikkelingshulp.
Er is een tijd van ngo’s gekomen die ontwikkelen tot een nieuwe lucratieve hulpverleningsindustrie en zichzelf in stand proberen te houden ten koste van de mensen voor wie de hulp bedoeld zou zijn.

500. De hulp van vele honderden ngo’s was vaak indrukwekkend, maar niet zonder consequenties. Door de endemische corruptie binnen het ambtenarenapparaat gaven veel ngo’s er de voorkeur aan om ook in het land van aankomst ‘niet-gouvernementeel’ te blijven en enkel met lokale partners te werken. Begrijpelijk, maar niet van dien aard dat de vertrouwensband tussen overheid en bevolking werd hersteld. Bovendien creëerde de toestroom van buitenlands geld ook zoiets als ‘hulpverslaving’: Congolezen begonnen te twijfelen aan hun zelfredzaamheid.

‘Congo’ besteedt in het laatste gedeelte ook veel aandacht aan het fenomeen van de talloze kerkgenootschappen die naast de katholieke en protestante kerken mega-successen boeken. Hij vergelijkt hun paktijken met die van de middeleeuwse katholieken in Europa.
Al blijken daar wel tastbare elementen van overeind gebleven in kunsten en wetenschappen.
Wat vermoedelijk niet het geval zal zijn voor de patsers van de nieuwe religies in Afrika.

515.Een beetje man van God kon toch niet in lompen bij zijn hoogste werkgever verschijnen? Gezeten op een bombastische troon riep hij zijn gelovigen wekelijks op om gul te schenken aan zijn kerk. Ostentatief doneren werd een bewijs van devotie en deugd. Kutino liet zich de luxeauto’s en intergalactische gsm-toestellen welgevallen. ‘Ik hou van geld,’ zei hij aan een Franse journalist, ‘het helpt om goed te leven.‘ Stuitend? Ja, maar niet verschillend van de dynamiek die ervoor zorgde dat in het middeleeuwse Europa kathedralen werden gebouwd en kanunniken rondliepen in brokaat en filigraan. Postmaterialisme is een luxe voor rijken. De pauper kijkt op naar de patser.

Indringend is ook de reflectie van de auteur over zijn bezoek aan Laurent Nkunda die als krijgsheer in Noord-Kivu een terreur bewind voerde met kindsoldaten over de talloze vluchtelingenkampen en zich als locale krijgsheer niet bewust blijkt te zijn van het zwaard van Damokles dat boven zijn bloeddoorlopen ogen zweeft.

548. Beduusd van zoveel retoriek voor gevorderden stap ik met Rene en zeven anderen in een krappe jeep. In de koffer zit een kindsoldaat met een kalasjnikov. Het is bijna middernacht. We rijden oostwaarts door de natte, druipende heuvels en hopen geen Mai-mai-patrouille tegen te komen.
Ik ben bang en verward. Ik weet niet dat er op dat moment in New York een VN-rapport wordt klaargestoomd dat de Rwandese inbreng in de CNDP duidelijk aantoont, ik weet niet dat Human Rights Watch een verslag voorbereidt over de gruwelen van Nkunda. Ik ben op het punt aangekomen dat de geschiedenis nog warm is, vers en ongrijpbaar. Ik heb geen overzicht, niemand heeft overzicht.
Ik weet alleen dat ik liever met gewone mensen praat dan met bewindslieden, dat ik meer van anekdotiek leer dan van retoriek. Ik weet alleen dat ik in het vluchtelingenkamp van Mugunga in de plastic hut van Grace Nirahabimana zat, blok 48, nummer 34, ik kon er niet rechtop staan. Grace was een prachtige vrouw van 23 met twee kinderen, Fabrice en David. Haar twee broers van 12 en 16 waren door Nkunda meegenomen, haar twee zussen waren aan diarree gestorven, zij was door drie
militairen verkracht. Ze had alles achtergelaten. Haar zussen waren in het kamp gestorven – te weinig eten, geen toiletten – ze lagen begraven tussen de bananenstruiken. Het was koud toen ik bij haar op bed zat. Een gure wind joeg over het maanlandschap van lava en deed de plastic wand van haar hutje klapperen. ‘Ik voel me echt niet beschermd,’ snikte ze, ‘ik ben heel, heel bang. Bang voor Laurent Nkunda.’

In het slotstuk opent David Van Reybrouck een nieuw boeiend perspectief.
De kering van de Noord-Zuid invloed vanuit Europa naar Centraal-Afrika en vanuit de VS naar Midden-Afrika tot de Sino-Afrikaanse as zal een fundamentele wijziging in de machtsverhoudingen op een geglobaliseerde wereld bol meebrengen.
De auteur heeft die lijnen ontdekt, meer nog hij is Afrikaanse handelaarsters gevolgd tot in het Zuidchinese Guangzhou – Kanton – en terug. Naast de officiële mijnbouw- en infrastructuurcircuits bestaan er intussen gigantische kleinhandelverbindingen tussen Kinshasa en China.
De invloed van deze contacten kunnen ook niet onderschat worden.

574. Veel Congolezen trekken naar het buitenland om de verstikkende familiebanden te ontlopen. In tijden van crisis heeft de veel geroemde Afrikaanse solidariteit iets ontroerends, maar in tijden van wederopbouw zorgt ze voor een infernale logica die langetermijnprojecten onmogelijk maakt: het beetje beschikbare geld raakt onmiddellijk verkruimeld over vele monden. Herinvestering en planning kunnen op weinig waardering rekenen. In China lukt dat beter. Er zijn geen ooms en neefjes die je van hekserij betichten wanneer je weigert om het beetje geld dat je verdiend hebt te verdelen, terwijl in Congo hekserij het ultieme argument is om je tot solidariteit te dwingen.

Het is anderzijds merkwaardig hoe een erudiet, eminent en ervaren auteur-onderzoeker als David Van Reybrouck aan de ene kant een uitermate genuanceerde en precies daardoor briljante en beklijvende geschiedenis van Congo heeft geschreven maar in zijn uitlatingen over België, Vlaanderen, Europa aan een merkwaardige verziendheid lijkt te lijden.
In Congo weegt hij feiten, verhalen, cijfers, herinneringen en eigen ervaringen minutieus om tot een goed overwogen verhaal te komen.
Vanuit Congo lijkt hij blind voor de democratische problemen in Brussel, België en Europa die telkens weer omschreven worden als ‘Vanuit Congo zie ik België als het theepaviljoentje van de wereld waar men aan het keuvelen is met opgeheven pink. Beste mensen, denk ik dan: kom naar hier en durf je handen vuil te maken.’ (Humo, 04052010)
De literaire, archeologische, sociologische, antropologische methodes die hij hanteert in zijn geschiedenis van Congo zijn het meer dan waard om ook op ‘een geschiedenis van Brussel, Vlaanderen, België, Europa en de rest van de wereld’ toe te passen.
Ook dat zal een magnum opus opleveren dat weer zeer de moeite is om te lezen en te herlezen.

Toon Horsten, Het geluk van de lezer. Hoe boeken je leven kunnen veranderen. Linkeroever uitgevers.

10 juni 2010

Toon Horsten, Het geluk van de lezer. Hoe boeken je leven kunnen veranderen.Linkeroever uitgevers.

Toon Horsten bundelt een selectie van vier jaar columns uit De Standaard der Letteren tot een gelukservaring voor de lezer.
Dat is niet moeilijk want Toon Horsten weet veel, heel veel. Hij leest veel, heel veel.
Maar bovenal heeft hij oog voor de indringende afstand tussen het onderwerp en de schrijver, tussen de lezer en het thema.
Precies die afstand leidt je in zijn verhalen binnen.
Precies die afstand heeft hij nodig gehad om de boekenreus te worden uit Hoogstraten die over Turnhout en de weidse Kempen resideert.
Nog steeds voelen schoolfrikken en rechtgelovigen uit de Kempen zich koud gepakt wanneer iemand opmerkt dat sociologisch de Kempen een schitterende plaats is om geboren te worden en op te groeien.
Want veel van deze jongeren hadden vaak nog slechts één ambitie: wegkomen uit diezelfde Kempen.
Zo leerden ze de wereld te zien, de wereld over de plank die hen voor de kop gehouden werd wanneer ze naar het uniformiseringsproces werden gedreven in een van de vele scholen.

Toon Horsten heeft dat gedaan met boeken. Hij werd een vaardige reiziger in de wereldliteratuur met oog voor wat in de verdrukking leek te raken, voor wat vergeten wordt.
?Het geluk van de lezer? weet te verleiden en te misleiden, en doet dat op een vrolijke badinerende toon, maar biedt een schitterende selectie van leestips die zijn onderwerpen liefdevol larderen.

Liebig vleesbouillon. Je kan het niet eten. Maar er zal nog veel soep van worden getrokken, aldus de Duitse schrijver-criticus Kurt Tucholsky in 1927 over de pas verschenen ‘Ulysses’ van James Joyce. Toon Horsten herkende zijn eigen gevoel bij het gedoodverfde meesterwerk. Mooi mimetisch geluk.

In een moeite door onthult hij hoe Turnhout (n)ooit Bauhaus had kunnen huisvesten, omdat Henry van de Velde solliciteerde voor de directeursfunctie van
de lokale kunstacademie. De vroede vaderen prefereerden een andere kandidaat en de sollicitant vertrok dan maar naar Weimar met alle gevolgen vandien, voor Weimar en het kunstgevoel van de opkomende industriële bourgeoisie uit Duitsland.

Hij zet met een gevoelige draai Nico Rost en Egon Erwin Kisch te kijk met hun reportages uit 1934 over de gezinsverpleging te Geel. Hij vergelijkt hun verslag – Kisch ontdekt dat in Geel de statuslozen geen zinneloze gast te houden hebben en dus ook de daaraan verbonden renumeratie mislopen – met de gelauwerde filmdocumentaire van Arnout Hauben over de gezinsverpleging ‘Geel’.

In zijn stukje over het Waalse dorpje ?Waulsort? – wegens een station een betere buiten voor de bourgeoisie rond de vorige eeuwwisseling – wijst hij op de restauratie van de vele sjieke villa?s en Grand Hotels langsheen de Maas, waar na het vertrek per automobiel van de beter begoeden op zoek naar de wereld plaats geruimd werd voor minder begoede scholieren uit het Rijksonderwijs. Wanneer die uiteindelijk vertrokken wegens korting op de schoolreisjes werd de oude glorie opgeschoond voor de nieuwe burgerij (uit Vlaanderen?). Nog even wachten.

In oude krantenartikelen zocht Ambanelli de woorden op die hij kende en wanneer hij er één gevonden had, was hij tevreden alsof hij een vriend had ontmoet ( Luigi Malerba, ‘De ontdekking van het alfabet’. )

De zoektocht van Toon Horsten in oude boeken, vergeten publicaties, werk van verdwenen schrijvers brengt meer tot leven dan die schrijvers.
Dat is het geluk van de lezer van Horsten.
Kijk!, zegt mijn vriend de boekhandelaar als er weer eentje binnengewandeld komt. Daar heb je weer zo’n zweefteefje. Hij vertelt erbij dat het meestal om vrouwen tussen de 35 en 55 gaat, die op zoek naar Het Hogere en dat denken in de esoterie te vinden. Hoe ijler, hoe beter. ( bekeerd door ‘De Celestijnse Belofte’)

Of hoe boeken je leven kunnen veranderen.

vrt deredactie.be opinie&blog – OVER DE NOOD AAN GENEES-, HEEL- EN VERLOSKUNDIGEN.

4 juni 2010

OVER DE NOOD AAN GENEES-, HEEL- EN VERLOSKUNDIGEN.
30 / 05 / 2010
‘Mensen zijn vreemd. Zonder erbij stil te staan begaan ze de ergste misdaden, maar daarna kunnen ze niet leven met de herinnering aan wat ze gedaan hebben. Die moeten ze kwijt, en dan komen ze naar mij omdat ze weten dat ik de enige ben die opluchting kan bieden, en vertellen me alles. Ik ben het afvoerputje, Brodeck. Ik ben geen priester, ik ben een menselijk afvoerputje. In dat hoofd van mij kun je al je ettervocht en smerigheid gieten, zodat je je weer verlicht en opgelucht voelt. En daarna gaan ze weg alsof er niets gebeurd is. Ververst. Gereinigd. Klaar om opnieuw te beginnen, in de wetenschap dat het afvoerputje zich weer heeft gesloten boven wat hem is toevertrouwd. Dat hij er nooit over zal praten, met niemand. Zij kunnen rustig slapen, maar ik stroom over, Brodeck, ik stroom over, het is te veel, ik kan niet meer maar ik hou vol, ik probeer vol te houden. Ik zal sterven met alle gruwelijkheden die ze in mij hebben uitgestort.’ (Het verslag van Brodeck, 145)
Philippe Claudel laat in zijn meesterwerk die functie van menselijk afvoerputje toelichten door de dorpspastoor.
Er was nochtans een tijd dat ons werd voorgehouden dat in een moderne geseculariseerde maatschappij de rol van de pastoor vervangen werd door die van de dokter. Maar wij begrepen toen niet hoe een priester kon genezen, helen, laat staan verlossen.
Wij herinnerden ons loden tijden op collegekamers in de geur van sigaren en alcohol waar paters en fraters godgegeven levensenergie zouden koesteren met genotvolle pijn in hun blaas. Het droge plezier van drukkend geloof, zoals bij Taoïstische monniken en in goedkoop drukwerk over de alternatieve kracht van traditionele Chinese geneeskunde. Het zou duren tot de cursussen urologie eer we het mechanisme konden vatten van die retrograde ejaculatie.
Met dat soort ongein liet een dynamische progressieveling zich in die bevrijdende tijden niet in, wegens doordrongen van het solidaire verlangen naar het goede doen om het goede. Of zoals Karl Marx het ons had voorgehouden: ‘De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen.’ ( Elfde Stelling over Feuerbach)

Meer kennis en kunde dan kunst
Wij waren nog jong en de geneeskunde was voor ons nog meer kennis en kunde dan kunst zoals ook de wereld nog maakbaar leek.
Een Cartesiaanse logica werd ons academisch gepresenteerd als motor van wetenschappelijke ontwikkelingen. Als je maar goed genoeg keek zou je zelfs (quantum-)mechanische wetten van de wetenschap kunnen herkennen en begrijpen. Wat let je dan nog te werken aan oplossingen voor menselijk leed en intellectueel lijden in die schemerzones van helverlichte Rede, Waarheid en Vooruitgang van de Mensheid.
Het duurt lang, ontzettend lang, minstens negen jaren lang eer je de taal van het artsenvak kan spellen, eer je de tekens en aanrakingen in de vingers kan krijgen. En dan nog moet je leren kiezen voor genezen door onderwijzen – als dokter – en/of als arts – archi iatros, genezen door heersen.
Geneeskunde studeren eist zoals een opleiding tot priester een hoge graad van inwijdbaarheid.
Je moet er wat voor over hebben om gedurende jaren af te zien van geneugten en verlangens die leeftijdgenoten lang voor jou kunnen beleven, om af te zien van reguliere regelmaat in studie, werk en privé-leven.
Maar later komt de beloning. Je wordt gepromoveerd tot genezer, heler en verlosser. Je zal opgenomen worden in het gild van de Onmisbaren.

Onmisbaar maar niet al te nabij
Misschien daarom ook dat vele artsen als ‘Onmisbaren’ vaak moeilijk afstand kunnen bewaren tegenover hun patiënten, kunnen verzaken aan de illusie van het gewijde goddelijke dat over hen is nedergedaald. Het is immers niet makkelijk als huisarts of psychiater te balanceren in een helende vertrouwensrelatie met een patiënt en toch voldoende afstand te bewaren. Zeker niet wanneer de uitgelopen consultatie zwaar was en de eenzaamheid groot. Helpende helers houden zich ver van het spel van macht en misbruik en kiezen voor collegiale toetsing.
Artsen opteren vaker voor een specialistische opleiding, niet alleen om de centen maar vooral om te kunnen schuilen achter het masker van hun operatiekledij en een indrukwekkend instrumentarium.
‘Larvatus prodeo’ – liever treden we gemaskerd naar voren in onze omgang met de patiënt. Een arts-patiëntrelatie is er een van ontsluiten en afsluiten. Een goede zorgrelatie heeft vooral van doen met de houding die je als zorgverlener aanneemt. Je kan onmogelijk goeie zorg verlenen en tegelijk macht uitoefenen. Macht verderft en corrumpeert, zeker in een vertrouwensrelatie.
Wie zijn of haar dokter niet vertrouwt, kan moeilijk beter worden in zo’n relatie. Wie als zorgverlener zo’n relatie beschaamt, beschadigt de patiënt, ook al wordt die in Nederland tegenwoordig steevast omschreven als cliënt.

Geduld of eisen
Met de vermarkting van de gezondheidszorg hoopten opeenvolgende Nederlandse regeringen op een weldadige Cartesiaanse benadering van ziekte en zorg. Wetenschappelijk wegens becijfer-, begroot-, beknibbel- en dus bespaarbaar. Methodisch wegens herleidbaar tot nauw omschreven handelingen die aan vaardige technici voor een prijsje worden gedelegeerd. De koopmansgeest zou voldoende tuchtigend werken: de beste behandeling tegen de scherpste prijs.
Intussen is het hek van de dam: de kosten voor de zorg swingen onhoudbaar de pan uit wegens martkwerking gevoelig voor minder becijferbare gegevens zoals methodisch verlangen naar winstmaximalisatie door ziekenhuizen, artsenassociaties, thuiszorgconglomeraten, pr- en managementboeren.
De zogenaamde cliënten beginnen intussen stilaan ontnuchterd te snappen dat ze door eisend ‘te’ claimen minder ‘te’-vredenheid scoren dan als patiënt in een vertrouwensrelatie.
‘Verpleegkundig specialisten, praktijondersteuners en nurse practitioners’ worden in Nederland in hoog tempo klaargestoomd om het monopolie van de medische stand – uiteraard ook financieel – te beknibbelen.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg concludeerde in 2007 nog dat verschuiving van taken van artsen naar niet-artsen een positieve bijdrage leverde aan veilige, effectieve, patiëntgerichte en toegankelijke zorg.
Recent blijkt deze taakherschikking echter te leiden tot meer specialisatie en verdere versnippering van de zorg: verpleegkundigen die medicijnen voorschrijven, anesthesiehelpers die medicatie inspuiten, diabetesverpleegkundigen die volgens protocollen suikerzieken volgen, wondverplegers die dermatologen vervangen, sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen die psychiaters substitueren… Niemand heeft nog oog voor en zicht op het geheel van de lijdende mens.

Zorgsubstitutie naar wildgroei
Deze doorgedreven zorgsubstitutie naar goedkopere paramedici heeft een wildgroei van dure case- en zorgmanagers tot gevolg gehad in plaats van lagere kosten en minder tijdsbelasting voor artsen – die nu vooral meer moeten controleren en managen.
De nood aan zorgzame en ervaren verpleegkundigen is intussen gestegen waardoor nog minder ‘handen aan het bed’ en dus slechtere basiszorg voor patiënten. Chronische zieken worden vaker begeleid door verpleegkundigen zonder voldoende medische kennis om verbanden te leggen tussen klachten, andere mogelijke ziektes en medicijnen die ingenomen worden. Medicijnen voorschrijven wordt binnenkort in dezelfde besparingsdrang wettelijk overgelaten aan verpleegkundigen.
Naast de juridische problemen bij dit soort substitutie dreigt schrijnende ellende wanneer verpleegkundigen opgezadeld worden met verantwoordelijkheden waarvoor ze niet eens opgeleid werden.
Erger nog, in dit substituerend en delegerend versnipperen verdwijnt het contact tussen arts en patiënt. Behandelrelaties verliezen de klinische blik en de noodzakelijke ervaring.

Schoonheid van scherven
Na jaren ‘geneeskunde’ kan je werk ‘geneeskunst’ worden: met door nascholing onderhouden kennis van de evoluties in het vak en cumulerende praktijkervaring kan je in een vertrouwensrelatie proberen te luisteren als afvoerputje voor soms nauwelijks te benoemen menselijke angst en lijden. Alle illusies van genezen door de nieuwste medicijnen, van helen door macht, verlossen door kracht moet je laten varen om een bondgenootschap te kunnen sluiten met patiënten. Zij proberen jou te vertrouwen als de bewaarder van de verhalen van wie niet meer zoeken naar een stem. Hen rest vaak alleen nog de schoonheid van de scherven, die onvolmaakte spiegeling.
In de succesvolle, interessante Amerikaanse tv-serie ‘The Sopranos’ wordt die rol behoedzaam waargenomen door de psychiater van maffiabaas Tony Soprano, Dr. Jennifer Melfi.
Zij voelt zich door haar patiënt in de rol gemaneuvreerd van een raadgever zoals Niccolò Machiavelli destijds voor zichzelf had voorzien in zijn relatie met Florentijnse heersers. In de tv-serie weet zij zeven lange jaren wankel te balanceren tussen de rol van ‘Onmisbare’ en ‘Ingewijde’.
Salman Rushdie omschreef deze schone kunst van genezen, helen en verlossen in zijn roman ‘Schaamte’:
’Om in het leven te Slagen, zei hij tegen de jongen, dient men tot de Onmisbaren te behoren. En wie is er het onmisbaarst?
Welnu, degene die het Onmisbare verschaft, natuurlijk!
Ik bedoel bijvoorbeeld Goede Raad, Diagnoses en uitsluitend op recept verkrijgbare medicijnen. Word Dokter, dat is wat ik in jou gezien heb.
Aldus sprak Schoolmeester Eduardo Rodrigues tot Omar Khayyam Shakil.
Want wat is een dokter per slot van rekening? Een bevoegd gluurder, een vreemde wie we toestaan met zijn vingers en zelfs met zijn hele hand te tasten en te porren, waar we de meeste anderen nog geen vingertop zouden laten steken, en die kijkt naar wat we juist angstvallig proberen verborgen te houden; iemand die aan onze sponde zit, een buitenstaander die we toelaten bij onze intiemste momenten (geboorte, dood, enz…) anoniem en als speler van een bijrol, maar paradoxaal genoeg toch ook een centrale figuur, vooral in kritieke situaties.’
(50)

Zeker in een moderne, geseculariseerde samenleving waar menselijke eenzaamheid als een loden deken zwijgend tot ziekte dwingt, is er nood aan integere artsen-priesters. In het spiegelen van emotie- en taalarme patiënten gaat verlossende medemenselijkheid boven heersende offervaardigheid. Hoe minder cohesie onder mensen, hoe groter de nood aan behoedzaam helende sjamanen – zij die ‘weten’, de ‘onmisbaren’ die nog proberen een holistisch mensbeeld te lijmen in een gebarsten spiegel.
Wie ooit de geneeskunst wil beoefenen, leze daarom veel en volhardend mooie romans waarover de Turkse Nobelprijswinnaar Literatuur 2006, Orhan Pamuk ooit schreef: ‘Ik kan me geen Europa indenken zonder romans. Dan spreek ik over de roman als manier van denken, doorgronden en verbeelden, en ook als manier om zich in iemand anders te verplaatsen.’

Of zoals de Tsjechische schrijver van ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, Milan Kundera, sprak over ‘het fascinerende denkbeeldige koninkrijk waarin niemand de waarheid in bezit heeft en ieder het recht heeft begrepen te worden… de wijsheid van de roman’.
Goede literatuur helpt zorgverlener en therapeut de wereld en het leven van mensen anders te bekijken, beter te begrijpen en de helende blik te verruimen. Ze maken de schoonheid van de scherven, die onvolmaakte spiegeling, lichter te dragen. Ze helpen ook een veilige afstand te houden en het geheim te bewaren.

Margriet de Moor, De schilder en het meisje. De Bezige Bij 2010.

30 mei 2010

Margriet de Moor, De schilder en het meisje. De Bezige Bij 2010.

Een boeiend historisch gegeven – de wurging van Elsje Christiaens in mei 1664 wegens verdenking van moord op haar huisbazin en de tekening van Rembrandt van haar opgehangen lijk voor de kraaien en de raven – wordt door Margriet de Moor tot een fijne roman verwerkt. Ze slaagt er meesterlijk in om de lezer te verleiden en in haar verhaal te zuigen met beelden en klanken.
Al zou een i pad versie hier meteen beeld en klank kunnen bijleveren, want die elementen zijn erg belangrijk in ‘ De schilder en het meisje’.

Daarom stoort het mij ook zozeer wanneer ze anachronismen gebruikt die voor mij de verleiding van haar verhaal verstoren. Al zal de auteur ongetwijfeld haar redenen hebben om het thema uit te breiden tot het leven van vandaag in Amsterdam, ze dwingen me achterover te leunen om verbijsterd te bekomen: een ijslandschap is als dat van Caspar David Friedrich, boomstammen die in het ijs vastgekruid werden als antitankversperringen, beulen als voetballers, minuten als tijdmaat, doorzonwoningen en Shell gebouwen op het galgenveld.

166. Plezierig doorbordurend bedenkt hij dat zij, de schilders tenslotte niet bezig de tijdsduur een vorm op te leggen, zoals de dichters dat doen, maar juist omgekeerd de vorm van tijdsduur voorzien, de blik.

221. Het blijft een verbazingwekkend fenomeen dat een mens, als enige onder de dieren, zich in het zicht van en aangekondigde dood zo braaf in het voorgeschreven protocol voegt. Geen schaap, geen lam zou dat doen. Het meisje stond nu voluit te krijsen, klauwen uitgestoken.

Deze vat ik niet alsof zwijnen geen bord voor hun kop krijgen om naar het slachthuis gedreven te worden?

http://www.vn.nl/De-Republiek-der-Letteren/Artikel-Literatuur/De-schilder-en-het-meisje-Margriet-de-Moor.htm

http://www.nrcboeken.nl/recensie/een-dode-geschilderd-naar-het-leven

Ruhr 2010

30 mei 2010

Hagen
Het Karl Ernst Osthausmuseum in Hagen heeft in het kader van Ruhr 2010 – Istanbul 2010 nog tot 25 juli een schitterende tentoonstelling met de Istanbul – Sammlung Huma Kabakci.
Mooier bijna en gevarieerder nog dan het Istanbul Museum of Modern Art . ?
De ongelooflijke fotoselectie over Istanbul van Ara Güler is meer dan een bezoek waard.
De eigen collectie bevat mooi werk wat ten dele onder invloed van architect Henri Van de Velde, die voor Karl Ernst Osthaus villa Hohenhof bouwde, werd verzameld.
Na diens dood verhuisde de grootste delen naar het Folkwangmuseum te Essen.

Essen

De tijdelijke tentoonstelling – Het mooiste museum ter wereld - in het nieuwe en uitgebreide Folkwang museum te Essen is zeer de moeite waard. Geprobeerd werd het grootste deel van de oude collectie voor de verwijdering door de nazi’s van de volgens hen ontaarde kunstuitingen te reconstrueren.
Er hangen schitterende werken uit de hele wereld weer samengebracht. De toeloop is enorm waardoor de ruimtes wat klein bemeten lijken voor zoveel toelichting.
Het nieuwe museum gebouw is een prachtige uitbreiding van het naoorlogse.
Maar zoals bij veel van die prachtige nieuwe musea in kleinere steden zonder veel artistiek verleden blijkt wat nog rest of wat reeds werd verzameld aan eigen collectie te beperkt om de prachtige zalen te vullen. Het lijnenspel en de magnifieke binnentuinen lijken een ode aan Van de Veldes oude Kröller Müller in de Hoge Veluwe, maar verbergen vooral veel leegte in het oude gedeelte.
Zeche Zollverein XII heeft als mooiste en indrukwekkendste mijngebouw in futuristische nazi architectuur ooit een moeizame fototentoonstelling Das Große Spiel – Archäologie und Politik zur Zeit des Kolonialismus.
Verbijsterend is het schrijnende gebrek aan fatsoenlijke horeca op het enorme oude mijn- en cokesfabriekterrein – behoudens in het Casino restaurant.

Bochum

De Jugendstil machinegebouwen van de Zeche Zollern II/IV te Bochum zijn gesloten wegens dringende en grondige restauratiewerken. De gebruikelijke tentoonstelling over hoe goed het allemaal was in de hoogtij van de Duitse mijnbouw in de Ruhr is meer dan de moeite, maar wordt nu gelukkig fors onderuitgehaald door de tijdelijke tentoonstelling
Helden im Zeichen von Schlägel und Eisen – Denkmale für verunglückte und gefallene Bergleute im Ruhrgebiet nog tot 22 augustus 2010.

Fietswegen

En dan is in dit oude Duitse industriegebied zoveel werk gemaakt van leefbaar groen, ruimen van vervuilde industriezones, restauratie van prachtige (industriële) archeologische sites en het aanleggen van prima fietspaden dat het gekoppeld aan een prima openbaar vervoer een ideale fietstocht opleveren kan.

vrt de redactie.be Opinie&Blog – Van god los – Litanie van de Hubris – Gidsland of Gistland – Verlangen is de essentie van de mens – De nieuwe man die het lonken niet laten kan

20 mei 2010

Van god los
Litanie van de Hubris
Gidsland of Gistland
Verlangen is de essentie van de mens
De nieuwe man die het lonken niet laten kan

vrt de redactie.be Opinie&Blog

J.M. Coetzee, Zomertijd – uitg. Cossee 2009

18 mei 2010

J.M. Coetzee, Zomertijd – uitg. Cossee 2009

In ‘Zomertijd’ schrijft J.M. Coetzee een biografie over zichzelf door gefingeerde interviews met derden, met familie, vrienden en minnaressen.
Geen van de geïnterviewden geeft hoog op over Coetzee midden jaren zeventig in en om Kaapstad: ‘Eenzelvig. Sociaal onbeholpen. Geremd. Iets verwaarloosds, iets mislukts’.

In die periode woonde hij na een onduidelijk verblijf in Engeland en de VS samen met zijn oude vader in een krot aan de rand van de bewoonde wereld waar hij met eigen handen verbeteringswerken uit probeert te voeren, omdat hij niet wou dat blanken zich te goed zouden voelen voor handenarbeid.
Een van de minnaressen, Julia, werd later psychotherapeute en vertelde de interviewer: ‘Nee, natuurlijk hield John niet van zijn vader, hij hield van niemand, hij was niet voor de liefde gemaakt. Maar hij voelde zich schuldig en daarom deed hij zijn plicht. In bed was hij niet goed, niet teder, ‘autististisch’ eigenlijk. (…) Hij had besloten wrede en gewelddadige impulsen uit elke arena van zijn leven – inclusief zijn liefdesleven, zou ik zeggen – te weren en ze in zijn schrijven te kanaliseren, dat als gevolg daarvan een soort oneindige oefening in catharsis zou worden.’

Coetzee put voor Zomertijd uit een geraffineerde trukendoos.
Hij is bij publieke aangelegenheden steeds zwijgzaam. Zo heeft hij op de hele viering van zijn zeventigste verjaardag in de Amsterdamse Balie waar hij ook Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw werd, geen woord gesproken.
Ook in zijn relaties onthult hij zichzelf door de mond van diezelfde Julia als een alles behalve passionele minnaar.
Op een bepaald moment eiste hij van haar de ze met hem zou vrijen op het tempo van Schuberts strijkkwintet: ‘ Schubert was de componist, en Coetzee de uitvoerder. De man die zijn maîtresse voor een viool aanzag’.
Coetzees boeken pleiten overtuigend voor een trager leven, waar de hype van het moment of de weetjes van vandaag en morgen hoogstens achtergrondruis vormen voor een symfonie die hijzelf in zijn hoofd componeert en die zijn aandachtige lezers tot navolging nodigt.
Je voelt in zijn werk van om en nabij de recente verhuis van Zuid-Afrika naar Australië dat er nog heel veel meer uit te leggen valt, maar dat hij daar nog omheen hinkt en hikt als om een hete brei.
Niet zozeer in ‘Uitgesproken meningen’ als in de vele ‘onuitgesproken meningen’.
Dit laat natuurlijk ruimte voor de fantasie van de aandachtige lezer, maar in Australië moet een auteur van zijn formaat toch met een nieuw dagboek voor de pinnen kunnen komen over ‘een schitterend ongeluk’ want ‘Mensen gaan (immers) wel dood aan onverschilligheid tegenover de toekomst’ zoals hij in de ‘Langzame man’ verklaart.

Met dit boek lijkt hij wel meer op zoek naar de politieke situatie in Zuid-Afrika onder het apartheid-regime. En naar zijn houding in die tijd.
Ik mis de dreiging en de spanning in Zomertijd die hij elders zo knap opbouwt.
En hoewel Coetzee hier wellicht zeer ver gaat in autobiografische overpeinzingen die hij in de mond legt van de geïnterviewden, mis ik de kracht van zijn literair spel.
Zijn zoektocht is nog lang niet voltooid.

240. Studenten hebben naar mijn mening al snel in de gaten of wat je doceert van belang voor je is. Is dat het geval, dan zijn ze bereid te overwegen er zelf ook belang in te stellen. Maar als ze al dan niet terecht concluderen dat dat niet het geval is, dan valt het doek en kun je net zo goed naar huis gaan.

257.Nee, niet apolitiek, ik zou eerder zeggen antipolitiek. Hij vond dat politiek het slechtste in mensen naar boven bracht. Het bracht het slechtste in mensen naar boven en bracht ook de slechtste types uit de samenleving naar de oppervlakte. Hij had er liever niets mee te maken.

261. Als Afrikanen ‘zij’ waren, wie waren dan ‘wij’? De Afrikaners?
Nee. ‘Wij’ waren in de eerste plaats de kleurlingen. Het is een term die ik slechts aarzelend gebruik, bij wijze van samenvatting. Hij – Coetzee – vermeed hem zoveel mogelijk. Ik noemde zijn utopisme. Dit vermijden was een ander aspect van zijn utopisme. Hij verlangde naar de dag dat iedereen in Zuid-Afrika zichzelf niets zou noemen. Afrikaans noch Europees noch blank noch zwart wat dan ook, dat familiegeschiedenissen zo met elkaar verstrengeld en vermengd zouden raken dat mensen etnisch niet meer van elkaar te onderscheiden zouden zijn, dat wil zeggen – ik gebruik het besmette woord opnieuw – kleurlingen. Dat noemde hij de Braziliaanse toekomst. Hij was natuurlijk nooit in Brazilië geweest.

267. Dus we hebben het geval van een man die de taal alleen maar gebrekkig sprak, die buiten de staatsreligie stond, wiens visie kosmopolitisch was, die politiek gezien – hoe zullen we het noemen? – een dissident was, maar die desondanks bereid was de identiteit van Afrikaner te aanvaarden. Waarom denkt u dat dat zo was?
Mijn mening is dat hij met de blik van de geschiedenis op zich gericht het gevoel had dat hij zich niet van de Afrikaners kon losmaken en tegelijkertijd zijn zelfrespect bewaren, ook al hield dat een associatie in met alles waarvoor de Afrikaners verantwoordelijk waren, politiek gezien.

272.Om terug te komen op zij geschriften: wat is objectief gesproken, als criteria, uw mening over zijn boeken?
Ik heb ze niet allemaal gelezen. Na In Ongenade verloor ik mijn belangstelling. Over het algemeen zou ik zeggen dat zijn werk ambitie mist. De controle over de elementen is te strak. Nergens krijg je het gevoel van een schrijver die zijn medium vervormt om te zeggen wat nooit eerder is gezegd, wat voor mij het kenmerk is van grote literatuur. Te koel, te keurig, zou ik zeggen. Te gemakkelijk. Een te groot gebrek aan passie. Dat is alles.

276. Clubrugby loopt op zijn laatste benen. Dat voel je vandaag niet alleen op de tribunes maar ook op het veld zelf. Gedeprimeerd door de galmende ruimte van eht lege station lijken de spelers alleen nog maar de schijn op te houden. Een ritueel sterft voor hun ogen uit, een authentiek ritueel van de Zuid-Afrikaanse kleinburgerij. De laatste getrouwen zijn hier vandaag bijeen: treurige oude mannen zoals zijn vader; slome, plichtsgetrouwe zoons zoals hijzelf.

Bart Brinckman, Isabel Albers, Steven Samyn, Wouter Verschelden: “De zestien is voor u”, Hoe België wegzakte in een regimecrisis. Het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit. Uitg. Lannoo 2008.

14 mei 2010

Bart Brinckman, Isabel Albers, Steven Samyn, Wouter Verschelden: “De zestien is voor u”, Hoe België wegzakte in een regimecrisis. Het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit. Uitg. Lannoo 2008.

Zelden herlees ik boeken, wegens gebrek aan tijd, wegens uitstellen tot later wanneer misschien ooit de druk van de jacht en het leven getemperd zal zijn, wegens angst voor tegenvallende zinnen die zelfgeweven herinneringen aan flarden haken.
Maar in de huidige regimecrisis is het boek herlezen van de toenmalige De Standaard journalisten ‘De zestien is voor u’, een opwekkende verademing.
Alle fratsen en iedere wanhoop, het wetten van messen, het knarsend draaien van het lemmet in de rug van de politieke vrienden, de manoeuvres met de aartsvijanden en de schijngevechten met de vijanden, je kan ze heerlijk savoureren in dit journalistiek hoogstandje.

Er zijn hier en daar immers nog enkele journalisten die meer in hun mars hebben dan politici nabouwen of geruchten fluisteren.

Vooral nu is de lectuur van dit boek zinvol om de kunstgrepen te vatten die in de aanloop tot de verkiezingen en na 13 juni aan bod komen.

Politiek bedrijven in België behoort tot de hogere kunsten. Het is slechts weinigen gegeven, maar de manoeuvres in de coulissen blijven beter daar gespeeld dan op het publieke theater. Oog en oor verlangen ook wel eens naar een illusie van schoonheid, zelfs als ze geschonden is.

- Het allereerste boek over de langste regeringsvorming in onze naoorlogse geschiedenis: van Verhofstadt-II over bijna-Leterme-I naar Verhofstadt-III
- De spannende reconstructie door de Wetstraatredactie van de krant De Standaard, gebaseerd op reportages in de krant, maar uitgewerkt tot een boek vol achtergrondinformatie
- Dit boek brengt het verhaal van de langste formatie uit de naoorlogse Belgische geschiedenis. Het laat zien hoe een diepgeworteld wantrouwen en politiek onvermogen het land meesleuren in een van de moeilijkste periodes die het ooit heeft gekend.
- Onmisbaar voor wie met kennis van zaken wil meepraten over het jaar waarin politiek België van aanzien veranderde.  

Jan Vanriet, Closing Time – KMSK Antwerpen nog tot 3 oktober 2010

9 mei 2010

Jan Vanriet, Closing Time – KMSK Antwerpen nog tot 3 oktober 2010

Closing Time is de laatste tentoonstelling voor de sluiting van het KNSKA wegens belangrijke renovatiewerken.
Kunstenaar Jan Vanriet (1948) kreeg carte blanche om een groots parcours uit te zetten in de zalen oude en moderne meesters.
Door de veranderde opstelling en het samenspel met Vanriets oeuvre bekijk je de kunstwerken vanuit een onbevangen invalshoek.

Met ‘Closing time’ leveren curator Leen de Jong en Jan Vanriet een onthullende kijk op het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, het gebouw, de wanden, de collectie en de geest van Brabant in Vlaanderen.
Hun keuze helpt de bezoeker de noodzaak te begrijpen van een grondige renovatie, verlangen te ontwikkelen naar een vernieuwing, genoegen te beleven bij verruiming.
Hun selectie helpt de collectie van het KMSKA te herkennen als groots en meeslepend.
Ze helpt Jan Vanriet herkennen als ‘iene van ons, iene van hier!’ (dixit wijlen Tuur Van Wallendael tijdens zijn sp-verkiezingscampagne in de Antwerpse Seefhoek), een kunstenaar die zich willens nillens plaatst in de eeuwenoude traditie van behoedzame ruimdenkendheid en tolerantie die Vlaanderen eigen was, is en blijven zal.
Ondanks sadomasochistische trekjes bij zelfverklaarde progressieve ideologen.
Geen regio ter wereld, geen land in Europa heeft zo’n diepgewortelde gastvrijheid voor andersdenkenden, andere culturen, andere heersers ontwikkeld als deze regio die om de haverklap vreemde heersers en vreemde troepen diende te tolereren. Op voorwaarde dat deze bezoekers zich fatsoenlijk, respectvol en hardwerkend opstellen.

De KMSKA kunstverzameling uit de voorbije eeuwen is daarvan een pedagogische en tegelijk prachtige illustratie.
Jan Vanriet stelt zich met zijn kunst in die bevragende, ironische soms ook vranke cynische traditie die falende machthebbers en al dan niet marxistische maakbaarheidsideologieën voor schut weet te zetten.

De zaalindeling volgens een verhelderend stramien is bekoorlijk. Eindelijk heb ik zo de gelijkenis begrepen tussen lippen en tepels bij Modigliani, tussen Ensors Maskers en het sarcasme van de macht bij Vanriets Signaal uit 2008.
Zijn paarse gladiolen zijn indrukwekkend, ook naast de Seringen van Brusselmans.
Net als zijn Aurora en de rug aan rug van de Oude marxist met Ruzie in de galerij van Fred Bervoets.
Woeste dromen vol verbijsterend wantrouwen, leugens in grijs en kleur.

Grappig zijn ook de commentaren van bezoekers die voor de verandering het kunstleven zo heel erg graag laten beginnen bij de oude meesters, die Vanriet ook hoogmoed verwijten omdat hij de pretentie heeft hun werk te selecteren en confronteren met het zijne.
Dergelijke zuivere waanbeelden worden prachtig gepareerd door de werken van expressionisten, Ensor, Permeke.

Ironische commentaren op wie voor hen kwam is immers de basis van de historische bevraging door iedere generatie kunstenaars.
Wanneer dit niet altijd even goed geslaagd zou zijn, houdt het vaak verband met de intellectuele kwaliteiten van de artiest in kwestie.
En daaraan heeft het Jan Vanriet nooit ontbroken.
Daarom is zijn immens oeuvre die commentaren reeds lang overstegen.

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb – uitg. De Bezige Bij – Tot ziens meneer Friant – uitg. Vrijdag

6 mei 2010

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb. De Bezige Bij – Tot ziens meneer Friant – uitg. Vrijdag,

‘Maar is licht altijd te verkiezen boven duisternis?’

(161)

Philippe Claudel biedt de lezer met ‘Alles waar ik spijt van heb’ een helende denkoefening ‘voor iedereen die we pijn doen’. De manier waarop hij in dit boek uit 1999 dat nu pas werd vertaald, teruggaat naar de liefde en de onwetendheid van een prille jeugd in onschuld lijkt op een bezoek aan zijn geboortedorp waar de schrijver nog steeds woont: Dombasle-sur-Meurthe, niet ver van Nancy in Lotharingen.
Het heeft iets van de prille Sandor Marai en het is voor mij een herinnering uit 1983 toen ik van Athene naar Antwerpen fietste en langs het kanaal voor de Solvay fabrieken naar Nancy peddelde. Na 2500 kilometer in je eentje op de fiets door de nakende herfstkou van eind september blijft de Elzas, Lotharingen en de Ardennen op een beklemmende manier in je geheugen waar het lezen van Philippe Claudel die passage steeds weer onthult.

Thema’s als de absorberende pastoor – vergelijkbaar met die in Carlo Levi’s ‘Christus kwam nooit verder dan Eboli’ – de gevolgen van verblindende zekerheid en verhullende waarheden zijn ook hier reeds aanwezig, wat hij later in het ‘ Verslag van Brodeck’ meesterlijk ontwikkelt.

‘En wie betaalt het gelag? De priester, die als een spons wordt gedwongen het leed op te zuigen dat door iedereen wordt afgescheiden, het verdriet, de wanhoop, het onbegrip en het gehuil; en hij moet ermee verder leven, iedere avond, nacht na nacht…Af en toe, als ik aan het eind van de middag na een lange dag naar huis ga, voel ik me loodzwaar. De mensen hebben me tot m’n oren volgegoten met leed en verdriet. Zij zijn geledigd, opgeruimd vertrekken ze en ik trek mijn habijt aan – daar ben ik voor!’ (131)
‘Als schelpdieren zich onder water verwonden, dan maken ze prachtige parels om de wond heen, om die te helen en de pijn te verzachten, vlammende parels, ware schatten die een herinnering in zich dragen, de herinnering aan een wond… Als wij mensen ons pijn doen, of iemand anders pijn doen, dan zijn onze parels de dingen waar we spijt van hebben, wij fabriceren schitterende spijt, en in de loop van je leven worden alle dingen waar je spijt van hebt, of je nu prins, schoenmaker of senator bent, opgeschreven in een groot boek, een geweldig mooi boek met heel veel goud en verluchtingen. Het boek der schulden heet het, ze worden erin opgeschreven en opgeteld, en iedere keer als er iets bij wordt geschreven waar je spijt van hebt, dan ga je huilen en voel je zelf medelijden, maar het geeft je ook de kracht om door te gaan tot een volgende keer, en zo verloopt het leven. (….) Je gaat dood omdat je nergens meer spijt van kunt hebben…’ (173)

‘Tot ziens meneer Friant’ is een zoektocht naar de jeugd van zijn voorouders in en om Nancy door de ogen van een bourgeois schilder Emile Friant (1863-1932). Aan de hand van een reeks schilderijen construeert Philippe Claudel een eigen geschiedenis van het vergeten, van gewilde leugens, vergeten bedrog, verlaten liefdes, genoten pijn waarover hij zijn subtiele zinnen weeft. Hij zoekt bij Friant naar de cesuur in zijn werk. Wanneer en waar verliest hij zijn eigen wereld in Lotharingen voor het society succes in Parijs: ‘Gestorven, heengegaan, begraven, gefusilleerd onder de eerbetuigingen (…), genekt door een overdaad aan tierelantijntjes’.
Philippe Claudel wijt de malaise in de Franse literatuur vaak aan het intense lik- en trapwerk van de Parijse beau monde waar Franse (en andere) kunstenaars zich al te graag laten fêteren tot godgelijke passieloze mummies waarna hun werk zelfs niet meer de klank van castraten weet te evenaren. Vandaag komt voor hem de kracht van de Franse kunst uit de periferie en hoedt ze zich voor het verblindende lichtspel in de hoofdstad.

Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen. Querido 2009

1 mei 2010

Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen. Querido 2009

’U komt bonen kopen? Bij mij? U kunt toch in elke winkel bonen krijgen? Maar komt u vooral binnen. U bent toch niet bang voor honden? Ze hoeven alleen maar even aan u te ruiken. Als iemand voor het eerst komt, moeten ze gewoon even aan hem ruiken. Dat zou ik niet weten. Dat hebben ze niet van mij. Dat doen ze uit zichzelf. Een hond is even ondoorgrondelijk als een mens.

En zo gaat het bijna 400 pagina’s door in een lange monoloog: een traktaat over het doppen van bonen, het onthullen van herinneringen, het pellen van de rokken van uien.
De beheerder van een terrein met vakantiehuisjes dopt met zijn bezoeker de gevraagde bonen en vertelt hem het verhaal van zijn leven. Als kind op het Poolse platteland tot de tweede wereldoorlog gruwelijk over het land rolde, zijn tijd bij de partizanen en de industrialisatie en verstedelijking van Polen onder Gomulka en de Moskoubroeders. Hij werd elektricien en bekabelde het Poolse platteland met het oog op de vooruitgang onder het socialisme en slaagde finaal om als saxofonist West-Europa te bereizen. Op zijn oude dag draagt hij op de plek waar vroeger zijn dorp stond tussen de vakantiehuisjes zorg voor de geschilderde namen op de houten kruisjes van wie niet meer zoekt naar een stem. Hij heeft ze allemaal nog gekend als kind.Gestaag wordt peul na peul het geheugen van de terreinbeheerder gedopt en komt een verhalenassociatie op gang die zijn verstomming bij het uitmoorden van zijn familie overstijgt.

‘Pas na de oorlog bleek wat die oorlog was geweest, wat een enorme nederlaag niet alleen van de mens, maar ook van God. Je zou verwachten dat de mens zich niet meer zou oprichten, dat hij zijn maat had overschreden.’

Ook over de politieke terreur na de oorlog gaat over de tong bij het doppen wanneer in een mannenpissijn de zeiker zijn geslacht toespreekt:

‘Socialisme, kapitalisme, allemaal geen cent waard. Jij bent een grootmacht. Op jou rust de wereld. Hoewel, wie ben jij in feite? Je zit daar maar in die broek van mij. Een knusse, stille plek. Een toevluchtsoord. Zo nu en dan zou een mens zich daar willen terugtrekken, als hij dat kon

De van het platteland afkomstige Wieslaw Mysliwski (1932) heeft in zijn leven heel wat bonen gedopt. Bonen doppen was op het Poolse platteland een sociale activiteit om wintervoorraden aan te leggen en mekaar af te tasten in de familie en vaak het hele dorp. Eenieder diende wel zijn eigen bonen te doppen, maar het werd een verbale kunst van ontmoeten en aftasten terwijl iedereen met de duim de schaamlippen spreidde om de oogst te verzamelen.
Tuinbonen en peulvruchten waren tot aan de cultuur van de aardappel en lang nog daarna de basisvoeding in West-Europa: de biefstuk van de armen wegens eiwit, vitaminen en koolhydraten te over.

Tijdens de eindeloze monoloog in eenvoudige zinnen van een sobere taal die getrouw gesprekken lijkt te volgen die ooit in het verdwenen dorp werden gevoerd, wordt de lezer tot levende luisteraar die de terreinbeheerder tot slot toevertrouwt aan zijn honden:

Ik laat de honden bij u achter. Weest u niet bang van ze. Blijft u maar bonen doppen.’

46. ‘Ziet u dan niet dat het hier nog drukker is geworden dan in al die flats? In een flat, al heeft die tien of meer verdiepingen, hoef ik tenminste niemand te kennen. Goedemorgen, goedendag, en dat is het. En niet eens tegen iedereen, niet tegen die onder mij of boven mij. En ook met die van hoger of lager hoef ik niets. Het komt voor dat een mens een week lang zijn buurman niet ziet. En ga je op andere tijdstippen de deur uit en kom je op andere tijdstippen thuis, dan hoef je hem helemaal niet tegen te komen, niet eerder dan wanneer hij als lijk naar buiten wordt gedragen. En hier, of je dat nu wilt of niet, moet je wel. Je bent nog maar nauwelijks gearriveerd of ze kruipen al als mieren over je heen. En ze jeuken, ze steken, ze bijten. Een week verlof en ik weet niet meer of ik het ben of dat ik het niet ben. Want zegt u nu zelf, hoeveel mensen kan een mens hebben om nog te voelen dat hij zichzelf is?

108. Blijkbaar hangt lachen niet af van wat je ziet, van wat je hoort. Lachen is het vermogen van de mens om tegen de wereld, tegen zichzelf in verzet te komen. Hem dat vermogen ontnemen betekent hem weerloos maken. En zo was ik toen. Ik kon gewoon niet lachen. En ik vond het zelfs maar vreemd dat je sowieso om iets kon lachen. De meesten van ons die op die school zaten waren zo. Hoewel natuurlijk niet iedereen. Sommigen lachten zelfs als ze opgesloten werden. 
Lees verder »

Peter De Graeve: België is geen consensusdemocratie maar een opiumdemocratie.

30 april 2010

De Stadaard Opinie 28042010

Opiumdemocratie
BELGIË IS GEEN CONSENSUSDEMOCRATIE

Een democratie waar onopgeloste conflicten tot in de eeuwigheid meegesleept worden, is geen consensusdemocratie, zoals Luc Huyse België noemt, maar juist het tegenovergestelde, zegt PETER DE GRAEVE.
Het wordt in België steeds onduidelijker welke lading de vlag ‘democratie’ nog dekt. De moeite die Luc Huyse zich getroost om op dit punt de verwarde geesten te verlichten (DS 23 april) kan mij niet overtuigen. Zijn goedbedoelde poging om België als een ‘consensusdemocratie’ te typeren is niet alleen historisch incorrect. De kern van zijn betoog, namelijk de tegenstelling tussen consensus en meerderheid lijkt mij, vanuit hedendaags democratisch standpunt, ook ronduit nonsensicaal. Huyse redeneert hier op z’n Belgisch, dat wil zeggen krom. En als zo’n wijze analist al met splinters in het politieke brein zit, hoeveel balken zijn er dan niet in onze eigen, veel simpeler hersenen?

Paradoxaal separatisme

Niet dat Luc Huyse de bal volledig misslaat. Hij heeft een punt wanneer hij zegt dat de verbinding tussen ‘meerderheidsdemocratie’ en (het streven naar) ‘separatisme’ een riskant idee is, zeker in het huidige Europa. Je meerderheid gebruiken om, in naam van een gehavende democratie, de onafhankelijkheid uit te roepen, is minstens paradoxaal. Waarom die meerderheid niet gewoon gebruiken om de democratie op het juiste spoor te zetten? Ook mijn buitenlandse vrienden begrijpen niet dat in dit democratische tijdperk een meerderheid zich zou afscheuren van de democratie waarin zij de meerderheid vormt… Als je het zo leest, is het inderdaad absurd. De meerderheidslogica die separatisten desgevallend willen gebruiken, zou Europa op zijn beurt kunnen hanteren om de grenzen van Brussel te hertekenen.

De kromme logica zit elders. België een consensusdemocratie noemen is kort door de bocht. Het veronderstelt dat het democratisch karakter van dit land niet ter discussie staat, en dat de vermeende democratie een lange traditie heeft met consensuspraktijken. Beide punten zijn betwistbaar. In politiek opzicht is België veeleer een pacificatiemodel, waar gepoogd wordt om met ingewikkelde akkoorden, onderhandeld op schimmige plekken door geïsoleerde elites, de voortdurend heroplevende fundamentele conflicten tot bedaren te brengen. Deze conflicten zijn onoplosbaar, niet omdat de wil tot consensus niet zou bestaan (die is soms eindeloos, alvast aan Vlaamse kant), maar precies omdat de grond voor de duurzaamheid van het vergelijk, de democratie, met elk Belgisch compromis verder wordt vergiftigd.

Germaanse rechten

Huyse verwijst naar Zwitserland en Noord-Ierland als alternatieve modellen. Ik wil zelf een andere vergelijking maken. Neem de EU, een consensusdemocratie (in wording), en neem twee lidstaten, Duitsland en Nederland, eveneens consensusdemocratieën. In alle drie de democratieën gaan meerderheidsregel en consensusmodel perfect samen. Nederland en Duitsland leven vandaag ook onderling in goede verstandhouding, omdat er tussen beide een grens loopt. Die grens symboliseert niet langer een strikte scheiding, maar de over- en doorgang tussen beide. Er is geen betwist gebied, niet in Nederland, niet in Duitsland, waar een van beide landen de burgers van het buurland voortdurend uitdaagt om hun consensusbereidheid in de praktijk aan te tonen. Als een Nederlander er in Maastricht op staat Nederlands te spreken is hij daarom geen ‘geweldloze fascist’ (verfijnd concept van de Belgische compromissenkampioen Mangain). En Angela Merkel zal het niet gauw in haar hoofd halen om bij haar collega Balkenende het tastbare bewijs van Nederlands geloof in Europa te eisen door de Duitssprekenden in de Maastrichtse Rand Germaanse rechten toe te kennen. Doordat ze elkaar niet tot een voortdurende, politiek afmattende bewijsvoering van de eigen consensusbereidheid dwingen, kunnen Nederland en Duitsland elkaar verstaan, en is een reële verstandhouding mogelijk. Conflicten kunnen dus opgelost worden, anders gezegd, er is consensus mogelijk, omdat er niet voortdurend politieke intentieprocessen worden gevoerd. In België is net het tegenovergestelde het geval. België is bijgevolg het tegendeel van een consensusdemocratie.

De visie van Huyse (en vele anderen) over de zogenaamde Belgische consensusdemocratie brengt de vertroebelde geesten nog meer in verwarring. In de eerste plaats zijn eigen geest. Zo heeft Huyse de kern gemist van wat er vorige donderdag is gebeurd. Ja, misschien handelde Alexander De Croo intuïtief en impulsief. Maar dat neemt niet weg dat zijn beslissing, hopelijk, de toon heeft gezet voor een nieuwe politieke logica. De jonge voorzitter toonde ons, heel even, de keerzijde van de fameuze ‘vijf minuten politieke moed’. Als die vijf minuten inderdaad onhaalbaar zijn (wat alvast de voorbije drie jaar is bewezen), dan volgt daaruit niet noodzakelijk de onvermijdelijkheid van een Belgisch compromis. Het kan ook betekenen dat je er, zoals De Croo donderdag, uit besluit dat het eindeloze gesjacher met consensus en consensusbereidheid evenééns onhaalbaar is, of democratisch onfatsoenlijk.

Cynisme van Verhofstadt

Met zijn actie heeft Alexander De Croo de essentie van de Belgische regimecrisis blootgelegd, namelijk de afwezigheid van een volgroeide, hedendaagse democratische consensus op basis waarvan een vreedzaam samenleven mogelijk is. Zolang Vlamingen gedwongen worden hun consensusbereidheid te bewijzen (door geen deadline te stellen, door allerlei compensaties voor de splitsing te aanvaarden) is de democratie hier per definitie buiten werking gesteld. De tegenpartij kan immers, tot bewijs van het absurde tegendeel, ongestraft doen alsof ze niet gelooft in de democratische gezindheid van de ander. Die perverse logica heeft De Croo donderdag ontbloot en ontmanteld. Voor dat ene democratische moment mogen we hem dankbaar zijn. Het verheft zijn verzet hoog boven het veto dat Geert Lambert in 2005 uitsprak aan de onderhandelingstafel, en nog hoger boven het politieke cynisme van zijn partijgenoot Verhofstadt.

En nu? Tja, nu… Mijn vrees is dat een waarlijk democratisch moment als dat van vorige donderdag in een weinig democratische staat als de onze geen lang leven beschoren is. Alexander De Croo moet flink geschrokken zijn van de hevige reacties van alle luitenanten in de Kroonorde van het Compromis. Ik had met hem te doen, daar bij Phara, in zijn schimmengevecht met die andere, inmiddels hoogbejaarde zoon van een beroemde Belgische stamvader. Hij heeft ze gehad, zijn vijf minuten democratische roem, tot Albert II de kamervoorzitter tot zich, en dus tot de orde, riep. De democratie heeft het laken niet naar zich toe kunnen trekken. En dus trekt Laken, alweer, de democratie naar zich toe. Een voor een gaan onze politici nu in het Kasteel Belvédère aan de opiumpijp van de consensus hangen, tot zij zichzelf en ons hebben teruggevoerd in de trance van de Belgische bedaardheid, terwijl, op een afstand, de Hirohito van Europa eeuwig grijnzend toekijkt. België is nog ver verwijderd van een consensus, omdat het ver verwijderd is van de democratie. Niet andersom, meneer Huyse, niet andersom.

PETER DE GRAEVE Wie? Filosoof. Wat? Open VLD dat donderdag uit de regering stapte, was een zeldzaam democratisch voorval in een ondemocratisch land. Waarom? België heet een consensusdemocratie te zijn, maar Vlamingen worden voortdurend gedwongen tot compromissen die consensus noch democratisch zijn.

Ahmet Hamdi Tanpinar. Het klokkengelijkzetinstituut. Athenaeum,Polak & Van Gennep 2009

18 april 2010

Ahmet Hamdi Tanpinar. Het klokkengelijkzetinstituut. Athenaeum,Polak & Van Gennep 2009

Wellicht beter nog dan de veerboten over de Bosporus, mooier dat de aanblik van de waterweg tussen noord en zuid, tussen oost en west vanuit de brede ramen van het Modern Art Museum of Istanbul helpt ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ bij het begrijpen van de grootste Europese stad, intussen een Turkse provinciestad die nog stijf en stoffig staat van de oude allures van Byzantium, van Constantinopel, de Keizerlijke Hoofdstad van het Oostromeinse rijk en ‘Eis ten Polis’, de hoofdstad van het Ottomaane Kalifaat.
Ahmet Hamdi Tanpinar (1901-1962) is naar verluidt een van de grondleggers van de moderne Turkse roman.
Zijn magistrale roman helpt ook begrijpen waarom de overgang tussen West en Oost zo moeilijk ligt, waarom Istanbul ons zo nabij is, en toch ook weer zover af.
Op grens- en overgangszones, op drempels ontstaan meestal de boeiendste inzichten en het meeste begrip voor en inzicht in elders en anders. Daarom heeft Istanbul en Turkije wellicht geen andere keus dan lid te worden van de Europese Unie. Niet alleen om Mexicaanse toestanden te mijden, als moeras onder de zwoele buik van Amerika waar dank zij de VS wetgeving de maffia heersen kan. Zij het dat Istanbul en Turkije als zwoele onderbuik van de EU eerder ten prooi zal vallen van malafide Russische tycoons en hun hofhouding.
De lectuur van een boek als dat van Tapinar helpt bij het intellectueel begrijpen van emoties van herkenning en thuiskomen in een stad als Istanbul voor een Westeuropeaan.

Tanpinar, een kenner van de negentiende-eeuwse Osmaanse cultuur en literatuur, wordt geprezen als een groot stilist. Een van zijn andere grote romans, Huzur (‘Sereen’), zal in 2011 bij Athenaeum in een Nederlandse vertaling verschijnen.
Hanneke van der Heijden (1964) vertaalde, deels in samenwerking met Margreet Dorleijn, werk van onder meer Orhan Pamuk, Elif Shafak en Halid Ziya Usakligil. In 2008 werden zij onderscheiden met de Fonds voor de Letteren vertaalprijs.

Over ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ schrijft ze in het nawoord van haar mooie indrukwekkende vertaling:

447. Er zullen weinig landen zijn waar de geschiedenis zo voelbaar is als in Turkije, en waar die tegelijkertijd zo langdurig en zo volhardend is ontkend. Oude moskeeën, kerken, paleizen, vervallen muurtjes, inscripties in Arabisch schrift, klassieke gedichten die als liederen op de radio te horen zijn: of je wilt of niet, het verleden is in Turkije dagelijks tastbaar aanwezig.
De hervormers die in 1923 de Turkse republiek stichtten deden er juist alles aan om onder dat Osmaanse verleden een dikke streep te zetten – misschien wel precies daarom. Het nieuwe land kreeg een nieuwe hoofdstad: in plaats van Istanbul, eeuwenlang het symbool van de Osmaanse macht, werd het Anatolische provincieplaatsje Ankara de hoofdstad van Turkije. Het staatsapparaat werd hervormd naar westers seculier model. En dan was er daarnaast nog een hele serie meer symbolische maatregelen die rechtstreeks in het privéleven van de burgers ingrepen. De fez en andere traditionele kledij werden afgeschaft ten gunste van kleding naar westerse snit, de kalender met islamitische maanjaren werd vervangen door de gregoriaanse jaartelling, het Arabische schrift door het Latijnse, de taal gezuiverd van Perzische en Arabische invloeden in woordenschat en grammatica.
Zo’n abrupte breuk met het verleden weerspiegelt een tijdsopvatting die haaks staat op Tanp?nars ideeën. Voor hem, een bewonderaar van de Franse filosoof Henri Bergson, is tijd niet op te splitsen in uren, minuten, seconden en daar weer delen van. Hij ziet tijd als een ononderbroken stroom. Of beter nog: als een stroom die door de mens zelf wordt gegenereerd. Want tijd bestaat slechts bij de gratie van de herinnering, die steeds opnieuw het verleden creëert, en alleen dat permanente proces van het opnieuw uitvinden van vroeger maakt de toekomst mogelijk. Wie het verleden afsnijdt, snijdt daarmee de toekomst af. Dat geldt voor individuen, maar het geldt evengoed voor de maatschappij als geheel. Het afzweren van de Osmaanse culturele erfenis is in Tanp?nars ogen dan ook een doodlopende weg. Het moét wel uitmonden in hervormingen die zijn overgenomen uit het Westen, maar die in Turkije iedere voedingsbodem ontberen, en dus gedoemd zijn te mislukken. Je kunt nu eenmaal niet van cultuur wisselen zoals je een ander pak aantrekt.
Die breuk tussen het Osmaanse rijk en het moderne Turkije, de verwisseling van beschaving, zoals Tanp?nar dat noemt, of van culturele identiteit zoals het tegenwoordig heet, is een thema dat Tanp?nar zijn leven lang heeft beziggehouden. Hij maakte de omwentelingen dan ook aan den lijve mee: in zijn tienerjaren zag hij het eens zo machtige Osmaanse rijk geleidelijk een schaduw van zichzelf worden, als twintiger was hij getuige van de stichting van de republiek die ervoor in de plaats kwam, als dertiger maakte hij het elan mee waarmee de volgelingen van Atatürk hun toekomstidealen probeerden te verwezenlijken, en als veertiger en vijftiger de teleurstellingen en de groeiende kritiek.
Ook Tanp?nars eigen culturele oriëntatie maakte een grote ontwikkeling door. Zijn aanvankelijke voorliefde voor het Westen en de westerse, met name Franse, cultuur maakte plaats voor een groeiende interesse in de oude Osmaanse cultuur. ‘Ik ben wel begonnen met het Westen,’ zei Tanp?nar later, ‘maar het lukte me niet mezelf te vinden… tot het moment waarop ik onze oude dichters en de oude muziek leerde kennen. Pas toen ik hun nostalgie proefde, zag ik dat mijn eigen wezen in mijzelf werkelijk zijn plek vond.’

?Peter Swanborn in De Volkskrant (12032010) :

‘Dit boek, dat door zijn cyclische vertelvorm zelf ook aan een klok doet denken, kan echter op vele manieren gelezen worden.  Het   is  een grandioos portret van de metropool Istanbul, op een moment waarop een nieuwe cultuur zich hardhandig doet gelden.  Het   is  ook een scherpzinnige filosofie over leugen en waarheid, vriendschap en verraad, over de botsing tussen elite en massa, en over de twintigste eeuw als de eeuw van de bureaucratie.
Toen Atatürk op de nog smeulende puinhopen van de Eerste Wereldoorlog de Turkse republiek als een feniks liet verrijzen, stond hem een moderne, op westerse leest geschoeide staat voor ogen. Kerk en staat werden gescheiden, hoofddoek en fez verboden, de kalender met islamitische maanjaren werd vervangen door de gregoriaanse jaartelling en  het  volledige juridische en economische systeem ging op de schop.?Zo ook de taal. Eerst maakte  het  Arabische schrift uit de Osmaanse tijd plaats voor  het  Latijnse alfabet. Daarna moesten alle ooit aan  het  Perzisch, Arabisch en Grieks ontleende woorden vervangen worden door moderne, Turkse equivalenten. Hiertoe werd op 12 juli 1932 de Türk Dil Kurumu opgericht,  het  Turkse Taal instituut.
De TDK ging grondig te werk, met als gevolg dat Turkse kinderen die in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw naar school gingen, een woordenschat leerden die sterk afweek van de taal die hun ouders en grootouders spraken. Alles om maar duidelijk te maken dat de Osmaans-islamitische tijd nooit meer zou terugkeren.
In zijn in 1954 eerst als feuilleton verschenen roman  Het  Klokkengelijkzetinstituut steekt de Turkse schrijver Ahmet Hamdi Tanpinar (1901-1962) op superieure wijze de draak met alle genootschappen die de jonge Turkse republiek een modern voorkomen moesten geven, en met de Türk Dil Kuruma in  het  bijzonder. Zo bizar als de poging was om een taal compleet te zuiveren van anderstalige invloeden, zo absurd is het  streven van  het  K.G.I. om alle klokken en horloges op straffe van boetes gelijk te laten lopen.’

Het klokkengelijkzetinstituut

Categorie Actualiteit | Reacties uit

Bernard Bouwman, Mijn Istanbul. Atlas 2007

11 april 2010

Bernard Bouwman, Mijn Istanbul. Atlas 2007

Als NRC correspondent in Turkije en wonend in Istanbul heeft Bernard Bouwman een handzaam boekje gesprokkeld voor de Istanbul bezoeker.
Hij doet het voorzichtig, in korte stukjes. Hij doet het zachtjes terwijl hij praat. Hij doet het omzichtig en indringend, want zijn interesse voor de homocultuur brengt
hem in de rafelig rand van de grootstad waar verschillende volkeren, stammen, dorpen, geloven en seksuele voorkeuren elkaar ontmoeten.
Bouwman tast die grenzen af en dat levert doorgaans boeiend proza, waardoor de toerist de illusie kan koesteren dieper door te dringen in de façade van de grootste
Europese stad op de grens van Azië en Europa.
In een tweede bezoek hebben we de oude stad met de vele toeristische bezienswaardigheden onder ons gelaten en enkel de hoek tussen de Bosporus en de
Gouden Hoorn doorkruist.
Een heel andere meer westerse wereld, ook al worden de betere hotelbuurten behoorlijk gefrequenteerd door islamitische bedevaarders uit Pakistan, Bangladesh,
Syrië, enz. Naast de mantel, het zwaard en de baardharen van de profeet onder het laatste kalifaat zijn er vele bezoekjes aan de betere winkelwijken mogelijk voor deze
rijke reizigers en hu entourage.
En het wordt alsmaar moeilijker om te snappen waarheen het met Turkije naartoe gaat: aansluiten bij de EU – zelfs de vorm en kleur van het nieuwe Turkse Pond in
munt en biljet benaderd reeds dat van de Euro – of aan de rand blijven als poort tussen Europa en Azië.
De eerste mogelijkheid zal hen veel meer kunnen bieden, maar ook veel meer eisen van hun identiteitsbesef. De tweede zal een economische en politieke instabiliteit
onderhouden en de poorten wijd openen voor de Russen, niet alleen de blonde hoeren: Mexico in Klein Azië.
Naar aanleiding van Europese Cultuur Hoofdstad 2010 lijken nu ook twee musea boven water
gekomen: Istanbul Modern Art en Pera.
Bernard Bouwman Mijn Istanbul vervolg

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling. Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld. Meulenhoff 2008.

10 april 2010

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling. Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld. Meulenhoff 2008.

Na zijn ‘ Managementmythe’ meteen deze Ketter en Hoveling gesavoureerd. Een schitterend werk waarin hij met beproefde romantechnieken een bijzonder moeilijk en ingewikkeld filosofisch drama wet te onthullen, dat van de relatie tussen Leibniz en Spinoza. In elkaar afwisselende hoofdstukken weet Stewart ook hier de rokken van de ui te pellen om tot de kern van het dispuut te komen. Al lijken je ogen soms te tranen, ook vandaag speelt dit nog steeds een belangrijke rol, niet allen in de verhoudingen tussen religies en de moderne staat, maar ook in de hoofden van de mensen.
Hij weet duidelijk te maken wie Spinoza was en waarom hij vanuit zijn verleden als uitgewezen joodse banneling in die tijd tot die atheïstische wereldvisie kon komen. Hij weet duidelijk te maken hoe Leibniz omzeggens zijn hele leven heeft geworsteld met en tegen deze visie op God en de natuur waarbij hij de memorabele ontmoeting tussen beide filosofen als keerpunt weet te merken in Leibniz leven en denken.
Hij ontrafelt de constructies in Leibniz denken als reusachtige pogingen om onder de atheïstische – en volgens Leibniz als dienaar van het wereldse gezag bijzonder subversieve – denkrichting van Spinoza uit te komen.
Je snapt meteen veel beter de Dr. Pangloss-karikaturen die Voltaire over Leibniz presenteerde als pleitbezorger van de beste der werelden waarin we plegen te leven.

35. Ook deze dubbele ballingschap zou een kernpunt in de filosofie van Spinoza worden. Juist doordat hij zich aan de uiterste rand van de maatschappij bevond, kon Spinoza zo duidelijk zien dat de oude God stervende was en dat zijn theocratische heerschappij op aarde bezig was in te storten. Vanuit diezelfde positie ontwierp hij ook zijn remedie voor de moderne situatie.
In zijn politieke filosofie propageerde hij een tolerante, seculiere samenleving waarin hij zelf geen balling meer zou zijn. In zijn metafysische beschouwingen ontdekte hij een godheid die ver verwijderd was van de beperkingen van traditie, orthodoxie, bijgeloof én alle andere bronnen van de mening van de massa, een God die geen macht meer had om arbitraire wetten uit te vaardigen en die slechts verantwoording schuldig was aan het
universele licht van de geest, de richtlijn van de rede.
Spinoza’s excommunicatie bepaalde niet alleen zijn filosofie, maar gaf ook vorm en uiting aan zijn ongewone persoonlijkheid, een persoonlijkheid die even zeldzaam was als rijk aan paradox en inzicht.

321. Spinoza opende voor Leibniz een deur, zowel in letterlijke als in filosofische zin. Hij legde voor zijn bezoeker een werkelijkheid bloot die de jonge man vanuit praktisch oogpunt erkende als de wereld waarin hij zijn eigen filosofie situeerde. In oprechte en soms botte taal liet hij Leibniz zien wat het betekent om een moderne filosoof te zijn. Toch zag Leibniz deze werkelijkheid niet op dezélfde manier als Spinoza. Als hij in de zwarte opalen
ogen van zijn gastheer keek, zag hij geen nieuwe godheid. Hij zag in plaats daarvan de dood van God. Zijn filosofie was in veel opzichten een poging om de deur te sluiten waarvan hij wenste dat hij hem nooit had geopend. Maar het was te laat: hij stond al aan de andere kant.

340. Zoals alle goede filosofen moeten Leibniz en Spinoza uiteindelijk
ergens buiten de geschiedenis tot rust komen. De twee mannen die elkaar in 1676 ontmoetten, vertegenwoordigen twee radicaal verschillende filosofische persoonlijkheidstypen die altijd deel hebben uitgemaakt van de menselijke ervaring. Spinoza spreekt voor degenen die geloven dat geluk en deugd mogelijk zijn met niets meer dan we in handen hebben. Leibniz staat voor
degenen die ervan overtuigd zijn dat geluk en deugd afhankelijk zijn van iets wat daar bovenuit stijgt. Spinoza adviseert een kalme aandacht voor ons eigen, diepste belang, Leibniz geeft uitdrukking aan ons onbedwingbare verlangen om goede werken weerspiegeld te zien in de lof van anderen. Spinoza bevestigt de totaliteit van dingen zoals deze is. Leibniz is dat deel van ons dat er onophoudelijk naar streeft om ons meer te maken dan we zijn. Ongetwijfeld zit er een beetje van allebei in iedereen, en soms moet er een keuze worden gemaakt.

342. Als Spinoza de eerste denker van het moderne tijdperk was, moet
Leibniz misschien gelden als de eerste mens van dit tijdperk.
Spinoza daarentegen was vanaf het begin duidelijk een rara avis. Met zijn geheimzinnige zelfgenoegzaamheid, zijn onmenselijke deugd en zijn minachting voor de massa kon dat niet anders. Toch is de boodschap van zijn filosofie niet dat we alles weten wat er te weten valt, maar dat er niets is wat niet gekend kan worden. Spinoza’s leer is dat de wereld geen ondoorgrondelijk mysterie bevat, geen andere wereld die alleen toegankelijk
is via openbaringen en epifanieën, geen geheime waarheid over alles. In plaats daarvan is er alleen een langzame maar zekere opeenstapeling van vele kleine waarheden, en de belangrijkste daarvan is dat we niets méér hoeven te verwachten om in deze wereld geluk te vinden. Spinoza’s filosofie is een filosofie voor filosofen, die tegenwoordig even zeldzaam zijn als ze altijd zijn geweest.

Lees verder »

Matthew Stewart, De managementmythe. Managementconsulting, heden, verleden en onzin. Meulenhoff 2009.

3 april 2010

Matthew Stewart, De managementmythe. Managementconsulting, heden, verleden en onzin. Meulenhoff 2009.

Matthew Stewart presenteert een bijtend pleidooi voor de studie van de filosofie en de geschiedenis om managers te mijden en je eigen boontjes te doppen, ook als bedrijfsleider.
In 1988 studeerde hij af als filosoof in Oxford, specialiteit negentiende-eeuwse Duitse denkers. Hij solliciteert wat in het rond en wordt tot zijn eigen verbazing gerekruteerd door een gerenommeerd internationaal managementadviesbureau. Om te beginnen 75.000 dollar: ‘een idioot bedrag voor een voor de arbeidsmarkt ongeschikt filosoof, die geen flauw benul van zaken heeft’. In geen tijd groeit hij uit tot een overbetaalde expert die eersteklas rond de wereld vliegt en leeft in hotels terwijl hij managers met honderd keer meer ervaring de les spelt. Tot het bureau dat hij zelf mee heeft opgericht door een interne machtsstrijd crasht en de desillusie niet meer te harden blijkt.

In zijn boek wisselt hij in een spannend ritme de eigen belevenissen in de sector af met filosofische, historische en wetenschappelijke reflecties.
Zelden een beter pleidooi voor de studie van de filosofie en de geschiedenis gelezen.
‘In de zakenwereld is ervaring de grote leraar. We bedriegen onszelf als we denken dat een MBA je een daadkrachtig manager maakt. Managers leren managen verschilt niet zo heel erg van mensen leren hoe ze moeten leven in een beschaafde wereld. Managers hebben geen training nodig, ze hebben educatie nodig.’

Dit boek heeft iets van ‘Il Principe’ van Niccolò Machiavelli, maar dan voor bedrijfsleiders en managers.

Cliënten haal je binnen met de strategie van de angst. Zij doen pas beroep op externe managers wanneer ze een probleem denken te hebben. En anders krijgen ze dat probleem wel aangereikt door de consultants: ‘Ik praatte en praatte, en intussen liep de meter. In al die jaren heeft de sensatie dat ik alles uit mijn duim zoog mij nooit verlaten.’ ‘Kun je je iets onwaarschijnlijkers voorstellen dan succesvolle en toonaangevende ondernemingen die schoolverlaters inhuren om hun te vertellen hoe ze moeten worden gerund? En dat die ondernemingen bovendien bereid zijn miljoenen voor die adviezen neer te tellen?

‘Moderne sjamanen’ noemt Stewart de wijsneuzen van McKinsey & co: in de hoogst onzekere wereld van de mondiale concurrentiestrijd verdrijven ze de angst met de magie van hun spreadsheets en grafieken.
‘Als je het niet kunt managen, meet het dan’, repliceert Stewart het huismotto van McKinsey: ‘Als je het kunt meten, kun je het ook managen’.

http://wijkiezenpartijvooru.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=ma2kmrs3

http://www.managementenliteratuur.nl/1875/matthew_stewart_%E2%80%98managers_zijn_vaak_beter_af_met_het_lezen_van_filosofie%E2%80%99

16. Het merkwaardigste van die goeroeboeken is echter niet hun dubieuze inhoud maar hun ongelooflijke oplagen. Je zou menen dat de markt voor adviezen over hoe je een miljoenenconcern moet leiden te vergelijken is met de markt voor laten we zeggen de inrichting van bedrijfsvliegtuigen.
Gezien het gegeven dat de meeste mensen die adviezen aanbieden zelf geen grote ondernemingen hebben geleid en zich ermee tevreden lijken te stellen hun lezers te verstikken met waarheden als koeien, zou je denken dat de markt voor dergelijke adviezen klein is. Het tegendeel is echter waar: in de bedrijfstak waarin mensen wordt verteld hoe grote ondernemingen (niet) moeten worden geleid, gaan reusachtige sommen om. Het is alsof een groep werkloze ontwerpers van bedrijfsvliegtuiginrichtingen aanhang heeft gevonden de bezitters van minibusjes. Terwijl ik me door mijn plank vol managementadviezen worstelde, kon ik me niet onttrekken aan de volgende nogal botte vraag: hoe kan het dat zo veel slechte boeken zo goed verkopen?

18. In een wereld waarin de leden van de raad van bestuur vaak de beste vrienden zijn van de hoofddirecteur, waarin de directievoorzitter vaak de hoofddirecteur is, en waarin aandeelhouders nog vóór de lunch bepalen of ze financieel wel of niet bij de onderneming betrokken blijven, is dat geen zinloze vraag. Het is dezelfde vraag die de Romeinen zichzelf stelden toen hun Rijk onhanteerbaar begon te worden: Quis custodiet ipsos custodes?
(…)
Toen ik na mijn vervroegde pensionering eindelijk gelegenheid kreeg de managementlectuur grondig onder de loep te nemen, leek het of ik een bekende, rommelige achtertuin betrad. Ik trof een discipline aan die geen discipline was maar een verzameling onopgeloste vraagstukken en verborgen agenda’s, waar het stellen van de juiste vragen veel belangrijker is dan het vinden van de juiste antwoorden, waar kwesties niet worden opgelost maar tijdelijk worden gesust, en waar de grootste beloningen gaan naar degene die gericht weet te blijven op de ene grote zaak die er echt toe doet.
Het werd me stilaan duidelijk dat management inderdaad een verwaarloosde tak van de humaniora is en dat de managementstudie, zo ze al ergens toe behoort, deel uitmaakt van de geschiedenis van de filosofie.
Managementtheoretici ontberen diepgang, besefte ik, aangezien zij zich nog pas een eeuw bezighouden met dat wat filosofen en creatieve denkers al millennialang doen. Die omstandigheid verklaart waarom toekomstige zakelijke leiders, in plaats van zich te storten op managementopleidingen, er beter aan doen zich te verdiepen in de geschiedenis, filosofische essays te lezen, of gewoon een goede roman.
Ze verklaart waarom we allemaal beter af zouden zijn als de zakenmensen zich minder om hun managementdiploma’s bekommerden.
(Waarmee niet gezegd wil zijn dat de humaniora zoals tegenwoordig gepraktiseerd – met hun fixatie op cijfers en economische grondbeginselen en hun vatbaarheid voor pseudotechnisch jargon – niets zinnigs zouden hebben opgeleverd.)wie bestuurt de bestuurders?

20. De zestiende-eeuwse Engelse filosoof Francis Bacon definieerde een afgod als een fantoom van de geest – soms gegrond in de beperkingen van onze rationele vermogens, vaak verergerd door een onjuist gebruik van de taal en door de sofisterij van valse leermeesters – dat leidt tot een patroon van een onjuist begrijpen van de wereld en een bestendiging van irrationele praktijken. Overeenkomstig die definitie is het heersende begrip van management een afgod van onze tijd. Het is een vetgedrukt woord boven op een hele reeks dunne vraagtekens; een bouwwerk van grammatische dwalingen, misvattingen en bijgelovigheden waardoor veel zaken een rol spelen die geen rol dienen te spelen. In zijn Götzendämmerung onderneemt Nietzsche het de afgoden van zijn tijd te testen ‘met een hamer om zo wellicht bij wijze van antwoord dat welbekende holle geluid te horen dat we van opgeblazen darmen kennen’. Wat ik hoop te laten zien is dat ook de managementafgod een fikse hamerslag behoeft.

Lees verder »

deredactie.be opinie&blog: Klaaglied om Agnes

2 april 2010

KLAAGLIED OM AGNES
06 / 03 / 2010

Twintig jaar heeft ze geofferd voor haar ideaal, haar partij.
Twaalf jaar heeft ze een dikke huid proberen te kweken.
Met pijn heeft ze leren slikken, binnen en buiten de partij.
Met gène de vernederingen door de intussen tot oude wijze gekroonde Sint Jan leren smaken als moderne vormen van maoïstische kritiek en zelfkritiek.
Wat ongemakkelijk onderging ze de restyling tot fractievoorzitter: een stramien van zwart en grijs met fors rode accenten, glimmende laarzen en een bloot dijbeen. Reuze ronde oorringen wanneer ze na het terugtreden van Jan Marijnissen op het schild werd gehesen van de SP, de tomaatrode volkspartij.
En telkens weer slikken en slikken tot ze ervan wegteerde.
Femke Halsema had het makkelijker. Zij kon in de luwte teren op onduidelijkheid als waarmerk voor GroenLinks. Zij profiteerde ook publiek ten volle van haar jeugdig moederschap. Het was haar aan te zien. Zij werd er ronder van, zowaar gezelliger.

Verbittering
Agnes – klemtoon op de eerste lettergreep – daarentegen deed het met overtuiging, de tanden op elkaar geklemd. Het was haar menens. Haar mondhoeken vertrokken, haar mimiek verbitterde in groeven.
Zij was veruit de beste, de slimste, de energiekste van de Tweede Kamer in de strijd voor de zieke, misselijke kleine – al dan niet oude – man en vrouw die de dupe werden van de losgeslagen liberalisering en managerscultuur in Nederland.
Collectief vertrouwen en solidariteit werd met medeplichtigheid van de sociaal-democraten van de PvdA in de roetsjbaan van de privatisering verder onderuit gehaald. Ziekteverzekering en thuiszorg werden een zootje, tewerkstelling een permanente onzekerheid. Finaal dienden de Nederlandse burgers ook nog eens hun banken te redden. Langer werken voor een schamel pensioen en gedwee slikken dat managers-huurlingen breedlachend met adembenemende bonussen jobhoppen.

Zoetgerookte Zalm
Zo was gewezen liberale financieminister Gerrit Zalm als hoofdeconoom en financieel directeur nauw betrokken bij de intussen failliete DSB bank. En toch blijft hij aan als topman voor de nieuwe Fortis ABN-AMRO fusiebank. Aldus besliste de ‘Nederlandsche Bank’, ondanks een negatief oordeel van financieel toezichthouder AFM. Er gaan nu zelfs geruchten dat Wouter Bos de volgende president van DNB worden zal.
Voor wat hoort wat, zeker bij het polderestablishment.
Niet zo voor Agnes Kant. Onvermoeibaar maakte ze keer op keer haar punt met cijfers onderbouwd door gedegen veldonderzoek. Want ze hanteerde vaardig de kracht van ‘weten is meten en voorkomen is beter dan genezen’. Ze hoopte op de krachtige strategie van de angst en de sociale emancipatiemacht van jaloezie en rancune.
En daar knellen de rode pumps. Ze is er wellicht zelf in beginnen geloven.
Niets zo gevaarlijk als een politicus die buiten de publieke scène ook nog zijn of haar theaterrol blijft spelen. Al mag ik hopen dat het Agnes’ dierbaren thuis nooit is overkomen.

Offervaardig
Van vastberaden en volhoudend werd ze verbeten en drammerig. Van ‘ad rem’ snauwerig, zelfs venijnig met een zweem van wrok.
Toch was ze bereid om de beker te ledigen die Jan Marijnissen haar had voorgehouden. Goed wetend dat haar met hem gedeelde leiderschap nooit een succesverhaal zou kunnen of mogen worden. De vorige kamerverkiezingen leverden de SP met 25 zetels een nooit te evenaren resultaat. En toch was Agnes Kant bereid zich te offeren voor haar partij en wat ze zich nog als een ideaal kon voorhouden.
De kroniek van de aangekondigde verkiezingsnederlaag op 3 maart vrat aan haar. Ze wist maar al te goed hoe het rechtse populisme zou zegevieren omdat háár populisme geen vat meer kreeg op pers en polderland.
Woede en verbittering in de polder was niet meer te keren.

Onder het plaveisel broeide het moeras.
Met het verzuipen van de ‘Leefbaren’ en ‘Fortuynadepten’ in het eerste kabinet Balkenende hoopte het polderestablishment dat de modale Nederlander wel voor goed zou begrijpen dat alleen aloude mannenbroeders orde op zaken konden stellen.
Dat was ook zo. Maar die orde en die zaken bleken zelden die van de modale Polderlander.

Een ander volk kiezen
PvdA Binnenlandse Zaken minister Guusje ter Horst verklaarde eind vorig jaar nog: ‘Er is een verschil tussen wat het volk wil en wat de regering wil’.
Of zoals Bertold Brecht als cynicus na de opstand van 17 juni 1953 in de DDR een resolutie ter stemming bracht in de Academie der Kunsten: ‘Nu is komen vast te staan dat ons volk een domme kudde is, raden wij de regering aan een ander volk te kiezen.’
En dus blijft het moeras verder broeien. Goed 56% ging op 3 maart in Nederland nog stemmen voor de gemeenteraad. De PVV van Geert Wilders met aanverwant populistisch rechts mobiliseert bijna een vijfde van de resterende kiezers.
De Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago formuleerde het in ‘ De stad der zienden’ : ‘Wij hebben hier te maken met mensen en mensen staan wereldwijd bekend als de enige dieren die in staat zijn om te liegen, wat ze nu eens mogen doen uit angst en dan weer omdat ze er belang bij hebben, maar ook wel eens omdat ze bijtijds inzien dat het hun enige kans is om de waarheid te verdedigen.’

Vol van genade
En toch heeft Agnes Kant genade geweigerd, vergiffenis afgewezen, de absolutie vermeden bij de verkiezingsnederlaag van haar partij en fractie, die ‘tot de laatste seconde achter haar stonden’.
Agnes heeft ontslag genomen en verlaat het politieke theater.
Agnes weigert als zondebok geofferd te worden voor de aangekondigde nederlaag op de vervroegde parlementsverkiezingen van 9 juni. Het siert haar dat ze nu weigert te slikken.
Misschien kan ze zo wel ontsnappen uit de fuik van het maakbaarheids-gedachtengoed.

Oud-PvdA coryfee Marcel van Dam opent zijn ‘Niemands land’ met een citaat van Nederlandse dichter-tekenaar Chr. J. Van Geel:
‘Kon ik wat woede is
Maar in zijn deugd begrijpen?
En er natuur van maken?
Als boom van wortel blad. ‘

Het lijkt Agnes op het lijf geschreven.
Jan Peter (Balkenende), Wouter (Bos), Mark (Rutte) en Geert (Wilders) verstarden reeds lang tot houten klazen van het Noh theater op het Haagse Binnenhof.
Agnes (Kant) zal haar levenslust misschien terugvinden.
En de partij? Daarover zong Ernst Busch en Louis Fürnberg in 1950 het partijlied: ‘Die Partei, die Partei, Sie hat immer recht. Und Genossen es bleibe dabei !’

deredactie.be opinie&blog: Dit nooit meer!

2 april 2010

DIT NOOIT MEER
21 / 02 / 2010
Bij een eindeloze rij consulten en visites probeert iedere huisarts op zijn of haar manier alert te blijven. Zelfs bij het tweede abortusverzoek, de derde pijn op de borst en de vijfde huidvlekjes-klacht op één ochtend. Repetitieve routine stompt af.
Zo kom je gemiddeld om de tien jaar een paarsrood vlekje tegen bij een ziek kind met koorts, wat nadien een ‘Waterhouse Friedrichsen syndroom’ blijkt. Als je alert reageert, kan zo’n kind het overleven. Mis je dit, dan blijft niet alleen de familie in pijnlijke rouw, maar als huisarts draag je dit ook levenslang mee.

Twee soorten artsen
Het Nederlandse Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg heeft over ‘Dit nooit meer’ een gelijknamig boekje gepubliceerd ‘Artsen vertellen over hun incident’. Collega’s vertellen aan elkaar over gebeurtenissen in hun carrière die ze zijn blijven meedragen.
‘Er zijn twee soorten artsen: zij die betrokken waren bij een ernstig incident en zij die betrokken zullen worden bij een ernstig incident. Soms ten gevolge van een eigen fout, soms ten gevolge van de omstandigheden waaronder ze als arts moeten functioneren. Meestal is het een combinatie van beide en bijna altijd voelt de arts zich nadien verantwoordelijk voor het onbedoelde leed dat de patiënt is aangedaan. Medisch professionalisme wordt vaak verward met onfeilbaarheid. Dat is een gevaarlijke illusie. Het hindert zorgverleners om te leren van elkaars fouten en is daardoor een drempel om zorg veiliger te maken. Openheid over de donkere zijde van de zorg, over de kwetsbaarheid en feilbaarheid van artsen werkt als een medicijn, als eerste hulp bij een medisch ongeval. ‘

De eerste keer
Ik beken, ik draag ook herinneringen aan enkele ‘dit nooit meer’ – incidenten mee. In België nog, als huisarts, was ik van mening dat het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt gepaard aan de invoelbaarheid van hun verzoek om euthanasie een legitieme vraag om hulp kon zijn. Euthanasieoverleg met patiënt en naaste familie was een periode van toenemende spanning om voor mezelf voldoende hoogte te krijgen van de precieze invulling van de stervenswens. Doorgaans verliep dit proces spontaan en klikte het tussen de tuinman en de dood en hoefden ze niet meer ijlings te paard naar Ispahan. De dood kwam aan huis bij hen, als huisarts.
Hoe vaak ik ook euthanasie uitgevoerd heb, het blijft – gelukkig – een diep emotionele handeling met een zeer intense betrokkenheid. Een nooit gekende opluchting hielp me de eerste keer recht bij een man met een gevorderde luchtwegkanker waardoor wat hij dronk via een slokdarmfistel in zijn longen terecht kwam. Zijn echtgenote was zelf een gepensioneerde longverpleegster en kende de gruwel van het komende lijden beter dan wie ook. Ze had de prachtige tact om mij deskundig te begeleiden om de grens te overschrijden tussen leven en dood, tussen uitzichtloos leed en verlossing. Want dat hadden we natuurlijk nooit op school geleerd.

Mijnlamp
‘Een mens lijdt immers het meest door het lijden dat hij vreest’, deelde een oude astmatische vrouw mij ooit als ‘volkswijsheid’ mee. We herkenden bij elkaar een gemeenschappelijke visie op leven en leed. Later zou ik het terugvinden in de ‘Essais’ van Michel de Montaigne. Zij had haar man als oud-mijnwerker weten stikken in zijn stoflong. Voor haar kinderen en zichzelf wou ze dat niet meer meemaken. Haar vorige huisarts had bij haar verzoek langdurig door het raam gestaard en nadien gezegd dat hij ze – als het zover was – zou laten opnemen voor de longarts.
De ‘begankenis’ naar het ziekenhuis was ze meer dan zat. En voor haar leven was het ook ongeveer van dat. ‘Allemachtig tachtig’, was voor haar al drie jaar een lijdensweg. Wanneer ik toegezegd had, kwam er nog een rustige zomer. Ze leefde helemaal op omdat ze verstikkend lijden niet meer vreesde. En toen het echt niet meer ging en alles gezegd was en besproken met haar kinderen en kleinkinderen, vroeg ze om euthanasie. Het was nog erg gezellig geweest met buren en familie met koffie en taart. Wanneer ik met mijn vlindernaald haar moeilijke aders peilde en mijn houding diende aan te passen op de rand van haar bed, kwam dit met een forse klap naar beneden. ‘Dit is een oud bed, dokter. Het heeft al zoveel meegemaakt.’ troostte ze me. Toen alles in gereedheid was, vroeg ik of ze me nog iets wou zeggen. Omdat haar stem zo zwak was diende ik mijn oor beter te luisteren te leggen, waarop zij me een kus gaf en glimlachend de ogen sloot. Enkele weken later kwam een dochter mij bedanken en gaf me op haar verzoek de mijnlamp van haar man, want ze wist dat ik zelf ooit nog in de buik van moeder aarde had gehakt. Ik zou er verder mensen mee zoeken, ook op klaarlichte dag.

‘Onweerstaanbare drang’
Soms bleef ik intuïtief hangen in een gevoel gebruikt te worden, zoals een Perzisch edelman in het vers van de Nederlandse dichter Pieter Nicolaas Van Eyck die zijn paard moet lenen voor het leed dat zijn tuinman vreest. Dan kreeg je wel eens een discussie met ‘sturende krachten’ uit de nabije omgeving: ‘Zo gaat het niet meer, wij gaan eraan ten onder. Gij zijt toch doktoor, gij kunt daar iets aan doen.’ – ‘Er is niets meer aan te doen. Er is geen andere behandeling meer voor zijn longkanker. Hij heeft geen pijn en blijft toch rustig. En hij wou thuis sterven, dat weet u ook.’ – ‘ Maar hoelang gaat dat nog duren. Gij moet daar iets aan doen.’ – ‘Neen, mevrouw, er is geen euthanasie-verzoek. Ik beschouw me als een vrij en eerlijk man. Het enige wat ik nog moet, is zelf sterven.’
Toen er nog lang geen sprake was van een wettelijke regeling en alleen ‘onweerstaanbare drang’ tot menselijk medeleven kon overwogen worden, waren de middelen moeizaam en de dood traagzaam. Families die na hulpmiddeltjes – euthanasie waakten bij oma met hortende Cheyne-Stokes-ademhaling werden verscheurd tussen een mogelijk ontwaken of definitief verscheiden. Verhalen van collega’s die in die barre tijden geconfronteerd werden met patiënten die weer ontwaakten, waren geen ‘urban legends’ maar bittere realiteit.
Ik heb me daarom ook politiek fors bekommerd om een degelijke euthansiewetgeving. Toch waren daarmee lang niet alle problemen en gewetensvragen van de baan.

Hulp bij zelfdoding
Wanneer gesprekken over euthanasie moeizaam verliepen omdat ik mezelf niet kon herkennen in het verzoek wegens geen uitzichtloos en ondraaglijk lijden en meer nog wanneer ik als huisarts het gevoel kreeg op commando gevorderd te worden voor een genadeshot, leek me hulp bij zelfdoding een menselijk en waardig alternatief. Voor beide partijen. Althans wanneer de betrokken patiënt ‘oud is en der dagen zat’.
De discussie in Nederland wordt hierover zoals steeds naar de letter van de wet gevoerd. Ruimte voor interpretatie wordt officieel niet getolereerd. Bijgevolg pleiten nu vooraanstaande artsen en psychiaters voor het ‘versterven’: eten noch drinken tot de dood erop volgt. Wat medisch technisch voor de bejaarde en levensmoeë patiënt niet zo’n groot probleem hoeft te zijn, maar wel voor de omgeving van familie en zorgverleners. Voor hen is ‘versterven’ alles behalve een romantische ideaalverhaal.
In Nederland heb ik nochtans onvergetelijk mooie vormen van stervensbegeleiding en euthanasie mogen meemaken. Eens de vrees voor uitzichtloos lijden is weggenomen, wordt het resterende leven steevast een opluchting voor wie de dood over de schouder in de spiegel ziet. Dat zijn vaak de mooiste en meest intense dagen. Een gevoel van bevrijding sluipt in de patiënt en steekt vaak ook de omgeving aan.

‘Uit Vrije Wil’
Heel wat bekende Nederlanders – van Frits Bolkestein tot Mies Bouwman, van Jan Terlouw tot Hedy d’Ancona – hebben ‘Uit Vrije Wil’ opgezet. Zij haalden op één week 40.000 handtekeningen samen om de Tweede Kamer te verplichten een aanpassing van de euthanasiewetgeving te behandelen. ‘Uit Vrije Wil’ ijvert voor legale hulp bij een zelfgekozen dood wanneer senioren ‘oud zijn en der dagen zat’, ook zonder ondraaglijk lijden. Om te voorkomen dat mensen die levensmoe zijn bij een voltooid leven hun toevlucht moeten nemen tot mensonterende methoden – in Nederland naar schatting jaarlijks 400 senioren.
Uit recent onderzoek van de ‘Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde’ blijkt dat 65 procent van de bevolking vindt dat ouderen met een ‘voltooid’ leven hulp moeten kunnen krijgen van een arts. Een maand geleden was dat nog 58 procent. Ook is nu 51 procent voor een ‘laatstewilpil’. Tegenstanders menen dat ouderen hun leven vooral voltooid achten, omdat ze slechte zorg krijgen. Een directeur van bejaardenhuizen stelde zelfs dat het probleem wel zou verdwijnen als we het maar leuker maakten voor de ouderen: ‘Ze moeten maar meer gaan sjoelen’. Alsof bezigheidstherapie dit probleem oplost voor wie gezond van geest in eer en geweten overtuigd zijn dat hun leven voltooid en verder voor niemand nog zinvol kan zijn.
Bejaarden die helder van geest en bewust een einde aan hun leven willen maken en voor wie je als huisarts enkel antidepressiva en psychotherapie kan bieden, kunnen wanhopig vasthoudend zijn: vergiftiging of zelfverbranding, verhanging of verstikking al dan niet door de gaskraan open te draaien of van de galerijflat springen. Wie daar als huisarts mee geconfronteerd wordt, blijft dit meedragen: ‘Dit nooit meer!’

Zelf de beker ledigen
Steeds vaker vraag ik me af – en ik beschouw zelf mijn leven nog echt niet als voltooid – waarom je als arts – in Nederland – die mensen in eer en geweten niet mag helpen of bijstaan. Je zou hun de euthanatica kunnen bezorgen en bij hen blijven wanneer ze deze zelf innemen, voor het geval er toch iets mis zou lopen. Euthanasie is zo ook veel minder belastend voor de arts. De (symbolische) act van het zelf ledigen van de beker euthanatica erkent het zelfbeschikkingsrecht van de mens die uitzichtloos lijdt of levensmoe is. Veel meer dan wanneer een arts op verzoek van de patiënt een veneus lijntje aanlegt en de dodende medicijnen inspuit.
Nu de grote vastgoedinvesteerders maximaal rendement ontdekt hebben in de markt van rust-, verzorgings- en verpleeghuizen zijn er steeds meer senioren die weigeren hun einde daar te beleven. Nog meer zeventigers en tachtigers willen zich niet meer offeren aan een gretige medico-farmaceutische industrie. Veel bejaarden hoeden zich expliciet en met ondertekende verklaringen voor een terminaal ziekenhuis – verpleeghuisproces. ‘Dit nooit meer!’ is ook hun verzuchting.

www.janvanduppen.be

deredactie.be opinie&blog: Mythisch mantra van gelijke kansen

2 april 2010

MYTHISCH MANTRA VAN GELIJKE KANSEN
07 / 02 / 2010
Wanneer gespierde taal over ?zero-tolerance? en ?lik-op-stuk-beleid? verder
moet dragen dan de lange tenen van weigerige rechters, hanteren in
Vlaanderen en Brussel dynamische politici met graagte het gretige mantra
?gelijke kansen in het onderwijs?. Dát is dan de finale doordenker als
oplossende verklaring voor straatcriminaliteit, werkloosheid en grootstedelijke
onveiligheid.
Manifeste kreten over spijbelaars, over de ?angry youth bulge? van 10.000
jongens uit grote allochtone gezinnen die in het Brusselse opgroeien zonder
een decent diploma en beroepsperspectief zijn niet alleen in België te horen.

Het barre land
In Nederland staat men natuurlijk veel verder met de aanpak van dit soort
problemen. Daar zijn onderwijsdeskundigen een halve eeuw in de weer met
regels en reglementen om voor iedereen de kansen op de onderwijsmarkt
gelijk te trekken.
Evenwel met barre gevolgen.
Februari is de grimmigste maand, althans voor Neerlands hoop in bange
dagen. Menig kinder-en ouderhart gaat dan in overdrive wegens de ?citotoets
?. Om het eindniveau – de eindtermen – te toetsen heeft het ?Centraal
instituut voor toetsontwikkeling? reeds vijftig jaar ervaring met multiple choice
vragen. Met de ?entreetoets? wordt vastgesteld welke middelbare opleiding de
pupil mag aanvatten.

?Polderbac?
Een nationaal, geijkt systeem waar niet alleen de kwaliteit van de school
maar ook het niveau van de leerling in kwestie wordt gewogen, zou tot
voorbeeld moeten strekken, niet?
Op het eerste gezicht vergelijkbaar met het Franse ?baccalauréat? dat met
een nationaal examen na het middelbaar de toegang tot het hoger onderwijs
weegt. Niets mis mee, toch?
Nederland zou echter geen ?Niemands Land? zijn, wanneer aan dit soort
toetsen geen pedagogische en onderwijskundige draai gegeven wordt.
Sinds de uitbesteding van toetswerk aan private ondernemingen die graag
goed aan hun subsidietrekken komen, leidt cijfergewichel tot helende
statistische stimuli.

Polderbalsem
Stel, je haalt negen op tien op je toets. Dan is dat toch een schitterend
resultaat, niet? Zeker in een land met een ?zesjes-cultuur?.
Maar zo gaat het niet bij de Cito-toets.
Het ?natuurwetenschap & techniek – nwt- tijdschrift? legt in haar
februarinummer enkele statistische hoogstandjes van die cito-toets bloot. Zo
haalt iedereen minstens 501 punten met als hoogte score 550. Als je dit cijfer
omrekent, haalt iedereen minstens 9 op 10.
?Die gratis 501 punten zijn Cito-balsem op de tere kinderziel. Zelfs degenen
die niets van de toets terecht brachten, lijken nog aardig te hebben
gepresteerd.?
In 2009 scoorde het zwakste kwart van de leerlingen 528 punten of lager. De
waterscheiding tussen zwak en sterk lag rond 536. Vanaf 542 verschijnt het
slimste kwart.
?Na aftrek van de cito-balsem blijkt dat de zeer zwakke leerling pas punten
krijgt als hij of zij meer dan 55 vragen goed heeft beantwoord. Bij 200
multiplechoice-vragen met 4 antwoordkansen is het gemiddeld aantal
goktreffers immers 50. Maar ook aan de bovenkant is er een plateau: wie 187
vragen goed heeft (13 fout) haalt 550 punten. Hierdoor halen ruim 4400
leerlingen het maximum, 1 op 30.?
Dit gegoochel helpt de meeste scholen toch minstens aan één leerling met
het maximum der punten.

Gelijke kansen illusies
Deze maaiveld-nivellering beaamt het ?gelijke kansen? mantra en heeft een
ravage aangericht in het Nederlandse onderwijs. Generaties jonge mensen
werden en worden nog steeds de onbenulligheid ingevoerd onder het mom
van ?leuk, lekker, makkelijk? en een als ?taalvaardig? omschreven grote bek.
Wie geld, status en ambitie heeft, stuurt in Nederland zijn kinderen naar privé
scholen, elitescholen, gymnasia en als het effe kan over de grens naar de
Vlaamse onderwijsinstellingen.
Onderwijsemancipatie was ooit een ijzersterk punt van het vroege socialisme.
Enkel keihard werken, dubbel gemotiveerd studeren zou proletenkinderen
een sociale promotiekans kunnen bieden.
Wie vandaag democratisering van het onderwijs probeert te slijten als ?gelijke
kansen? organiseert vormen van debilisering.
Het Nederlandse onderwijssysteem is daarvan een verbijsterend voorbeeld.
De zesjes-cultuur reikt er tot op universitair niveau: in een toegangsproef
enkel jaren geleden voor de Twentse Technische Universiteit haalde minder
dan 10 % van de kandidaat studenten het minimale wiskunde- en
wetenschappenpeil, noodzakelijk om de lessen nog maar te kunnen
begrijpen.

Overbodig en onrendabel
Misschien lopen de huidige en komende ?gelijke kansen? in de pas met
nieuwe economische tijden. De toekomst lijkt aan de passieve consumenten
die in een hang naar onmiddellijke behoeftebevrediging de markt weer
moeten aanjagen. Met een dalende tewerkstelling heeft de economie minder
behoefte aan denkers en doeners van enig niveau: zelfstandige en betrokken
(mede)werkers, producenten, ontwerpers, intellectuelen.
De frustratie van schoolplichtigen stijgt in gelijke mate, want wie voor een
dubbeltje wordt geboren, wordt met dit soort onderwijs ook nooit een
kwartje. De echte rekening krijgen ze wel gepresenteerd op de
hyperflexibele arbeidsmarkt met inferieure hamburgerjobs.
Nochtans stijgt de reële nood aan bekwame, betrokken en betrouwbare
vaklui met beroepsfierheid, kortom de betere vakman – ook in de medische
en zorgsector.
Van een socialiserend onderwijsideaal is bij dit alles natuurlijk geen sprake
meer. Een hysterische samenleving heeft geen belang bij streven naar
maatschappelijke en intellectuele emancipatie.

Youth Bulge
Dat jongeren uit verkommerde voorsteden zich graag beroepen op
islamitische waarden en -normen – gepropageerd door zelfbenoemde
geestelijke leiders zonder investituur – om zich in een West-Europese
maatschappij afwijzend te manifesteren, zal niet keren door het uitreiken van
diploma?s en getuigschriften. Zij weten intussen ook reeds dat ze met zo?n
stukje papier niet automatisch aan de bak komen op een krimpende
arbeidsmarkt. Daar maak je het alleen waar op basis van je eigen inzet,
talenten, creativiteit en een dosis geluk. Met of zonder diploma.
Of zoals Gunnar Heinsohn in ?Zonen grijpen de wereldmacht? opmerkt: ?Een
youth bulge treedt aan het licht als er te weinig sociale posities vrijkomen
voor het aantal jonge mannen dat zo’n positie begeert. Het levert al
spanningen op als een vader meer dan één zoon heeft en wel binnen het
gezin, waar het niet simpelweg gaat om twee jongens, maar om de
eerstgeborene en zijn broer. De afgunst of zelfs de dodelijke wrok tussen
deze twee levert al vanaf Kaïn en Abel stof voor talloze literaire werken.? (p.
31)

Op zoek naar publieke en private redelijkheid
In ? Wie gaat er dan de wereld redden?? pleit Rik Torfs voor een publieke
redelijkheid die wetenschappelijk kan worden onderbouwd, wat iedereen kan
delen of toch zou moeten delen. ?Daarnaast is er een soort van private,
minder wetenschappelijke redelijkheid die je niet zomaar met de anderen kan
bespreken en al zeker niet aan en kan opdringen. Het gaat daarbij niet langer
om het zuiver rationele. Onze gevoelens sijpelen erin binnen en kleuren de
ideeën. De mix van gevoelens en gedachten die op die manier tot stand
komt, dringen wij terug tot het niveau van het privé-leven. Ten onrechte.
Gedachten die je niet kan veralgemenen, kunnen anderen toch raken. Zo ook
gevoelens?. (p.197)

Waar klampen zich nog wortels vast, waar groeien
Nog takken uit dit steenpuin? Mensenzoon,
Je weet of raadt het niet, want je kent alleen
Een hoop gebroken beelden, nu de zon blaakt,
De dode boom geen schuilplaats biedt, de krekel geen soelaas,
De dorre steen geen klank van water. Alleen
Onder deze rode rots is er schaduw,
(Kom hier in de schaduw van deze rode rots),
En ik zal jou iets anders laten zien dan
Je schaduw die ? s ochtends achter je aan stapt
Of je schaduw die ?s avonds op je toe komt;
Ik laat je vrees zien in een handvol stof.
( T.S. Eliot, The Waste Land – Het barre land. vert. Paul Claes)
www.janvanduppen.be

deredactie.be opinie&blog: PVDA, Partij Van De Aanpak of Partij Van De Dwang

2 april 2010

PVDA: PARTIJ VAN DE AANPAK OF PARTIJ VAN DE DWANG?
24 / 01 / 2010
In Nederland naderen de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010 in een sfeer van kommer en kwel. De naweeën van de heroïsche redding van Fortis – ABN AMRO uit de handen van malafide Belgische geldadel, van failliete IJslandse banken waar menig gemeentelijk en provinciaal bestuur hun centjes duurzaam hadden belegd, de stekker uit de DSB bank bij een overgewaardeerde huizenmarkt door monsterprovisies op koppelverkoop van koopsompolissen. En dan bleek ook nog Balkenendes deelname aan de oorlog in Irak onwettig en gebaseerd op selectieve informatie over onbestaande ‘massavernietigingswapens’. Geert Wilders krijgt extra aandacht omdat hij als parlementslid door een Amsterdamse rechtbank vervolgd wordt voor beledigende taal over de Islam.
In Rotterdam daarentegen lijkt de PvdA wethouder en lijsttrekker bij de gemeenteraadsverkiezingen, Dominic Schrijer, de wind in de zeilen te hebben. Hij trapte de campagne naar 3 maart af met het voorstel alle jongeren gratis op sport te helpen. Het gehuil over de kosten hiervan was amper gaan liggen, of hij trok onvervaard een volgend register open:
’Niemand met een uitkering thuis op de bank!’
Binnen vier jaar moet Rotterdam vrij zijn van werkloosheid!
In de wereldhaven is er nochtans veel werkloosheid vooral bij laag- of ongeschoolden, nieuwkomers en generaal-gepardonneerde illegalen. Autochtonen ontvluchten de stad en nieuwkomers worden er samen gedreven. De bevolking van Rotterdam bestaat voor meer dan de helft uit allochtonen. In crisistijden schiet de werkloosheidsgraad bij deze geïmporteerde arbeidsreserve nog sterker door.
Dat belooft Schrijer te keren: ‘We bieden iedereen een baan aan die bij zijn kwaliteiten past. Het is misschien niet zijn droombaan, maar wel een opstapje. ‘
Zelf begon hij zijn politieke carrière bij de PvdA als portefeuillehouder in de deelgemeente Charlois. Na een opleiding bestuurskunde startte hij zijn mars door de instellingen.
Al waren sinds 2002 de erfdragers van Pim Fortuyn als ‘Leefbaren’ aan zet in het Rotterdamse college van B&W, de vele deelgemeenten werden nog steeds stevig bediend door PvdA-CDA bestuurders.
Dominic Schrijer was een van de betere, met netwerk en strategie. Na vier jaar oppositie werd de PvdA in 2006 wederom de grootste partij in het stadhuis aan de Coolsingel en Schrijer werd schepen der stad.

Pact op Zuid
In 2004 was uit een grootschalige bevraging gebleken dat de grote meerderheid van de inwoners van Rotterdam Zuid ontevreden was over hun woonomgeving en over het contact met hun buren. Wie de kans kreeg zou liefst zo snel mogelijk verhuizen.
Voorwaar een nare vaststelling voor een stad waar ‘het niet uitmaakt waar iemand vandaan komt’.
Als kersvers wethouder van Rotterdam voor ‘Grotestedenbeleid’ lanceerde Schrijer zijn ‘Pact op Zuid’ om de wijken ten zuiden van de Maas op te wekken uit de neerwaartse vaart der volkeren aldaar.
In tien jaar tijd zouden de deelgemeenten en de woningcorporaties beneden de Maas een miljard euro extra investeren in de infrastructurele, sociale en economische kwaliteiten van Zuid. Zo zou de vlucht van beter- en tweeverdieners keren tegen 2015 door de woon- en werktevredenheid op te voeren.
Voorwaar een lovenswaardig pact.
Targets
Maar dat was nog niet alles. Het huidige college (PvdA-CDA-GroenLinks)verklaarde half januari dat het 44 van haar in 2006 vooropgestelde 56 doelstellingen geheel of grotendeels voor mekaar had.
Rotterdam was de eerste stad van Nederland die na de Fortuynrevolte haar inwoners duidelijke ‘targets’ presenteerde waarop het bestuur wenste afgerekend te worden.
Spijtig genoeg blijkt er wat mis met de intuïtieve wiskunde van het college want de Rotterdamse Rekenkamer antwoordde dat het college minder dan de helft van zijn doelstellingen heeft gehaald. Vier wijken zijn nog steeds onveilig of lijden onder ernstige drugoverlast. Ook op ‘veilig ondernemen’ en ‘autobereikbaarheid van de binnenstad’ scoort Rotterdam slecht. Bij vier van de negen niet gehaalde targets speelde volgens de Rekenkamer de economische crisis wel een rol.
‘Niet de afkomst, maar de toekomst telt.’
Met deze uitspraak verklaarde Dominic Schrijer het hete hangijzer van de integratie opnieuw tot het thema van de gemeenteraadsverkiezingen. Samenwerken met de ‘Leefbaren’ zit er onder geen beding in, liet hij aan de achterban weten in de hoop nog 14 van de 18 huidige zetels te kunnen waarmaken in de nieuwe gemeenteraad van 45 leden. Het succes van de PvdA in 2006 bleek immers gedragen door de steun van kiezers van allochtone komaf, maar toch haalde Schrijer het voor het nieuwe lijsttrekkerschap van de populaire Turkse PvdA wethouder Hamit Karakus.
De nieuwe burgemeester Ahmed Aboutaleb is wel van PvdA signatuur maar is niet de inzet van gemeenteraadsverkiezingen wegens rechtstreeks door Koningin en regering benoemd.
Lijsttrekker Schrijer kiest duidelijk voor een offensieve veldbezetting in de kiescampagne. Fors spel op de politieke scène bepaalt in de vlucht vooruit vaak het geheugen van de kiezer: ‘Bij het werk dat we aanbieden kan het gaan om reguliere banen, maar ook om leerwerktrajecten en vrijwilligerswerk. Binnen maximaal twee jaar moeten de werklozen doorstromen naar een echte baan.’
‘Verpieteren achter de geraniums’
Degenen die weigeren krijgen geen uitkering meer. Dat is juridisch mogelijk. Je krijgt alleen nog geld als je iets doet. Dat klinkt misschien streng. Maar het is niet sociaal om mensen achter de geraniums te laten verpieteren, zoals we vroeger deden.’
Vorig najaar begon Rotterdam met zo’n project voor zeshonderd ‘generaalpardonners’, illegale vreemdelingen die wegens aantoonbaar lang in Nederland een verblijfsvergunning hebben gekregen. Zij zijn formeel in dienst bij een reïntegratiebedrijf en verrichten gesubsidieerde arbeid. Zo pakken sommige ‘generaalpardonners’ boodschappen in van klanten bij een Rotterdamse Albert Heijn-vestiging. Simpel en onrendabel werk.
Partij van Dwangarbeid
De oud-PvdA coryfee Marcel van Dam – auteur van ‘Niemands Land’ – trok van leer met het verwijt dat de PvdA-wethouder met zijn ‘dwangarbeid de sloop van de bijstand organiseert’.
Het debat staat nu op de agenda want Dominic Schrijer repliceerde in de Volkskrant:
‘Vanaf 2006 hebben we een omslag gemaakt waarbij twee punten centraal
staan: 1. Richt je op de kracht van mensen in plaats van op beperkingen. Iedereen kan iets. En 2. Erken dat niet iedereen 100 procent arbeidsproductief kan zijn. Anders dan Van Dam betoogt, maken wij de wijken hiermee niet bijstandsvrij, maar vrij van werkloosheid en inactiviteit. Iedereen kan iets en iedereen doet iets. De bijstandsgelden worden benut
om mensen te laten participeren. De manier waarop we dit doen, is niet zo kil en koud als Van Dam beweert. Nogal wat mensen in de bijstand kennen een stapeling van problemen. Juist zij worden geconfronteerd met loketten en formulieren en weten dikwijls niet waar zij hulp kunnen halen.
Daarom wachten wij niet tot mensen bij een loket komen, maar zoeken we hen thuis op. Zonodig wordt hulp geboden om het huishouden weer op orde te krijgen, schulden te saneren of sociaal-medische problemen op te lossen. Pas als stimulering en aanpassing van de situatie niet werkt, wordt er meer druk uitgeoefend om mensen te bewegen aan de slag te gaan.
Het stoppen van de uitkering is daarbij het einde van een proces, niet de start.’
Sociale economie
Lokale ervaringen met gelijkaardige projecten bij drugverslaafden die in ruil voor 15 euro per dag bovenop een uitkering van 736 Euro waren gunstig: beter dagelijks de straat op met een bezem of papierprikker om Rotterdam schoon te houden dan om je verslaving bijeen te stelen.
Maar die extraatjes worden flink gekort en velen blijven hangen in dit soort werkverschaffing.
Het heeft ook iets van de werkverschaffing die vóór de val van de Muur in zwang was in Oost-Europa en de Sovjetunie. Ongelooflijk veel banen werden gecreëerd om een totale tewerkstelling te realiseren. Met navenante privileges als extra inkomsten. Nadien haalde het mantra van de rentabiliteit de overhand. En dus werden alle onrendabele banen afgeschaft.
Al biedt dit soort initiatieven in theorie iedere uitkeringstrekker de mogelijkheid om van achter de geraniums uit te komen piepen, in de praktijk houdt het natuurlijk geen rekening met het reële leven achter de gordijnen en in de portieken. Er bestaat – zelfs in Nederland – een fors parallel circuit met min of meer criminele randen dat draait op mensen die zich liefst ver houden van een regulier werk voor een bijstandsuitkering, als ze het al niet cumuleren.
Partij van de Aanpak
PvdA-Lijsttrekker Schrijer slaat twee vliegen in een klap: steuntrekkers voeren onrendabele klussen uit en de parallelle circuits komen onder druk. Wie hard werkt voor een matig tot normaal loon wordt gunstig gestemd omdat er opgetreden wordt tegen klaplopers en steuntrekkers die ‘s ochtends lekker in hun nest blijven liggen, wat rondlummelen en de godganse dag porno dvd’s koesteren. Bovendien levert zo’n uitgebreid tewerkstelling-circuit in de sociale economie veel extra banen op voor begeleiders, coaches, controleurs. Nederland heeft intussen immers een grote traditie van allerlei privé onderneminkjes die in ruil voor passende overheidsgelden dat soort klussen graag met daadkracht beweren te klaren. Het creatieve ondernemen woekert zo ook in de sociale sector, van inburgering over reïntegratie tot thuiszorg en revalidatie.
Indien de ‘Partij van de Aanpak’ met Dominic Schrijer de macht in de Coolsingel kan behouden, is het te hopen dat binnen de vier jaar de economie fors aantrekt en de vraag naar goedkope en laaggeschoolde arbeidskrachten razendsnel stijgt.
Anders wordt het weer een hogere vorm van intuïtieve wiskunde om de targets te halen tegen 2014.
De kracht van de herhaling is tevens het zwakste punt van populistische politiek. ‘Trop is teveel’, ook in Rotterdam.
Volgens de Zwitserse econoom Binswanger is economie de voortzetting van de alchemie maar met andere middelen. Voodoo rituelen, winti en de wil van de Allerhoogste spelen een belangrijke rol in de sociale netwerken van de pulserende arbeidsreserve in Maasstad.
Indien deze rituelen gesynchroniseerd raken met het ritme van de economische alchemie kan het niet meer stuk.
‘Iedereen telt mee, iedereen doet mee’, toch?
(Jan Van Duppen is huisarts in Rotterdam)
www.janvanduppen.be

deredactie.be opinie&blog: Lekker aan de Maas

2 april 2010

Lekker aan de Maas.

10012010

Mijn eerste kennismaking was een echte ‘AH-erlebnis’.
Met ‘het alledaagse betaalbaar, het bijzondere bereikbaar’ heeft Albert Heijn zowat in iedere wijk van Maasstad een ‘super’. Elders in het land wordt gesproken van een monopoliesituatie. In Zuidwijk gaat de AH-vestiging prat op zijn oerhollandse traditie, meer dan vijftig jaar. Winkelen in Zuidwijk is nog een belevenis.

Allerhande.

Met zijn gratis ‘ Allerhande’ – themamaandblad treft de grootgrutter van Nederland op een bijzondere manier de zeer gevarieerde ‘clientèle’. Naarmate ik de wijk beter leerde kennen, begreep ik het soms merkwaardige niveau van de receptuur in ‘Allerhande’ zoals een ei koken of bakken, boter laten smelten en sausen monteren. Dat mag duidelijk niet tot de vaste vaardigheden van het potentiële publiek gerekend. En toch doet ‘Allerhande’ daar wat aan. Het leert de klanten omgaan met voedsel, dankzij voorbeeldkoks – sportlui of tv-dames en heren al dan niet ‘van Duitsen bloed’ – die uitleggen hoe ze zelf lekkers leerden koken en perfectioneren. Handig in crisistijden: vrienden op visite vragen vóór achten is na enige oefening haalbaar. Je bent niet meer afhankelijk van wat de visite schenkt en zelf koken is bovendien heerlijk goedkoop. Wanneer AH wijnoverschotten uit zijn betere winkels met forse korting afserveert naar de mindere wijken, kan de pret niet op. Aan de kassa levert dat wel eens commentaren van de kenners. Zelf zeulend met kratjes Belgische hoge gistingsbieren uit de bonusaanbieding merkte een ex-Joegoslaaf met leverlijden aan de kassa over mijn wijnselectie vrolijk en luid op: ‘Wat leuk dokter, ik zie dat u er ook wel pap van lust!’

Culinaire melancholie.

Allochtonen uit landen met een degelijke culinaire traditie vinden dat de Nederlandse keuken niets voorstelt en dat ze er niets van weten te bakken. Voor velen van hen is gezamenlijk eten een vorm van heimwee oefenen. Dagen wordt aan een feestmaal geknutseld: melancholisch genieten van geuren, smaken en kleuren in de zonnige illusies die ze moesten achterlaten. Samen eten en drinken als verwarmend ontmoeten bij barre kou of fletse regen is een traditie die ze graag aan wie na hen komen voorschotelen. Eten als cultuurdrager, als een herinnering aan de manier waarop oma of tante het ooit heeft voorgedaan, aan jeugdige onschuld, aan vertrouwen in een familie die hen later zou uitsturen als pioniers voor het betere gewin.

Afhaalgeluk.

Behoudens de Hollandse fastfood – vleeskroketten uit de muur of kibbelingen met ravigottesaus – is de markt van afhaalgeluk in handen van Chinees – Indische – Italiaanse tenten. De Vietnamese loempia’s doen de oliebollen-kraam concurrentie aan. Friet heet hier patat en is steevast een slappe hap voorgebakken vrieswaar met zoete mayo. Surinaamse eethuisjes serveren hun fameuze ‘roti’ – pittig gevulde pannenkoeken – of hete sandwiches. De opmars van de Turkse eettenten dringt de Italiaanse terug met ‘lahmacun’ of ‘Turkse pizza’, al dan niet met een sla-tomaat vulling en dönerkebab van kalkoen.

Halal-kapsalon.

Aan de Maas is ‘kapsalon’ erg populair als snelle hap: een aluminium-bakje wakke frieten waarop sla-tomaat-ui en kebab met lookyoghurt en sambal onder een plak gesmolten kaas. Genoemd naar de Rotterdamse kapper die deze creatie liet ontwikkelen bij de kebabzaak om de hoek verovert deze culinaire opsteker de hele Randstad.
Halal-vlees is ook aan een opmars bezig. Het heet tegenwoordig graag biologisch, minder vet en dus gezonder. Dat het dier gekeeld wordt met het hoofd naar Mekka onder het prevelen van de naam van de Allerhoogste en tegen betaling gecertificeerd, wordt er voor de teergevoelige Hollanders niet meer bij verteld. Ondanks het succes van de Partij voor de Dieren.

Eén kaakje bij de thee.

In het hogere segment van de gastronomie doen zich inmiddels boeiende ontwikkelingen voor.
De Argentijnse kroonprinses Maxima die aan de hand van gewezen Groenlinks politicus Paul Rosenmöller een succesvol inburgeringstraject kon volgen, bleef zich verwonderen over de volgens haar typisch Nederlandse gewoonte van ‘één kaakje bij de thee’. Voor deze uitspraak kreeg ze de vaderlandse pers over zich heen.
Als zoon van een steenrijke ondernemersfamilie heeft de voormalige maoïst haar na zijn politieke succescarrière nog niet kunnen leren hoe je gradaties herkent van sobere behoedzaamheid tot praatjes van Hollandse patsers.
En dat is geen sinecure in de horeca aan de Maas.

Sterren
Drie restaurants met één-ster en Parkheuvel – intussen twee Michelinsterren – spannen de kroon. Maar treffelijk eten voor veel geld is geen echte kunst.
Spannender wordt de zoektocht in de lagere segmenten. Lekkere keuken, voorkomende bediening en een aangename omgeving. Van de drie Bib Gourmands biedt er één zelfs uitzicht op de grasmat van voetbalstadion Sparta.
Nog spannender is vaak de bediening. Vroeger liep die heel vaak mis door jobstudenten die als ober bijklussen: een grote bek en niet gehinderd door enige kennis van zaken. Maar ook het decor kookt soms van enthousiasme. Tongfilet met olijfolie kleurt bijvoorbeeld groen onder de natriumlampen voor het lounge sfeertje .

Stuntelen

De vele kookprogramma’s op tv en de culinaire rubrieken hebben onmiskenbaar effect. Betere gerechten maar ook meer verwarring in de bediening. ‘Herrie in de keuken’ en de vervolgprogramma’s zijn een doorslag van ‘Oorlog in de keuken’ van de Engelse chef Gordon Ramsay, voor Nederland geïnterpreteerd door Herman den Blijker. Deze grote kale sigarenrokende en niet onbesproken chef gaat prat op zijn Rotterdamse recht voor de raap mentaliteit maar blaakt niet echt van geïnteresseerde betrokkenheid. Een andere tv beroemdheid, Joop Braakhekke, liet in zijn restaurant de wanden bekleden met spiegels: ‘ Zien en gezien worden, daar draait het om in Le Garage’s culinaire circus’. En daar wringt menig horeca schoentje.

‘Jus de veau’

Als je voor 135 Euro per couvert te horen krijgt dat het exclusieve visrestaurant wegens de feestdagen helaas geen kaart kon samenstellen met producten uit de zoute zee en bijgevolg de chef een culinaire wandeling zal organiseren met wat hij toch heeft kunnen matsen, kan dat leuk worden. Dat is het minder wanneer de elektriciteit herhaaldelijk uitvalt wegens het straalkacheltje tegen de tochtende koude. En helemaal te gek is de stuntelige ober die voor het gemak links over je heen reikt en weet te melden dat het hoofdgerecht bestaat uit ‘eendenborst op een bedje van spinazie met puree van Franse aardappels en een ‘jus de veau’.
‘Eh, ik bedoel de borst van een tongetje… Weten jullie wat ‘jus de veau’ is? Dat is overheerlijke kalfssaus en dat is heel bijzonder bij vis, vind je niet?’
De sommelier die de hele avond een inferieur bio-wijnarrangement schonk, probeerde de fratsen nog wat te redden door spontaan een mooie cream sherry te serveren bij het toetje.
Wel achteraf op de rekening teruggevonden.

‘Lossigheydt’

Tussen sobere behoedzaamheid en praatjes-patsers wordt ook culinaire kwaliteit bepaald door geïnteresseerde betrokkenheid.
Welteverstaan in de gasten, niet in de spiegels.
In 1662 werd de Nederlandse vertaling van Baldassare Castigliones ‘Libro del Cortegiano’ als ‘De Volmaeckte Hovelinck’ opgedragen aan de latere Amsterdamse burgemeester met Zuidnederlandse voorouders Jan Six. De ‘sprezzatura’ die Castiglione promootte als ‘cool’ voor een heer van stand, werd erin vertaald als ‘lossigheydt’. Die gecultiveerde, geoefende, innemende, genereuze ‘lossigheydt’ heeft niets met arrogantie om onkunde te maskeren of geharnaste poses om onzekerheid te keren. Integendeel, culinaire klasse toont zich in haar onnadrukkelijke vanzelfsprekendheid, in haar geïnteresseerde betrokkenheid.
Gelukkig zijn er in Rotterdam een handvol etablissementen die weten wat voorkomende service bij kwaliteitsmenu’s met treffelijke dranken kan betekenen. Vaak voor een bescheiden prijs. En wat nog leuker is, vaak gaat het om jonge chefs die buiten de Nederlandse gastronomische wereld ervaring hebben opgedaan. Met enig creatief zoekwerk tussen quotering en commentaar leer je ze vinden op ww.iens.nl. Goed koken is geen kwestie van geld, maar van smaak.
Goed eten is een kwestie van cultuur.

ww.janvanduppen.be

28 maart 2010

Francis Bacon: ????? ??????? - paus peinzend over woorden en wandaden van prelaten, priesters, broeders en proselieten.

Francis Bacon: ????? ??????? – paus peinzend over woorden en wandaden van prelaten, priesters, broeders en proselieten.

28 maart 2010

Francis Bacon: Pope withe meat

Francis Bacon: Paus met fijne vleeswaren

28 maart 2010

Francis Bacon: De eenzaamheid van de macht wanneer iedereen lacht.

Francis Bacon: De eenzaamheid van de macht wanneer iedereen lacht.

28 maart 2010


Francis Bacon: Kardinaal Simonis: ‘Wir haben es nicht gewusst.’

« Vorige berichten