Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Almudena Grandes, Het ijzig hart – uitg Signatuur 2010

28 januari 2012

Almudena Grandes, Het ijzig hart – uitg Signatuur 2010

vertaald door Mia Buursma en Ans van Kersbergen

‘Hoed je voor vragen, voor antwoorden en voor hun motieven, anders zal één van de twee Spanjes je hart bevriezen.’

Lang, zeer lang geleden dat ik nog zo’n auteur tegen het boek liep, die zo grondig onder mijn huid kon kruipen, die nog zoveel vingerbijten, zit- en nekpijn, rugklachten, prikkelende ogen en verschrikkelijk veel pijn van het zijn wist te triggeren. Dit is als Johan de Booses ‘Bloedgetuigen’, maar dan die van Spanje.

Een turf van dik 800 pagina’s met twee stambomen die ik geen honderd maar minstens tweehonderd keer heb geraadpleegd tijdens het lezen.

Bij Antonio Munoz Molina De nacht der tijden zat nog een kaart van Madrid – bij Grandes werd het goochelen op internet – en het was waarlijk frustrerend hoe zij met alle mogelijke en onmogelijke passen, wendingen, pirouettes, klanken en ritmes van een gigantisch flamencoschouwspel haar lezer weet te verslaven aan een magistraal verhaal van sluiering en versluiering, van onthulling en verraad, verleiding en verstoting, passie en pijn, woede en wanhoop, bravoure en behoedzaamheid, en wraak, veel honger naar wraak als gerechtigheid en uitgestelde emoties.

Frustrerend én bevredigend, geschreven door een vrouw – de allereerste keer dat ik in een boek over de Spaanse burgeroorlog een vermelding tegenkom dat een hoofdrolspeelster nog even ‘een was moet draaien’ om nadien tijd te maken voor het grote werk.

Ik blijf erbij dat een uitgebreider personenregister en relationele stamboom handiger was geweest, maar anderzijds dwingt het de lezer om al haar min of meer gelijknamige protagonisten uit twee verwante en vijandige families in het geheugen te verankeren om hen niet te verliezen – en met hen hun verschrikkelijke verhaal te eren.

Dat dit meesterwerk door een vrouw is geschreven spat in iedere scène op: alle, maar dan ook alle van de vele seksscènes – ook die van mannelijke personages – smaken vrouwelijk, minder vernietigend, meer verleidend, vaak ook meer bevredigend. Niet alleen genitaal.

Deze literaire flamenco stoelt voor mij niet op talloze citaten die ik per se ook op schrift wil bewaren, maar meer op de structuur van haar verhalendans die het probleem van angst, twijfel, onzekerheid, woede die tot wrok leidt en verraad, hubris, thymos, onnozelheid en vooral angst, generaties vol angst en schaamte toch min of meer dragelijk weet te presenteren voor de lezer. De verwarrende compositie is wellicht een wezenlijk onderdeel van de twijfel die dit boek in de harten van de lezers tot rust kan laten komen. Het was allemaal veel te gruwelijk voor woorden, voor verhalen en voor de herinnering.

Omdat niets en niemand is wat lijkt, krijgt een nieuwe generatie vrede en vleugels omdat alleen zij de angst kunnen ontlopen. Niets is immers wat het lijkt, en zeker niet voor, tijdens en na de Spaanse burgeroorlog. Goed en slecht is en blijft vreselijk ingewikkeld. Al heb ik er de voorbije 40 jaar nog zoveel over gelezen, bezocht en bezongen gehoord.

Almudena Grandes is wis en waarachtig een literaire Grandes de España, niet door geboorte of koopacte, niet door erfrecht of slaafse onderwerping aan het hof, maar door haar literaire werk!

De nieuwe generatie zal ondanks de economische oplichterij een dynamiek zonder angst kunnen ontwikkelen en een toekomst kunnen opbouwen die vrijer is dan de eeuw van ellende die hen voorafgegaan is.

Sinds 2007 is er de Ley de la Memoria Histrica (de Wet ter historische nagedachtenis), een wet die slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog en de Franco-dictatuur rehabiliteert en schadeloosstelling garandeert.

-Waarom komt juist nu alles aan de oppervlakte? De eenvoudige waarheid?

Omdat wij, de derde generatie, bijna vijftig zijn. De regering Zapatero reageerde met deze wet op een eis van de bevolking, hoofdzakelijk geformuleerd door mijn leeftijdsgroep. Wij krijgen geen antwoord op onze vragen, want onze ouders en grootouders hebben geleerd om te zwijgen. Dat zit er diep in. Wij zijn de eerste generatie die zonder angst is opgegroeid.

-Maar de Spaanse democratie is al tweendertig jaar oud. Waarom nu pas?

In de eerste jaren na het einde van de dictatuur waren wij met andere dingen bezig. We waren rond de twintig, wilden reizen, flirten, dronken worden. De democratie was net zo jong als wij. De diepere betekenis van de veranderingen om ons heen drong niet tot ons door. Onze politici voerden die veranderingen dan ook als het ware undercover door. Kent u die scne in Mary Poppins waarin Mary met de kinderen in de tekening van een straattekenaar springt? Zo zie ik de Spaanse transicin (overgang). Onze politici gaven elkaar een hand en riepen: `Kom op, laten we in het land van de kleuren springen!  Dat was alles. Er werd niets geanalyseerd, er werden geen kritische vragen gesteld. Dat konden de mensen destijds ook helemaal niet. Ze waren niet in staat om een maatschappelijk debat aan te wakkeren. En wij waren te jong! Men kreeg simpelweg te horen: vanaf nu is alles anders. Vroeger waren we ouderwets, nu zijn we modern. Vroeger waren we ongelukkig, nu zijn we gelukkig … Tegenwoordig nemen we daar geen genoegen meer mee. We hebben dertig jaar lang geïmproviseerd en nu moet er eindelijk eens grondig geanalyseerd worden.

-Hoe ziet u uw bijdrage aan die maatschappelijke discussie?

Ik denk dat Het ijzig hart een heel nieuwe kijk op de Spaanse Burgeroorlog biedt. Tot nu toe waren er voornamelijk twee perspectieven: er was de officiële literatuur onder Franco en er was de exilliteratuur, waarin Spanje vaak geïdealiseerd werd. Mijn roman probeert het verleden te koppelen aan het heden zonder daarbij het ene of het andere kamp aan te vallen. De roman gaat drie generaties terug, tot de grootouders van Alvaro en Raquel, de twee hoofdpersonen. Ze zijn rond de veertig en zitten midden in een identiteitscrisis. Ze komen uit een familie met linkse en rechtse rakkers, gematigden en radicalen, slachtoffers en daders  precies zoals het in de meeste Spaanse families is, in de mijne overigens ook. -Herinnert u zich wanneer u de drang voelde om dit boek te schrijven?

Eigenlijk schrijf ik altijd over hetzelfde. De Spaanse geschiedenis van de vorige eeuw fascineert me. Er zijn hoofdstukken in mijn eerdere romans die zouden kunnen voorkomen in Het ijzig hart. Dat ik het nu allemaal exemplarisch heb verteld heeft ook met mijn leeftijd te maken. Ik schrijf altijd over en voor mijn eigen generatie.

 


Almuenda Grandes interview NZZ

46. Het was bijna een maand na de dood van mijn vader, en ik was moeiteloos tot de conclusie gekomen dat ze diezelfde taak waarschijnlijk eerder al aan mijn twee broers had toevertrouwd, strikt op volgorde van onze leeftijd en zonder hetzelfde aan haar dochters te vragen, zoals haar gewoonte was. Ik wist niet wat zij hadden gevoeld bij de terugkeer naar een huis dat onvermijdelijk nog de sporen van papa zou dragen, de rangschikking van de voorwerpen op het bureau in zijn werkkamer, de plaats van zijn favoriete leunstoel voor de televisie, want we zaten nog in die autistische, ruimhartige fase van het rouwen, waarin iedereen probeert om de anderen niet extra te belasten met zijn eigen verdriet. ‘We gingen bijna elke middag een tijdje bij mama op bezoek en daarom zagen we elkaar veel vaker dan lange tijd het geval was geweest, maar overeenkomstig een stilzwijgende en toch strikte afspraak vermeden we de recente herinneringen aan onze jeugd die voor iedereen aangenamer en eenvoudiger te verdragen waren. In vreedzame tijden, als onze traditionele gesprekken over voetbal, het weer en de kinderen tijdens de wekelijkse maaltijd, een gewoonte die weinig van ons eiste en ons ook wel goed uitkwam, niet werden verstoord door een extern conflict, kon ik met al mijn broers en zussen goed opschieten. Maar de laatste jaren waren niet vreedzaam geweest en een aantal familie-etentjes en verjaardagsfeestjes van de kinderen, en zelfs de oudejaarsavond van het jaar 2003, waren uitgelopen op gigantische ruzies waardoor de remmende invloed van mijn vaders weerzin tegen politieke discussies voorgoed teniet was gedaan, zodat de spanningen die het hele land op zijn grondvesten deden schudden ook op kleine schaal tot uiting waren gekomen. De onderlinge krachtsverhouding aan de eettafel was een afspiegeling van de samenstelling van het parlement. Rechts had de absolute meerderheid, maar links, mijn vrouw, mijn zwager Adolfo en ik, met de passieve steun van mijn zus Angélica, was gepassioneerd en strijdlustig. Als reactie op de tegenstander waren beide partijen langzamerhand steeds radicaler geworden, en het kwam zelfs zover dat ik, die lang daarvoor alleen maar lid was geworden van een vakbond om mijn vriend Fernando te steunen en me meer intuïtief dan uit noodzaak politieke standpunten eigen had gemaakt, al voor de algemene staking van 2002 mijn studenten op een dag stond aan te moedigen tot verzet tegen de regering. Door de omstandigheden werden we gedwongen de messen te slijpen, en de mijne blonken nog steeds vlijmscherp op die eerste dag in maart 2005, toen we door het gedeelde verdriet over de dood van onze vader ineens weer een hecht geheel vormden, maar inmiddels begon ons verbond barstjes te vertonen.

95. Er zouden heel wat jaren voorbijgaan en veel dingen gebeuren voor zij de betekenis zou begrijpen van die ingewikkelde conversatie, die helder, begrijpelijk en juist was, zoals alle noodzakelijke waarheden waarvan men uit liefde tijdig afstand doet.

122. ‘Door congressen word ik compleet anders, weet je: vertelde ze me laIer in de bar waar we met een paar mensen nog iets gingen drinken. ‘Het is iets heel raars, als ik van huis ga voel ik me goed, rustig, maar als ik aankom, ik kan er gewoon niets aan doen … Dan bekijk ik jullie allemaal eens een beetje en dan denk ik … met wie zal ik vanavond eens gaan neuken? Dat heb je met natuurkunde, er zijn zo ontzettend veel mannen en zo weinig vrouwen. Ik heb geen idee wat vrouwelijke kunsthistorici doen: voegde ze er nog aan toe, ‘die gaan elkaar uiteindelijk vast met een alles te lijf .. .’

132. Het was voor het eerst van mijn leven dat ik me verantwoordelijk voelde voor mijn vader, volwassener dan hij, beter in staat om beslissingen te nemen en hem te helpen en te beschermen zoals hij met mij had gedaan toen ik een kind was. Je hebt moeten sterven, papa, dacht ik, om me nodig te hebben, en die harde conclusie deed me huiveren.

191. Voordat Julio deze kwestie hardop aan de orde stelde, had ik al heel wat gedachten gewijd aan de vreemde structuur van mijn familie, een hecht, compact blok dat in een lege ruimte hing met niets erachter en niets ernaast, geen grootouders, geen ooms en tantes, geen neven en nichten, geen enkel soort familieleden. Waarom nog meer, hadden ze altijd gezegd, en ook dat opa Rafael heel jong was gestorven, nog voor de oorlog, En dat oma Mariana, zijn vrouw, was gestorven toen mijn broer Julio nog niet kon lopen. Ik had een stuk of wat foto’s van haar gezien, niet zoveel, met mijn twee oudere broers en mijn oudere zus in haar armen, een sombere, in het zwart geklede vrouw die ver weg woonde, in een dorpje in Galicië. Zij was niet mooi en boezemde een beetje angst in, net als opa Ignacio, papa’s vader, op wie eerst zijn zoon en daarna ik als twee druppels  water leken. Oma Teresa, die zo slecht pianospeelde, was zijn vrouw, maar op de enige foto die er van haar bestond, die van hun bruiloft, waarop zij met een brede lach recht in de camera keek, terwijl het profiel van haar man veel serieuzer en norser was, leek ze wel zijn dochter. Zij was ook jong gestorven, in de zomer van 1937, midden in de oorlog, zonder dat ze nog meer kinderen had gekregen. Benigno was haar aan het eind van jaren vijftig gevolgd toen hij al over de zeventig was, maar hij had min broer Rafa niet gekend, het kind van wie zijn schoondochter in verwachting was toen hij stierf. Ik had noot grootouders gehad, en ook geen ooms en tantes en neefjes en nichtjes, geen enkel familielid, niet één oud verhaal om naar te luisteren, enkel wat op zichzelf staande berichten en sporadische commentaren, fragmenten die niet altijd overeenkwamen met  de feiten die mijn broers en zussen kenden. Daarom had Julio ook nooit geweten dat oma Teresa pianospeelde. Daarom was het misschien ook zo moeilijk om maar op één manier aan mijn vader te denken, omdat er geen enkele andere versie bestond waarmee onze herinneringen konden worden vergeleken, geen enkele andere bron buiten de grillige herinnering aan een man die ons het liefst altijd hetzelfde vertelde over zijn kindertijd in het dorp, zijn jonge jaren in de ijzige kou van Rusland en Polen.

644. Ik dacht aan dat alles zonder dat ik het wilde, ik hield Raquel in mijn armen en ik merkte dat ze bang was, banger dan ik, omdat zij het wist, omdat ze alles wist, omdat ze van het begin af aan alles had geweten behalve misschien dat ze verliefd op me zou worden. Toen begreep ik mijn ongeluk pas echt, de meedogenloze wreedheid van een nederlaag waaronder ik nog niet leed, omdat de liefde, mijn liefde, niet voldoende was om de draak te doden, omdat al die liefde nooit goed genoeg zou zijn om met alledaagse, doodgewone, kalmerende woorden de stilte op te vullen waarin ze was ontstaan. Ik was schuldig, omdat ik niets had willen weten, niets had durven vragen en mijn liefde had willen beleven zonder de paar vragen te stellen waarop maar één antwoord mogelijk was. Het zou zo gemakkelijk zijn geweest, wanneer heb je mijn vader leren kennen, Raquel, waar, hoe heb je hem versierd, hoe lang heeft het geduurd? Het zou zo gemakkelijk zijn geweest, maar ik had voor een ander gemak gekozen. Daarom dacht ik even dat ik ook niéts kon doen. Ik werkte de onderdelen van mijn betoog uit, er is niets aan de hand, het doet er niet toe, ik wil niets weten, ik hou alleen maar van jou, Raquel, dus we staan nu op, we kleden ons aan, we gaan in je echte huis op Plaza de los Guardias de Corps slapen, en we praten er nooit meer over … Het is niet gemakkelijk de doden te begraven, het onverschillige gebaar te zien van de doodgravers met die uitdrukking van kunstmatig, voorspelbaar en 0 zo menselijk medeleven wanneer hun blik die van de nabestaanden kruist, en het geluid te horen van de spades, het ruwe schuren van de kist langs de wanden van het graf en het zachte loskomen van de touwen. Het is niet gemakkelijk de doden te begraven, maar wel om ze helemaal en voorgoed In een diep graf te laten verdwijnen, dieper dan die op kerkhoven. Je grootmoeder was onderwijzeres, een goed mens, ze hield veel van haar man, ze speelde slecht piano, maar ze vond het leuk, de arme ziel.

646. Toen ik klein was, vertelden ze me heel vaak zulke verhalen. Misschien begrijp je het niet, maar dat was het enige wat ze nog hadden, de cultuur. Educatie, educatie en nog eens educatie, zeiden ze steeds, het was een soort lijfspreuk, een steeds herhaalde slogan, de toverformule voor een betere wereld, voor veranderingen die de mensen gelukkiger zouden maken. Ze hadden alles verloren, ze hadden het hoofd boven water gehouden door werk te doen dat ver onder hun niveau lag, op scholen, in bakkerijen, in telefooncentrales, maar dát hadden ze nog. Dat hebben ze altijd gehad.

655. ‘Vergis je niet, Álvaro; zei ze, ‘het was geen wraak. Er was te veel tijd voorbijgegaan, ik was te ver van Parijs, te ver van 1946, 1947 … Ik zeg het niet om me te verdedigen, dat is het niet, integendeel. Wraak is nobel, omdat het een passie is. Een dwaze, zwakke, altijd nutteloze passie, want wat je erin hebt geïnvesteerd, krijg je nooit terug, maar toch een passie, en ik … Ik heb het allemaal zonder passie gedaan, Álvaro, puur uit berekening. Ik ben econoom, dat weet je.’ En ze ging door alle banden te verbreken, me van alle troost te beroven, ze wees me een voor een op elke kuil, elke braamstruik, elk moeras, alle obstakels op de uitweg uit de doolhof.

676. Kleine Spanjaard, moge God je behoeden als je ter wereld komt. Want om hier te wonen, is het beter dat je bepaalde dingen niet weet, zelfs niet begrijpt. Maar ik hou van je, ik heb vertrouwen in je, ik weet dat je een waardige, goede, moedige man zult worden, moedig genoeg om je moeder te vergeven, die altijd van je zal houden en het zichzelf daarom nooit helemaal zal kunnen vergeven. Kleine Spaanse, moge God je behoeden als je ter wereld komt. Geen God, geen meester. Zelfs niet het recht te weten wie je bent, want om hier te wonen, is het beter dat je niets weet, zelfs niets begrijpt, alles te laten zoals het is, de takken van de appelboom eeuwig leeg, de vruchten zorgvuldig gerangschikt op de grond, de egoïstische, kleinzielige gewiekstheid die de decorontwerper die gewend is om zonder getuigen te werken, plezier doet, want degenen die nog geen kadaver zijn, zijn al dood van angst. Zelfs niet het recht te weten wie ik ben, want in die tijd was het moeilijk een kind van zo iemand te zijn, en van iemand als je grootmoeder was het zelfs ronduit gevaarlijk. Uit liefde of uit berekening is het beter niets te weten, en zo zijn al die jaren samen te vatten, twee, drie hele generaties, haast een eeuw verdriet en hoogmoed. Op dat punt komen de strategieën van de angst en het prestige samen, de herinneringen van de overwinnaars en de overwonnenen, verschillende belangen, maar een en hetzelfde resultaat voor de kinderen en kleinkinderen van hen allen.

KIeine Spanjaard, vertrouw er nooit op dat God je behoedt, als je ter wereld komt. Hoed je voor vragen, voor antwoorden en voor hun motieven, anders zal een van de twee Spanjes je hart bevriezen.

 

 

Brecht Arnaert, De kwantumsprong, de wet breken om recht te halen – 2011

26 januari 2012

Brecht Arnaert, De kwantumsprong, de wet breken om recht te halen – 2011

‘Vertel mij: wat is er dan zo prachtig aan België? Ik wil het wel eens weten. Het feit dat voor een Vlaamse Kamerzetel 44 000 stemmen moeten gehaald worden en voor een Waalse maar 37 000? Het feit dat politici hier hun eigen ongrondwettelijke verkiezingen mogen goedkeuren? Het feit dat Vlaanderen 81,4 % van de Belgische export voor zijn rekening neemt maar nog steeds een Francofiele diplomatie moet dulden die ons verhindert internationaal een eigen merk uit te bouwen? Vlaanderen moet zijn eigen weg gaan. N-VA is daarvoor de beste garantie.’

Het mag duidelijk zijn dat de auteur van ‘De Kwantumsprong’, Brecht Arnaert zich zeer actief als N-VA-er opstelt. Zo ook is zijn pamflet een omstandig overwogen poging om een juridisch-filosofische argumentatie op te bouwen als handvest voor een onafhankelijke Vlaamse republiek.

Daartoe grijpt hij terug naar het Plakkaat van Verlatinghe waar de Staten-Generaal der Nederlanden op 26 juli 1581 koning Filips II vervallen verklaarden van zijn rechten op de troon wegens het niet respecteren van hun vrijheden en rechten.

Dit was een van de eerste onafhankelijksheidsverklaringen in de moderne geschiedenis gebaseerd op de stelling dat de vorst niet voldeed aan zijn plichten en bijgevolg ook geen rechten kon laten gelden. Later zouden de Founding Fathers zich hierop inspireren om de Engelse koning vervallen te verklaren van zijn functies ten opzichte van de Amerikaanse koloniën.

Aangezien de Bijzondere Wetten en de grendelgrondwet van de regering Eyskens in 1970 ondemocratische machtsverhoudingen betonneerden, pleit Arnaerts ervoor om dit als ‘ongegrond, irrationeel, immoreel en ondemocratisch’ te verklaren en dus pleit hij naar analogie met 1581 voor een ‘Plakkaat van Verstotinghe’.

Jean Pierre Rondas pleegde hierover op 11 juli 2011 nog een boeiend stuk ‘Grendel is een monster in Beowulf’

70.

Het volstaat dat een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep een Plakkaet van Verstotinghe aanneemt waarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond worden verklaard. Ongegrond wil zeggen: niet gegrond in de werkelijkheid. Gebaseerd op een leugen. Irrationeel. Ondemocratisch. Immoreel. Geen belangenconflict, noch alarmbelprocedure, noch dubbele meerderheid kan aan een dergelijk politiek feit iets verhelpen. Daarmee doel ik in eerste instantie niet op het feit dat een resolutie juridisch-technisch niet kan worden gevat door de traditionele blokkeringen. Zelfs wanneer men dezelfde tekst in een wet zou gieten, dan zou ook dat een voldoende politiek feit zijn om de grondwettelijke regeling van 1970 met al zijn politieke mechanismen van dien, verbeurd te verklaren.

 


De kern van het verschil tussen Vlaanderen en Wallonie wordt in ‘De kwantumsprong’ gesitueerd in de tegenstelling tussen ‘verantwoordelijkheid’ en ‘solidariteit’ als leidend principe.

In feite gaat Brecht Arnaert hiermee terug naar de kern van iedere socialistische en zelfs communistische samenlevingstheorie: ‘van ieder naar zijn vermogen, voor ieder naar zijn  behoefte’. Boeiend is ook de manier waarop hij aan de hand van de Amerikaanse filosofe Ayn Rand een analysekader schetst wat bijzonder goed lijkt op gesloten cirkelredeneringen van het marxisme.

Politiek is de strijd om de macht en heeft op werkelijkheidsniveau niet veel met principes vandoen, maar eerder met pragmatisme. Dat is een schokkende vaststelling, niet alleen voor Vlaamsnationalisten. Maar het politieke handwerk is een vuile, versluierde en weinig fraai ogende handenarbeid van het moeizaamste type, waarbij vooral indirecte effecten doorbraken forceren die de tegenpartij niet tijdig zag opduiken of waar ze zich achter de sluier kan verschuilen.

Brecht Arnaert geeft een beknopte samenvatting van een aantal elementen die aan de basis liggen van het communautaire conflict in Belgie.

43.

Observeren we nu het huidig communautair conflict, dan zien we dat vooral in het Franstalige discours heel wat contradicties te ontwaren vallen. Terwijl zij de Vlamingen verwijten niet solidair te willen zijn, blijven de Vlamingen jaar na jaar vele miljarden afstaan aan het armlastige zuiden van het land. Wanneer de Vlamingen de Waalse politici echter oproepen tot een responsabilisering van de overheidsuitgaven, wordt furieus gereageerd. Nochtans is het net diezelfde responsabilisering die Vlaanderen zichzelf moet opleggen om überhaupt solidair te kunnen zijn. Het is maar omdat Vlaanderen van zichzelf eist wat het van anderen eist, dat het Wallonie kan helpen. Mocht Vlaanderen op dezelfde manier uitgaan van Waalse solidariteit, dan zouden beide Gemeenschappen collectief verarmen. Er moet dus iets mis zijn met rangschikking van de axioma’s van de Waalse politieke filosofie. En dat is ook zo. De taalgrens is niet enkel een zorggrens, een economische grens of een cultuurgrens, maar bovenal een politiek-filosofische grens: op welke grondslag willen we de polis organiseren? Bezuiden de taalgrens beroept men zich op het principe van de solidariteit, te boven de taalgrens begint men eerst over verantwoordelijkheid.

44.

Het betonen van solidariteit is dan ook het opnemen van verantwoordelijkheid over iemand anders. Zelfs solidariteit draagt dus een kern van verantwoordelijkheid in zich: men kan niet op een onverantwoordelijke manier solidair zijn. Men bekijkt de noden van de hulpbehoevende en ondersteunt die, maar niet onvoorwaardelijk. Degene die solidariteit geniet, wordt verondersteld van de tijdelijke steun gebruik te maken om zijn zelfredzaamheid terug op peil te brengen. Verantwoordelijkheid komt dus voor solidariteit. Niet andersom.


 

Om de staatsstructuur van Belgie te wijzigen is er een 2/3 enthousiasme nodig en een meerderheid in beide taalgroepen, wat wijzigingen quasi onmogelijk maakt gezien een vijfde van de zetels een blokkeringsminderheid oplevert.

57.

Wie in Belgie de grondwet wil veranderen heeft een tweederdemeerderheid nodig. Dat op zich zou niet zon probleem mogen zijn. Achtentachtig van de honderdvijftig zetels in de federale Kamer worden ingenomen door Vlamingen. Alleen, de meeste institutionele veranderingen sinds 1970 staan niet eens in de grondwet, maar in Bijzondere Wetten. Wat daar zo bijzonder aan is, is dat ze quasi totalitair zijn: om ze te veranderen heb je namelijk een viervijfde meerderheid nodig. Dit is geen fictie. Wie bijvoorbeeld de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen (1980) wil aanpassen heeft niet enkel een tweederde meerderheid nodig in de hele Kamer (100 van de 150 zetels), maar ook nog eens een gewone meerderheid in elke taalgroep. Dat maakt dat de Franstaligen, ook in het hervormen van de staat, een veto hebben. Met een vijfde van de zetels kan in Belgie elke staatkundige hervorming geblokkeerd worden. Dat zit zo. De Franse taalgroep bestaat uit 62 zetels. 32 zetels vormen dus een meerderheid, 31 een blokkeringsminderheid. Als je nu weet dat de PS zelf al 26 zetels bezet, dan zie je pas waar de macht echt ligt. Het volstaat namelijk dat de PS nog 5 andere Franstaligen kan overtuigen om een blokkeringsminderheid te vormen, en alles blijft zoals het is. Zelfs al zou men proberen, dan nog zou een meerderheid van 32 zetels in de Franse taalgroep nooit kunnen worden gevormd. En men wil het niet eens proberen

 


Gezien deze juridisch en wettelijk verankerde situatie rest er volgens Brecht Arnaert nog slechts één truc: het verschil tussen law en legislation, tussen ‘het’ recht en ‘de’ wet: ’
60

Terwijl het recht wordt ontdekt, wordt de wet gemaakt. Wetten zijn een product van menselijk handelen die al of niet kunnen samenvallen met de realiteit. Het is niet omdat een wet wordt goedgekeurd, dat ze daarom waar is. Een wet kan ook onjuist zijn. Onjuist noemen we onrechtvaardig. Of “injuste”, zo u wil.’


 
67.

‘Wat van primordiaal belang is bij deze twee voorbeelden is dat noch het Plakkaet Van Verlaetinghe, noch de Declaration of Independence juridische documenten waren. Het waren morele documenten. Meer nog: ze verkregen pas juridische waarde nadat Filips II in de feiten moest erkennen dat ie vervallen was verklaard van de troon. De nieuwe wettelijke situatie volgde dus de morele sprong die men gemaakt had, niet omgekeerd. In dat verwerpen van die ongeoorloofde machtsaanspraak, in dat ogenblik van onmerkbare overgang, in dat ene morele moment, sterft het oude juridische verband, en wordt een nieuw juridisch verband geschapen. Op dat ogenblik wordt letterlijk iets nieuws geboren, dat tegelijkertijd eeuwenoud is: het idee dat het individu moreel en politiek soeverein is, en dat geen wet ter wereld die waarheid kan veranderen. Het is een moment waarop alle axiomas van het samenleven terug in hun natuurlijke volgorde vallen, en de rede terug in ere wordt hersteld. Het is een ogenblik van waarheid waar men door wordt geraakt, een esthetische ervaring die men vast wil leggen in een grondwet. Het is het gevoel deel uit te maken van iets universeels, het is een zijnsmoment, krachtig in zijn eenvoud en puur in zijn beleving. Dat moment komt er echter niet vanzelf. Vrijheid is niet iets wat wordt gegeven, het is iets wat men moet verdienen. Secessie plegen, individueel of collectief, vergt moed, zelfbewustzijn, morele integriteit en vastberadenheid.’

 


Hier toont Arnaert zich als romanticus aanhanger van een ‘marxistische’ hoop op een kwalitatieve omslag. En dat is een mooie houding die getuigt van de nodige thymos maar die nergens toe leidt wanneer in de coulissen niet de economische, sociologische en financiele basis gevormd werd waarop een ‘kwantumsprong’ zou kunnen steunen.

Maar geen nood, daar wordt drastisch aan gewerkt. In de eerste plaats door de Franstalige politici, vooral binnen de PS  waar de partijtop en haar wandelgangen steeds meer wegheeft van een rozig friemelende krabbenmand.

Dat de Schotten binnen een paar jaar hun onafhankelijkheid van het Verenigd Koninkrijk zullen aankondigen, heeft ook niets vandoen met toerisme en schapenkweek. Dat binnen België de verhouding ‘verantwoordelijkheid –   solidariteit’ anders gemunt zal worden, voel je maar al te goed aan die krabbenmand van Di Rupo I waar plan W en B en een stevig anti EU discours nauwelijks nog kan verhullen hoe erg het land eraan toe is.

Of de PS bereid is om met de hete adem van de FGTB en co in de nek  ‘verantwoordelijkheid’ op te nemen voor ‘solidariteit’, ook in Wallonië en Brussel dan wel of het IMF en de EU tuchtigingscommissie het vuile werk moeten verrichten, zal de komende maanden duidelijk worden. In het eerste hypothetische geval kabbelt dit land nog een tijdje voort al voelen de Brusselse partijbonzen steeds meer de nattigheid in een Wallobrux – constructie. In het tweede geval kan het allemaal wel eens heel snel gaan.

Maar de economische en financiele ontwikkelingen zullen de drive zijn van het ‘verlaten’ of ‘verstoten’, al dan niet met fraaie verklaringen.

Of zoals Rik Van Cauwelaert het nog omschreef in Knack van 25012012: De regering Di Rupo mag geen Costa Concordia worden

Alsook de week voordien: De premier is naakt

 

Monaldi & Sorti, Versluiering

19 januari 2012

Monaldi & Sorti, Versluiering – vert. Jan van der Haar

 

Een uitzonderlijk boekenweekgeschenk van het volhardende auteursduo dat onverdroten de geschiedenis te lijf gaat, mythen en canons onderuithaalt, vanuit verrassende invalshoeken een heel andere visie onthult op de eeuwige strijd om de macht.

Met de Versluiering bieden ze een handig vervolg op hun laatste turf ’ Mysterium’. Intussen zijn de protagonisten van het gekapseisde en door Barbarijse zeerovers gekaapte schip die elkaar op het eiland Gorgona voor Livorno aan de tand voelden en naar het leven stonden in het Parijs van 1647 beland, aan het hof van de Italiaanse eerste minister Mazarin. Met de uitbouw van een slepende opera slaagt Mazarin erin tijd te winnen en posities te versterken op het schaakspel voor het absolutisme van de Franse monarchen, met name Lodewijk XIV die op de troon moet bevestigd worden. Hij liet zich daarbij succesvol inspireren door de machtsgreep van Lorenzo di Medici in Florence.

Om te smullen voor wie het politieke machtsspel probeert te doorgronden. Moeilijk en zwaar voor wie een luchtig en vrolijk  boekenweekgeschenk verwacht had.

7. De ware essentie, volgens Plato, zit hem in dingen die geen lichaam hebben. Versluiering is enkel een sluier bestaande uit eerlijk duister waardoor zich niet het onware vormt, maar rust geboden wordt aan het ware; en zoals de natuur heeft gewild dat erin de wereldorde dag en nacht ligt, zo dient er binnen de werken van de mens licht en schaduw openlijke en verholen voortgang te zijn.De rneest voortreffelijke versluieraar is degene die zich het meest van den domme zal kunnen houden. We zullen laten zien te geloven in degene die ons wil bedriegen, net als deze gelooft in onze manier van doen. We zullen laten zien niet te zien, terwijl we rneer zien dan wie ook. We zullen spelen met ogen die gesloten lijken, terwijl ze wagenweid openstaan. De vijand zal door de bliksem getroffen worden voordat hij de donder hoort, de terechtstelling gaat aan het vonnis vooraf alles, voltrekt zich op zijn joods.

15. Ja, precies: een Fransman. Petrus van Alvernia, bedoel ik, leerde terecht dat het, wil je de tirannie in stand houden, beter is om hen die uitblinken in rnacht of rijkdom te doden, Want dergelijke lieden hebben de middelen om in opstand te komen tegen de tiran. In de tweede plaats is het beter om de wijzen te doden, want dankzij hun wijsheid kunnen ze de wegen vinden om de tirannie te verdrijven. Bovendien moet je geen goede scholen toestaan, want daarin wordt op de ware wijsheid gewacht en wijzen zijn grootmoedig, hebben een hang naar grootse zaken,en dergelijke ruimhartige Iieden komen gemakkelijk in opstand. De tiran moet de onderdanen elkaar laten beschuldigen en zelfverwarring stichten, zodat een vriend het oneens is met een vriend, het Volk tegen de rijken is, de rijken onderling in conflict, en iedereen tegen de buitenlanders. Aldus verdeeld zullen ze niet de kracht hebben of het idee krijgen om tegen de tiran op te staan, te druk als ze zijn rnet elkaar te haten. Ie moet onderdanen veel zware belastingen opleggen om ze snel aan de bedelstaf te krijgen en te verzwakken. De tiran moet zich niet gehaat maken, maar voorwenden dat hij voortreffelijke deugden bezit die hem boven zijn onderdanen stellen, zodat de onderdanen hem superieur wanen. De meest onsympathieke maatregelen,zoals belastingen, moeten nooit van hem afkomstig lijken, maar van anderen die hem dwingen, zoals een buitenlandse vijand. Je moet zonder aarzelen regeren, als je het volk onder het juk wil houden zonder je te Iaten verslinden.

55. Met de geheime grepen kan men drie dingen doen. Ten eerste, re-geringen instellen, zoals Mohammed deed, die voordeel putte uit ziin tegenspoed. Hij liet zijn epileptische aanvallen doorgaan voor extases waarin de geest Gods in hem afdaalde. Hij stopte maïskorrels in zijn oren en trainde een witte duif om die te gaan oppikken, waarna hij tegen zijn volgelingen zei dat dat de engel Gabriel was die hem de instructies van God bracht. Hij doodde zijn secretaris Ben Salon, die zijn bedrog wilde onthullen. Het tweede en derde dat men kan doen met geheime grepen is onzekere regeringen verstevigen en privileges, rechten, vrijstellingen en ontheffingen verzwakken of afnemen door zelfs op te stijgen tot de absolute macht. Karel V, die het kiesrecht wilde afschaffen om zijn keizerlijke familie veilig te stellen, bediende zich van Luthers preken om verdeeldheid te zaaien onder de Duitse keurvorsten en hen daarna gewapenderhand te kunnen aanvallen en vernietigen. Als de ijver voor Gods eer en de wens om de heilige katholieke godsdienst te steunen bij hem hadden overheerst, zou hij niet van 1526,het jaar waarin Luther zijn ketterij in Duitsland begon, tot 1549 hebben gedraald om een oorlog te beginnen, zoals hij gemakkelijk had kunnen doen voordat die ketterij een groot deel van Europa in haargreep zou krijgen. Omdat hij echter de indruk had dat die noviteit hem eerder voordeel dan schade zou brengen, zowel tegenover de paus als tegenover de Duitse vorsten door de verdeeldheid die die ketterij onder hen teweegbracht, en dan met name onder de wereldlijke vorsten en de anderen en zelfs de gewone leken, liet hij die groeien totdat het beoogde effect daar was, zoals de hertog van Nevers in zijn traktaat terecht opmerkte; pas toen zette Karel V pausPaulus III aan tot oorlog tegen de protestanten, onder het mom van de godsdienst, maar met de bedoeling om hen uit te roeien en het keizerrijk erfelijk te maken voor het Oostenrijkse huis. Wat hem maar ten dele lukte, aangezien de Habsburgers wel de erfelijkheid van de keizerskroon verkregen, maar binnen hun oorspronkelijke gebieden ten oosten van het keizerrijk, oftewel Oostenrijk, werden teruggedrongen.

71. Allemaal hebben ze zich voor hun discours bediend van de exempla uit de Geschiedenis. Op dezelfde manier heb ik van de samenzwering van de Pazzis het kloppend hart van mijn hele opera gemaakt. Kennis van de geschiedenisboeken, vooral Tacitus, is alleen nuttig en vruchtbaar voor iemand die tot reflectie in staat is en profijt kan trekken uit wat hij ziet. Geschiedenistraktaten nemen de verwondering weg, die het ware teken van onze zwakheid is, en zetten ons aan de gebeurtenissen met meer inzicht, bedachtzaamheid en vastberadenheid te overwegen. Maar voor hen die niet kunnen relecteren of profijt trekken uit wat ze om zich heen zien gebeuren,en dat is bijna het gros van de bevolking, voor hen zijn de traktaten er alleen maar om hun ideeën overhoop te halen.

72.Het zal niet moeilijk vallen hen te overtuigen. Alles Wat het Volk denkt is enkel ijdelheid, alles wat het onderneemt enkel pure dwaasheid. Het is voldoende dat de Vorsten het leren te manipuleren met mooie woorden, te verleiden en te bedriegen met schone schijn, te lokken en te gebruiken voor hun plannen door middelvan pennen die clandestiene boekjes, manifesten, verweerschriften en verklaringen schrijven volgens de regelen der kunst, om het bij de neus te nemen en het alleen al op het etiket de inhoud van de hele zak te laten goedkeuren of afwijzen.Om die reden acht ik het schrappen van het verhaal over de samenzwering van de Pazzis, die het hoogtepunt van staatspolitiek aller tijden vormt, net zoiets als had men bij Uw project en bij Uwe Eminentie het hart zelf uitgerukt!

 

Lees verder »

Antonio Muñoz Molina – De nacht der tijden

17 januari 2012

Antonio Muñoz Molina – De nacht der tijden – Uitgeverij De Geus 2011

Om ‘La noche de los tiempos’ – ‘De mist der tijden’ te doorgronden moet je moed aan de dag leggen, gretig willen weten, verbitterd durven dromen, met pijn kunnen lezen, ontgoocheld en beschaamd mogen twijfelen. Zoveel decennia na de obligate heldenverhalen bij het einde van het Franco tijdperk is het me eindelijk – zij het niet zonder moeite – gelukt om Madrid op een andere manier te zien dan doorheen de republikeinse driekleur, in een mooie vertaling van Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan – van Braam.

De fenomenale Spaanse auteur Antonio Muñoz Molina drapeert zijn forse roman rond de gevoelens van hunkering, angst en de heimwee der ontheemden van de Spaanse dichter Pedro Salinas (1891-1951) die in 1936 de Spaanse burgeroorlog ontvluchtte naar de VS, naar zijn minnares. Door de ogen van zijn hoofdpersonage Ignacio Abel, een gerenommeerd architect, wordt de chaos van de burgeroorlog in en om Madrid geproefd en gewogen. Zijn vertrek ervaart hij zoals Pedro Salinas tussen onschuldige vluchter en schuldige deserteur.
De roman heeft zeker in het eerste deel een Proustiaanse toonzetting, waardoor de  gevaarlijke chaos en het willekeurig toeval door de grote principes van de Spaanse burgeroorlog nadien nog oorverdovender klinken, waardoor in het slotgedeelte de ballingschap scherper schrijnt.

In ‘Sefarad, het boek der ballingen’ had Antonio Muñoz Molina mij reeds een paar rake voorzetten bezorgd:
“Willi Münzenberg ontdekte als een der kopstukken van de Derde Internationale dat intellectuelen met een zekere maatschappelijke positie zichzelf graag als radicalen beschouwden, en dat revoluties ver van hun bed een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hen uitoefenden.” (149)

“Gezonde mensen houden afstand van zieke mensen, schreef Frans Kafka eens aan Milena Jesenska, maar ook zieke mensen houden afstand van gezonde”. (201)

“Wie zou zo lichtzinnig kunnen zijn een leven te verzinnen, als er zoveel levens zijn die het verdienen om naverteld te worden, want elk van die levens is een roman op zich, een netwerk met vertakkingen naar andere romans en andere levens.” (421)

“Wie een verhaal verzint heeft de ijdele overtuiging dat hij zich meester maakt van de plaatsen, voorwerpen en mensen waarover hij schrijft”.(438)

 


42. Zo veel geweld in Spanje, zo veel ruwheid, misdaden uit hartstocht en wrede in bloed gesmoorde anarchistische opstanden, botte afkondigingen vanuit de kazerne; zo veel heiligen, martelaren, fanatici, zoals op die schilderijen in het Prado waarop de gemartelde huid van de asceten lijkt te schuren als de jute waarin ze zijn gekleed, met ogen waarin een visioen van zuiverheid brandt dat onverenigbaar is met de echte wereld: en ook het schorre gejuich en gejoel uit de rauw geschreeuwde kelen, de verruwing die geleidelijk aan bezit heeft genomen van dat Madrid waar hij zo van houdt, maar waarin hij steeds minder de straat op durft, weerhouden door het ongenoegen van een man die niet jong meer is en elke verandering meer en meer als een persoonlijke belediging begint op te vatten. De lompheid van de politiek, de schending van idealen waarin uiteindelijk niemand hem gevraagd heeft te geloven, hoewel ze hem een tijdlang zo dierbaar waren, vol rationele beloftes en mooie verwachtingen even mooi als de vlaggen die boven op de gebouwen wapperden tegen een blauw dat net zo helder en nieuw was als het driekleurige doek. Hoe typerend voor hem dat zijn politieke opvattingen, al heel snel getemperd door scepsis – over de laagheid van de menselijke geest, de beperkte reikwijdte en verregaande bekrompenheid van het Spaanse leven – zo verbonden waren met de esthetische grillen van het moment, met zijn voorkeur voor die driekleur boven de alledaagse rood-gele vlag van die schavuit van een koning die door niemand werd gemist, hoewel hij ook niets zag in de rood zwarte vlag die fascisten en anarchisten om de een of andere onbegrijpelijke reden deelden en de compleet rode met hamer en sikkel die momenteel zo in de smaak viel bij een aantal vrienden van hem, die plotseling enthousiast waren over de Sovjet-Unie, over de fotocollages van arbeiders, soldaten met lange kapotjassen en bajonetten, tractoren en waterkrachtcentrales, over hemelsblauwe hemden, koppelriemen, gebalde vuisten. Misschien begreep hij hen niet of; erger nog, geloofde hij niet in de oprechtheid of overtuiging van hun zienswijzen omdat ze jonger waren dan hij, of omdat ze meer succes hadden, hij zag hen aan het einde van literaire banketten opstaan om strijdliederen te zingen en wat hij voelde was geen ideologisch verschil van mening maar plaatsvervangende schaamte. Hij had nooit kunnen meedoen met zo’n openbaar vertoon zonder van buitenaf naar zichzelf te kijken Hij was natuurlijk een bourgeois, of eigenlijk niet eens dat, een rentenierende ambtenaar: maar sommigen van hen, van zijn oude vrienden, waren dat veel meer, rijkeluiszoontjes die nooit echt hadden gewerkt, maar die het wel heel serieus over de dictatuur van het proletariaat hadden terwijl ze, op het terras van het Palace, hun benen over elkaar sloegen met een whisky in de hand, nadat ze zich bij de kapper van het hotel hadden laten knippen en scheren. Ze voorspelden de naderende ondergang van de Republiek, onder de voet gelopen door de triomfantelijke zegetocht van de sociale revolutie: tegelijkertijd voeren ze er wel bij door voor zichzelf officiële reisjes naar conferenties in het buitenland te versieren of door salarissen op te strijken voor vage culturele activiteiten.

 

381. Mannen, had Adela gemerkt, hadden geen oog voor hun eigen zwakheden, vooral niet als ze bereid waren ietwat schaamteloos hun principes even opzij te zetten. Haar konden die uitgesproken principes van haar man minder schelen dan hem, zodat ze geen moeite had met zijn tijdelijke sympathie voor twee of drie aartsconservatievelingen uit de hofkliek van de koning die erefuncties bekleedden bij de Raad van Toezicht op de Bouwwerkzaamheden en oude bekenden waren van don Francisco de Asis. Zijn welwillende schoonvader die goed lag bij het regime, waarvan niemand de nabije val vermoedde, schreef brieven, zorgde voor ontmoetingen, prees met veel omhaal van woorden de verdiensten van de echtgenoot van zijn dochter aan. Ze zag het allemaal van nabij: ze merkte op wat hijzelf niet in de gaten had, de begerige glans in zijn ogen, het plotselinge gemak waarmee hij openstond voor een zekere mate van oprechte vleierij; het sterke verlangen dat altijd al in hem had gezeten en dat de oorzaak en niet het gevolg was van altijd onbevredigde verlangens, niet altijd even duidelijk geformuleerd in zijn eigen bewustzijn, laat staan besproken met haar. Wat kon zij hem geven, welke bevrediging of zelfs maar troost, opgevoed als ze was als een intellectueel gemankeerd wezen, als een van die Chinese vrouwen van wie van kinds af aan de voeten afgebonden waren?

 

Monaldi & Sorti, Mysterium

16 januari 2012

Monaldi & Sorti, Mysterium  Uitg. Cargo De Bezige Bij 2011

Mysterium uitgebreid boekbericht

In hun debuutroman Imprimatur suggereren Monaldi en Sorti na speuren in de Vaticaan-archieven dat de Nederlandse protestante stadhouderWillemIII in 1688 de katholieke Engelse koning kon verdrijven dankzij geldelijke steun van Paus Innocentius XI. Ze kregen bijval van Spaanse historici voor hun bewering in hun tweede boek Secretum dat de handtekening onder het testament van koning Carlos II (1661- 1700) vervalst was om Filips van Anjou, de kleinzoon van de Zonnekoning, aan de Spaanse troon te helpen. Anjous afstammeling Juan Carlos, de huidige koning van Spanje, zou dus onwettig op de troon zitten. Na Veritas volgt nu Mysterium.

‘Wie zich in een roman waagt van Rita Monaldi en Francesco Sorti waant zich in een kamer waarin alle schilderijen ondersteboven hangen en het meubilair aan het plafond is vastgelijmd. Al bijna een decennium lang zaait het Italiaanse schrijversechtpaar verwarring met hun boeken vol historisch revisionisme,waarvan tot nu toe wereldwijd twee miljoen exemplaren werden verkocht’, aldus  de Volkskrant van 12 september 2011.

Vaak is het meeslepend en schitterend met levendige dialogen, soms ook bijzonder vermoeiend voor niet ingewijde lezers, maar steeds zet hun verhaal en hun verbijsterende eruditie en onderzoek aan tot reflectie over onder- of onbelichte kanten van belangrijke historische gebeurtenissen en machtswissels.

Eens te meer – en meer nog dan voorheen – krijgen de auteurs de volle laag van ook de Vlaamse academische wereld wiens pretenties zij proberen onderuit te halen. Spijtig genoeg lijken veel van die reacties eerder ingegeven door de wet van behoud van massa dan het kritisch reflecteren over het eigen als wetenschappelijk omschreven corpus.

Met ‘Mysterium’ gaan ze nog een stukje verder en pakken ze het klassieke corpus aan als grotendeels verzonnen en vervalst door Middeleeuwse monniken voor financiële, politieke, en religieuze propagandadoeleinden, inclusief de mythologie van de Alexandrijnse bibliotheek die nooit als dusdanig heeft bestaan en dus ook nooit een afgebrande ruïne kon nalaten.

Hun licht op de rol, functie en organisatie van de Barbarijse zeerovers onthult veel minder fraais dan de voorgekauwde clichés: in feite ging het vooral om Italiaanse, Franse en Nederlandse kapiteins en vechtmatrozen die hun beurs vaak met veel succes naar de belangen van de Turkse sultan en hun Noord-Afrikaanse beys lieten hangen, tot en met hun schepen, tuig en bewapening die voor goud geld besteld, gestolen of hersteld werden in christelijke havens en steden.

De uitgebreide discussie over Galilei en de Barbarini Paus Urbanus VIII is verhelderend en belangrijker dan de romantische marxistische verhaaltjes die in recentere tijden over de sterrenkundige en zijn vermeende verzet tegen de inquisitie werden bij elkaar gedicht.

Kras vond ik vooral onderstaand citaat waar de auteurs in hun addenda bij Mysterium schetsen hoe het Egyptische Museum in Berlijn  – toen nog in Charlottenburg – een reusachtige campagne lanceerde over een vermeende handtekening van goedkeuring van maar liefst Cleopatra zelf.  Zelf ben ook ik in deze vervalsing getapt bij ons bezoek aan de tentoonstelling.

747. Onder de vervalste papyrussen of onder de semihallucinaties waarin de papyrologen vervallen, worden echter nog amusantere gevallen gesignaleerd, zoals de ongelofelijke kwestie waarin het Egyptisch Museum van Berlijn-Charlottenburg de hoofdrol speelde. De conservatoren van het museum toonden de Duitse media een papyrus waarin in het Grieks een contract was opgesteld door middel waarvan een Romeinse officier zich laat omkopen (cfr. Der Spiegel 44/2000). Alleen zo zou de geschiedenis al heel grappig zijn, want het laatste wat een omgekochte persoon en zijn omkoper zouden doen, is een bewijs in omloop brengen dat hen beiden klemzet. Het toppunt is echter dat de conservatoren van het Berlijnse museum in een Griekse uitdrukking van instemming (genesthoi = ‘laat het zo zijn’) op het kleine fragment de paraaf voor gezien meenden te herkennen, naast de bekentenis van een vergrijp!, van niemand minder dan de beroemde Cleopatra, de koningin van Egypte. De prestigieuze Spiegel en zijn lezers hebben, evenals andere media en andere miljoenen lezers, die kolossale, potsierlijke flauwekul braaf geslikt.

 


175. Het was geen toeval, beste Atto: die namen en die titels – waarvan Petronius zijn Satyricon maar een van de vele voorbeelden zijn – waren, zijn en zullen voor het gros van de mensheid geheel onbekend blijven, maar ze regeren met ijzeren vuist over haar gedachten, reacties, neigingen, gebruiken, overtuigingen. De mensen denken, reageren, geloven zonder zichzelf geheel en al meester te zijn, ze zijn ongemerkt onderworpen aan de modellen zoals verhaald door Petronius, Cicero, Seneca, Lucretius, Horatius, Vergilius, Ovidius en vooral Plato en Aristoteles, Namen die het volk vooral iets voor een paar geleerden vindt, maar die de tirannen van de wereld zijn, zoals je aan het eind van ons avontuur misschien geleerd hebt.

522. Maar vreemd genoeg is Sextus Empiricus , die ten tijde van keizer Marcus Aurelius geleefd zou hebben, dus vijfhonderd jaar na die filosofen, pas vierhonderd jaar na zijn dood jn geschreven vorm tot ons gekomen. Is dat niet wat laat? Wij ontzeggen de Heilige Schrift het geloof, maar hechten dat graag aan andere teksten. Toch komt de Schrift niet zo lang na de gebeurtenissen die erin worden beschreven als de handschriften die ons de werken van de antieke auteurs overleveren. Neem om te beginnen Plato en Aristoteles: we weten allemaal dat de oudste handschriften van hun werken uit de negende eeuw dateren, dus wel twaalfhonderd jaar na Plato en Aristoteles zelf. En dan de antieke Griekse historici Herodotus en Thucydides: dertienhonderd jaar. Caesar en Tacitus: duizend jaar. Suetonius achthonderd jaar. Plinius 750 jaar. De lijst zou nog wel even kunnen doorgaan. Maar van het evangelie zijn de oudste handschriften niet meer dan 275 jaar van Christus verwijderd. Kijk, zie je? had Bouchard opgemerkt: Dat zijn onbetwistbare gegevens die iedereen kent. Maar toch denkt niemand erover na. Waarom a priori meer afgaan op Plato en Aristoteles, van wie de ons bekende handschriften – aangenomen dat ze authentiek zijn – dateren van twaalf eeuwen na hun leven, en niet op de vier evangelisten, van wie we handschriften hebben die maar twee of drie eeuwen van de verhaalde feiten afliggen? Waarom zou het verhaal van Lucas of Mattheus minder waard moeten zijn dan het verhaal van Herodotus of Thucydides, van wie de geschreven getuigenissen omtrent de feiten die ze ons berichten met dertien eeuwen vertraging in ons bezit gekomen zijn? Dat niet alleen: de handschriften van de evangeliën zijn zes eeuwen ouder dan die van Plato, Aristoteles en consorten. Waarom zijn er van hen geen even oude handschriften als die van de evangeliën tot ons gekomen? Vind je dat niet onlogisch, vooral als je nagaat dat Plato, Aristoteles en de anderen eeuwen voor Christus hebben geleefd? Let wel, ik vraag je niet te geloven in de Verlosser: ik vraag je alleen iets wantrouwender tegenover de handschriften van Plato, Aristoteles en Thucydides te staan, omdat ze beoordeeld moeten worden op grond van hun afstand tot de vermeende feiten. En laat de inhoud van de verschillende handschriften, of ze nu heidens of christelijk zijn, maar zitten: het gaat om de methode. Weten we wel zeker dat de leer van Plato, die zo op het christendom lijkt en die volgens ons ouder is dan Christus, zodat we het geloof een vermystieking van de platonische filosofie achten, niet na de Verlosser is ontstaan? Als we zo de evangeliën uitvlooien, waarom gebruiken we dan nooit dezelfde scepsis tegenover Plato en Aristoteles, maar slikken we die als waren het orakels? Jezus heeft nadrukkelijk om een geloofsdaad verzocht om in hem te geloven; hij heeft nooit gezegd dat het geloof in hem te onderzoeken was door de menselijke rede, hij heeft juist het tegendeel gezegd. Maar Plato en Aristoteles zijn filosofen, en willen dus geloofd worden via het instrument van de rede. Ik kan dus als je het goedvindt, toestaan dat men met de ogen dicht en zonder onderzoek te doen in Jezus gelooft, maar niet dat men dezelfde blindheid hanteert bij Plato en Aristoteles. Toch gebeurt juist het omgekeerde: we onderwerpen Christus aan elke kritiek en controle, alsof hij had gevraagd om in hem te geloven met de rede en niet met het geloof, terwijl we voor de twee Filosofen de rede het zwijgen opleggen zonder onderzoek te doen. Elk van deze doctrines zou, vind je niet?, beoordeeld moeten worden met zijn eigen basiscriterium: de godsdienst met het geloof, de filosofie met de rede. Het is absurd dat we precies het omgekeerde doen: we willen de godsdienst beoordelen naar de rede, en hechten geloof aan de filosofie! Als we twijfelen aan de handschriften van de evangeliën, die een paar eeuwen van de gebeurtenissen die ze verhalen verwijderd zijn, waarom geloven we dan onvoorwaardelijk aan de handschriften van Plato en Aristoteles, die dateren van twaalfhonderd jaar na de twee filosofen, de vermeende auteurs ervan? Ik had je gewaarschuwd, vriend Naudi, dat niet zozeer de (altijd moeilijk vast te stellen) feiten in het geding zijn, maar, als je goed kijkt, de Tijd.

727. Het idee dat de chronologie sterk is ‘opgeblazen’ is al heel oud. Het zegt genoeg dat ook sterrenkundigen en wiskundigen van internationale allure dit volop hebben geopperd en betoogd, en niet alleen op zichzelf staande, solitaire boekengeleerden als Jean Hardouin. In sommige gevallen ging het zelfs om een gemeenschappelijke onderneming van specialisten uit een of meerdere disciplines. Het debat, dat grotendeels door de media wordt genegeerd, is spannend en zeer complex. We noemen hier slechts een paar essentiële momenten. (...) In de eeuw daarna beweerde de historicus Edwin Johnson (1842-1901), de Engelse vertaler van de Prolegomena van Hardouin, dat de eeuwen vanaf de achtste eeuw na Christus tot de veertiende eeuw moesten worden geschrapt. De geschiedenis van voor de eerste helft van de veertiende eeuw is zeker lastig te onderzoeken door de zwarte pest, die in 1348 twee derde van de Europese bevolking wegvaagde. We hoeven maar te vermelden dat de weinige overlevenden hier dankbaar gebruik van maakten door valse documenten van de nagelaten bezittingen van de massa overleden families op hun naam zetten. Het schijnt zelfs dat de grote namen van het kapitalisme die begin 1350 al rijkelijk opgedoken zijn, van de Fuggers in Duitsland tot de Odescalchis in Itali, sluwe machtsgrepen hebben gepleegd op een flink aantal eigendomsakten die zonder eigenaar waren gebleven ( en zonder notaris die de originelen van de documenten beheerde…)

In hun boekenweekgeschenk 2011 ‘Versluiering’ wordt het vervolg op Mysterium onthuld: ‘Versluiering’.

De hele geschiedenis past in een ingewikkeld en langdurig manoeuvre van kardinaal Mazarin om Louis XIV tot absoluut heerser op te leiden en op de troon te solderen door de tegenstanders op briljante en versluierde wijze uit elkaar te spelen.

‘Versluiering is enkel een sluier bestaande uit eerlijk duister, waardoor zich niet het onware vormt, maar rust geboden wordt aan het ware; en zoals de natuur heeft gewild dat er in de wereldorde dag en nacht ligt, zo dient er binnen de werken van de mens licht en schaduw, openlijke en verholen vooruitgang te zijn’.

Monaldi & Sorti, Versluiering 2011

 


298.’Mocht het je op een dag gebeuren, Romeinse castraat, voeg je dan in het gevolg van een gezant, werp een blik op de scheepswerven van Tripoli, Algiers, Tunis, en praat met de gilden. Je zult zien dat de timmerlieden, de scheepmakers, al het werktuigbouwkundig volk bestaat uit Italianen uit Napels, Veneti, Genua en Palermo, betaald om in Barbarije de schepen te bouwen waardoor later hun landgenoten worden geënterd. En waarvandaan, denkt u, komen de katrollen, de sluitringen, het want, de kompassen, de krukassen, de zeilstoffen waarmee je die schepen bouwt, en die niemand in die regentschappen kan vervaardigen? Ze worden gekocht van Engelsen en Hollanders, die hun waren op maat gemaakt voor de behoeften van de Barbarijers op de markt van Livorno brengen. Daar verkopen Joodse kooplieden ze voor het vijfvoudige door aan de afgezanten van de regentschappen. Jullie christenen. hebben zo’n grote mond tegen ons Barbarijse kapers, maar met de rechterhand bevechten jullie ons met schepen en kanonnen, terwijl jullie ons met de linker volstoppen met geld en wapens. De schrik vanuit het oosten wordt vanuit het westen gewenst, geduld, georganiseerd. Zonder jullie zouden wij niet bestaan; de drie regentschappen van Barbarije zouden al onbewoond zijn en in armoede verkeren! Jullie zien alleen de façade opbloeien: de weinige afvallige legeraanvoerders, berucht en gehaat, die uit alle christelijke landen komen, Italië, Griekenland, Frankrijk en Spanje incluis. Maar het vlees en bloed van de piraterij en de kaperij komen uit het diepe noorden van jullie landen, uit het donker en de kou van de noordelijke kusten van Holland, Denemarken, het Hanzeverbond, Zweden, Engeland, van die openbare kluizen, van de handelsraden, de kanselarijen. En zo is het en zo zal het altijd blijven. Laten we het ook maar zeggen: jullie hebben geen flauw benul meer van de armoede in de landstreken van Mohammed. Om de belastingen te innen moeten de regenten hele legers naar het binnenland sturen, tot aan de bedoeïenendorpen toe, die hen vanaf de zandduinen begroeten met schoten van hun haakbussen. Zonder het geld van jullie Nazareners zou er geen redding zijn! Tot een paar uur voor de overwinning van Lepanto hadden jullie nog onderling ruzie. Een paar uur na Lepanto ruzieden jullie, ondanks de zege van Lepanto, alweer. Venetië, het christelijke Venetië, is althans in woorden heel blij als de Barbarijse schepen de Spaanse galjoenen tot zinken brengen. Spanje, het katholieke Spanje, of zo laat het zich noemen, geniet ervan als de Turken de Venetiërs Candia, Moerbeiland of Korfoe afhandig maken.

Monaldi & Sorti, Mysterium

vrt deredactie.be – opinie: Op zoek naar een verslavende passie…

15 januari 2012

Op zoek naar een verslavende passie…


11 / 01 / 2012



“Als artsen ons aanbevelen om een dieet te volgen en te sporten, dan nemen we hun goede raad ter harte, al lukt het ons maar zelden om die discipline lang vol te houden. We zijn nu eenmaal mateloze wezens die meer willen genieten dan goed voor ons is. In tegenstelling tot andere zoogdieren, die blijkbaar geen hogere genotsvormen kennen, hebben wij de neiging om voortdurend onze natuurlijke grenzen te overschrijden, op zoek naar een zin in ons bestaan
.’ Peter Venmans, Het derde deel van de ziel – Over thymos. 

Na de feesten van het einde en het nieuwe begin en heroïsche twistgeschriften over wat nu precies wetenschappelijk is en wat allemaal zonder waarheidspredicaat afgevoerd moet worden, kan het geen verrassing zijn dat een filosoof korte metten maakt met de zoveelste reeks goede voornemens die nog voor het einde van deze maand zullen sneuvelen.
En dan kwam er nog een wetenschappelijk artikel uit The New England Journal of Medicine bovenop waaruit blijkt dat laagcalorische diëten op termijn een gestage kiloklim triggeren omdat allerlei hormonen aangepord worden die een zoveelste uithongering van ons geteisterde lijf moeten vermijden.

Jojo met Joschka

Een fascinerend voorbeeld van dit jojo-effect was de ‘groene’ Duitse minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer. Deze zoon van een Hongaarse slager hield er in de nationale politiek een Bourgondische levensstijl op na. Als vice bondskanselier deed hij een gooi naar nog grotere populariteit door een alcoholvrij crashdieet te volgen gepaard aan dagelijks joggen. De maandelijkse confrontatie met zijn even zwaarwichtige politieke opponent, Helmut Kohl, in de Bundestag gaf hem vleugels terwijl Kohl nauwelijks nog rechtop kwam, oog in oog met Fischers gewichtsverlies. Hij verloor op een jaar ruim 35 kg en liep de marathon van New York in 2001. Zijn boek ‘Veertig kilo later’ werd een bestseller.

Inmiddels zit Herr Fischer weer beter dan ooit in het vlees.

Op langere termijn gaat het niet om crash-diëten of andere wonder-diëten.
Ook de slachtoffers van bariatrische heelkunde met verkleinde magen en versleutelde spijsverteringssystemen blijken na tien jaar of vroeger hun vaak spectaculair gewichtsverlies weer te hebben terugverdiend.

Overlevers

Wij stammen immers af van de overlevers van de grote hongersnoden die de evolutie van onze voorouders teisterden. Ons lijf is geprogrammeerd op een optimaal energieverbruik en bij tekorten (al dan niet kunstmatig opgewekt) worden al onze erfelijke overlevingsmechanismen op gang getrokken. Eens gerodeerd blijven die stand-by om iedere hongeraanval te pareren.

‘Ongelooflijk dokter, ik eet minder dan bij alle vorige diëten en toch word ik dik van ademen – Ik weet er alles van mevrouw, strenge diëten maken het op termijn alleen maar erger’.

Het wordt dus wachten op antihormonen en andere farmaceutische alchemie om die overlevingstechnieken te omzeilen en onze hongermodulatie te misleiden. In afwachting is er een weinig hoop: matigen, variëren en bewegen, en vooral een genoeglijke verslaving kweken.
We deden het reeds gretig en volhoudend met tabak, alcohol, vet en suiker. Niet iedereen was er even goed in. Laat staan in het stoppen van die verslavingen. En de moeilijkste van alle blijkt die van het eten.

Ademen kan zonder nicotine, drinken kan zonder alcohol maar afvallen kan niet zonder eten. Zeker niet in snelle en onzekere tijden waar frustraties vaak tot verslaving leiden, waar existentiële leegte gretig gevuld wordt met lekkers en zoet.

Verslaven en bewegen

Bewegen helpt verbranden en bij verstandige technieken die overbelasting vermijden, kan de eigen endorfineproductie een verslavend genot bezorgen. Andere voedselmijdende verslavingen helpen ook, maar de vraag is of je daar op langere termijn meer baat bij zal hebben. Roken, opwekkende drugs, opiaten en alcohol helpen bij afvallen, maar veroorzaken vaak erg veel andere ellende.
Het wordt dus zoeken naar een heerlijke passie als verslaving. Bewust eten bijvoorbeeld om ons brein te misleiden met fijne vetten en eiwitten maar zonder suiker.

We moeten dus niet de illusie koesteren dat we met onze rede soevereine meesters zijn over ons lichaam. Een verstandig mens beseft dat de kracht van zijn verstand beperkt is en probeert zichzelf om de tuin te leiden door gezonde en gelukkig makende verslavingen te ontwikkelen in plaats van schadelijke.
Wat alle ware sporters je zullen vertellen, is dat al die tegennatuurlijke inspanningen onmogelijk zijn zonder een stevige dosis fanatisme. Het gaat nooit alleen om gezondheid – dat is maar een rationalisering – maar om de passie van het sporten zelf die je in haar greep heeft
.’ (Peter Venmans, Over thymos).


 

Chan Koonchung, De vette jaren.

15 januari 2012

Chan Koonchung, De vette jaren. Uitg. Signatuur 2011  vert. Yves Menheere

Een boek dat ondanks de soms wat moeilijk te doorgronden structuur bijblijft omwille van de heldere analyse van de macht en haar berijders, dit keer door de ogen van een wijze bons uit het politbureau van de Chinese Communistische Partij.

Veel geraffineerder dan Orwells 1984, wegens ook bijna 30 jaar later.

Het nawoord door China expert Julia Lovell helpt:

260. Maar het verontrustende van ‘De vette jaren’ gaat verder dan het ongemakkelijke gebrek aan afstand tot de realiteit. De roman schetst een goed gelijkend beeld van China, en duwt dat vervolgens over de grens van het geloofwaardige. Het China van Chan is zelfgenoegzaam op het griezelige af. ‘iedereen beweert tegenwoordig dat China het beste land ter wereld is: zegt Chans hoofdpersoon al vroeg in het boek, als hij ziet hoe ‘al die verschillende, beroemde intellectuelen hier in harmonie bij elkaar [zijn], allemaal zo oprecht blij en enthousiast. Het tijdperk van vrede op aarde was daadwerkelijk aangebroken.

261. Hoewel het autocratische regime van De vette jaren minder gruwelijk is dan Orwells Ingsoc in 1984, brengt de ingetogen waarschijnlijkheid van Chans dystopia een duidelijke waarschuwing omtrent de nabije toekomst van China met zich mee. Als het martelen door O’Brien bijna ten einde is, vraagt Orwells hoofdpersoon Winston Smith zijn beul waarom de Partij naar macht streeft, en her verwacht een zelfzuchtig sentiment, over hoe de dictatuur ‘het beste voor de bevolking’ zoekt. Zijn kwelgeest koestert echter geen van die illusies: ‘De Partij streeft naar macht, geheel als doel op zich. We zijn er niet in geïnteresseerd het goede te doen voor anderen; we zijn uitsluitend geïnteresseerd in luxe, geluk of een lang leven:  alleen in macht, pure macht Het doel van martelen is het martelen. Het doel van macht is de macht: in He Dongsheng, de vertegenwoordiger van het communistische regime in De vette jaren, die uiteindelijk het masterplan van de regering, ‘om het rijk op orde te brengen en de wereld te pacificeren’ onthult, is een veel zachtere dictator wiens beleid – net als dat van de huidige Chinese regering – meer is gestoeld op de actieve goedkeuring van zijn onderdanen.

262. In het echte leven is Chan wat genuanceerder in zijn kritiek op het vermogen tot collectief geheugenverlies van de Chinezen: ‘In dit land raken herinneringen vreselijk vervormd: mensen die nu vijftig zijn, zeggen dat de regering gelijk had toen ze de protesten in 1989 neersloeg. En veel mensen vergeten dat de periode tussen 1989 en 1992 een ijstijd was, voordat Ch in a de marsroute naar de vrije markt insloeg. ik vind niet dat gewone mensen zich al te veel bezig moeten houden met herinneringen – dat is niet goed voor hen, en het is niet hun taak. Het zijn de intellectuelen die niet mogen vergeten. Maar tegenwoordig kunnen ze niets meer zeggen. Ze kennen de risico’s als ze zich wel uitspreken: dat er een enorm verschil is tussen de goedkeuring van de regering hebben en die niet hebben, als het gaat om de huisvesting die je krijgt toegewezen, om toegang tot internationale beur-en en ga zo maar door: Chan is zelfs in staat de voordelen te zien van He Dongshengs plan ‘om het rijk op orde te brengen en de wereld te pacificeren’. ‘Ik zag de economische crisis in de roman als een geweldige kans voor de regering om de macht in handen te krijgen. Dat was de beste manier om alles op z’n pootjes terecht te laten komen; mijn scenario was het meest optimistische.

 


209. ’Waarom? Waarom moest het volk zo bang worden gemaakt?’ vroeg Fang Caodi kwaad. ‘Het begin van de crisis was cruciaal,’ doceerde He Dongsheng. ‘Als we het aan het begin niet goed hadden aangepakt, zou het uit de hand lopen. De crisis was vreselijk ernstig en had zeker tot landelijke ongeregeldheden kunnen leiden. In eerste instantie was het misschien een economische crisis, maar allerlei sociale tegenstellingen die al heel lang lagen te sluimeren, konden makkelijk tot uitbarsting komen. Als de reactie van de regering te zacht of niet ingrijpend genoeg was geweest, dan zou het volk ontevreden blijven en de woede alleen maar erger worden. Maar als de regering meteen met zwaar geschut was komen aanzetten, zouden er ook groepen geweest zijn die dat niet hadden kunnen verdragen en in opstand waren gekomen. Hoe dan ook, de regering zou altijd de schuld krijgen. De meeste massale incidenten in het China van toen waren het gevolg van conflicten tussen het volk en de regering, behalve misschien als het om incidenten met minderheden ging. Het volk was er langzaam van overtuigd geraakt dat problemen pas opgelost zouden worden als er veel kabaal werd gemaakt. Om die reden konden zelfs de kleinste dingen aanleiding geven tot een massaal protest. Onze inschatting was dat wanneer er in het bete land massale protesten zouden uitbreken, de regering onmogelijk in staat zou zijn om elke brandhaard afzonderlijk aan te pakken. In dat geval zouden de woede en onvrede van het hele volk zich op de regering richten. Hoeveel politie, leger en andere machten we ook zouden hebben, het staatsapparaat zou ineenstorten. Daarom moesten we er in eerste instantie voor zorgen dat de woede zich niet op de regering richtte. We kwamen tot de conclusie dat er maar één manier was om dat doel te bereiken: we moesten ervoor zorgen dat het volk zichzelf de stuipen op het lijf joeg. De mensen moesten bang worden dat de regering zich niet meer om hen bekommerde, ze moesten bang worden voor anarchie, wat Hobbes een oorlog van allen tegen allen noemde. Om zijn woorden in Leviathan te gebruiken: in een natuurlijke situatie is het menselijk bestaan eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort. Een situatie waarin leven en bezit niet meer zeker zijn is de ultieme angst. Denken jullie er maar over na: die angst dat het in China tot grote ongeregeldheden zal komen, wordt die niet hierdoor ingegeven? Iedereen is bang voor anarchie, voor grote wanorde. En daarom is ook iedereen bereid om neer te knielen voor die heus niet zo schattige leviathan. Alleen dit monster kan ieders leven en bezit veiligstellen. Het volk had geen andere keus dan de staat het monopolie op legaal geweld te geven. Du s als wij onze krachten wilden concentreren om tot grote dingen te komen, dan moesten we ervoor zorgen dat het volk inzag dat de Communistische Partij in deze tijden van grote moeilijkheden de enige hoop was.’

211. Deze crisis is anders; hij is als de grote depressie van de jaren dertig en zou zomaar tien jaar kunnen aanhouden. Hoe je ook zou volhouden, hij gaat niet zomaar voorbij. Daarom waren we gedwongen om op te treden. Hoewel stabiliteit altijd de hoogste prioriteit had, was dit niet het doel. Stabiliteit was noodzakelijk om tot “grote dingen” te komen. Daarom moet je in buitengewone tijden of crisissituaties altijd eerst hard optreden. Je jaagt iedereen de stuipen op het lijf en daarna gebruik je die periode waarin iedereen die angst nog voelt, om je nieuwe beleid erdoorheen te jagen:

 

 

Chan Koonchung, De vette jaren

 

vrt deredactie.be-opinie: Na de vette jaren….

4 januari 2012

Na de vette jaren…

28 / 12 / 2011


“Hoewel stabiliteit altijd de hoogste prioriteit had, was dit niet het doel. Stabiliteit was noodzakelijk om tot ‘grote dingen’ te komen. Daarom moet je in buitengewone tijden of crisissituaties altijd eerst hard optreden. Je jaagt iedereen de stuipen op het lijf en daarna gebruik je die periode waarin iedereen die angst nog voelt, om je nieuwe beleid erdoorheen te jagen.” Chan Koonchung, De vette jaren

Dezer dagen worden gevuld met spijs en drank en bij gebrek aan sneeuw en ijs is de lucht zwanger van wensen van mensen van goede wil. Muziek voor het leven hielp eens te meer – met nog meer succes dan vorig jaar en een paar miljoen van ’s lands nieuwe bestuurders – de verschrikkingen van de werkelijkheid te weren. Voor de laatste keer… Of toch niet want volgens ervaren marketingdeskundigen die in de vaderlandse pers gratis hun nieuwjaarsadviezen delen kan deze succesformule na de vette jaren nog goed van pas komen voor deze tijdelijk gulle bestuurders.

Waar is dat feestje?

Zeker na de vette jaren boden offergaven voor het oog van de ander soelaas en hielp synchroon bewegen in groep op de tonen van opwekkende muziek tegen de pijn van het onvermijdelijke.

Zeker, Music for Life was een gigasucces vol positivisme voor wie dorst naar gerechtigheid na anderhalf jaar zonder federale regering maar met beurs-, bank- en euro-crisissen. Een feestje met ‘iedereen een beetje beroemd’ want volgens Marc Michils, CEO van Saatchi&Saatchi is ‘altruisme een vorm van individueel geluk. Onbaatzuchtig handelen betekent een kans het eigen geweten op te poetsen. Door een actie breng je de wereld toch iets meer in evenwicht. Studies hebben aangetoond dat mensen die zich onbaatzuchtiger gedragen, ook gelukkiger zijn. ‘

Dat dit niets van doen heeft met de officiële doelstellingen van de actie tegen ‘diarree grootste doodsoorzaak ter wereld bij kinderen’, wordt hier helder en precies geformuleerd. Het gaat niet om de ander, het gaat helemaal niet om kindersterfte door buikloop, het gaat om jezelf als deelnemer in de ogen van wie voor jou betekenis kan hebben. Meer nog, ernstige kritiek op de besteding van de ingezamelde giften (toch dik 7 miljoen Euro) wordt vakkundig verzwegen. Het gaat immers om het goede te doen om dat goede zelf, voor en door jezelf. Het heeft niets meer van doen met het vooropgestelde doel laat staan met het reële resultaat.

Inmiddels werd ‘Music for Life’ door reclamegoeroes tot publieksdomein verklaard en handig opgepikt door de organiserende instanties in tegenstelling tot ‘Pukkelpop’ dat na de wervelstorm jammerlijk de kans had gemist op eenzelfde aureool voor en door zijn bezoekers.

Winter na de lente

Zeker, er was ook leed genoeg in het voorbije jaar om blijvend te herinneren, naar ernst, omvang, dreiging en nabijheid. Door economische klimaatveranderingen volgde op een zelfverklaarde lente een eindeloos bloedige winter. Natuurrampen kregen de allures van wraak door toornige goden, voortekenen voor de implosie van uitgeputte machtsverhoudingen, de val van in zichzelf gekeerde politieke dynastieën ver weg en heel nabij. Beurzen in casinorood, corrupte rating-bureaus, tuchtigende markten, energieprijzen bepalen wel en wee, werk en pensioen van onzekere burgers.

In ‘De vette jaren’ formuleert een ervaren lid van het Chinese partijbureau voor vergelijkbare tijden een goed doortimmerd scenario: “We moesten ervoor zorgen dat het volk zichzelf de stuipen op het lijf joeg. De mensen moesten bang worden dat de regering zich niet meer om hen bekommerde, ze moesten bang worden voor anarchie, wat Hobbes een oorlog van allen tegen allen noemde. Om zijn woorden in Leviathan te gebruiken: in een natuurlijke situatie is het menselijk bestaan eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort. Een situatie waarin leven en bezit niet meer zeker zijn is de ultieme angst.”

Geluk

Zeker, ook geluk was nog heel gewoon. De Europese president bezorgde zowat alle lokale en wereldleiders een relatiegeschenk met Vlaamse klasse: ‘Geluk. The World Book of Happiness’.

Het voorbije jaar hielp ‘Mindfullness’ stress te hanteren, depressies en angsten te weren. En anders was er wel de Nederlandse neuroloog Dick Swaab die ons probeerde gerust te stellen met ‘We zijn ons brein’ en daar valt niets aan te doen, behoudens misschien wat farmacologische correcties.

Vandaag bepleiten reclametoppers én regeringsleiders hand in hand het individuele geluk voor hun doelgroepen en kiezers. Alsof ze dezer dagen in de publieke ruimte anders niets meer te slijten hebben dan individueel geluk als antwoord op onzekerheid en angst, op economische en politieke ontwikkelingen.

Geheugen

Volgens de Chinese schrijver Chan Koonchung in ‘De vette jaren’ moeten gewone mensen zich niet al te veel bezig houden met economische en politieke herinneringen: ‘Dat is niet goed voor hen, en het is niet hun taak. Het zijn de intellectuelen die niet mogen vergeten. (…) De meeste mensen zullen zeggen dat een valse hemel hoe dan ook beter is dan een goede hel. Er zullen altijd mensen zijn die toch voor de goede hel kiezen, hoe vreselijk die ook is. Omdat ze in de goede hel tenminste zeker weten dat ze in de hel zitten.’

Volgens een vermaard Chinees spreekwoord is gelukkig wie in oninteressante tijden leeft.

Interessante tijden vereisen vaardigheden met onzekerheidsrelaties.

Laten we in 2012 spelen met versluierde ogen om beter te kunnen zien.


 

DVD HEIMAT 1-4 Edgar Reitz: Eine deutsche Chronik – Chronik einer Jugend – Chronik einer Zeitenwende – Die Frauen – Schabbach ist überall

2 januari 2012

DVD HEIMAT 1-4 Edgar Reitz: Eine deutsche Chronik – Chronik einer Jugend – Chronik einer Zeitenwende – Die Frauen – Schabbach ist überall

Vandaag speelt ‘Groenten uit Balen’ in Vlaanderen eindelijk op het witte doek.

Ooit verklaarde de Vlaamse auteur Walter Van den Broeck uit diezelfde Kempen met deemoed: ‘Het is tenslotte overal Turnhout’.

En zo ook eindigt de Duitse cineast Edgar Reitz zijn fenomenale serie met deel 4 in de tweede dvd onder de titel ‘ Schabbach ist überall’.

Het denkbeeldige dorp in de Hunsrück staat voor het leven in zowat heel West Europa gedurende de voorbije eeuw.

Na de succesvolle drie seizoenen die de periode 1919 – 1982, 1960 – 1970 en 1989 – 2000 biedt de vierde reeks een reflectie door de ogen van ‘Lulu’  op de rol van de vrouwen als draagsters van het verhaal van menig dorp en stad, familie en gemeenschap, niet alleen in Duitsland.

De tweede reeks staat stijf van de clichés over pre- en post-68. Over de grote revolutionaire tijden in Schwabing Munchen – vroeger Simplicissimus, later de nazi’s en nog later de vroege 60ter rellen tegen het burgermannengezelschap dat de stad München beheerste. Die clichés zijn storend, vooral omwille van hun waarheidsgehalte: de zogenaamde linkse beweging in die tijd stond effectief stijf van zelfverzonnen clichés en onnozel kopieergedrag in een zoektocht naar beter. Niet alleen in Berlijn en België.

Deel 2 en 3 hebben prachtige muzikale bewerkingen van geliefde gedichten en composities. De eenmakingsproblematiek, de massale inwijking van Russische Duitsers na de val van de muur, het vertrek van de Amerikaanse rakettenbatterijen en de vredesbeweging tegen de kruisraketten worden zonder veel schroom belicht. Pijnlijke historische geheimen duiken vaak onverwacht op in het verhaal, zoals de geschiedenis van een land en een streek graag zijn geheimen koestert om erger te voorkomen.

De tijdsgeest is alom present, tot en met in de nabeschouwingen waar blijkt dat ook de commercie de Hunsrück in haar greep heeft gekregen met een complete Heimat-rondrit, inclusief bezoeken aan alle filmlocaties en kennismaking met de acteurs – vaak personages uit de dorpen zelf.

Edgar Reitz mogen ze daar tussen Rijn en Eifel een standbeeld geven, in München een school en in Berlijn minstens een plein.

Zeer de moeite en ver uitstijgend over de denigrerende betekenis die graag aan ‘heimat’ wordt gegeven.

 

 

 

De Duitsers kwamen niet – De lotgevallen van de joodse patienten in de Geelse Kolonie (1940-1945) – Jos Rathé, Gorik Goris, Geert Vandecruys

31 december 2011

De Duitsers kwamen niet – De lotgevallen van de joodse patienten in de Geelse Kolonie (1940-1945) – Jos Rathé, Gorik Goris, Geert Vandecruys

Drie Geelse geschiedkundigen hebben zes jaar gewerkt aan een boek over Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Geelse gezinsverpleging verbleven. In het boek staat ook het verhaal van zeventig patiënten die deportatie naar de vernietigingskampen op het nippertje konden vermijden.
Jos Rathé, Gorik Goris en Geert Vandecruys willen met hun boek ‘De Duitsers kwamen niet’ vooral een aantal mythes doorprikken die in Geel de voorbije decennia een heel eigen leven zijn gaan leiden. Op bevel van de Duitsers werd op 16 april 1943 een zeventigtal patiënten in de kolonie verzameld met de bedoeling ze te deporteren naar de Dossinkazerne in Mechelen. Dat was een tussenstation, naar de kampen en een gewisse dood, al was dat toen veel minder duidelijk dan nu. De groep was al verzameld toen plots het bericht kwam dat de Duitsers niet zouden komen.

‘Hierover doen heel wat theorieën en heldenverhalen de ronde, maar wij gaan ervan uit dat ze niet allemaal waar zijn’, stellen de auteurs. ‘We zijn erachter gekomen dat er op die dag een dodelijke schietpartij plaatsvond op het hoofdkwartier de Sicherheitsdienst in Antwerpen, waarbij corrupte Duitsers met elkaar hebben afgerekend. Alles stond daar toen zo overhoop dat de deportatie niet is doorgegaan. Nadien is het er door allerlei omstandigheden niet meer van gekomen.

Het boek graaft uiteraard een stuk dieper dan dat. Zo kwamen Rathé, Goris en Vandecruys te weten dat er wel degelijk plannen zijn geweest om zo’n 1.500 Duitse psychiatrische patiënten in Geel te ‘dumpen’. Het idee stuitte uiteindelijk op een veto van de persoonlijke lijfarts van Adolf Hitler. Verder gaat ‘De Duitsers kwamen niet’ ook dieper in op de manier waarop in de andere Kempense gemeenten met de jodenverordeningen werd omgegaan. ‘Er wordt ook een portret geschetst van patiënten die de instelling al hadden verlaten voordat de Duitsers er hun klauw konden opleggen’, weet journalist Dirk Kennis van uitgeverij MxGraphics. ‘De meeste van die verhalen kenden overigens een slechte afloop.’

Het Nieuwsblad 06122011

 

Zeker voor de streek en haar bewoners en de verhalen van wie niet meer zoekt naar een stem, een verhelderend studiewerk van betrokken Geelse historici. Veel leugens en mythevorming worden vakkundig weerlegd, borstklopperij getemperd, en heldhaftig moord- en brandgeschreeuw verzacht.

Monnikenwerk levert vlijt en inzicht in de banaliteit, al mochten enkele rare fouten door een ernstige eindredactie toch wel geweerd worden.

Zo worden op p. 83 ‘zieken’ in het origineel en de onderschriften plots ‘lieden’ in de tekst.

Het werk aan ‘De Duitsers kwamen niet’  heeft iets van het ’ Verslag van Brodeck’ van Philippe Claudel. Ook in Geel en de Kempen.

 







?317. Ik dacht aan de grote Geschiedenis en aan mijn eigen geschiedenis. Kennen degenen die de eerste schrijven de tweede? Hoe komt het dat het geheugen van de ene mens dingen bewaart die anderen vergeten of nooit hebben gezien? Wie heeft er gelijk: degene die zich voorneemt de dingen die gebeurd zijn niet in het donker te laten verdwijnen of degene die alles wat hem niet uitkomt in de duisternis stort? Misschien is leven ‘“ overleven ‘“ niets anders dan besluiten dat de realiteit niet reëel is, dan een andere realiteit kiezen als de realiteit die je kent ondraaglijk wordt. Trouwens, is dat niet precies wat ik in het kamp heb gedaan? Koos ik er toen niet voor te leven in mijn herinnering en de aanwezigheid van Emélia, en mijn dagelijkse leven te verbannen naar de onwerkelijkheid van een nachtmerrie? Zal de Geschiedenis een grote waarheid zijn die bestaat uit miljoenen aan elkaar genaaide individuele leugens? Vergelijkbaar met de dekens die Fédorine vroeger maakte, toen ik klein was, om eten te kunnen kopen: ze zagen er prachtig en gloednieuw uit, een regenboog van kleur, maar ze bestonden uit restjes textiel in vormen die niet bij elkaar pasten en wol van onduidelijke kwaliteit en onbekende herkomst. Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

 

Sandor Márai, Vrede op Ithaca – Wereldbibliotheek 1952 – 2011

29 december 2011

Sandor Márai, Vrede op Ithaca – Wereldbibliotheek 1952 – 2011

Márai heeft prachtige boeken geschreven, naar taal en thema, naar inhoud en vorm, maar altijd weet hij wezenlijk menselijke vragen en problemen te benaderen vanuit verschillende standpunten.

In ‘Vrede op Ithaca’ gaat hij na de Tweede Wereldoorlog in 1952 verder in op de Odysseia van Homeros (Ton Lutz las de prachtige vertaling in van Imme Dros http://www.janvanduppen.be/?p=199) Dit keer zingen Penelope over haar man, Telemachus over zijn vader en Telegonus over diezelfde vader die hij uiteindelijk doodt.
‘Vrede op Ithaca’ mist een leeslint om de lezer te leiden in de reis langsheen beklijvende bespiegelingen in een prachtige vertaling van Frans van Nes.

12. Soms verneem ik niet zonder leedvermaak dat men zijn naam niet begrijpt. De slaven die tegenwoordig boeken schrijven, twisten al duizenden jaren lang over zijn echte naam en zijn betekenis. Ze proberen de mensen wijs te maken dat mijn man, toen hij noodgedwongen Grieks staatsburger werd en zich op Ithaca vestigde, zijn naam heeft vergriekst. Dat is een leugen. Tot het eind van zijn leven heeft hij, onze wonderbaarlijke en afschrikwekkende heer, Ulysses geheten.
De zangers en de zieners zijn zijn naam later op zijn Grieks gaan uitspreken. De slaven, die niet meer konden zingen en daarom waren begonnen te schrijven, beweerden dat zijn naam ‘de hatende’ betekent. Anderen zeggen: ‘hij die door velen gehaat werd’. Dat is zeker waar: velen haatten hem. De Grieken, dat kinderlijk snoeverige en ziekelijk zelfingenomen volk dat over een overmaat aan nationaal bewustzijn beschikt; wilden de wereld graag doen geloven dat mijn man vrijwillig zijn oude naam had opgegeven om daarmee zijn trouw aan zijn zelfgekozen vaderland en aan de Griekse wereld te bewijzen. Ik zal nog enkele eonen moeten wachten vooraleer ik de volledige waarheid kan vertellen. Ik heb de tijd: op een dag zal de waarheid aan het licht komen. De herinnering aan mijn man staat me zo helder voor de geest, dat ze best bestand is tegen de aantijgingen van de Grieken. Ik zal niet ontkennen dat hij een goede Griek was en een trouw burger van zijn nieuwe vaderland. Maar wie gelooft dal hij vóór alles een Griek was, vergist zich. Ithaca was zijn vaderland, dat is zo. Maar hij had nog een vaderland: de verandering.
In dat land had hij waarachtig burgerschap verworven.
Ik wil de waarheid vertellen. Daarmee schaad ik mogelijk zijn nagedachtenis, want hijzelf had niet veel achting voor de waarheid. Hij kon meesterlijk liegen. Dat is geen wonder als we nagaan
dat zijn grootvader Autolycus was, de goddelijke paardendief en veestempelvervalser, die het liegen nog van de Arcadische Hermes had geleerd.
Hij was het die zijn kleinzoon de naam Ulysses gaf. Deze naam – ik kan het nu zeggen – betekent: de Lichtbrenger. Nu ik deze woorden heb uitgesproken, voel ik me opgelucht. Het is lijd dat de slaven een punt zetten achter hun dispuut.

43. De nacht die de zin van ons leven was – waarin ik erachter kwam dat het leven met deze man geen zin had – was van benauwde afwachting angstaanjagende werkelijkheid geworden. In deze nacht leerde ik dat mensen het gevaarlijkst zijn als ze wraak nemen voor misdaden die ze zelf hebben begaan.

67. ‘Grote menselijke ondernemingen hebben soms bijkomstige gevolgen,’ zei hij plechtig, ‘gevolgen die ook helden niet kunnen vermijden. Misschien is Ulysses inderdaad een held, zoals er
wordt rondgebazuind. Misschien is hij alleen maar een avonturier. En de anderen, Agamemnon en zo, die zich in Troje soms laf en soms heldhaftig hebben gedragen, zijn nu inderdaad helden, ook al werden zij in werkelijkheid door zucht naar avontuur, winstbejag of domweg verveling naar het slagveld gedreven. Veel mannen trekken vrijwillig ten strijde, omdat ze hun vrouw zat zijn,’ zei hij nuchter. Ik keek hem verbijsterd aan. Ik had nooit gedacht dat deze brave, bescheiden man zulke waarheden kende.

76.Alle ballingen delen de ervaring dat hun leven zich niet in hun omgeving, maar in hun herinneringen afspeelt. Als eeuwig wachtende kreeg ik steeds sterker het gevoel dat niet ikzelf leefde,maar de rol die mijn man mij had toebedeeld.

 

Sandor Márai Vrede op Ithaca

DVD Blekingegade – The left wing gang – Scandinavian Crime Selection

29 december 2011

DVD Blekingegade – The left wing gang – Scandinavian Crime Selection

In de hype van de Scandinavische misdaadseries lift ‘Blekingegade’ http://en.wikipedia.org/wiki/The_Blekinge_Street_Gang graag mee.

Het is een wat rommelig relaas over een stel zichzelf als ‘links’ erende bankovervallers die hun schuld- en boetegevoel dienden te compenseren door voor de PFLP - Popular Front for the Liberation of Palestine – van Dr. George Habash geld en wapens te stelen en door te sluizen naar het netwerk van de Palestijnse Marxist-Leninisten.
Als er een ding de moeite is in de reeks kortfilmpjes met uitgebreide in- en uitleiding waaruit deze ‘serie’ is opgebouwd, dan gaat het om de graad van debiliteit en de politieke onbenulligheid van dit soort sektarische politieke nitwits. Het lijkt hilarisch maar is wezenlijk tragisch zoals alle zelfverklaarde offers voor de goeie zaak van katholieke heiligen tot islamitische terroristen.
Die goede zaak was, is en blijft een enorme leugen om op de schuldgevoelens van potentiële fellow travellers in te werken.
Dramatisch is het voor de slachtoffers, toevallige passanten, familie en vrienden van dit soort superhelden van het goede doel. Lucratief voor de tussenpersonen en belanghebbenden, eeuwige roem voor de politieke leiders en blijvende ellende voor de Palestijnse doelgroep.

Van 1970 tot 1990 slaagden de dappere Denen erin hulp te bieden aan het lijdende Palestijnse volk, of althans aan de politieke en militaire leiders van de PFLP die zichzelf graag zo voordeden. De jaren tachtig leverden ze fors geld en wapens aan. Politiek was de redenering ook geniaal: omdat in eigen land de proleten geen zin hadden in revolutie, zou de drive elders de kop opsteken. Met name in ‘ontwikkelingslanden’ waar honger en andere ellende de revolutionaire krachten zou voeden. Hoe meer geweld aldaar, hoe meer kans op succes, dus ook elders in rijke westerse landen waar de gewapende revolutie gretig zou worden geïmporteerd. .
Dat de ‘linkse’ creatievelingen in Denemarken zo lang hun gang konden gaan lag vooral aan de spanningen tussen de Deense staatsveiligheid en de politiediensten. Voor de staatsveiligheid heetten ze belangrijk om Palestijnse terroristen te kunnen volgen. ?Tot een betrokken politieagent bijna per toeval de link weet te leggen met de Blekingegadenbanden. Na veel politieke manoeuvres neigt de staatsveiligheid tot een vorm van samenwerken en wordt de club dankzij de paniekreactie van een lid dat op vrije voeten bleef, gesnapt met een reusachtig wapenarsenaal. De leden krijgen om en bij de tien jaar – de moord op een politieagent en een reeks eerdere bankovervallen wordt niet weerhouden voor hun veroordeling.

Belgenland kan zich zalig preken dat dit soort ontwikkelingen in wat zich in die periode als militant ‘links’ afficheerde beperkt is gebleven tot een stel zelfverklaarde revolutionaire halve gares. Gelukkig woog hier het Maoïstische adagium zwaarder dat revolutionairen zich dienden te gedragen als vissen in het water van de volksmassa’s om hen heen.
In Duitsland en Italië woog de sektarische eenzaamheid zwaarder.
Met alle gevolgen vandien.

Laten we 2012 spelen met ogen die gesloten lijken om beter te kunnen zien…

25 december 2011

Bas Heijne, Echt zien – Literatuur in het mediatijdperk. Athenaeum-Pollak & Van Gennep 2011

11 december 2011

Bas Heijne, Echt zien – Literatuur in het mediatijdperk. Athenaeum-Pollak & Van Gennep 2011

Een mooi kleinnood voor wie leest en dus leeft en voor wie schrijft en dus blijft, zij het niet altijd even duurzaam.

http://www.vn.nl/boeken/non-fictie/echt-zien-literatuur-in-het-mediatijdperk-bas-heijne/

 

44. In zijn bundel beschouwingen Reappraisals (2008) benoemt de in 2010 overleden Brits-Amerikaanse historicus Tony Judt het volgens hem grootste probleem van onze tijd: het razendsnel verdwijnen van historisch besef Met het communisme, stelt hij, is ook de algemene kennis van het communisme verdwenen, waardoor de hele twintigste eeuw in wezen voor velen nu al onbegrijpelijk is geworden. (En Brecht een onbekende naam.) Geschiedenis is iets persoonlijks geworden. Je neemt eruit wat je denkt te kunnen gebruiken. Het heden is de maat.

Traditioneel geschiedenisonderwijs, stelt Judt, mocht beperkt zijn en/of onbewust ideologisch bepaald, het maakte in ieder geval het heden begrijpelijk door verwijzingen naar het verleden. Namen, plaatsen, inscripties en ideeën konden een plaats krijgen in en te onderwijzen verhaal. Historisch bewustzijn zorgde voor referentiepunten waardoor het heden begrijpelijk kon worden gemaakt. Tegenwoordig is het precies omgekeerd: het verleden krijgt alleen nog betekenis door verwijzingen vanuit het heden. De geschiedenis staat in dienst van hedendaagse preoccupaties en bevliegingen.

Steeds vaker dient de geschiedenis ter illustratie van een morele boodschap; de meeste van de monumenten, musea, inscripties en ‘heritage sites’ huldigen een beroemde man (en soms vrouw) of een beroemde overwinning of brengen een specifiek geval van leed in herinnering.

Dat die wijze van beleving van de geschiedenis naast selectief ook onbekommerd subjectief is, spreekt vanzelf Het is een aspect van een groter, veelomvattend proces: nu men algemeen het gevoel heeft dat de samenhang van samenleving en cultuur bedreigd wordt of al verloren is gegaan, gaat men naarstig op zoek naar alternatieve vormen van binding. ‘De expansie van communicatie,’ schrijft Judt, ‘tezamen met de fragmentatie van informatie, vormt een scherp contrast met gemeenschappen uit een nog zeer recent verleden.’ Juist omdat gedeelde kennis en ervaringen niet langer institutioneel worden gecommuniceerd en zo een gevoel van gemeenschap in stand houden, worden ze tot onderdeel van de hedendaagse mediacultuur, die bij uitstek dynamisch is. Geschiedenis is dan niet langer een bedding voor een collectief bewustzijn. Het wordt een soort mediatheek, waaruit je neemt wat je op dat moment nodig denkt te hebben.

 

Bas Heijne Echt zien

Stefan Hertmans, De mobilisatie van Arcadia. De Bezige Bij 2011

11 december 2011

Stefan Hertmans, De mobilisatie van Arcadia. De Bezige Bij 2011

Behoudens enkele herkauwde essays over nationalisme en het vaderland is dit Arcadia meer dan de moeite waar. Hertmans probeert zich in het particuliere van dit land gedwee boven de mêlée uit te werken, maar raakt er zelf door besmeurd als verheven kosmopoliet. En het is sinds Rik Torfs’ onthullingen bekend dat patriarchen en metropolieten die gretig hun geloof belijden, neigen tot verlies van empathie met de gelovigen die hen werden toevertrouwd.

Volgens sommigen onthult Stefan Hertmans met Arcadia een omgevallen boekenkast en volgens anderen bespaart zijn bundel de lectuur van al die geciteerde werken uit de wereldliteratuur.

Voor mij mobiliseert zijn Arcadia precies tot het spellen van al die boeken.
Hij onthult hun betekenis, hij ontsluiert hun gloed en wijst op het verzengende voor wie het aandurft.
En dat doet Stefan Hertmans zoals vaak op een briljante manier.

268. Maar door zijn beroemd geworden list slaagt Perseus, en hij toont het hoofd aan Polydeuktus, waardoor deze ter plekke versteent. Ségur wijst erop dat de cirkel
van het geweld aldus wordt doorbroken door de list. Intelligentie breekt de brute logica van het eindeloze offer open en laat de infernale cirkel eindigen.

269. Het is het slotakkoord van een wereld van het pharmakon: het offer dat telkens opnieuw offer met offer moest vergelden, waardoor het gif van het geweld
bleef bestaan. Het pharmakon, geneesmiddel en gif, dat Perseus hanteert, is dat van de menselijke list. Het gaat om het proberen uitstellen van de dood.

 

Over Diogenes, Hölderlin, de Anti-Oedipus, de Angelus Novus, Rorty, Sloterdijk, Houellebecq, Calasso en Sebald is hij soms adembenemend.


166. Sinds het verschijnen van Peter Sloterdijks Kritiek van de cynische rede, nu ruim twintig jaar geleden, is het bon ton geworden om het onderscheid tussen kynisme en cynisme te hanteren als een oppositie tussen filosofisch getint non-comformisme enerzijds en doortrapt immoralisme anderzijds. Voor de eerste houding staan de presocratici model, met in de eerste plaats Diogenes van Sinope, de man die de ascese van de stiliet transformeerde in het besmuikte lachen van de kritische observator in zijn ton.
Slapend in de antieke zon op de agora, is hij volgens de overlevering de man die, bewonderd door Alexander de Grote, onaangedaan elke aanspraak op macht weigert. Het verhaal is bekend en ontelbare keren naverteld. Wanneer Alexander hem vraagt wat hij verlangt, daarbij suggererend dat hij werkelijk alles mag vragen, antwoordt Diogenes hem: ‘Ga uit mijn zon.’ Deze generale repetitie van de verleiding van Jezus van Nazareth in de woestijn (waar de duivel hem ongeveer dezelfde vraag stelt), wordt dus beantwoord met een weigering van elk opportunisme. De kynikus, die zich volgens de bekende etymologische verklaring gedraagt als een hond (kuoon in het Grieks), is immuun voor de wanen van macht en rijkdom, hij boert als de machthebber langskomt (hij zou hem, heden ten dage, een taart in het gezicht kunnen gooien, bijvoorbeeld). Minder belicht is het feit dat het aanbod van Alexander zelf van het tegenovergestelde van filosofisch kynisme getuigt, namelijk van puur machtscynisme – een houding waarvoor Sloterdijk de Groot-Inquisiteur uit Dostojevski’s De gebroeders Karamazov model laat staan. Wanneer Alexander de man in de ton zijn voorstel doet, is dat eigenlijk moreel pervers. Ten eerste isAlexander er duidelijk op uit met zijn zogezegde bewondering deze onkreukbare nu eens en voorgoed te kreukelen door hem een niet af te slaan voorstel te doen. Alle macht, aanzien, rijkdom: het wordt hem voor de voeten gegooid. Alexander is helemaal niet zo filosofisch geïnteresseerd als de vrome interpretaties van dit verhaal voorgeven: hij is er, als een rasecht gehaaid politicus, op uit om aan te tonen dat die praatjesmaker in zijn ton (die hij uiteraard heimelijk bewondert met een soort afgunst) ook wel voor de bijl zal gaan, net als iedereen. Met andere woorden: de antieke held is eropuit de anti-held eens en voor altijd onderuit te halen. De legendarische ontmoeting is niet meer of minder dan het Endgame van het antieke heroïsme. ‘De geest kan de macht niet dienen, maar de macht houdt ook niet van de dienaars van de geest,’ schreef Leopold Weiss ooit.

 

Stefan Hertmans De mobilisatie van Arcadia Dupslog

vrt deredactie.be – Opinie: De vrije markt kan uw gezondheid schaden

11 december 2011

De vrije markt kan uw gezondheid schaden
http://opinie.deredactie.be/2011/12/07/de-vrije-markt-kan-uw-gezondheid-schaden/
07 / 12 / 2011

‘Is het ten slotte rechtvaardig dat de grote lobby’s dankzij de marketing of fear enkel pleiten voor optimale terugbetaling van zinloos geworden, nauwelijks betaalbare behandelingen terwijl zowel de palliatieve zorg als de psycho-oncologie pensenkermissen moet blijven organiseren om goede supportieve opvang van kankerpatiënten te kunnen realiseren? ‘- Prof. Dr. Wim Distelmans, oncoloog VUB.

Gezondheidszorg werd zo gauw ze de grenzen van de naastenliefde overschreed een verzekeringskwestie. ‘Caritas’ hielp de bedienaar aan een gerust geweten – met het oog op de eigen dood – en de lijdende aan hulp tegen pijn en eenzaamheid. Mensen – ook gelovigen – kunnen pech hebben en getroffen worden door ziekte en ongeluk. Ieder van ons zou het kunnen overkomen en onze geliefden nog meer.

Solidariteit

Dus werd het seculiere verzekeringsprincipe geboren: op basis van solidariteit betalen we mee aan polissen die deelnemers dekken in geval kosten door ziekte, ongeval, werkloosheid, ouderdom en nog veel meer. Dit verzekeringsprincipe was een handige vondst zolang de premiebetalende deelnemers het reilen en zeilen bepaalden: krenterig en behoedzaam met de vinger op de knip.

Verzekering

Het werd een gouden greep wanneer de deelnemers tot anonieme polisnemers evolueerden. Solidariteit werd vervreemd tot een eigen risico-verzekering. Grote aantallen maken statistische risicoanalyses mogelijk, en dus ook winstmodulaties voor de verzekeringsmaatschappijen. Vooral wanneer op een concurrerende markt de strategie van de angst het aantal polissen maximaliseert.
Meteen ontstond het probleem van de ‘moral hazard’: wie verzekerd is, neigt tot meer risico want dat wordt toch gedekt door de bijdragen van de andere verzekerden.

Wrekende zorg

In de gezondheidszorg ontwikkelde dit fenomeen tot een ware industrie die nu op haar grenzen stuit. Vanuit het gelijkheidsbeginsel heeft iedereen dan ‘recht’ op maximale behandeling van pijn en lijden. De steeds duurdere – zelfs experimentele – behandelingen worden gedekt door de ziekteverzekering, al dan niet gepaard aan een eigen risico om de kostendruk van die ‘moral hazard’ te verlichten.
In tijden van doodsangst en grote nood is dat eigen risico natuurlijk ook erg relatief en de morele druk van de omgeving en de behandelaars vaak zo groot dat de laatste centen tot schulden bij elkaar geschraapt worden om dure behandelingen te ondergaan.

In 1976 reeds wees Ivan Illich op dit fenomeen in zijn ‘Medical Nemesis – Grenzen aan de geneeskunde: het medisch bedrijf – een bedreiging voor de gezondheid?’. Naast een aanvankelijke verbetering van leefomstandigheden krijg je bij een medisch-technische evolutie ook een grotere afhankelijkheid van artsen die dure kunsten bedrijven. De gezondheidsindustrie verdient zijn miljoenen klanten iedere dag weer door hen vooral van de onmisbaarheid van hun producten en diensten te overtuigen. Wanneer alleen gezondheidsproblemen geaccepteerd worden voor (tijdelijke of blijvende) arbeidsongeschiktheid, verzekerde uitkering en bijstand, krijgt dat monopolie van de medische wereld de allures van een wraakgodin: de Nemesis.

Genezend en voorkomend

‘Voorkomen is beter dan genezen’ is de riedel waarmee klanten worden geworven door de gezondheids- en verzekeringsindustrie. Voor hen werkt die strategie van de angst heilzaam, maar voor de klanten is het veeleer een bron van angst, frustraties en kosten. Therapeutische hardnekkigheid werd intussen ook een verfijnde business. Welke hardvochtige verzekeraar, liefhebbend familielid of empathische dokter durft de laatste kansen op een mogelijk tijdelijk herstel van een terminale patiënt ondermijnen door te pleiten voor een ondersteunende zorgverlening? Vroeger offerden mensen in stervensnood om gunsten aan goden, nu aan ziekenhuizen en artsen. Zij het dat vandaag het grootste deel van de offerkost betaald wordt door de andere verzekerden, al komen er vaak nog dure supplementen bovenop.

Vorig weekend verklaarde Prof. Dr. Jean-Jacques Cassiman, geneticus en voorzitter van de Vlaamse Liga tegen Kanker nog: ‘Het voorschrijven van dure kankermedicijnen die het leven misschien maar met twee maanden verlengen, is niet aanvaardbaar in economisch zware tijden. Dit soort behandelingen van 100.000 tot 200.000 euro per patiënt per jaar zijn niet langer vol te houden’. Dit zou beter betaald worden door de ontwikkelaars van deze producten en diensten zolang hun effect niet echt als zinvol bewezen is.

Hij werd hierin bijgetreden voor Wim Distelmans van ‘Waardig levenseinde’ en tegengesproken door het koor van de farmaco-oncologie.

Manke markt

In Nederland ontstaat nu een tweede probleem door de moral hazard. Door de invoering van een schijnbaar vrije markt in de gezondheidszorg met een beperkt aantal zorgaanbieders speelt de concurrentie minimaal. Met geblokkeerde tarieven helpt alleen het opdrijven van het aantal prestaties om winst te genereren.

Bij vroegere pogingen om de huisartsen te belasten met ‘ketenzorg’ voor suikerzieken en astmapatiënten verhuisde deze wel van de dure tweede lijn naar de eerste. Maar in de ziekenhuizen bloeiden al snel poep-, plas-, slaap-, dieet-, obesitas-, hoest-, vlekjes-, vulva-, rug- en alle mogelijke andere poli’s om op creative wijze extra klandizie aan te trekken. Netto bleken de eerder uitgespaarde kosten snel gecompenseerd door deze ondernemerscreativiteit in de tweede lijn.

Minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) verklaart nu de wanhoop nabij dat huisartsen moeten concurreren. Ze wil hen per verrichting betalen en geen vast ingeschreven patiëntenbestand meer toelaten. In een markt waarbij het aantal aanbieders van huisartsenzorg al zeer krap bemeten is, steeds meer oudere collega’s vervangen worden door halftijdse werkende vrouwelijke huisartsen, is dit met vuur spelen in een hooischuur.

Kostenexplosie

Huisartsen proberen in Nederland zo goed mogelijk 80 procent van de gezondheidsvragen en problemen op te lossen in de goedkope eerste lijn. Daarbij dienen ze vaak in te gaan tegen de waanbeelden die in tv-programma’s en bij preventieriedels worden verspreid. Wanneer deze poortwachtersfunctie voor dure behandelingen en onnodige kosten in de tweede lijn niet meer gehonoreerd wordt, zullen huisartsen continuïteit noch kwaliteit in de zorg kunnen bewaken. Het aantal onnodige behandelingen zal fors stijgen. Martktwerking is immers niet mogelijk in een collectief, solidair systeem van gezondheidsverzekering. Door de ‘moral hazard’ en op angst gebaseerde marktwerking ontstaat een oncontroleerbare kostenexplosie.

Marktwerking leidde in de vroeger goed gestructureerde zorgwereld van solidair Nederland reeds tot vrij toegankelijke klachtgerichte poli- en privéklinieken, diagnose-behandelcombinatiesysteem met betaling naar verrichting en de SOS-arts die op telefonische afroep aan de deur staat met een forse rekening. In ziekenhuizen besteden specialisten tijdrovende communicatie met hun patiënten uit aan handig te sturen verplegers. Zo bloeit er een industrie van nutteloze onderzoeken en behandelingen als antwoord op een opgeklopte vraag. Zorgverzekeraars en -aanbieders remmen dit niet af omdat ze zelf belang hebben bij zoveel mogelijk klanten.

Hoogmoed

Precies wanneer zieke mensen in beslissende periodes van hun leven meer behoefte hebben aan ondersteuning en betrouwbare begeleiding, worden ze overgeleverd aan deze manke marktprincipes. Door die ondersteunende rol van de huisartsen finaal op te heffen giet de overheid olie op dit offervuur. Dure polissen met fors aanvullende premies geven toegang tot zorg zonder medische indicatie: total bodyscans, checkups en onnodige behandelingen in luxueuze ziekenhuizen in binnen- en buitenland. Terwijl het verplichte basispakket zozeer wordt uitgekleed dat elementaire zorg in het gedrang komt.

Dat de patiënt baat zou hebben bij marktwerking in de zorg waar zelfs geen huisarts meer naast hem of haar staat in een zorg-jungle met achter iedere boom een roofdier dat aast op de portefeuille, is een gotspe. De houding van minister Schippers getuigt van een verbijsterende hoogmoed.
Voor deze hubris zal de medische nemesis nog vele offers eisen eer de wraakgodinnen van de markt tot welwillendheid verleid kunnen worden.

Populisme in de praktijk : ‘Stevaert contra Van Duppen’ in 2004

2 december 2011

Een mooie samenvatting van de commotie rond mijn weigering om nog langer in het sp.a verhaal van Steve mee te stappen werd destijds gemaakt door Jan Pieter Everaerts voor zijn mediadoc. Nu nog terug te vinden bij http://archive.indymedia.be/news/2004/05/84030.html

“Ik zeg wat u denkt” 3: Populisme in de praktijk : Stevaert contra Van Duppen
by Jan-Pieter Everaerts Saturday, May. 01, 2004 at 9:12 AM

Dat er ook binnen de SPA ongenoegen bestaat over het populisme van Stevaert bleek eind april toen Vlaams parlementslid Jan Van Duppen zich terugtrok van de Antwerpse SPA-lijst. Een becommentarieerd overzicht van de persartikels.

** Populisme in de praktijk: Stevaert contra Van Duppen

  • “Zo stappen we mee in de retoriek van het Vlaams Blok”

“Steve Stevaert vaart een populistische, autoritaire koers” titelde De Morgen van 28 april boven een artikel met een foto van Van Duppen. De kwestie leek te gaan om de zesde plaats die huisarts/parlementslid Van Duppen op de verkiezingslijst van de partij toegewezen kreeg. Volgens Van Duppen verliep daarbij één en ander op autoritaire wijze, waarbij een hele regio, de Kempen, buitenspel gezet werd.

Los van wat er nu al dan niet gebeurd is, is het hoe dan ook interessant dat Van Duppen de stelling van de ‘populistische, autoritaire koers’ van Stevaert dik in de verf zet. Hij komt af met pijnpunten die binnen een socialistische partij toch zouden moeten bestaan: zoals de onvrede over de toenemende controle op werklozen, zoals het door Stevaert tot ‘non-debat’ uitroepen van de discussie over de hoofddoeken (zo’n verbod is wellicht dé methode om de discussie te laten verrotten), het lege Zilverfonds-doosje, de visie van Stevaert op de kiezer als een “infantiel wezen, een consument die direct moet bevredigd worden. Ik geloof dat dat een grote fout is en dat we zo meestappen in de retoriek van het Vlaams Blok. We moeten de kiezer niet naar de mond praten. De mensen verwachten echte debatten en geen schijndebatten. Nu zijn socialisten, liberalen en christen-democraten bijna inwisselbaar geworden.” Aldus Jan Van Duppen.

De Morgen (Ruud Goossens) vroeg Van Duppen ook commentaar op Stevaerts kritiek op de intellectuelen.

Van Duppen: “Dat lijkt wel een neurotisch trekje van Stevaert. Dramatisch ook want het socialisme is ontstaan vanuit intellectuelen die zich verbonden voelden met het lot van de zwaksten. Intellectuelen schrijven geschiedenis, populistische reclamegoeroes doen dat niet. Weet u wat Stevaert onlangs in P-magazine zei toen De Gucht hem in een interview een stalinist noemde ? ‘Dat ben ik niet, want Stalin had nog dissidenten.’ Weet u wat dat betekent ?”

Nog zo één en de zon gaat onder.

  • “Precies daar zit de oorzaak van het fameuze gat in de haag van Stevaert”

“Van Duppen ontgoocheld weg” betitelde De Standaard op 28/4 een kleiner artikel over Van Duppen. Die dag bracht De Standaard (niet De Morgen) ook een opiniestuk van de politicus: “Democratie heeft voorrang op socialisme”. Van Duppen waarschuwt in zijn stuk ervoor dat de kiezer die zich niet kan vinden in de kleurloosheid van de traditionele partijen, “alleen nog de keuze zal hebben tussen het extreem-rechts of de blancostem, zoals door de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramango in zijn nieuwe Essay over de Luciditeit, wordt uitgetekend. Zo verwatert elke politieke interesse bij de bevolking die verder gaat dan door hormonen aangedreven sympathie voor de verleidelijke uitstraling van een B.V.”

Van Duppen stelt ook dat Stevaerts oneliners en populistisch gekokketeer, “met sneren naar verzuurde intellectuelen geen lapsus of toeval zijn. Binnen de SPA rest van de eens zo prestigieuze studiedienst Emile Vandervelde nauwelijks meer dan een bedrijf van inktkoelies die fiches mogen schrijven of voorzetjes mogen formuleren om al te magere indeetjes in te kleden. Degelijk studiewerk is voor de socialistische partijtop overbodig geworden. Zij luisteren immers naar wat dé mensen denken, wensen en zeggen. Bijgevolg kan je een partijprogramma het best opstellen aan de hand van de maandelijkse peilingen naar wat de mensen willen.”

Maar wie op zo’n basis te werk gaat – en Van Duppen beschrijft het allemaal in detail – ondergaaft volgens hem de democratie. “Precies daar zit de oorzaak van het fameuze gat in de haag van Steve Stevaert” (de monsterscores van het Blok dus).

  • Stevaert als goede leerling van Pauli

Op donderdag 29/4 was het aan Steve Stevaert om te reageren. “Ik begrijp er niks van” titelde De Standaard boven een kort interview met Stevaert. “Als Jan Van Duppen een probleem heeft met mijn aanpak, dan moet hij aan politiek doen.”

In De Morgen van 29/4 kwam Stevaert wat slimmer uit de hoek. Hier luidde de titel: “SPA-Voorzitter Stevaert: “Ik begrijp Van Duppen wel, maar ben het niet met hem eens.” Wat Stevaert aan Van Duppen begreep was dat hij “ontevreden was over zijn plaats.” Over de inhoudelijke kritiek van Van Duppen stapte Stevaert zowel in De Standaard als in De Morgen heen. In De Morgen eindigde het stukje met deze zinnen van Stevaert: “Van Duppen gedraagt zich ook niet echt als een intellektueel. Zijn opiniestuk ontziet niemand, in plaats van het wat perfider te spelen door zogenaamd plaats te maken voor een jongere. Nu denk ik niet dat hij nog veel vrienden heeft. Zelf is mijn rug breed genoeg. Maar voor anderen is dit niet leuk.”

Stevaert toont zich hier een goed leerling van Walter Pauli.

Eén door Van Duppen af te schilderen als geen echte intellektueel. Stevaert heeft er een patent op genomen, wist u, op de erkenning van echte intellektuelen.

Twee door Van Duppen te isoleren als een man zonder vrienden, iemand die niemand ontziet enzoverder. “Vermits ik zijn boodschap niet kan onderuit halen”, zal onze man uit Hasselt gedacht hebben, “zal ik de booschapper wel even pakken”.

Drie – over Steve’s oproep om perfider te zijn, stappen we vergevingsgezind heen – door het zo te spelen dat hij zelf zich niet geviseerd voelt, alhoewel Van Duppen juist hem bekritiseert. Neen: dit is “niet leuk” voor de anderen binnen de SPA, stelt Stevaert om zo “die anderen” mee tegen Van Duppen te keren.

Als de SPA van Stevaert een echt democratisch socialistische partij zou zijn, dan zou ze eens een open debat organiseren met al haar interne en externe linkse kritici. Maar wat als zo’n debat uitloopt in een partijcrisis ? Daar kan het land niet mee gediend zijn ? Zal Stevaert dan toch maar verder het schijnsocialistisch paterke van Vlaanderen spelen ? Want er is geen Alternatief ! Waar blijft die Belgische SP ?! Kan de “Sta Op” (voor werk en democratie) – lijst die vanuit Stevaerts Limburg opgestart werd, de aanzet worden tot een alternatief ?

Jan-Pieter Everaerts

mediadoc.diva@skynet.be

Voor info over het tweetalige Sta Op: http://www.debout-sta-op.tk/

vrt deredactie.be – opinie: Is zwijgen nog goud en spreken zilver?

25 november 2011

Is zwijgen nog goud en spreken zilver?
23 / 11 / 2011

‘Lieve God, maak mij stom, dat ik niet in Bautzen kom’ luidde het schietgebedje van oma’s om hun kleinkinderen te behoeden voor het Duitse tuchthuis in Bautzen.
‘Ik heb altijd gedacht dat de staat als een familievader was’, Ekkehard Kaul, procureur in de DDR en vandaag advocaat in Berlijn.

Koud was het ondanks het winterzonnetje in de Gedenkstätte Berlin-Hohenschönhausen, waar tot 1989 een belangrijke Stasigevangenis met toebehoren verborgen zat. Na de ondergang in 1945 nam het Rode Leger hier door tuchtiging de maat van oud-nazi’s en van wie onvoldoende enthousiasme beleed voor de Stalinistische variant van het socialisme. De staatsveiligheid van de DDR bouwde er nadien een groot en geheim complex om het ‘reëel-bestaande socialisme’ onder controle te houden.
Een rondleiding behoort nu tot de mogelijkheden: tussen de filmploegen en tal van andere bezoekers is het schuifelen over de originele balatumstroken langs cellenblokken waar dank zij de verworvenheden van het psychologische instituut in Berlijn een geraffineerde vorm van ondervraging en heropvoeding werd uitgewerkt. De oorspronkelijke fysieke folteringen werden in de jaren zeventig vervangen door wetenschappelijk onderbouwde psychologische technieken.

Punks in Oost-Berlijn
Gilbert Furian (1945) is een van de vele gevangenen die nu bezoekers rondleidt. Hij werd op zijn zestiende verwijderd uit de Freien Deutschen Jugend (FDJ) omdat hij met kerkelijke jongeren contact hield. Zijn studie werd van staatswege onderbroken. In de Arbeiders- en Boerenrepubliek interviewde hij punkers uit Oost-Berlijn die begin jaren tachtig in de hoofdstad graag de verworvenheden van de DDR afwezen. Wanneer zijn gepensioneerde moeder aan de grensovergang naar het westen gesnapt werd met tien exemplaren van de uitgetikte interviews werd hij opgepakt. Zijn lijdensweg begon doorheen de lokalen van de staatsveiligheid met hun armoedig behang en gammele formica meubeltjes: 26 maanden tuchthuis wegens het schaden van de belangen van de DDR.
In de bloeiperiode voor de val van de Muur had de Stasi bijna 100.000 voltijdse ambtenaren in dienst en nog eens 300.000 informanten. Ook op het vlak van de veiligheid van de staat was de Duitse Democratische Republiek wereldrecordhouder met één op iedere vijftig burgers in dienst.

Ongewenste creativiteit
Verzamelen en opslaan van gegevens in enorme archiefruimten was hun voornaamste activiteit. De staatsveiligheid hoopte met deze ‘cloud‘ aan informatie grip te houden op het denken van haar burgers. Maar Stasi-ambtenaren ontbrak het vaak aan initiatief tot ‘datamining‘. Gegevens verwerken en interpreteren, keuzes maken en beslissingen nemen was voor de grote meerderheid van de stasi-beambten een riskante en dus ongewenste vorm van creativiteit. Toch werden belangrijke uitvindingen gedaan op het vlak van spionage: van knoopcamera’s en microfoons tot automatische telefoontaps en machines om brieven te openen.
Gilbert Furian heeft twintig jaar later dezelfde punkers opnieuw opgezocht en alsnog zijn gesprekken met hen gepubliceerd. Ook zijn vroegere ondervragers, bewakers en spionnen sprak hij om een vinger achter hun motivatie te krijgen. Volgens Furian had het allemaal anders kunnen lopen wanneer meer burgers geweigerd hadden het spel mee te spelen. Een duidelijk ‘neen’ deed het personeel van de Stasi vaak verbijsterd slikken wegens niet verwacht noch gepast in hun strikt omschreven rekrutering- en ondervragingstechnieken. De indrukwekkende film ‘Das Leben der Anderen’ van Florian Henckel von Donnersmarck laat zien hoe grondig de Oost-Duitse kameraden gevorderd waren in hun manipulatietactiek. Zij bestudeerden de psychologische profielen van hun dissidenten om hen met een passende minimale ingreep tot zelfgekozen stilte te brengen: ‘Je houdt zo iemand aan, ondervraagt hem wat, dreigt een beetje en laat hem vooral 10 maanden in onzekerheid opgesloten, zonder contact met familie of vrienden. Dan laat je hem zonder enige verklaring los en moet hij weer terug naar zijn oude omgeving. Je zal zien: nooit hoor je er nog wat van.’
Het drama van de DDR was voor Gilbert Furian het fenomeen dat veel te weinig mensen de moed hadden om in het openbaar afwijzend te reageren op bemoeienissen van de overheid, het Rijk of de Staat. Rudi Beckert, toen rechter bij het Hoogste gerechtshof van de DDR, verklaarde hem: “Onze twijfels hebben ons er niet toe gebracht te zeggen: ‘Dit hele systeem deugt niet’.”

Rechts-radicale wortels in de DDR
Freya Klier (1950) stond als toneelregisseur zeer kritisch tegenover het DDR-regime. Zij was er medestichtster van de beweging voor vrede en burgerrechten. Na de Wende ging zij op zoek naar een verklaring voor het succes van het neonazigedachtegoed in het vroegere Oost-Duitsland. Het bracht haar op hun dodenlijst, wat haar er niet van weerhield het gesprek met hen te blijven aangaan.
Vandaag staat Duitsland in rep en roer over de racistische moorden door rechtsextremisten die gevolgd (en gesteund) werden door de geheime diensten van de Bondsrepubliek.
Volgens Klier in een essay in ‘Die Welt’ is dit niet zo verwonderlijk. Rechts-radicalen rekruteerden in de voormalige DDR ook gretig onder oud communistische sociaal-wetenschappers die graag verklaarden dat ‘de DDR veel Duitser was geweest dan de Bondsrepubliek. Hier heerste nog familiezin en niet die ellebogenmaatschappij.’
Door de massale vlucht van burgers uit het arbeidersparadijs naar het westen en weinig efficiënte productiemethodes was er nood aan bijkomende arbeidskrachten uit socialistische broederlanden zoals Vietnam en Mozambique. Met een arbeidsvergunning voor hooguit drie jaar werden deze telkens weer door nieuwe migranten afgelost. Ze mochten de hun toegewezen woonkazernes niet of nauwelijks verlaten en desgevallend geen zwangerschap voldragen.

Linkse en rechtse (n-)ostalgie

Na de Wende namen aanslagen tegen vreemdelingen, zelfs tegen asielzoekerscentra fors toe. In enkele Oost-Duitse regio’s stemt twintig procent voor de rechts-radicale Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD).
Het oude DDR gedachtengoed keert ook terug bij ‘Die Linke’. ‘Junge Welt’ publiceerde enkele maanden geleden bij de vijftigste verjaardag van de bouw van de Berlijnse muur een voorpagina met een foto van de ‘DDR-kampfgruppe’ die in 1961 met de wapens in aanslag de Brandenburger Poort blokkeerde, onder de titel ‘Dank für 28 jahre Mauer’
Toch zijn er volgens Freya Klier veel mensen die proberen in scholen en jeugdbewegingen het gesprek aan te gaan met rechts-radicale jongeren. Volgens haar is dit een ideale opdracht voor oud-68-ers. Zij hebben in de Bondsrepubliek de grote verdienste gehad om volhoudend medeplichtigheid en zwijgen van hun ouders tijdens de nazi-tijd aan te klagen. In de DDR was er nooit een vergelijkbare beweging. De Duitse verantwoordelijkheid voor de oorlog werd immers systematisch aan West-Duitsland toebedeeld. In de oude DDR lijden de burgers vandaag voor de tweede keer aan zo’n onverwerkt verleden.

‘Tot de laatste man’
De Engelse historicus en Hitlerbiograaf, Ian Kershaw, onderzoekt in zijn nieuwste werk ‘Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945‘ waarom in die laatste oorlogsmaanden tot het bittere einde werd doorgevochten. Er sneuvelden nog eens 2,6 miljoen Duitsers – evenveel als de vijf voorgaande jaren. Bejaarden en jongens werden gemobiliseerd tegen ervaren geallieerde troepen aan de oude oost- en westgrens van het Rijk. Nooit eerder in de moderne krijgsgeschiedenis had een regime nog zoveel steun bij een keuze voor de totale ondergang. Haar leiders wisten goed wat ze vooral in het oosten hadden aangericht en vreesden de wraak van Rusland. De geallieerden eisten onvoorwaardelijke overgave. Murw gebombardeerd bleef de nazi-terreur over de eigen bevolking in het moederland aanhouden: 20.000 mensen werden in de laatste maanden nog wegens desertie of insubordinatie geëxecuteerd.
Volgens Kershaw was het unieke karakter van Hitlers leiderschap hierbij essentieel. Iedereen van hoog tot laag op de nazi-ladder had zijn positie, gezag, status en vaak ook zijn fortuin aan de Führer te danken. Alle verantwoordelijken beseften hoezeer ze medeplichtig waren aan nazi-misdaden die hen na de ‘bevrijding’ zwaar zouden aangerekend worden. Bovendien maakt Hitlers ‘charismatische leiderschap’ – met zelfs een toenemende populariteit na de mislukte aanslag van von Stauffenberg – iedere poging tot overgave haast onmogelijk.

Stom zwijgen?
Ook in deze bleek dat stomme ‘zwijgen’ belangrijk, dat niet of nauwelijks kritiek uiten op het rijk, de staat, de overheid. Nochtans is precies het behoedzaam wantrouwen van overheid, staat of rijk de kern van een democratische, creatieve samenleving. In monotheïstische ‘calvinistische’ culturen en hun reëel-socialistische varianten ziet de bevolking haar overheid eerder als ‘familievader’. In polytheïstische ‘katholieke’ culturen hoeden burgers zich makkelijker voor een beklemmende staat waarbij wantrouwen helpt overleven.
Vandaag verloopt het verzamelen van gegevens over burgers en onderdanen niet meer ambachtelijk. Vandaag zitten die data in de ‘cloud’ op het wereldwijde web. Vandaag zijn er bovendien intelligente apparaten die aan gerichte datamining kunnen doen, niet alleen voor commerciële doeleinden. Het ‘leven van de anderen’ in de DDR was een oefening met beperkte middelen, een voorspel nog. Vandaag gaat dit verder, met andere middelen.

Michel Houellebecq, De kaart en het gebied.

13 november 2011

Michel Houellebecq, De kaart en het gebied. uitg. Arbeiderspers 2011 – vert. Martin de Haan

Na zijn vorig werk had ik lang het gevoel dat Michel Houellebecq zich op een dood spoor had vastgereden.
Ik heb me vergist. Met ‘De kaart en het gebied’ waarover in Frankrijk veel heisa (of publiciteitsstunt) wegens vermeend ‘wikipediaplagiaat’ heeft hij toch weer een nieuwe uitweg aangeboord waarin de lezer eens te meer verbluft wordt door zijn geraffineerd meesterschap.
Schitterende bedenkingen, analyses, kritische commentaren: Houellebecq weer in groten doen.

101. Je kunt jarenlang in je eentje werken, om eerlijk te zijn bestaat er niet eens een andere manier van werken; maar altijd komt er een moment waarop je de behoefte voelt om je werk aan de wereld te laten zien, niet zozeer om daarvan het oordeel te horen als wel om voor jezelf het bewijs te leveren dat dat werk bestaat, en ook dat jijzelf bestaat, binnen een sociale soort is individualiteit niet veel meer dan een korte fictie.

173. Het is de visie van een brute, totalitaire geest. Le Corbusier kwam ons voor als een totalitaire, brute geest, gedreven door een intense hang naar lelijkheid; maar zijn visie heeft toch de hele twintigste eeuw lang de overhand gehad. Wijzelf waren eerder beïnvloed door Charles Fourier …’ Hij glimlachte toen hij de verbazing op het gezicht van zijn zoon zag. ‘Fourier dankt zijn bekendheid tegenwoordig vooral aan zijn seksuele theorieën, die inderdaad vrij komisch zijn. Je kunt Fourier moeilijk letterlijk lezen met zijn geraaskal over vortexen, fakiressen en feeën van het Rijnleger, het is zelfs verbazingwekkend dat hij volgelingen heeft gehad, mensen die hem serieus namen, die werkelijk een nieuw model samenleving wilden opbouwen volgens de grondslagen van zijn boeken. Dat is onbegrijpelijk als je een denker in hem probeert te zien, omdat zijn denken totaal onbegrijpelijk is, maar eigenlijk is Fourier geen denker, hij is een goeroe, de eerste in zijn soort, en zoals bij alle goeroes was zijn succes niet te danken aan een theorie die intellectuele bijval oogstte, maar juist aan het algehele onbegrip, in combinatie met een onwankelbaar optimisme, vooral op het seksuele vlak, mensen hebben seksueel optimisme ongelofelijk hard nodig.
Toch is Fouriers echte onderwerp, het onderwerp dat hem in de eerste plaats bezighoudt, niet seks, maar de organisatie van de productie. De grote vraag die hij zich stelt is: waarom werkt de mens? Hoe komt het dat hij een bepaalde plaats in de sociale organisatie inneemt, dat hij bereid is om op die plaats te blijven en zijn taak te vervullen? Het antwoord van de liberalen op die vraag luidde dat het domweg door de lokroep van het geld kwam; volgens ons was dat antwoord niet voldoende.
De marxisten gaven niet eens antwoord, het interesseerde hen gewoon niet, en dat is trouwens precies waarom het communisme heeft gefaald: zodra de financiële prikkel werd weggehaald, hielden de mensen op met werken, ze saboteerden hun taak, het arbeidsverzuim nam gigantische proporties aan; het communisme is nooit in staat geweest om de productie en distributie van de meest elementaire goederen te garanderen. Fourier had het ancien régime gekend, hij besefte dat wetenschappelijk onderzoek en technische vooruitgang van ver voor de verschijning van het kapitalisme dateerden, en dat er mensen hard, soms heel hard hadden gewerkt, niet gedreven door de lokroep van het geld maar door iets veel vagers, in de ogen van een moderne mens: de liefde voor God in het geval van monniken, of eenvoudiger, de eer van de functie.’

207. Dat is kortom de positie die wij als kunstenaars innemen: wij zijn de laatste vertegenwoordigers van het handwerk, waaraan de commerciële productie een fatale klap heeft toegebracht.

339. Het werk dat de laatste levensjaren van Jed Martin in beslag nam kan zodoende worden gelezen – dat is de meest voor de hand liggende interpretatie – als een nostalgische bespiegeling over het eind van het industriële tijdperk in Europa, en meer in het algemeen over de vergankelijke, voorbijgaande aard van alle menselijke bedrijvigheid. Die interpretatie kan evenwel niet het onbehagen verklaren dat ons bevangt bij het zien van die aandoenlijke Playmobil-poppetjes, verdwaald in een abstracte, onmetelijke futuristische stad die zelf verbrokkelt en vergaat, tot hij geleidelijk uiteen lijkt te vallen in de plantaardige onmetelijkheid, die zich uitstrekt zover het oog reikt. En evenmin het gevoel van diepe verlatenheid dat zich van ons meester maakt wanneer we de afbeeldingen van de mensen die Jed Martin op zijn aardse pad hadden vergezeld, zien verweren, verrotten en aan flarden gaan, waarbij ze zich in de laatste video’s lijken te willen opwerpen tot symbool van de algehele vernietiging van de menselijke soort. Ze zinken weg, lijken nog even tegen te stribbelen, en worden dan gesmoord door de over elkaar schuivende plantenlagen. Daarna komt alles tot rust, er is alleen nog gras dat wuift in de wind. De triomf van de vegetatie is volledig.

Michel Houellebecq De kaart en het gebied

vrt deredactie.be – opinie: Sparen voor de dokter

13 november 2011

“>Sparen voor de dokter
09 / 11 / 2011

‘Het hospitaal wordt voor het particuliere initiatief rendabel vanaf het moment dat het lijden dat er verlichting komt zoeken tot schouwspel is geworden.’ Michel Foucault, “De geboorte van de kliniek, een archeologie van de medische blik”.

Jonge huisartsen worden soms geconfronteerd met een merkwaardig gevoel, dat van vertrouwen vanwege je patiënt: een wildvreemde die voor jou zonder veel omhaal de sluiers van zijn of haar leven licht. Die patiënt doet een appèl op je spiegelend vermogen en gunt zich een blik op zichzelf in de pupil van jouw ogen.

Dat is vaak een schok na een lange opleidingsperiode in aula’s, practica, ziekenhuizen en instellingen, temidden van dure apparatuur, indrukwekkende onderzoekstechnieken en knappe bedienaren. Jarenlang werd je verbluft door fascinerende iconografische beeldvorming en ‘evidence based’ cijferwaarden uit indrukwekkende laboratoria.

Twijfel en aarzeling zijn ongewenst

Een artsenopleiding is daarom ook een inwijding: je moet je oude ideeën verlaten, afscheid nemen van veel idealen en verlangens, om gekneed en gedrild te worden in een harnas van wetenschappelijke waarheden, statistische zekerheden en dubbelblind onderzoeken die iedere twijfel helpen verbannen. Steeds vaker word je getraind in een soort beroepsopleiding op universitair niveau: lang, zwaar, uitputtend, benauwend en veeleisend.

Academische twijfel, leven en leren omgaan met onzekerheden – ook van buiten de medische wereld – horen daar volgens nieuwe inzichten niet echt bij. Artsen die in luttele minuten levensbepalende beslissingsmogelijkheden moeten voorleggen aan hun patiënten zouden bij twijfel en aarzeling alleen maar onrust zaaien. Conclusies trekken is dan nog moeilijker en kan soms geen uitstel verdragen. Ons medisch handelen is immers levensreddend, toch?

De confrontatie met levende patiënten na die inwijding is voor velen een schok, tenminste voor wie zich als dokter openstelt voor de vragende blik van patiënten die op zoek zijn naar een bewaarder van de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem.

Wie die confrontatie leert hanteren, kan uit de ivoren klinieken van de dure wetenschappen afdalen naar het ware leven. Om die menselijkheid en om de kosten zal het de komende jaren vooral te doen zijn in de zorg.

Tomeloos zorgbudget

In Nederland buigt de Tweede Kamer zich deze week over het zorgbudget: vandaag 60 miljard Euro en als het zo verder gaat komen daar bovenop nog 15 miljard extra in de volgende vier jaar.

Nederland schakelde in 2006 over naar een marktwerking in de gezondheidszorg waarbij iedereen zich verplicht moeten verzekeren. De particuliere verzekeraars (ziekenfondsen) moeten door onderlinge concurrentie de beste zorg tegen acceptabele prijzen inkopen voor hun verzekerden. Die marktwerking zou de garantie vormen voor een zuinig prijzenbeleid.

Niet dus.

Mede door de enorme investeringskosten in infrastructuur en personeel is in die zorgmarkt het aanbod vrij beperkt en niet concurrentieel. De (potentiële) zorgzoekende wordt bovendien met alle mogelijke mediamieke middelen de kop zot gemaakt voor uitgebreide checkups in labs en beeldvorming naar vreselijke ziekten die nog niet gekend doch reeds onder de leden kunnen broeien. Allerlei financiële of commerciële prikkels leiden tot productieverhoging met geoptimaliseerde facturatie, misbruik of fraude – zoals ook met het PGB - persoonsgebondenbudget..

De liberale minister van gezondheidszorg, Edith Schipper, heeft volgens de Algemene Rekenkamer de uitgaven niet langer in de hand en in het kader van de bezuinigingen zal er dus flink gehakt worden.

Stijgende premies

Maar ook de premies voor de ‘aanvullende’ zorgverzekering (van tandarts tot logopedie, van kiné tot psychotherapie, van thuishulp tot hospice-opvang voor terminale patiënten) en de eigen bijdragen aan die zorgkosten stegen reeds flink.

Nu blijkt dat de premies voor die aanvullende verzekeringen ( 86% van de Nederlanders betaalt daarvoor bovenop het basispakket) volgend jaar 5 tot 40% stijgen. Van de hele bevolking is zowat 90 % verzekerd bij de grote vier: Zilveren Kruis Achmea, CZ, Menzis en Univé. Achmea heeft de dans geopend met een verdubbeling van de tandartsenpolis voor jongeren van 18 tot 22 jaar. Bij hen zullen de 65-plussers maandelijks ook 10% meer moeten ophoesten.

Op 19 november moeten alle tarieven openbaar zijn opdat de verzekerden desgewenst kunnen overstappen. Doch dat doet slechts een paar procent wegens vaak van de regen in de drop.
Maar ook de verplichte basisverzekering – waarmee dure ingrepen, ziekenhuisopnames en huisartsenbezoek worden betaald – stijgt alweer met 2 % tot 105 euro per maand.

Rijst dus de vraag hoe zorg in de toekomst betaalbaar kan worden.

‘Zorgsparen’

Daartoe had oud-minister van financien Wouter Bos van de PvdA een boeiende suggestie onder de vorm van ‘zorgsparen’.

Wouter is nu niet langer meer in de politiek en zijn partij niet langer in de regering. Maar nadat hij – om meer tijd te kunnen besteden aan vrouw en kind – net op tijd ontslag had genomen als socialistisch voorman, is hij inmiddels alweer succesvol aan de slag als zorgadviseur bij de Nederlandse vestiging van het internationale accountants- en adviesbureau KPMG.
En van daaruit suggereert hij constructief het ‘zorgsparen’.

Burgers – niet alleen in Nederland – hebben vaak twee belangrijke en levenslange spaarzorgen: die voor het pensioen en die voor de huisvesting. Daarbovenop komt nu ook nog de zorgkost voor wanneer iemand ziek, zwak, oud en zorgbehoevend wordt.

Politiek Nederland lijkt niet in staat en niet bereid om de collectieve zorgkosten fors te drukken. Te vrezen valt dat zoiets niet in dank zal worden aangenomen door de kiezers, want dat impliceert een einde aan de lucratieve illusies van preventieve angsten voor pijn en lijden. Gezondheid is voor velen een warm gekoesterd verlangen. Bijgevolg zal de burger een verschuiving beleven van steeds grotere delen van de collectieve en dus solidair gefinancierde zorg naar de eigen individuele inbreng.
Deze evolutie ruikt sterk naar het aloude Amerikaanse drama in de financiering van gezondheidskosten met alle gevolgen van dien, ook in Nederland: eerst centen dan zorg.

Wie een eigen huis heeft bijeen gespaard zal dit in de toekomst mogen opgebruiken voor zorgkosten eer een solidaire financiering nog aan de beurt komt.
Hoelang solidariteit en toegankelijke verzekeringen dan nog blijven bestaan, mag duidelijk zijn. .

Huisartsen

Als blijk van politieke moed wil zorgminister Schippers ook 20.000 euro op iedere huisartsenpraktijk sparen. Dat ze daarmee ook het enige houvast voor patiënten aantast kan problematisch worden. Huisartsen zijn doorgaans het handigste alternatief voor dure specialistische zorg en kunnen zo nodig gericht doorverwijzen in de jungle van de vrije marktwerking waar dure gespecialiseerde zorgverleners hun productiecijfers en financiële targets moeten halen onder druk van de commerciële belangen van ziekenhuizen en het medico-farmaceutisch conglomeraat.

In 2004 adviseerde de Gezondheidsraad reeds om juist meer te investeren in die eerste lijn wegens de impact op de bevolking en het kostenbeheersende aspect ervan voor de gezondheidsorg.
De Nederlandse hoogleraren huisartsgeneeskunde legden in die zin een verklaring voor aan de Tweede Kamer: ‘Een goed functionerende eerste lijn is immers in staat om het grootste deel van de gezondheidsproblemen adequaat te diagnosticeren en te behandelen. Een sterke eerste lijn is effectief en doelmatig, levert besparingen op en genereert gelijktijdig kwaliteitswinst. Een sterke eerste lijn is ook nodig om mensen door het oerwoud, soms wildgroei, aan voorzieningen te loodsen en op de juiste plek te brengen. Denemarken heeft gekozen voor het echt investeren in de eerste lijn en haalt Nederland in op het gebied van kwaliteit van zorg, terwijl de kosten minder stijgen.’

‘De medische kennis rechtvaardigt een vorm van macht; die macht zet de kennis in werking en een heel apparaat van wetten, rechten, regels en praktijken, en institutionaliseert het geheel alsof het de waarheid zelf is.’
Paul Veyne, “Foucault, de denker, de mens. ”

DVD serie ‘BORGEN’ – over de eerste Deense regering met een vrouwelijke premier

13 november 2011

‘BORGEN’ – over de eerste Deense regering met een vrouwelijke premier

Na het succes van ‘The Killing’ en de remake voor de Amerikaanse markt hebben de makers van deze tv-reeks een eigen versie van ‘The Westwing’ opgezet: ‘Borgen’ is de zetel van de Deens regering waar door toeval en handig maneuvreren voor het eerst een vrouwelijke premier in het zadel gehesen wordt.
De actualiteit volgde een jaar later met Helle Thorning-Schmidt als 46 jarige statsminister.
In ‘Borgen 1’ is de politieke leider van de Middenpartij, Birgitte Nyborg, onverwachts verkozen tot eerste vrouwelijke premier van Denemarken. Ze komt in de eerste reeks vrij snel tot het besef dat haar nieuw verworven rechten en plichten hun tol eisen van haar privéleven en haar dierbaren.

Knap gefilmd en geacteerd, mooie afleveringen, grondige analyse van de principes van de macht, met een hoog Obama niveau van ‘yes, we can’, geen offer te groot, geen dal te diep in de strijd voor de wet van behoud van macht. Iedere aflevering wordt opgehangen aan een belangrijk citaat over het spel van de macht van historische figuren en scherpt de verwachtingen telkens weer, maar de uitwerking is vaak te zoet, te glad en te westwingiaans.
De rol en de betekenis van de spindoctor – schitterend getekend – is dan weer fascinerend opgebouwd.
Virtuele erotiek en spanningen neigen veel te Amerikaans en tot overmaat van ramp blijkt in Denemarken nu ook iedereen met hemdjes, topjes, pyjama’s en wat al niet aan onder- of sportgoed te slapen, te vrijen en te naaien. Behoudens een enkele bink die zijn tors moet presenteren.
Het is waarlijk godgeklaagd dat die Amerikaanse eisen op het vlak van hypocrisie en preuts fröbelen nu ook in de Europese filmcultuur opgeld maken.

De tweede reeks is recent in Denemarken op de buis verschenen. Er volgt dus nog wat, hopelijk niet te glad en met minder clichés.

11-11-2011 : Vlees in uniform is volautomatisch…

11 november 2011

Vlees in uniform is volautomatisch

Wij zijn die eeuw, die twintigste
Zonder getal, ik zei het al
Met de precisie van en losgeslagen tong.

Maak van ons geen foto.
Heb compassie met een vrouw
Die haar maten niet kent,
En draai geen film over verlamde mannen.

Maak van ons geen mens en geen verhaal.
Wij zijn de naakten die zich hullen
In brandende vlaggen,
In de namen van geschonden grenzen.

Onze kleermaker zit zonder stof.
Wij trekken ons uniform van vlees
Over andermans boten om onszelf te zien.
Wij nemen elkaar de maat
Met de mateloze centimeter van Gods afwezigheid.

Onze doorgeleerde mond is een vergissing
Of een gissing, en ons axioma luidt:
Wij weten niets. Wij weten niets.
Dat leren wij de kinderen op school.

Leonard Nolens, Bres I, 16 – uitg. Querido 2007

HBO DVD serie Deadwood

9 november 2011

HBO DVD serie Deadwood

‘Deadwood’ is behoudens enkele knappe acteerprestaties, vooral een interessante interpretatie van de overgangsperiode in de VS waar de federale overheid haar invloed probeert uit te breiden in de Nieuwe Territoria die legaal en vooral illegaal worden veroverd, gekocht en gesjoemeld ten nadele van Indianenstammen.
De ontdekking van goud start een enorme koortspiek met een stroom gelukzoekers. In hun zog vertier met vrouwen, gokspelen en drank.
De evolutie van de lokale machtsverhoudingen met de claims vanuit de omliggende staten wordt knap toegelicht. Ook de clash tussen de lokale potentaten en figuren als George Hearst om de goudconcessies voor mijnbouw wordt ferm opgevoerd. De Black Hills waren in 1868 aan de Lakota indianen toegekend, maar na de goudvondst in 1874 was er geen houden meer aan. Het illegale Deadwood kamp telde snel 5000 gelukzoekers, tot en met Chinese koelies, opiumdealers, hoeren en varkens om de lijken op te ruimen.
Verrassend is ‘Deadwood’ als kruispunt van een groot aantal historische figuren uit de Amerikaanse geschiedenis en de trek naar het Wilde Westen.
De reeks is helemaal geen uitgemolken en lang gerokken western, maar een verhaal van het sarcasme van de macht en hoe de herders hun schapen scheren, melken en kelen, al naargelang de behoefte van het ogenblik. Maar steeds met het hogere doel voor ogen: de wet van behoud van macht en de daaruit voortvloeiende nood aan permanente uitbouw van de eigen machtspositie.
De contrasten tussen de hoofdrolspelers – ook in het Engels dat zij bezigen van Shakespeareaanse monologen door een verlopen hoteleigenaar tot eindeloos fuck, suck & cunt gestotter, stif upperlip Engels, Scandinavische, Russische, Franse, Duitse en welke tongvallen, eigenaardigheden en grappen al niet meer. Het Chinglish van Wu – ook in getekende vorm – spant de kroon.

Er was nog een film en een seizoen of wat meer voorzien, doch de Amerikaanse TV stations werden steeds nerveuzer van het fenomenale bloemrijke taalgebruik en het pezende hoerendom alom in Deadwood.

With its slate of extremely rich and nuanced characters, Deadwood was an intensely personal show, but it represented an important time in American history – in a broader context, what do you think Deadwood says about democracy in America?
-If Deadwood said a damn thing about democracy in America, it would be that the overwhelming vote of viewers to bring the show back and let it run its course is overridden and ignored by a small powerful minority. The fact that a few people in the boardroom can outweigh the voice of the masses who watch and support such a great thing exudes our current state of affairs in America in near perfect political parallel.

What’s your favorite Deadwood quote?
It’s one of the most – perhaps THE most – quotable series in television history, with dialogue that is simultaneously witty, graphic and eloquent…what are your favorite lines from Deadwood?

I may not have the precise quote, but it was spoken by E.B. Farnum after Calamity Jane tells him she’s going to visit Alma Garrett, who at that time, was still hooked on Laudanum:
“Between her gutter mouth and the Widow hopped on opium…A conversation for the ages!”

“Pain,the damage, don’t end the world, or despair or fuckin beatins. The world ends when your dead. Until then, you got more punishment in store. Stand like a man and give some back.”
Al Swearengen

“Cocksucker” by the hilarious head Chinaman, Wu.

Well, I guess when it starts pissin’ rain in here, you know who to blame, huh? Now, I know word’s circulatin’ Indians killed a family on the Spearfish Road. Now it’s not for me to tell anyone in this camp what to do, as much as I don’t want more people gettin’ their throats cut, scalps lifted or any other godless thing that these godless bloodthirsty heathens do. Or even if someone wants to ride out in darkest night. But I will tell you this. I’d use tonight to get myself organized. Ride out in the morning clear-headed. And startin’ tomorrow morning, I will offer a personal $50 bounty for every decapitated head of as many of these godless heathen cocksuckers as anyone can bring in. Tomorrow. With no upper limit! That’s all I say on that subject, ‘cept next round’s on the house. And God rest the souls of that poor family. And pussy’s half price, next 15 minutes.
Al Swearengen

Trixie to Star when he is ribbing her about her figures on the accounts: “Tread lightly, who lives in hope of pussy.”

Gallo-Romeins Museum Tongeren – Sagalassos, City of Dreams 

2 november 2011

“>Sagalassos, City of Dreams 
Totaal anders dan de klassieke archeologische tentoonstellingen én voor het hele gezin. Dat is ‘Sagalassos, City of Dreams’.

Hoe levendig we het ook oproepen of verbeelden, het verleden wordt steeds vager, van gevoel ontdaan, door de vergetelheid uitgewist.??(D. Lowenthal)
Een realistisch beeld van het verleden proberen op te roepen, is zoals uit een helder verlichte kamer kijken naar de duisternis. ?Het lijkt wel alsof er iets is, daar buiten in de tuin – de onzekere vormen van bomen die zacht bewegen in de wind, … of is het slechts een afbeelding die op het raam is geschilderd, … ? ?Is er helemaal niets daar buiten en is de verlichte kamer de enige werkelijkheid?
(D.S. Carne-Ross)

Raak in de ban van deze monumentale antieke stad door een megaprojectie met nooit geziene beelden van de bijna buitenaardse site. Word meegezogen in haar ‘successtory’ door prachtig uitgekapte sculpturen van keizers en goden. De meest bijzondere staan te pronken in een spraakmakend decor van operaregisseur Guy Joosten.
?Heeft u kinderen? Verken de expositie dan op speelse wijze in het gezelschap van Pegasus, het vliegende paard.
??‘Sagalassos, City of Dreams’ is een droom van een tentoonstelling, ver van de begane paden en vol ambitie. Net zoals Sagalassos zelf.

‘Sagalassos, City of Dreams’ wordt in alle media fors gepusht als dé tentoonstelling in het Galloromeins museum te Tongeren.
Een bezoek is weer zo’n ‘Limburg alleen’ belevenis: de PR is vaak – om niet te zeggen ‘altijd’ – beter dan de inhoud.
En eerlijk, ‘t is meer dan de moeite op het vlak van didactiek, pedagogiek, enscenering, multimedia en wat al niet meer.
Maar de kwaliteit van de beelden, opgegraven stukken en analyses blijft op het niveau van de al even didactische, pedagogische multimedia tentoonstelling in de rest van dit ’ Europees Museum van het jaar 2011’ – waarvoor onze felicitaties.
Verder geen echte topstukken zoals aan de westkust van Turkije in de Ionische muurloze steden, geen fundamentele referenties noch verwijzingen naar belangrijke intellectuele, artistieke, politieke omwnetelingen of gebeurtenissen in het hele lange leven van Sagalassos.
In feite was Sagalassos zijn hele bestaan een ‘city of dreams’ en is het dat nog steeds: veel beloven en weinig geven. Een luxe ressort voor schatrijke handelaren en hun entourage of hofhouding, steeds bij de eersten om de huik naar de nieuwe heersende winden te hangen, maar behoudens nieuwe rijken met hun aangepaste smaak leverde dat niet echt veel beklijvend op behoudens luxe architectuur, infrastructuur en een paar beelden in de publieke ruimten bij dito fonteinen. Begeleidende teksten in het Nederlands, Frans én Turks, waarvan het niet helemaal duidelijk is of het om een letterlijke vertaling gaat.
Wel een woordje over de oudchristelijke Michaelietensecte maar niets over mogelijke conflicten rond de Arianen en gnostici.
Sagalassos lijkt een toplocatie voor archeologie en aanverwante disciplines, zoals binnen enkele eeuwen Nice in Frankrijk en Miami in Florida, vrees ik.

“Wat volgt, staat altijd in verband met wat eraan vooraf ging.” (Marcus Aurelius, Romeinse keizer 121-180 na Christus).
En dat geldt zeker met evenveel woorden voor Limburg.

Monica Soeting, Tussen wet en werkelijkheid

25 oktober 2011

Monica Soeting, Tussen wet en werkelijkheid – Euthanasie in het licht van een roman van Willen Jan Otten en de filosofie van Maurice Merleau-Ponty. Universitaire Pers Maastricht 2005

Een bijzonder boeiende analyse alsmede een begrijpelijke, goed gefundeerde repliek ivm de Nederlandse wetgeving over euthanasie en hulp bij zelfdoding.

27-28. De wet op euthanasie verlangt volgens hoofdstuk II artikel 2, lid Ia, dat een arts ‘ de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patient.’ Achter deze eis gaat de gedachte schuil dat mensen autonoom zijn en over hun eigen lot kunnen en mogen beschikken. Otten weert zich tegen deze aanname. Volgens hem lijkt het alleen maar alsof de mens over zijn lot beschikken kan. Dat betekent nog niet dat de mens dat mag. Het idee van de autonome, strikt rationeel denkende en handelende mens is, zegt hij, ingevoerd door de westerse filosofie, die op strikt rationele wijze opereert. Dit staat in contrast met de werkelijkheid, die allesbehalve rationeel is: leven en dood, stelt Otten, worden in hoge mate door emoties bepaald. We mogen niet vergeten dat wij de menselijke ziel niet kunnen kennen. Bovendien is de mens niet autonoom. Leven en dood worden bepaald door het ‘buitenmenselijke’, het lot. De dood van een mens beïnvloedt altijd het leven van anderen. Alleen de tragedieschrijver, die oog heeft voor de irrationaliteit van het menselijk leven, onze afhankelijkheid van het lot en van andere mensen, is in staat de complexiteit van leven en dood te vatten. De tragedie doet ons door haar inhoud en vorm beseffen dat we allerminst vrijwillig en rationeel handelen. De filosofie, die ervan uitgaat dat de mens autonoom is en daarom in staat is onafhankelijk van anderen strikt rationele beslissingen te nemen, stelt zich boven de werkelijkheid, en maakt zich schuldig aan hoogmoed. De wet die bepaalt dat euthanasie
en hulp bij zelfdoding geoorloofd zijn indien een patiënt daar vrijwillig en weloverwogen om verzocht heeft, is een uitvloeisel van deze hoogmoed.

121. Een roman, schrijft Merleau-Ponty in Phénoménologie de la perception, is geen analyse van de werkelijkheid, maar dient evenmin als spreekbuis van de schrijver. Een roman brengt net als alle andere kunstwerken de concrete ervaring in al haar ambiguïteit direct tot uitdrukking. Zo schrijft hij:
Wat de roman betreft, deze laat zich weliswaar samenvatten, en de ‘ideeën’ van de romanschrijver laten zich weliswaar abstract formuleren, maar deze begripsmatige betekenis is aan een omvattender betekenis ontnomen, zoals het signalement van een persoon aan de concrete aanblik van zijn fysionomie is ontnomen. Het is niet de taak van de romanschrijver om ideeën uiteen te zetten of zelfs maar karakters te analyseren, maar om zonder enig ideologisch commentaar een intermenselijk gebeuren weer te geven en dit zó tc becn rijpen en schitteren, dat elke verandering in de ordening van ‘het verhaal of in de keuze van de perspectieven ook de gehele romaneske zin van het gebeuren zou veranderen. Een roman, een gedicht, een schilderij en een muziekstuk, zijn individuen, dat wil zeggen wezens waarbinnen de uitdrukking en het uitgedrukte niet zijn te onderscheiden, waarvan de zin slechts door een direct contact toegankelijk is en die hun betekenis uitstralen zonder hun plaats in de tijd en de ruimte te verlaten.
(Merleau-Ponty 1945:176-177)

124. Reflectie en analyse, zegt Merleau-Ponty, zijn gefundeerd in de prereflectieve ervaring, niet andersom. De concrete ervaring gaat altijd aan de reflectie vooraf. Als we reflectie en analyse als werkelijker beschouwen dan de wereld die daaraan voorafgaat, vergeten we dat we deel uitmaken van de wereld voordat we nadenken over de wereld. Als we de reflectie belangrijker achten dan de primordiale ervaring, problematiseren en ondergraven we onze afkomst. Bovendien verliezen we dan onze individualiteit, en daarmee ook ons vermogen om tussen goed en kwaad te kiezen. Abstracte regels en modellen bepalen dan ons wereldbeeld en ons handelen.
Hoe komen we uit die boze droom, en keren we terug naar de concrete werkelijkheid? Merleau-Ponty benadrukt dat het op zich geen probleem is dat we modellen van de werkelijkheid maken. ‘Binnen het domein van de wetenschap,’ schrijft hij, ‘is en blijft het noodzakelijk te begrijpen wat verificatie, nauwgezet onderzoek en kritiek op zichzelf en op de eigen vooroordelen inhouden. [... ] De vraag die het moderne denken haar voorlegt, is niet om haar te bekritiseren of om haar een eigen terrein te ontzeggen.’ (Merleau-Ponty 2002:14). Problematisch wordt het pas, wanneer we de modellen als belangrijker beschouwen dan de werkelijkheid.
Nog problematischer is het wanneer abstracte ideeën die niet uit de concrete ervaring voortkomen, over de ervaring worden gelegd. Dan vergeten we helemaal dat aan alle reflectie de prereflectieve ervaring voorafgaat.

160. Merleua Ponty: De waarde van de roman ligt daarin dat hij ons toont dat we ‘actief worden wat we per toeval zijn, dat wij communicatie tot stand brengen met anderen en met onszelf, waartoe onze temporele structuur ons de mogelijkheid geeft en waarvan onze vrijheid slechts een ruwe schets is’. (Merleau-Ponty 1966:71) In die zin leven we tussen wet en werkelijkheid: de wet kan de structuur van de werkelijkheid tot uitdrukking laten komen. Waar wij ons voor moeten hoeden, is dat we het een ondergeschikt maken aan het ander.

164. Van Oijen, die door Otten bekritiseerd wordt vanwege zijn vermeende absoluut geloof in zuivere rationaliteit, schreef in 1996 dat een goede omgang met het doodsverlangen van patiënten niet ligt in het pijnlijk nauwkeurig opvolgen van regels en wettelijke bepalingen:
Hoeveel regels er ook worden voorgeschreven, het zijn uiteindelijk alleen richtlijnen. In de praktijk blijkt dat deze regels geen waarborg vormen voor een goed uitgevoerde euthanasie. Je kunt je aan alle zorgvuldigheidseisen houden, de euthanasieprocedure helemaal keurig uitvoeren en toch fouten maken. Door de nadruk te leggen op alle formele, zakelijke regelingen ben je geneigd je intuïtie te negeren.
Als huisarts/stervensbegeleider kun je je niet permitteren geen gehoor te geven aan je intuïtie. Het zou een zeer slechte ontwikkeling zijn als artsen zich opstellen als uitvoerders van een formele procedure. Bij iedere patiënt die om levensbeëindiging vraagt, hoort de arts zich in de eerste plaats te laten leiden door zijn gevoel en verstand, de procedure mag dit niet in de weg staan. (Van Oijen 1996:177)
In dit citaat verzet Van Oijen zich niet tegen het gebruik van regels. Hij stelt slechts dat de regels gevoel en verstand niet overheersen mogen.
Ook Rob Dillmann maakt duidelijk dat de werkelijkheid gecompliceerder is dan de wet vermoeden doet, en dat we daarom meer nodig hebben dan algemene regels om met vragen betreffende euthanasie om te kunnen gaan. ‘De reden om in te gaan op een verzoek tot euthanasie is nooit enkelvoudig,’

165. Zo is de mogelijkheid geschapen wet en werkelijkheid, het algemene en het particuliere met elkaar in overeenstemming te brengen, precies zoals dat in onze eigen levens gebeurt. ‘Het gezamenlijke leven wordt niet ingericht op basis van boven de tijd verheven bewuste beslissingen,’ schrijft Widdershoven, ‘maar komt tot stand in historisch gesitueerde processen van onderhandeling en overleg …(Widdershoven 2000:161) Binnen die processen kan het lezen en herlezen van romans ons helpen te bepalen of onze beslissingen goed zijn, ook in het geval van euthanasie en hulp bij zelfdoding.
De filosofie van Merleau-Ponty laat zien hoe romans kunnen helpen bij het nemen van juiste beslissingen, Verhalen en romans zelf geven per definitie geen concrete richtlijnen voor het goede handelen. Een vertelling is geen verhandeling over het goede leven. Ons mankeert niets is geen blauwdruk voor de omgang met euthanasie op een manier die recht
doet aan zowel wet als werkelijkheid. Als we van de roman leren willen, zijn we aangewezen op een filosofische verdieping die de roman niet ondergeschikt maakt aan een dogma.
Merleau-Ponty beschouwt filosofie en literatuur als aanvullingen op elkaar, De literatuur geeft de structuren van de concrete werkelijkheid en van dc prereflectieve ervaring direct weer; de filosofie legt deze structuren bloot en maakt duidelijk hoe de literatuur ons helpen kan bij het nemen en beoordelen van beslissingen.

Monica Soeting Tussen wet en werkelijkheid Dupslog

vrt deredactie.be Opinie: Caritatieve hardnekkigheid?

24 oktober 2011

Therapeutische hardnekkigheid?
19 / 10 / 2011

‘Als zieken ervaren wij onze toestand wellicht als minder ondraaglijk dan wij vreesden toen we gezond waren. Maar zo absoluut hoeven we de gedachte aan een toekomstige toestand niet af te wijzen. Andersom geldt immers hetzelfde. Een ziekte kan vele malen ondraaglijker zijn dan wij ons ooit voorgesteld hadden. Bovendien leven we niet alleen in het heden. Verleden, heden en toekomst zijn geen onafhankelijke, statische toestanden die elkaar afwisselen. In het heden, stelt Maurice Merleau-Ponty, komen het verleden en de toekomst tot uitdrukking. De toekomst is geen doel op zich, maar we zijn wel, omdat we handelende wezens zijn, per definitie gericht op de toekomst. We mogen echter niet vergeten dat de tijd zoals wij die benoemen niet de tijd is. Afzonderlijke tijdsperioden zoals verleden, heden en toekomst zijn constructies.’ Monica Soeting, Tussen wet en werkelijkheid – 2005.

In België bestaat het ‘LevensEinde InformatieForum’ met LEIF-artsen, die door hun collega-artsen gevraagd worden om advies bij moeilijke beslissingen rond het levenseinde. Bovendien voorziet de Belgische euthanasiewet in een verplichte raadpleging van een tweede arts (en bij niet-terminale patiënten van een derde arts).

In Nederland voorziet de wet op ‘euthanasie en hulp bij zelfdoding’ de mogelijkheid van een consult door een SCEN-arts, als ‘Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland’. Deze onafhankelijke arts moet een beredeneerd, open en schriftelijk verslag opstellen als onderdeel van de zorgvuldigheidseisen van de ‘wet toetsing levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding’.

De SCEN arts moet de consult vragende arts spreken, het dossier bestuderen, een gesprek hebben met de patiënt (liefst ook met de naaste familie en andere nabij betrokken hulpverleners). Hiervan wordt een schriftelijk verslag met advies aan de consultvrager bezorgd.

In de aan de gang zijnde discussie over therapeutische, palliatieve en zelfs caritatieve hardnekkigheid kan zo’n verslag vaak verhelderend werken. In een geanonimiseerd verslag hieronder werd het medisch jargon vertaald.

Consultatieverslag inzake verzoek om euthanasie.

Op – datum – kreeg ik het telefonische verzoek van de behandelende huisarts N.N. van mevrouw A. voor een SCEN consult bij haar. De medische gegevens, de ondertekende euthanasieverklaring op (datum) werden mij per e-mail bezorgd. Vooraf waren noch de behandelende huisarts noch de patiënte mij bekend. Ik bezocht betrokkene op – datum + 1 dag om 18 uur.

Voorgeschiedenis:

Slagadervernauwingen onderbenen sinds jaren, hoge bloeddruk, hersenbloeding met blijvend krachtsverlies rechter hand en been sinds 1999, botontkalking met indeukingen van borst- en lendenwervels, alsmede uitgebreide artrose. Patiënte rookte lang en intensief sigaretten. (68 jaar tot 20 per dag).

Sinds ruim een jaar toenemende buikklachten gepaard aan gewichtsverlies (51 naar 38 kg op 6 maanden) Onderzoek bij maag-darm-leverziekten leverde geen duidelijke oorzaak op. Als vermoedelijke diagnose werd verminderde darmdoorbloeding weerhouden.

Na deze ziekenhuisopname vier maanden geleden ging het aanvankelijk wat beter onder pijnstilling met paracetamol en tramadol, persantin, aspirine junior, actonel en zolpidem.

Huidige toestand:

Mevrouw opende zelf de deur. Zij was erg mager, fragiel en kort van adem maar stond er toch op thee te zetten voor ons gesprek. Zij was alert, volgde nog de actualiteit via radio en tv, maar verloor veel van haar vroegere vitaliteit: ‘Het kost me steeds meer moeite om bij te blijven met wat er in de wereld en in Nederland aan de hand is. Soms prijs ik me zalig dat ik nu zal kunnen sterven en al die financiële crisissen en oorlogen niet meer moet meemaken zoals de jonge mensen van vandaag.’ De steeds vaker voorkomende buikkrampen, die haar soms de adem afsnijden, en de reeds lang bestaande schietende rugklachten maken dat ze er tegenop ziet ‘s ochtends nog uit haar bed te komen. Ze wist dat vandaag de SCEN arts zou komen en daarom had ze de kamer gelucht en zich nog opgemaakt. Ze kan sinds de laatste ziekenhuisopname zelf niet meer buiten uit haar galerijflat op de 8ste verdieping en vraagt zich wel eens af of het niet allemaal makkelijker zou zijn wanneer ze zich het leven zou benemen door van de galerij te springen: ‘Maar dat is zo’n triest gedoe, dokter, want we hebben het hier al eens meegemaakt en dat wil ik de buren niet aandoen.’

Vorig jaar lukte het nog met haar scootmobiel een ommetje te maken door de wijk. Iedere maand kwam een neef of nicht die allemaal veraf wonen op bezoek. Maar ook met hen kon ze niet meer uit eten gaan door de pijn en de misselijkheid. Nu eet mevrouw nauwelijks nog, ze drinkt kleine beetjes en eet wat lauwe pap met honing. Haar ontlasting is problematisch geworden en de laxeermiddelen vindt ze walgelijk.

Mevrouw heeft geen kinderen, had een goed huwelijk waarbij haar man 14 jaar geleden plots in zijn slaap overleed: ‘Het was vreselijk om zo van hem afscheid te moeten nemen, maar achteraf gezien ben ik heel erg jaloers op hem, want ik wil dat het ophoudt, maar het gaat bij mij niet plots noch vanzelf.’

Toetsingscriteria:

Mevrouw heeft na de dood van haar man een euthanasieverklaring ondertekend en neergelegd bij haar vorige huisarts. Sindsdien heeft ze om de vijf jaar een hernieuwing ingevuld en ondertekend. Zij heeft hierover na het overlijden van haar man eenmalig gepraat met haar neef en nichten. Sinds de ziekenhuisopname in het voorjaar heeft ze hen op de hoogte gebracht dat ze er klaar voor was. Ook met haar huisarts heeft ze herhaaldelijk gepraat over de euthanasiewens. Na de ziekenhuisopname deed ze dit bij elke visite omdat ze voor zichzelf vond dat ze klaar was met het leven.

Mevrouw had in haar vijftigjarige professionele loopbaan bij hetzelfde bedrijf een verantwoordelijke functie verworven als directiesecretaresse. Zij was steeds zeer zelfstandig en regelde alles zelf. In 1989 is ze met pensioen gegaan maar pas na het overlijden van haar man is ze effectief gestopt in de zaak waar ze tot dan nog steeds de drukke periodes, vakanties en ziekteverzuimen mee hielp opvangen. Dit nadat haar auto gestolen was. Deze domper op haar mobiliteit en zelfstandigheid onderving ze verder met een taxi abonnement. Ze hield de laatste jaren erg veel van de maandelijkse gastronomische uitjes met haar nichten en neef die daarbij graag een beurtrol aanhouden.

Het toenemende verlies van haar zelfstandigheid stoort haar zeer. Vooral sinds ze na de ziekenhuisopname niet meer buiten kan komen: ‘De dokters kunnen er niets meer aan doen. Het zou door mijn rookgewoonte gekomen zijn. Bijna 70 jaar aan de sigaret is natuurlijk niet niks. Het was de oude directeur die mij nog voor de oorlog heeft leren roken. Hij vond dat heel sympathiek en ook wel spannend en ik heb er altijd van genoten. In het begin kon het enkel bij hem op kantoor. En zo had ik tot voor kort nog iedere dag een paar sigaretjes. Maar zelfs daar ben ik mee opgehouden. Roken gaat niet meer. De buikpijn, de onzekere en wisselende ontlasting, de misselijkheid, mijn rug en borst, alles doet zeer. Die pleisters dempen wel wat, maar ik moet steeds meer pijnstillers nemen en ben nog slechts een schim van mezelf. Ik heb anderen niets meer te bieden dan ellende. Ik kan zelfs geen flesje of potje meer openen, ik ben nu helemaal afhankelijk van anderen, voor alles. Zo verder moeten wachten op de dood is voor mij een nachtmerrie.’

Conclusie:

Mevrouw A. verkeert in een uitzichtloze situatie wegens geen andere optie dan opvoeren van de pijnstilling. Dit is voor haar wegens het toenemende verlies aan zelfstandigheid ondraaglijk. Zij is goed op de hoogte van de vooruitzichten en verzoekt daarom herhaaldelijk, volhardend en weloverwogen om euthanasie. Ik ben dan ook van mening dat voor dit verzoek om euthanasie voldaan is aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen.

was getekend, de SCEN-arts.

Dogma

In de discussie over palliatieve sedatie versus euthanasie en hulp bij zelfdoding met daarnaast het hoge aantal suicides bij bejaarden is het belangrijk om de werkelijkheid niet te verklaren vanuit een dogma. Als artsen door een patiënt om euthanasie gevraagd worden, zullen zij moeten vaststellen of deze zelfstandig tot dat besluit gekomen is, en of het lijden voor die patiënt werkelijk uitzichtloos en ondraaglijk is.

Dat kan door gesprekken met de patiënt, de omgeving en andere hulpverleners waarbij alle betrokkenen vermijden te handelen vanuit een opgelegd idee of een dogma. Anders maken ze zich schuldig aan onechte wetenschap, omdat ze hun idee belangrijker vinden dan de werkelijkheid. Daarmee wordt ook voorkomen dat artsen hun eigen gevoelens in het contact met hun patiënten laten overheersen.

In de praktijk zullen alle mogelijke regels, toetsingen en wetten geen sluitende waarborg kunnen bieden voor een goed uitgevoerde euthanasie. In dit soort situaties kan je aan alle zorgvuldigheidseisen voldoen, de hele procedure tot in de puntjes uitvoeren en toch fouten maken. Wie teveel nadruk legt op alle formele, zakelijke regels kan neigen tot negeren van de intuïtie.

Een huisarts die aan stervensbegeleiding doet kan zich niet permitteren geen gehoor te geven aan zijn of haar intuïtie. Artsen die zich opstellen als uitvoerders van een formele procedure, zijn een gevaar voor het leven en het welzijn van hun patiënten. Een dokter hoort zich ook bij een verzoek om levensbeëindiging te laten leiden door empathie, zijn gevoel en verstand.

‘De mens is principieel een temporele structuur. Wij zijn de tijd zelf. Een muziekstuk demonstreert dat de tijd een vloeiende beweging is en geen opeenvolging van tijdsperioden. Zoals een melodie niet strikt een opeenvolging van noten is, zo is de tijd niet op te delen in onafhankelijke tijdsperioden’. (Maurice Merleau-Ponty)

vrt deredactie.be – Opinie: Dure angsten voor ziekte en dood

11 oktober 2011

Dure angsten voor ziekte en dood
05 / 10 / 2011

‘Naarmate we gezonder worden, wordt een levenseinde gepaard met verregaande aftakeling een zekerder noodlot. Toenemende kennis vreet aan godsdienst als bijtend zuur, maar dat maakt dit bittere einde van het bestaan enkel navranter. Godsdienst wordt vervangen door ‘gezondheidsdienst’: we kunnen enkel het leven vóór de dood zo goed mogelijk bewaren. Dat maakt mens en maatschappij nog vatbaarder voor doodsangst.Deze angst wordt meedogenloos uitgebuit. De medische industrie wil jou producten en diensten verkopen. Bureaucraten willen jou steeds meer belastinggeld afhandig maken volgens de wetten van de bureaucratie: iedere ambtenaar schept werk voor meer nieuwe ambtenaren. De wetenschap combineert niet zelden het slechtste van beide werelden. Zij wil zich de menselijke gezondheid toe-eigenen om jou beter illusies te kunnen verkopen.’

Luc Bonneux, En ze leefden nog lang en gezond – hoe gezondheid een industrie werd.

Dat er zal moeten bespaard worden, daarover lijkt eenieder het dezer dagen min of meer eens.
Dat daarbij op basis van kreten over gelijke kansen en tegen discriminatie een maximaal aanbod van alles en nog wat moet in stand worden gehouden, staat daar lijnrecht tegenover.
Dat de gezondheidszorg een heel belangrijke kostenpost is die leeft bij de gratie van dit soort kreten en gefluister vol van angst en een gebrek aan genade, wordt steeds duidelijker.
Dat er (politieke) moed nodig is om de angststrategie van de gezondheidsindustrie te keren, staat als een huis.

Zorg wordt duurste post

In Nederland stijgen de kosten voor de gezondheidszorg intussen naar 10% van het Bruto Binnenlands Product en naar 20% van de totale collectieve uitgaven van het hele land. Jaar op jaar zijn er begrotingsoverschrijdingen, vooral sinds de marktwerking werd ingevoerd in de zorgsector. Nochtans zou door de tuchtigende werking van de markt een hogere kwaliteit aan een concurrentiële prijs moeten geleverd worden.
Niets daarvan.
Vooreerst zijn zorgsector en overheid succesvol in het aanpraten van angst om de preventiemachine te laten draaien. Second opinions zijn schering en inslag want op tv worden prachtige programma’s gepresenteerd waarin allerlei dure onderzoeken uitsluitsel geven over zeldzame ernstige aandoeningen. De check-up waan levert vooral veel vals positieven die allemaal door de onderzoeksmolen gaan.
In Nederland schat men de jaarlijkse stijging van de zorguitgaven op 4 %, waarvan slechts 1% het gevolg is van de vergrijzing.
De uitgavenstijging van 59 naar 74 miljard Euro tijdens deze kabinetsperiode is sterk ‘productgedreven’. De samenleving wordt gemedicaliseerd, de patiënt denkt mondiger resultaat te halen terwijl vooral de kassa draait voor de zorgleveranciers.
‘Zorg’ heeft zo voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis de hoogste begroting van alle ministeries.
De zorgbijdragen belopen intussen ruim 5000 Euro per inwoner jaarlijks, met een jaarlijkse stijging van de individuele verzekeringspremies van over de honderd euro. Naast de 11,5 miljard euro van de werkgevers legt de overheid er nog vele miljarden belastingsgeld extra bovenop. Niet alleen om de zwaksten en armsten aan een zorgverzekering te helpen.
Voor de psychiater, de fysiotherapeut en de diëtist moet iedereen vanaf 2012 al een forse eigen bijdrage ophoesten.

Primaire en secundaire preventie en de kosten

Vaak hebben politici het bijzonder moeilijk om maatschappelijke problemen aan te pakken, laat staan om een degelijke besluitvorming op de rails te krijgen voor fundamentele problemen.
Bij gebrek aan beters is het dan handig een weinig belangrijk verschijnsel tot groot probleem te promoveren wegens bedreiging van de individuele en/of volksgezondheid. Daarop kan dan een preventiecampagne de angsten bezweren: voorkomen is beter dan genezen.

‘Hoe beter onze gezondheid, hoe groter de bemoeienissen. Het bedrijfsleven wil graag verkopen. Politici zoeken steun van het publiek voor hun projecten en om hun cliënten in een steeds groeiende ambtenarij te onderhouden. Deze groeiende ambtenarij moet de zin van haar bestaan bewijzen. De wetenschappelijke industrie (vroeger universiteiten genoemd) jaagt op onderzoeksfondsen. De media zoeken lezers en kijkers. Er is nauwelijks iemand die er belang bij heeft om de indrukwekkende bemoeizucht met je gezondheid wat te temperen. Deze bemoeienissen worden vaak verkocht met het geduldige motto ‘preventie’. Preventie is ontzaglijk succesvol geweest. ‘Preventie’ betekende echter de strijd tegen infectieziekten, door algemene regels van hygiëne, door betere woningen, vaccinatieprogramma’s en soms actieve opsporing.Primaire preventie betekent het voorkomen van ziekte. Het kan tegenwoordig echter ook betekenen: maak de mensen bang. Maak de mensen bezorgd, zodat ze je diensten, ideologieën of producten kopen. Er is een hele adviesindustrie gegroeid, doorgaans meer handelend op basis van wanen dan wijsheid. Secundaire preventie betekent het tijdig opsporen en behandelen van ziekte. Het betekent tegenwoordig ook ‘praat de mensen een ziekte aan’. Jaag de mensen de stuipen op het lijf tijdens een ‘gratis’ screening en genees ze van een ziekte die ze niet hebben. Succes gegarandeerd: mensen die iets mankeren, hebben de beste prognose, en genezen patiënten blijven je eeuwig dankbaar.’ (Bonneux, id.161)
Het draaiboek van de ‘levensgevaarlijke’ varkens-, Mexicaanse en Spaanse griep-pandemieën van de laatste jaren was hiervan ook een verschrikkelijk duur voorbeeld.

Vettaksen of suikerlasten?

In spagaat tussen het politieke werktuig van preventie en uit de pan swingende kosten in tijden van economische en budgettaire nood, dient daarom op een verstandige manier gesneden te worden in dit soort angstbudgetten.
Dat doe je niet door vettaksen te promoten.
Na het ontvetten van de Hongaren worden nu ook de Denen bijgesneden. De natte droom voor politici en farmaceutisch begeleide wetenschappers neigt zo naar een nakende nachtmerrie.
Overgewicht zou veroorzaakt worden door vet te eten – wat overigens door belangrijke epidemiologische studies en historische analyses wordt tegengesproken.
Maar voedsel is niet zoiets als tabak, autorijden dan wel alcohol innemen. Voeding is eerder zoals water, warmte, wonen, adem en aanrakingen een primaire levensbehoefte. Wie die behoeftes misbruikt door waardeloze en gevaarlijke diëten en voedingswaren te produceren en op te dringen, door de terreur van de gezondheidsboodschappen die op twijfelachtige vetmijdende premissen gebaseerd zijn, dient eerder zelf zeer fors belast te worden.
Steeds meer onderzoek wijst in de richting van het toenemende suikergebruik als een veel belangrijkere oorzaak van overgewicht. Tussen 1750 en 1800 at de hele wereldbevolking gemiddeld één kilo suiker per jaar. In 1910 was dit reeds opgelopen tot negen kilo. In 2005 werd gemiddeld 25 kilogram suiker- een halve kilo per week per persoon – geconsumeerd vooral in de westerse wereld. ‘Ooit was suiker een geneesmiddel, nadien een luxeproduct en intussen een ziekmakend gif’, aldus Ulbe Bosma van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

Dure angsten voor de dood

Nog een pijnlijk dramatisch gevolg van een ontspoorde gelijke-kansen-ideologie die kampt met de angst voor discriminatie is het ontnemen van een rustige dood.
In Nederland – en gewis ook in België – worden al te vaak mensen op hoge leeftijd of in een terminale levensfase met grote inzet en vertoon gereanimeerd.
Buren, omstaanders of familie willen liever een stervensproces uit hun omgeving bannen en bellen steevast ‘112’. Een ervaren Nederlandse ambulancehulpverlener Erik van Engelen schreef hierover in het vakblad Medisch Contact een opmerkelijke bijdrage die voor artsen en andere hulpverleners zeer herkenbaar was.
Enkele jaren geleden werd hij in de nacht naar een man geroepen van in de tachtig met een hartstilstand. Toen ze de ambulance parkeerden, stonden er zes wagens voor de deur: twee ambulances, vier politieauto’s, en de huisarts. Terwijl de zoon de hulpverleners probeerde uit te leggen dat het voor zijn vader allemaal niet meer hoefde, dat hij al zoveel aandoeningen had en dat hij sinds het overlijden van zijn vrouw klaar was met zijn leven, kreeg het reanimatieteam zijn hart weer op gang. ‘Met spoed werd een hoogwerker besteld om hem midden in de nacht uit het raam te takelen. Al reanimerend zijn ze in het brandweerbakje het raam uitgegaan. Buiten stond het zwart van de mensen.’ De man overleed alsnog op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis vol slangen en apparatuur.

Zodra 112 eenmaal is gebeld, is er geen weg terug. ‘Als wij een oproep krijgen, en we komen binnen, dan móeten wij handelen volgens protocol. We zijn daar gevraagd om te helpen, dus dat doen we. Dan gaan we hartmassage toepassen, beademen, elektroden plakken, ‘shocken’, en als er hartactiviteit is, gaat hij naar de Spoedeisende Hulp. Op dat moment is er geen tijd om je af te vragen: wil meneer dit wel?’ Rustig in huiselijke kring overlijden is er dan niet meer bij. ‘Ik twijfel aan het nut van reanimeren bij deze patiënten. Bovendien bezorgen we hun een ongewisse toekomst. Áls mensen het al overleven, dan komen ze er bijna nooit beter uit. Vergis je niet: de meeste reanimaties mislukken. Patiënten zijn vaak oud. De meeste mensen hebben een totaal verkeerd beeld van de impact van reanimatie. Alleen bij een zogenoemde niet-reanimeren-penning of een schriftelijke verklaring wordt niet ingegrepen. Maar die penning heb ik in twaalf jaar op de ambulance nog nooit gezien’, zegt Van Engelen. ‘Ook heb ik zelden een huisarts meegemaakt die ernaast stond en zei: stop er maar mee. De makkelijkste weg is doorverwijzen. ‘Bijna altijd treffen we niet de eigen huisarts maar iemand van de huisartsenpost, die de patiënt niet goed kent. Bovendien zijn ze terecht bang voor juridische consequenties. Zij zitten natuurlijk ook in een spagaat.’

De Engelse huisarts Michael Fitzpatrick formuleert het haarscherp in ‘The Tyranny of Health, doctors and the regulation of lifestyle’: ‘Dit betekent het heersen van de biologische gebodsbepalingen over de verlangens van de menselijke geest. Het biedt de staat, via dokters en andere gezondheidsprofessionals, mechanismen om zijn autoriteit over de levens van iedere individuele burger uit te breiden en daardoor over heel de maatschappij.’

Giorgio Vasta, De materiële tijd

6 oktober 2011

Giorgio Vasta, De materiële tijd – uitg. Wereldbibliotheek 2011 – vert. Marieke van Laake

Dit was geen makkelijk boek, fascinerend, soms zo verbijsterend dat je amper verder lezen kan. Elfjarigen die tijdens de loden maanden rond de ontvoering van en moord op Aldo Moro de Rode Brigades naspelen in Palermo is op zich al een zeer kras en moeilijk te realiseren gegeven. Maar de manier waarop de personages lijken te redeneren en te handelen naar hun dodelijke gesloten logica is bepaald adembenemend.
De auteur heeft hierover in een gesprek met Frans Denissen tijdens het Passaporta festival een verklaring toegelicht die mij niet voldoet.

In zijn boeiende bespreking haalt Marc Reugenbrink dit gesprek aan.

Telkens je als lezer geconfronteerd wordt met de leeftijd van de hoofdrolspelers, word je uit het verhaal getrapt. Woorden noch daden zijn begrijpelijk voor kinderen van die leeftijd, en ongeloofwaardig. Tenzij in extreme en aanhoudende gruwelsituaties zoals bij kindsoldaten in Oeganda. Elk bruusk ontwaken uit de lectuur confronteert je als lezer met je eigen bedenkingen bij de materiële tijd, en erger nog, met je eigen herinneringen aan vergelijkbare dromen en verlangens.

Marc Reugenbrink : ‘Daarmee legt Vasta iets op onze boterham dat misschien nog moeilijker te verteren is dan het gegeven dat elfjarige jongetjes tot gruwelen in staat zijn, of dat een verlangen naar maatschappelijke rechtvaardigheid tot extremisme kan leiden. Hij herleidt politieke aandriften tot existentiële benauwenis en vindt op de bodem van ons verlangen om daarvan verlost te worden de absolute rigoureusheid van een terrorist — of het nu gaat om het verlangen naar absolute rechtvaardigheid of om het verlangen het tekort in de liefde te overwinnen. De alfastil, zo zegt de verteller, was uiteindelijk niets meer ‘dan de zoveelste wanhopige taal waarin, voor mij, geen houding zit om liefde te zeggen, om te zeggen dat het alleen maar liefde was’. Het is dat wat aan De materiële tijd zijn werkelijke beklemming geeft. Het boek tracht een (taal)filosofisch probleem vlees en botten te geven (zoals in de bijbelteksten van de vaderfiguur). Het wil van zijn lezers hun eigen ideogram maken. Juist daarom is het zo spijtig dat Vasta hier voor elfjarigen heeft gekozen. De taal is exuberant, meeslepend, poëtisch, bij vlagen hallucinerend, en juist als je als lezer helemaal lijkt op te gaan in het verhaal, loop je telkens weer tegen het vervreemdende gegeven aan dat dergelijke jongetjes tot dit verbale vuurwerk onmogelijk in staat zijn. Alsof hij ons ook in literatuur wilde ontzeggen wat ons (net als zijn personages) in het leven wordt onthouden.’

24. We zijn allemaal ironisch op deze polaroid. En ironie maakt me ziek. Sterker nog, ik haat het. En ik niet alleen, ook Scarmiglia en Bocca. Want er is steeds meer ironie, te veel, die nieuwe Italiaanse ironie die op elk smoelwerk schittert, in elke zin, die elke dag tegen de ideologie vecht, haar kop verslindt; binnen een paar jaar zal er niets meer van de ideologie over zijn, zal de ironie onze enige hulpbron zijn en onze nederlaag, onze dwangbuis, en zullen we, teleurgesteld, allemaal op dezelfde ironisch-komische toon zijn afgestemd en precies weten hoe de aanzet van de grap moet zijn, wat de beste timing is, hoe we de allusie ineens kunnen neutraliseren en laten doodbloeden, altijd participerend en afwezig, spits en ontaard: gelaten.

Bijzonder is het boek van Giorgio Vasta omdat hij op een beklemmende manier door de omkering ‘de materiële tijd’ weet te ontsluieren als een infantiel en puberaal verlangen naar extatische zuiverheid, rechtlijnigheid, eerlijkheid compromisloosheid. De ik-figuur – kameraad Nimbus – laat zich verleiden door het epitheton ‘mythopoetisch’ dat hij ooit van de onderwijzeres toebedeeld kreeg. Deze ‘woordenmakerij’ wordt ook zijn laatste houvast naar het doofstomme object van zijn verlangen dat hij finaal zo toch als subject, mens en meisje herkent. Op die manier ontsnapt hij uiteindelijk aan de dodelijke logica van een gesloten zelfgeconstrueerd ‘dialectisch en historisch materialistisch’ denksysteem. Of zoals Karl Marx het omschreef in ‘De achttiende Brumaire van Lodewijk Napoleon‘ : ‘De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden.’

72. Toch gist er iets, weten wij die in staat zijn het waar te nemen.
Er heerst iets van opwinding. De behoefte hongerig te zijn, naar iets wat je pakt en meesleept, iets om je op te concentreren.
De strijd, bijvoorbeeld. Want daar gaat het om. Het woord strijd omvat seks, woede en droom. Dus proberen we het zachtjes uit te spreken, schaamteloos, en het aan actie te koppelen. Maar eenmaal zover, komt het ondoorzichtige terug, het verdoffen dat het voornemen van de verwezenlijking scheidt.
‘Hebben jullie nog gedacht aan wat ik jullie over de Rode Brigades heb gezegd?’ vraagt Scarmiglia ineens.
‘Over hun taal, bedoel je?’ vraagt Bocca.
‘Ja. En over het feit dat ze het niet bij taal laten. Ze gaan ook tot actie over.’
‘Wat moesten we denken?’ vraag ik.
‘Dat het zinvol is wat zij aan het doen zijn.’
‘Ook als ze doden?’
‘Herinner je je wat ik zei over schuldig zijn?’ vraagt hij me zonder te antwoorden.
Ik knik van ja.
‘Schuldig zijn is een verantwoordelijkheid. De Rode Brigades nemen die verantwoordelijkheid.’
‘Ze zijn bezig Moro onschuldig te maken: zeg ik.
‘Dat is waar: zegt Scarmiglia, ‘ook dat gebeurt, maar het is onvermijdelijk. Als iemand de moed heeft om schuldig te zijn, schept hij gevolgen. En een van de gevolgen is dat ze van Moro een slachtoffer maken:
‘Hoe dan ook: zegt Bocca zachtjes, ‘zij zijn wel de enigen die iets doen.’
‘Zeker: zegt Scarmiglia. ‘Bij elkaar zijn alleen maar om een groep te vormen, dat interesseert ze niet. De Rode Brigades handelen. Ze stellen daden.’
Terwijl we zitten te praten voel ik de meizon op mijn huid, hoor ik her en der krekels, enkele bijen, hun psychose in de lente.
‘De RB zeg ik, ‘zijn de enigen die hebben begrepen dat een droom verdort als hij alleen blijft.’
‘Ja, je hebt gelijk: zegt Bocca.
Scarmiglia kijkt ons aan, zwijgt, je kunt zien dat hij moet lachen, hij vindt het leuk dat wij meegaan in zijn denken.
‘Wat de Rode Brigades hebben begrepen: zegt hij vervolgens met heel zachte stem, ‘dat is dat de droom samen moet gaan met discipline, hard en geometrisch moet worden en op de ideologie gericht moet zijn:
Om ons heen auto’s, niet veel, af en toe; de mensen zitten in hun huizen te eten, geven elkaar het water door, het brood, voeden zich zoals ze gewend zijn.
‘Op de ideologie.’ zegt hij nog eens. Daarna gaat hij rechtop zitten, kromt zijn rug, betast zijn haren. Dat doet hij geruime tijd, hij wrijft eroverheen en brengt ze in de war, woelt in het in-zwarte, vindt nog een andere zin.
‘De RB zien dit alles,’ zegt hij, ‘ze zijn dit alles. Ze geven materie aan het immateriële, merg en stimulans aan wat alleen omhulsel en inertie was. Ze hebben de politieke klier van een heel land weggenomen en dwingen Italië nu volle aandacht aan hen te schenken.’

75. Ik luister naar hem, denk na, realiseer me dat hun taal, al onderga ik er de fascinatie van, toch ook iets heeft wat me in verlegenheid brengt, me medelijden inboezemt vanwege het oppervlakkige dogmatisme, de kinderlijke hoogdravendheid ervan. En toch, als er iemand hoogdravend is, dan ben ik dat.
Ik moet het wel zijn, want ik weet, zoals ook de RB dat weten, dat hoogdravendheid de enige manier is om toegang te hebben tot de visie, tot de profetie van de geschiedenis. Natuurlijk, het maakt je lachwekkend, maar alternatieven zijn er niet: als ik moet kiezen tussen ironie en lachwekkendheid, dan kies ik voor lachwekkendheid.

78. Want eigenlijk heeft hij gelijk, op het eerste gezicht is de taal van de RB een mythologisch dier. Een eenhoorn. Gespierd, sanguinisch, krachtig, fallusvormig. Met zijn in een spiraal gedraaide hoorn op het
voorhoofd, puntig en onverwoestbaar. Een taal die stroomt in de tekst, die ontwortelt en verslindt, die van woede en verandering vertelt. De brigadisten zijn altijd hartstochtelijk, altijd apocalyptisch. Ze schrijven ‘actieve strijd’, ze schrijven ‘de structuren ontwrichten’. Ze zijn apodictisch. De woestijnvaders hebben de Palestijnse zandvlakten verlaten en zijn naar de stad gekomen, naar de universiteiten en de fabrieken,
om te vertellen, om te getuigen, om te voorspellen en om te vervloeken.

79. ‘We moeten onherkenbaar worden,’ zegt hij. ‘Van een normale epidemie profiteren om ons verlangen naar een absolute epidemie te bevredigen. Wat niet alleen een verlangen van ons is, maar ook een sociaal verlangen.

De materiële tijd

vrt deredactie.be: Opinie – Derde Dinsdag in September

26 september 2011

Derde Dinsdag in September
21 / 09 / 2011

‘Derde Dinsdag in September’ is Nederlands Prinsjesdag: een stralende majesteit in een gouden koets rijdt met haar lakeien, een uitgebreide escorte met blaaskapel, te paard en te voet van haar paleis naar het Haagse Binnenhof voor de troonrede. Zij wordt ontvangen in de Ridderzaal door de leden van de Staten-Generaal, het Nederlandse parlement, om de natie toe te spreken in naam van haar regering.

Net echt

Prinsjesdag is net echt en heeft ook een hoog ‘kijk mij nou eens’ – gehalte. Het heeft iets opgewekt en blij want de dames wedijveren in sjieke toiletten met Ascot hoedpartijen. Nette heren staan te blinken in vol ornaat. Een beetje zoals bij het inmiddels failliete ‘Land van Ooit’, waar kinderen te horen kregen dat zij aan de macht waren. Voor de duur van het verblijf in de sprookjesland waren de ouders immers hun lakeien.

Net echt is ook de bleke koffer waarop ‘Derde Dinsdag in September’ met de miljoenennota van de minister van financiën wegens een doorslagje van de oude Gladstone box van de Britse Chancellor of the Excheque.

Net echt is ook de heisa in de weken voordien rond de gouden koets die duur is en verlucht met historische taferelen over zwarte slaven die van pure blijdschap de Nederlandse vorst nederig en gezellig hun rijkdom en schatten aanbieden.

‘Net echt’ is vaak het geval in deze Lage Landen bij de zee.

DigiNotar net echt en inmiddels failliet

Voor enkele weken kwam het DigiNotar schandaal aan het licht: Iraanse hackers hadden de echtheidscertificaten voor digitale communicatie met overheidsdiensten gekraakt. Het intussen failliet verklaarde bedrijf deed alsof haar afgeleverde certificaten net echt waren, ook al wist het bedrijf dat die hackers al maanden huis hielden op hun servers.

Traditioneel wordt de begroting – naar verluidt op cd in het koffertje ‘Derde Dinsdag in September’ – gepresenteerd en besproken in de Tweede Kamer op Prinsjesdag. Dit jaar volgens minister Jan Kees de Jager van financiën onder het motto: ‘Minder teveel, maar nog steeds veel te veel’. Tot dan wordt deze tekst streng beveiligd en geheim gehouden. Vorige week bleek de ‘pdf’ met de rijksbegroting evenwel op eenvoudige wijze van het web geplukt te kunnen worden.

Meer nog, Alexander Brenninkmeijer, de nationale ombudsman, wees er naar aanleiding van het gehackte DigiNotar op dat de Rijksoverheid ernstig in gebreke bleef en blijft in de beveiliging van haar digitale communicatiesystemen.

Digitale stropers in het Land van Ooit

NRC Next onthulde deze week dat er een strafrechtelijk onderzoek loopt tegen 260 huishoudens uit eenzelfde buurt in Rotterdam wegens digitale fraude: ‘Een envelop van de Belastingdienst valt op de deurmat. U maakt hem open en ziet dat het rekeningnummer waarop u kinderopvangtoeslag ontvangt, is gewijzigd in een voor u onbekend nummer. U belt naar de Belastingdienst en krijgt te horen dat u dat zelf moet hebben gedaan. Maar u weet van niks. Enkele weken later ontvangt u weer een brief. U heeft huurtoeslag aangevraagd op een vreemd adres, en het geld wordt gestort op een vreemd rekeningnummer. Maar u heeft hier geen recht op, want u woont in een koophuis. Wie gaat dit terugbetalen?’

Creatieve oplichters konden deze trucs klaren met een willekeurige digitale identiteit – DigiD – van persoon A en het burgerservicenummer, de geboortedatum en de naam van persoon B. Zo kon je met eender welk DigiD voorschotten op kinderopvang-, zorg- en huurtoeslagen doorsluizen naar een gewijzigd rekeningnummer. Volgens het Openbaar Ministerie wordt wel reeds onderzocht in hoeverre al deze zaken dezelfde fraudemechanismen vertonen. ‘Minder is teveel’, maar het is blijkbaar nog niet echt duidelijk voor wie dit in deze fraudeconstructies precies geldt.

Snelle dienstverlening en vertrouwen

Net echt was immers het fenomeen dat de belastingdienst bewust niet controleerde of de DigiD wel bij de aanvrager hoorde. ‘Op die manier konden mensen of organisaties die burgers wilden helpen met het aanvragen van een toeslag dat met hun eigen DigiD doen. Een kwestie van snelle dienstverlening en van vertrouwen’, aldus de Belastingdienst.

Toen in het voorjaar 2011 fraude aan het licht kwam met de kinderopvangtoeslag werd het DigiD gekoppeld aan het burgerservicenummer ( je individuele ‘geheime’ cijferidentiteit). Voor de overige fraude werd dit lek pas in augustus gedicht na een overrompeling met telefonische klachten van de belastingdienst.

Waar de DigiD in 2005 nog gelanceerd werd als een ‘elektronische handtekening’ adviseerde de Belastingtelefoon in 2007 de DigiD te lenen van je buur om nog binnen de deadline je belastingaangifte in te dienen. Net echt.

Gedupeerde burgers worden door de Belastingdienst nu geadviseerd om zelf op zoek te gaan naar de fraudeurs en van hen het geld terug te vorderen om het dan aan de fiscus door te storten.

Full proof en net echt

Nationale Ombudsman Alexander Brenninkmeijer verklaarde in NRC: ‘DigiD heeft niet gezorgd voor een systeem dat voldoende bescherming geeft. Daarom kon de Belastingdienst een noodgreep uitvoeren en konden mensen met andermans DigiD ondertekenen. De ene overheid veegt hier zijn stoep schoon voor de andere. Ik spreek als Ombudsman zowel de Belastingdienst als DigiD aan om dit te veranderen. Het systeem van de overheid moet gewoon kloppen.’

Burgers – niet alleen in Nederland – moeten kunnen vertrouwen dat hun digitale identiteit beveiligd is. De website van DigiD beweert nog steeds dat deze elektronische code een full proof identificatiemiddel is voor overheidssites: ‘Zo weten overheidsinstellingen dat ze echt met u te maken hebben.’

Net echt, maar toch niet helemaal.

Haastje-repje

Vraag blijft waarom in het ooit zo goed en voorkomend georganiseerde Nederland de overheid steeds vaker haastje-repje speelt met haar burgers en buitenlui.

Het EPD - electronisch patiënten dossier moest en zou mordicus ingevoerd worden ondanks een onoverzichtelijke berg privacy-bezwaren. De Eerste Kamer heeft dit gelukkig op het laatste nippertje tegengehouden in april ll. De Openbaar Vervoer chipkaart is bijzonder fraudegevoelig maar de verantwoordelijke minister noemde dit ‘beheersbaar’.

Toen in 2005 maar liefst 62 % Nederlanders het referendum over ‘het verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa’ afwezen was de paniek onder de politieke regenten groot. Ze hadden nog maar net onder leiding van Jan Peter Balkenende de populistische tsunami van Pim Fortuyn en de ‘Leefbaren’ geabsorbeerd of het eerste referendum in Nederland sinds 200 jaar werd een uppercut voor het kabinet Balkenende II en wat ze graag masochistisch omschrijven als de ‘Haagse kaasstolp’.

In hun weigering de uitslag als een afkeuring van hun binnenlands beleid te begrijpen grepen de Haagse regenten deze uitslag aan om luidop EU-schuld te bekennen: wij hebben u begrepen, Europa staat te ver af van onze landgenoten, was de euro onze harde gulden wel echt waard.

Van dan af lijken Hollands regenten over elkaars voeten te struikelen om hun populistische belagers in snelheid te pakken.

VOC-mentaliteit?

En sindsdien is het haastje-repje met de hete adem in de nek van links en rechts populisme. Jan Peter Balkenende probeerde het nog met een appel op de ‘mentaliteit van de Verenigde Oost Indische Compagnie’: ‘Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?’

Maar hij werd in de Tweede Kamer gecounterd door Jan Marijnissen van de SP: ‘De VOC-tijd kende nogal wat rooftochten. Ook is de kolonisatie door de Nederlanders toen ontstaan, zoals Indonesië. Als onze premier zegt dat hij terug wil naar de VOC-tijd, kan dat gek overkomen in het buitenland.’

Begin oktober 2008 ging de IJslandse bank Icesave failliet: ook 108.000 Nederlandse spaarders gingen voor 1,6 miljard Euro het schip in. Onder hen belangrijke provinciale en gemeentelijke besturen die tuk waren op een hoge korte termijnrente voor hun werkingsgelden. Ondanks de inspanningen van de toenmalige PvdA financiën minister Wouter Bos is er nog steeds geen akkoord voor terugbetaling door IJsland.

Hollands Glorie?

Met Jan Kees de Jager (CDA) op financiën en Mark Rutte (VVD) als minister-president gooit Hollands Glorie het nu over een andere boeg. Zij oreren graag en vaak over een failliet Griekenland dat moet gestraft worden – en wel meteen – over een gevaarlijke euro, over de hardwerkende noordelijke mieren en de zuidelijke luie beren – Kijk eens Angela, net echt en zonder handen. Toch?
Onderwijl onderhandelt het kabinet Rutte ( VVD en CDA, gedoogd door Wilders’ PVV die geen cent veil heeft voor ‘luie’ lidstaten) een deal met de PvdA oppositie van Job Cohen om de Eurocrisis te bezweren met steunmaatregelen waarvoor ze geen gedoogmeerderheid hebben.

Net alsof er echt bestuurd wordt.

Doordachte en onbezonnen bezuinigingen, het opschuiven van de pensioenleeftijd – veel kreten en gefluister, ‘Pomp and Circumstance’: de modale Nederlander zet zich schrap.

En intussen blijkt de website van de gemeente Amsterdam lek als een mandje. Journalisten van RTL Nieuws konden dinsdag vanaf hun redactie gegevens wijzigen en toevoegen. Het digitale loket werd dan maar gesloten.

Luc Bonneux, En ze leefden nog lang en gezond – Hoe gezondheid een industrie werd

18 september 2011

Luc Bonneux, En ze leefden nog lang en gezond – Hoe gezondheid een industrie werd. Uitg. Lannoo 2011

Naar mijn bescheiden mening bestaat er in het Nederlands geen beter boek over de opkomst, het succes en de nakende ondergang van de gezondheidsindustrie en de geassocieerde preventiezwendel.

Er ontbreekt een trefwoordenregister en hier en daar was de correctie te oppervlakkig, maar inhoudelijk staat het boek van Bonneux voor nog heel vele jaren.

De auteur – gerenommeerd epidemioloog, arts en columnist – haalt na een begrijpelijke analyse van onze gewonnen gezondheid gedreven en bedreven uit naar de verloren gezondheid als gevolg van preventieve oplichterij: de vogel- en Mexicaanse griepzwendel, aids en hiv-mythologie en de moorddadige ontwikkelingshulp, ziek worden van (borst- en colonkanker) preventie en tot slot de strijd om het hart van de consument door cholesteroloorlogen, voedingsindustrieën en farmaceutische vaardigheden.

Verplichte lectuur voor medici en paramedici, maar meer nog voor journalisten, beleidsmakers, politici en ziekteverzekeraars. En uiteraard een ferme opsteker voor potentiële en reële patiënten.

Bijzonder merkwaardig dat kranten- en tijdschriften in Vlaanderen en Nederland tot nog toe zo weinig aandacht besteed hebben aan dit indringende werk over ziekte en gezondheid.


10. Naarmate we gezonder worden, wordt een levenseinde gepaard met verregaande aftakeling een zekerder noodlot. Toenemende kennis vreet aan godsdienst als bijtend zuur, maar dat maakt dit bittere einde van het bestaan enkel navranter. Godsdienst wordt vervangen door ‘gezondheidsdienst’: we kunnen enkel het leven vóór de dood zo goed mogelijk bewaren. Dat maakt mens en maatschappij nog vatbaarder voor doodsangst.
Deze angst wordt meedogenloos uitgebuit. De medische industrie wil jou producten en diensten verkopen. Bureaucraten willen jou steeds meer belastinggeld afhandig maken volgens de wetten van de bureaucratie: iedere ambtenaar schept werk voor meer nieuwe ambtenaren. De wetenschap combineert niet zelden het slechtste van beide werelden. Zij wil zich de menselijke gezondheid toe-eigenen om jou beter illusies te kunnen verkopen.

128. De herformulering van alle politieke en sociale problemen in termen van gezondheid is een typisch kenmerk van de opdringende medicalisering en het gezondheidsfascisme.

162. Hoe beter onze gezondheid, hoe groter de bemoeienissen. Het bedrijfsleven wil graag verkopen. Politici zoeken steun van het publiek voor hun projecten en om hun cliënten in een steeds groeiende ambtenarij te onderhouden. Deze groeiende ambtenarij moet de zin van haar bestaan bewijzen. De wetenschappelijke industrie (vroeger universiteiten genoemd) jaagt op onderzoeksfondsen. De media zoeken lezers en kijkers. Er is nauwelijks iemand die er belang bij heeft om de indrukwekkende bemoeizucht met je gezondheid wat te temperen. Vandaar dit tweede deel.
Deze bemoeienissen worden vaak verkocht met het geduldige motto ‘preventie’. Preventie is ontzaglijk succesvol geweest. ‘Preventie’ betekende echter de strijd tegen infectieziekten, door algemene regels van hygiëne, door betere woningen, vaccinatieprogramma’s en soms actieve opsporing.
Primaire preventie betekent het voorkomen van ziekte. Het kan tegenwoordig echter ook betekenen: maak de mensen bang. Maak de mensen bezorgd, zodat ze je diensten, ideologie‘n of producten kopen. Er is een hele adviesindustrie gegroeid, doorgaans meer handelend op basis van wanen dan wijsheid. Secundaire preventie betekent het tijdig opsporen en behandelen van ziekte. Het betekent tegenwoordig ook ‘praat de mensen een ziekte aan’. Jaag de mensen de stuipen op het lijf tijdens een ‘gratis’ screening en genees ze van een ziekte die ze niet hebben. Succes gegarandeerd: mensen die iets mankeren, hebben de beste prognose, en genezen patiënten blijven je eeuwig dankbaar.

272. Werd dokter Knock dermatoloog?
Huidkanker en huidkankerscreening vormde zo het paradijs van dokter Knock, of de Triomf der Prevevntieve Geneeskunde. Dokger Knock is een personage uit het toneelstuk ‘Kmock ou la triomphe de la médecine’ van de Fransman en latere Nobelprijswinnaar Jules Romains. Het is een geniale satire op de preventieve geneeskunde, geschreven in 1920. Doker Knock is een kwakzalver die een financieel heel succesvolle praktijk organiseert volgens de principes van de preventieve geneeskunde. Hij organiseert daarbij ’ primaire preventie’, waarbij mensen bang worden gemaakt voor allerhande verboregen aandoeningen. Vervolgens houd thij gratis spreekuur op de marktdag, om deze verborgen aandoeningen op te sporen: een uitstekend voorbeeld van secundaire preventie. Hij praat zijn klanten succesvol een ziekte aan. En neen, de behandeling is niet gratis. Hij weet zo succesvol een heel dorp van gezonde boeren te veranderen in bedlegerige patiënten.
Gezonde zorg is zorg voor zieken. Als je een raar vlekje hebt dat onregelmatig is, begint te groeien en ontsteekt, dan is het tijd om naar de huisarts te gaan. Maar als je gezond bent, kun je daar beter wegblijven, tenzij je de diepzinnige wijsheid wilt aanhoren dat je laten verbranden dom is en slecht voor de gezondheid.

Hoe gezondheid een industrie werd

« Vorige berichten