Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Paolo Cognetti, De buitenjongen.

5 juli 2018

Paolo Cognetti, De buitenjongen.

Uitg. De Bezige Bij 2018

De hoofdpersoon van De buitenjongen is een eenzame man van in de dertig. Zijn leven in Milaan is vastgelopen en hij mist de bergen van zijn jeugd, waar hij al tien jaar niet meer is geweest. Daarom besluit hij een hut te huren op tweeduizend meter hoogte en een paar maanden lang te leven op een manier waar hij vroeger stiekem van droomde: zielsalleen, omringd door wat dieren en zijn favoriete boeken. Het leven in de bergen is eenvoudig, hij hakt hout, legt een tuin aan, maakt vuur. En langzamerhand sterkt hij aan en herontdekt hij wat hij in de loop der jaren was verloren. Wekenlang ziet hij niemand, tot er ineens toch een gestalte opdoemt. 

Een mooie oefening voor De Acht Bergen 

26. Élisée Reclus, een negentiende-eeuwse geograaf en anarchist die vanwege zijn ideeën lang verbannen is geweest, schrijft: ‘Vanaf elke top, vanuit elk ravijn en vanaf elke helling manifesteert het berglandschap zich met een nieuw reliëf, met een ander profiel. Eén berg is in feite een hele groep bergen, net als op volle zee elke golf een stapeling van ontelbare golfjes is. Om de architectuur van de bergen in haar geheel te kunnen vatten dient men ze te bestuderen, ze in alle richtingen te doorkruisen, er elke steile helling van te beklimmen, door te dringen tot in de kleinste kloof. Voor wie ze in hun geheel wil doorgronden zijn ze oneindig – zoals alles.’

Lees verder »

Mano Bouzamour, Bestsellerboy.

28 juni 2018

Mano Bouzamour, Bestsellerboy.

Uitg. Prometheus 2018

Na zijn interessant debuut ‘De belofte van Pisa’ gaat de schrijver met een mooie, ritmische taal verder en dieper in ‘Bestsellerboy’. Nog meer rappende zinnen met staf-en eindrijmen als razende scooters over straten en pleinen. 

Je hoort hem bij het lezen luidop de zinnen  declameren.

Zijn nieuwe boek staat een heel stuk verder, in zijn dromen en ontnuchterende nachtmerries, met nu een reeks fascinerende paragrafen,

Hier ontluikt een groot schrijver: gretig, met veel lef en de spiegelende waarneming lijkt hem aangeboren. 

Zeer benieuwd naar zijn volgende romans en meesterlijke verhalen. 

23. ‘Ieder vrij moment besteedde ik aan het bestuderen van boeken. Ze boden me een uitvlucht. Verbreedden mijn horizon. Ik kreeg door het lezen grip op de wereld. Sterker nog, boeken waren voor mij de aan elkaar vastgebonden bedlakens die gevangenen over de gevangenismuur gooiden, waaraan ze zich omhoogtrokken voordat ze de vrije buitenwereld in tuimelden.

31. ‘Ik gaf me compleet over aan die lege, witte pagina’s, de lijnen als hartslagen in ruststand. Als ik schreef, leefde ik op als nooit tevoren en raakte ik tot over mijn oren verliefd op de woorden.’

35. ‘Als je groots wil worden, dan ga je dus allesbehalve in het nu leven. Dat is het domste wat er is. De kunst is juist om te leren in je verbeelding te leven. Althans, dat is mijn filosofie.’

Lees verder »

Jan Brokken, Baltische Zielen

17 juni 2018

Jan Brokken, Baltische Zielen

uitg. Atlas Contact 20101

Dit is een fenomenaal mooi en indringend boek, vol pijn en melancholie over 27 indringende Baltische Zielen uit de filosofie, kunst, muziek, film… en allemaal met moeilijke vader-zoon relaties. In bijlage een mooie cd met de muziek van daar en toen. 

In ieder geval, een zoon is geen rechter over zijn vader. (Ivan Toergenjev, Vaders en zonen).

Merkwaardig genoeg is dit een periode waarin veel over de geschiedenis wordt gesproken.Maar als men de geschiedenis niet levend kan maken door iets wat voor ons persoonlijk leeft, dan zal zij altijd min of meer abstract blijven en bestaan uit de conflicten van anonieme maken en schema’s. De veralgemening, nodig om het reusachtige, chaotische materiaal te kunnen omvatten, doodt het detail dat altijd het schema doorbreekt. (Czeslaw Milosz, Geboortegrond.)

Het is een vloek om in een interessante tijd te leven. (Oud Chinees gezegde cit. door Hannah Arendt).


18. Trots is iets anders dan nationalisme, chauvinisme of verwaandheid; trots is het geloof in alles wat je bijzonder, markant en uniek maakt. Trots is vertrouwen in he eigen taal, je eigen cultuur, je eigen kunnen en je eigen originaliteit. Trots is het enige juiste antwoord op geweld en onderdrukking.

19. Reizen is immers, met luisteren en lezen, de kortste en de leerzaamste omweg naar jezelf.

73. Sergej Michajlovitsj Eisenstein: ’Ik steunde de Revolutie niet zozeer om de reële ellende van alle sociale onrechtvaardigheid,’ zou hij met een verrassende eerlijkheid in zijn memoires schrijven, ‘maar als een regelrecht gevolg van wat zonder meer het prototype van iedere sociale tirannie is — het despotisme van de vader in een gezin.’ Omwille van Michail Eisenstein dus.

104. Zijn boek ( Gidon Kremer ) kende ik toen nog niet, kon ik nog niet kennen. Het was nog met gepubliceerd en misschien zelfs nog niet eens geschreven, Maar ik hoorde in zin woorden iets van een pijn die nooit overgaat. 

De sneeuw knerpt onder mijn schoenen. Mijn eigen vader leed even hard onder de oorlog en wierp evenzeer een doem over mijn jeugd. Het is moeilijk opgroeien met een oorlog die je zelf met hebt meegemaakt. 

Ik steek een verlaten plein over. Ik loop door een stad waar de  geest van Kremer rondwaart. Kremer senior en Kremer junior. Ik loop door een stad waar geen drie meter sneeuw de geschiedenis kan bedekken.

Lees verder »

Masha Gessen, De toekomst is geschiedenis. De terugkeer van het totalitaire Rusland. 

13 juni 2018

Masha Gessen, De toekomst is geschiedenis. De terugkeer van het totalitaire Rusland.

uitg. de Bezige Bij 2018

Een verbluffend en uitputtend werk over de val van de Sovjet-Unie en de opkomst van het nieuwe Rusland, waarbij het laatste stuk naar mijn smaak wat te anekdotisch bleef. 

Als Westerse, en dus in wezen liberale, lezer bekruipt meer dan eens de huiver en zelfs de angst bij het lezen van dit boek. Het doet ons beseffen dat ondanks alle gebreken en disfuncties in onze Westerse democratieën, wij hier helemaal geen redenen hebben om steeds maar te klagen over “hoe slecht” hier alles loopt. En vooral om te beseffen hoe “geruisloos” het afglijden kan gebeuren naar zo’n totalitaire staat. Het boek doet ons ook beseffen hoe geraffineerd en subtiel de overheid de publieke opinie in een bepaalde richting kan duwen. Brainwashen is hier zeker geen overdreven term. Het moet ons doen beseffen dat wij blijvend moeten investeren in onderwijs dat alle burgers mondig én kritisch maakt, zodat dergelijke manipulatie hier niet, of toch niet in die mate, zou kunnen bestaan. (Mark Bienstman in Liberales) 

17. Religieuze nood is zowel een uitdrukking van werkelijke nood als een protest tegen die werkelijke nood. Religie is de zucht van het onderdrukte schepsel, het hart van een harteloze wereld en de ziel van een zielloze toestand. Religie is opium van het volk. Afschaffen van religie als illusoir geluk van het volk bevordert echt geluk. De oproep om hun illusies over hun toestand op te geven is een oproep om de toestand op te geven die die illusies vereist. Kritiek op religie is dus in wezen kritiek op het tranendal waarvan religie de stralenkrans vormt.’ Karl Marx, Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie.

22. De ‘doodskisten’ waren speciaal voor Joodse kandidaten bestemde examenvragen. Sovjetinstellingen voor hoger onderwijs vielen uiteen in twee categorieën: instellingen die helemaal geen Jo- den toelieten en instellingen die een strikt gelimiteerd aantal Joden opnamen. De regels voor het niet toelaten waren uiteraard niet openbaar; de afwijzing werd eigenaardig sadistisch aangepakt. Joodse kandidaten deden hun toelatingsexamens meestal samen met alle andere aspirant-studenten. Ze pakten hun examenvragen uit dezelfde bak als de anderen. Maar als ze de twee of drie formuliervragen goed hadden, werd hun, in de kamer alleen met de examinatoren, tersluiks een extra vraag gesteld, zogenaamd als aansluiting op de gegeven antwoorden. Dat was de ‘doodskist’. Bij wiskunde was dat gewoonlijk een niet alleen complex, maar ook onoplosbaar vraagstuk. De kandidaat wankelde en sneefde. De examinatoren nagelden de kist dicht: de Joodse kandidaat was gezakt.

27. Amalrik had beweerd (Haalt de Sovjet-Unie 1984? 1969) dat de marxistische ideologie nooit een stevige greep op het land had gekregen, dat de Russisch-orthodoxe kerk zijn houvast had verloren en dat het land zonder een centraal stel verenigende geloofsideeën uiteen zou worden getrokken door verschillend gestemde sociale groeperingen en uiteindelijk zichzelf zou vernietigen.

Amalrik was een van de zeer weinige Sovjetburgers die het systeem als essentieel onstabiel zagen – de meeste anderen dachten dat het gevat was in steen, of liever in gewapend Sovjetbeton en dat het eeuwig zou voortduren.

32. Ten tijde van de Oktoberrevolutie was de Russische intellectuele elite zowel deel van als partner geweest in de Europese conversatie over God, macht en menselijk leven. Na vijftig jaar zuiveringen, arrestaties en, het meest funest, de niet-aflatende druk op wat een geïsoleerde denkwereld was geworden, was het Russische intellectuele landschap bevolkt door nauwelijks spreekvaardige schimmen van eens krachtige ideeën. Zelfs de communistische ideologie was een flets aftreksel van haar vroegere zelf, een stel ritueel herhaalde woorden die elke betekenis hadden verloren. Lenin was al lang geleden klaar met het meeste wat Karl Marx te zeggen had en had alleen een paar uitverkoren ideeën als superwet in een schrijn opgeborgen.

‘Op den duur hadden Marx’ opvolgers de neiging om zijn leer te presenteren als een eindig en allesomvattend wereldconcept en zichzelf verantwoordelijk te zien voor de voortzetting van Marx’ gehele werk, dat ze als praktisch compleet beschouwden,’ schreef de Joegoslavische dissidente marxist Milovan Djilas. ‘Wetenschap degradeerde geleidelijk tot propaganda en daardoor ging propaganda zich meer en meer als wetenschap voordoen.’

34. Marxisme in de Sovjet-Unie was gereduceerd tot de opvatting dat mensen – Sovjetburgers – geheel gevormd werden door hun maatschappij en de materiële levensomstandigheden. Als de vorming van de persoon correct was uitgevoerd – en dat moest wel, want de Sovjetmaatschappij ging er inmiddels prat op het marxistische plan substantieel te hebben uitgevoerd met de bouw van het zogeheten ‘reëel bestaande socialisme’ – moest die persoon aan de dag treden met een stel doelen die volmaakt samenvielen met de behoeften van de maatschappij die hem had geproduceerd. Afwijkingen waren mogelijk en konden in twee categorieën vallen: misdadigheid of geestesziekte. Voor beide bezat de Sovjetmaatschappij geëigende instellingen. Andere vormen van disharmonie waren onvoorstelbaar. Innerlijk conflict was geen optie. Er was echt geen reden om het onderwerp van de psyche ter hand te nemen.

60. De perestrojka was op het eerste gezicht een onmogelijk idee. De Partij zou de eigen gezagsstructuur gaan gebruiken om het land en zichzelf minder gezaggestuurd te maken. Een systeem dat vooral leed aan stilstand en rigiditeit zou zichzelf gaan veranderen. Het ergste en waarschijnlijk fnuikende feit was dat mensen die hun leven lang bezig waren geweest de macht en hun persoonlijke invloed veilig te stellen nu geacht werden verandering te bedenken die de invloedhiërarchie zou ontmantelen en hun eigen positie op de tocht zou zetten. Het systeem verzette zich instinctief tegen verandering en velen beraamden bewust middelen om de verandering te saboteren.

 

Lees verder »

Douglas Smith, Verloren Adel, De laatste dagen van de Russische aristocratie.

13 juni 2018

Douglas Smith, Verloren Adel, De laatste dagen van de Russische aristocratie.

uitg. Balans 2012

Een indrukwekkend boek waar via de geschiedenis van de families der graven Sjeremetjev en prinsen Golitsyn het einde van de Russische aristocratie wordt beschreven.

‘Er bestaat geen Russische adel meer. Er bestaat geen Russische aristocratie meer… In de toekomst zal een historicus precies kunnen beschrijven hoe deze klasse uitstierf. U zult dit verslag lezen en u zult veel waanzin en afschuw voelen…’– Krasnaja gazeta [De rode krant] (Petrograd) Nr. 10, 14 januari 1922’

579.’Tussen de papieren van de burgemeester (van Moskou, prins Vladimir Michailovitsj Golitsyn) vond men een kort stukje met de titel ‘Voorspelling’, dat een maand voor zijn dood was voltooid. Daarin sprak hij zijn rotsvaste overtuiging uit dat de Sovjet-Unie onvermijdelijk ineen zou storten:‘Dit regime heeft geen scheppend vermogen – het weet hoe het moet vernietigen, opruimen en weggooien – maar het is niet in staat echt te scheppen, en zijn gevierde ‘prestaties’ stellen niets voor, nog minder dan niets. En om die reden zal het als gevolg van eigen inertie ineenstorten, niet onder de slagen van een of andere dreiging van buitenaf of door de uitbarsting van een storm; het zal uit zichzelf omvallen, onder zijn eigen gewicht […] Maar dat dit vroeg of laat zal gebeuren, betwijfel ik geen moment.’


 

Lees verder »

Robert HARRIS, Archangel

13 juni 2018

Robert HARRIS, Archangel 

uitg. Cargo 1999 -2018

Een spannende aanvulling bij of inleiding tot de film ‘De dood van Stalin’. Met zoals bij Harris wel vaker een ingenieuze wending die het absurde nog meer acceptabel weet te maken. Het heeft iets van zijn ‘Conclaaf’  maar dan veel noordelijker en dramatischer voor een volk en land in verdwazing.

41. ‘Je slachtoffers kiezen, je plannen minutieus voorbereiden, een onverzoenlijk wraakgevoel bevredigen en dan naar bed gaan… er is niets heerlijkers op de wereld.’ J.V. Stalin in gesprek met Kamenev en Dzerzjinski

225. ‘Als je bang bent voor wolven, moet je uit het bos blijven.’ J.V. Stalin, 1936

Lees verder »

Daniel Schönpflug, 1918: het jaar van de dageraad

13 juni 2018

Daniel Schönpflug, 1918: het jaar van de dageraad (Kometenjahre: 1918, Die Welt im Aufbruch) 

uitg. De Bezige Bij 2017

“De geschiedenis valt uiteen in talloze individuele en asynchrone verhalen”, schrijft Schönpflug die er dan ook voor koos om dit unieke moment in de geschiedenis te schetsen aan de hand van – niet noodzakelijk objectieve – egodocumenten zoals dagboeken, brieven en memoires van rechtstreekse ooggetuigen.

Het resultaat is een weefsel van gestileerde verhalen die samen moeten illustreren hoe de wereld in 1918 heen en weer slingerde tussen hoop en vrees. Nooit eerder leken er zo veel mogelijkheden open te liggen, maar tegelijk sluimerde de geest van revolutie al en raakten nieuwe, extreme ideeën op ramkoers. (…)

Schönpflug wil je als lezer niet uitleggen wat er allemaal gebeurd is in 1918. Hij wil je de beroering, de opinies, de angsten en de toekomstvisioenen van ‘de kometenjaren’ laten ervaren, om zo de historische feiten in een menselijke context te plaatsen en beter te begrijpen.” (Vreemder dan Fictie)

Lees verder »

Joseph Roth, Spoken in Moskou.

12 juni 2018

Joseph Roth, Spoken in Moskou.

uitg Bas Lubberhuizen, vert. Els Snick

In 1926 reisde Joseph Roth een paar maanden met de klok mee door de prille Sovjetunie. Zijn teleurstelling over het beloofde arbeidersparadijs was groot, blijkens de zeventien reportages die hij, als anarchosocialist, voor de Frankfurter Zeitung schreef. De meeste zijn nu door Els Snick vertaald als Spoken in Moskou (Bas Lubberhuizen), aangevuld met nog wat artikelen van Roth, brieven en dagboeknotities. De joden waren nu misschien beter af, maar de communistische praktijk was hem te sociaal-darwinistisch, opgelegd en zielloos. Overweldigd door alle (negatieve) indrukken stuurde Roth pas na twee maanden z’n eerste artikel op. Beslist geen krantenverslaggeverij, maar vaak subliem verwoorde observaties. ‘Het licht komt misschien uit het Oosten, maar dag is het alleen in het Westen.’ Maarten van Bracht , 12 juni 2018 – VPRO Boeken

Uit het nawoord van Ilse Josepha Lazaroms: 
‘Maar ondanks de vroege tekenen dat er in Moskou iets lugubers aan de hand was, bleef de Sovjet-Unie tot ver in de jaren dertig haar aantrekkingskracht op joodse intellectuelen uitoefenen – zelfs toen Stalins terreur zo ver ging dat hij zijn eigen vrienden en familieleden liet uitmoorden. Zo sterk en machtig was de illusie die uitging van het socialistische paradijs, en zo hardnekkig was de menselijke drang te willen geloven in een betere, rechtvaardigere wereld.’

‘Spoken in Moskou’ is een fascinerend boek waarin Joseph Roth regelmatig – al dan niet moedwillig – verkeerde voorspellingen maakt in zijn artikelen uit 1926 voor de Frankfurter Zeitung over de toekomst van de toen nog jonge Sovjetunie.  Over de Islam – ‘eerder een traditie dan een overtuiging’. Over de Kaukasus – ‘Het communisme is geslaagd in wat de absolute monarchie niet is gelukt en wat ze wellicht ook niet had gewild: totale nationale veiligheid. In Bakoe worden geen pogroms meer gevoerd tegen Armeniërs, in Wit-Rusland en Oekraïne niet tegen joden. Zo zwak en wankel als de oude regering juist in de Kaukasus is geweest, zo sterk en zeker is daar nu de nieuwe.’  Over de joden – ‘Wordt in Rusland het joodse vraagstuk opgelost, dan is het in alle andere landen meteen ook voor de helft opgelost (er is in Rusland nauwelijks nog sprake van joodse emigratie, veeleer van joodse immigratie). Het geloof van de massa’s neemt in snel tempo af, de eerder sterke barrières van de religie vallen weg, de eerder zwakke nationale barrières vervangen ze niet.’  Over de revolutie – ‘Zelfironie, het kenmerk en de hoogste uiting van het verheven denken, is kleinburgerlijk. De revolutie is een poging geweest van de geschiedenis om het gelaat van de Russische massa met kwistige inzet van middelen een West-Europees uiterlijk te geven. Materieel, politiek en sociaal gezien heeft ze alleen kwantitatief een enorme vooruitgang betekend. (…) De creatieve mens, geen revolutionair uit noodzaak, zoals de proletariër, maar uit vrije wil of uit overtuiging, zal altijd revolutionair blijven – ook na succesvolle revoluties.’

Vaak echter is hij ook messcherp en helder over de toekomst die de geschiedenis is: 

‘De revolutie, zelfs de Russische Revolutie, is te laat gekomen. Nog voordat het marxisme genoeg aanhang had gekregen, was de probleemstelling veranderd. De wereldoorlog is de revoluties wel ten goede gekomen, maar heeft het marxisme schade toegebracht.’ (1926) 

18. ‘Ik raak er steeds meer van overtuigd dat Marx verschillende uiterst belangrijke factoren gewoon is vergeten mee te rekenen. Dat er een tijd kon komen dat alle mensen dankzij de vooruitgang kapitalisten of in ieder geval psychisch kapitalisten, ik bedoel burgers zouden kunnen worden – heeft hij hieraan gedacht? […] Zelfs religies kennen een beperkte houdbaarheid. En dan zou de marxistische theorie eeuwig blijven gelden? […] De wereldoorlog is de revoluties wel ten goede gekomen, maar heeft het marxisme schade toegebracht.’

90. Alles gebeurt dankzij ‘de partij’. Die heeft niet alleen de hoge heren van hun sokkels gehaald, ze heeft ook de telefoon uitgevonden, én het alfabet. Ze heeft de mens geleerd trots te zijn op zijn soort, op zijn eenvoud en zijn armoede. Ze heeft van zijn nederige afkomst een verdienste gemaakt. Tegen een aanval van zoveel mooie dingen is zijn nederige, wantrouwige boerenverstand niet opgewassen. Zijn kritisch bewustzijn is nog lang niet ontwaakt. Daarom springt hij zo fanatiek in de bres voor zijn nieuwe geloof. Het ‘geloof in het collectivisme’, dat de boer niet kent, compenseert hij dubbel en dwars met enthousiasme.’

 

Lees verder »

Joseph Roth, Vlucht zonder einde

12 juni 2018

Joseph Roth, Vlucht zonder einde

uitg. Atlas Contact

7.’Juist uit deze kleine uitweidingen blijkt Roths meesterschap. Met minimale middelen roept hij een heel leven op. Het sentiment schuwt hij daarbij niet, het sentiment schuwt hij nooit, en dat hij dat kan doen zonder sentimenteel te worden is misschien wel te danken aan zijn ironisch-realistische mensbeeld, dat de mogelijkheid tot verbetering openlaat, maar wel in een volgende wereld.’ (A. Grunberg – inleiding)

71. ‘Ze zeggen zonder uitzondering kameraad tegen je. Jij noemt hen ook zonder uitzondering kameraad. Maar in iedereen vermoed je een observeerder en tegelijk weet je dat iedereen jou aanziet voor een observeerder. Je hebt geen slecht geweten, je bent een revolutionair, je hoeft niet bang te zijn dat je geobserveerd wordt. Dan ben je op z’n minst bang dat ze je aanzien voor een spion. Je bent onschuldig. Maar omdat je je best moet doen om onschuldig te lijken, merken de anderen dat je je best doet. Dan ben je bang dat ze misschien niet meer denken dat je onschuldig bent.

Voor dat leven heb je gezonde zenuwen nodig en een flinke portie revolutionaire overtuiging. Want je moet ervan uitgaan dat de revolutie, omgeven door louter vijanden, haar macht alleen veilig kan stellen door ieder individu op te offeren als dat nodig is. Je moet je dus voorstellen dat je jarenlang op een altaar ligt en niet wordt geslacht.’

187. Op plechtige momenten spraken ze allemaal over een gemeenschappelijke Europese cultuur. Op een keer vroeg Tunda: ‘Denkt u dat u mij precies kunt vertellen waarin die cultuur bestaat die u zegt te verdedigen, hoewel ze helemaal niet van buitenaf wordt aangevallen?’
‘In de religie!’ zei de president, die nooit naar de kerk ging.
‘In de beschaving’, zei de dame, van wie alom bekend was dat ze illegitieme betrekkingen onderhield.
‘In de kunst’, zei de diplomaat, die sinds zijn schooltijd geen schilderij meer had bekeken.

Joseph Roth, Rebellie.

12 juni 2018

Joseph Roth, Rebellie.

Uitgeverij Atlas 2006

Een chaotische roman over het gekonkel van de wereld en de ondergang van een mens: zoals de werkelijkheid van zijn tijd voor velen, en later nog meer. 

57. ‘Maar zo richt een geniepig lot het in: dat we buiten onze eigen schuld en zonder dat we een samenhang vermoeden te gronde gaan; door de blinde razernij van een onbekende, wiens verleden we niet kennen, aan wiens rampspoed we geen schuld hebben en wiens kijk op de wereld we zelfs delen. Juist hij is nu een instrument in de vernietigende hand van het noodlot.’

60. ’s Mensen gedachten gaan sneller dan bliksemschichten en een verontwaardigd brein kan in een halve minuut een hele revolutie baren.’

61. ‘In de wagon zaten ongelukkigerwijs kleine burgers, mensen die, geïntimideerd en terneergeslagen door de revolutionaire gebeurtenissen, maar daarom niet minder verbitterd, een taaie strijd tegen het heden voerden, met opeengeklemde kaken en vechtend tegen hun tranen terugblikten op het stralende verleden van hun land, en voor wie het woord bolsjewiek niets anders betekende dan roofmoordenaar.’

106. ‘Ach, dokter!’ zei Andreas treurig. ‘Sommige mensen zeggen: laten we het aan God over om voor die mensen te zorgen! En dan zorgt God niet voor ze!’ De dokter glimlachte alweer: ‘Het is niet gezond een filosoof te zijn. Daarvoor zijn uw krachten ontoereikend. Men moet geloven, waarde vriend!’

Daniel Mendelsohn, Een Odyssee – Een vader, een zoon, een epos

20 mei 2018

Daniel Mendelsohn, Een Odyssee – Een vader, een zoon, een epos, uitg.De Bezige Bij 2018

Ik wou dat ik dit boek 50 jaar geleden gelezen had, misschien had ik er veel minder van begrepen maar het zou me veel gaten en kieren getoond hebben waarlangs mijn visie op de Odyssea, de wereld en mijn leven behoorlijk anders kon ontwikkelen. 

Het zou duren tot mijn lectuur van Roberto Calasso, ‘De bruiloft van Cadmus en Harmonia’ bijna 20 jaar geleden eer ik in de Odysseia voor het eerst de ondergrondse stromingen leerde vermoeden, voelen en volgen.

Vrijmoedigheid, het voornaamste kenmerk van aristocratische ethiek wordt door het democratiseringsproces gemeengoed in de vrijheid van meningsuiting (parresia). Odysseus onttrok zich zowel aan het een als het ander. Hij zag af van de eerlijkheid van de krijger toen hij op Ithaca waanzin voorwendde om zich niet te hoeven inschepen voor Troje. Hij zag af van zijn recht op vrije meningsuiting toen hij de rol op zich nam van de rondtrekkende bedelaar die door iedere willekeurige slaaf kon worden verjaagd, tot zwijgen gebracht. Odysseus gaf voor het eerst voorrang aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak. Vóór allerlei eigenschappen in de loop der eeuwen werden toegeschreven aan kooplieden, vreemdelingen, joden en komedianten, had Odysseus zichzelf ermee bestempeld. De held gaf een voorproefje van de leefwijze waarin noch aristocratische openheid, noch democratische vrijheid van meningsuiting zouden volstaan. Eeuwen later lijkt die leefwijze heel normaal maar ten tijde van Odysseus gaf het blijk van een vooruitziende blik die was voorbehouden aan degenen die hemel en aarde had doorkruist. Dus, terwijl Achilles en Agamemnon zich in ons geheugen griffen als overblijfselen van een voorbije wereld, opgeslokt door een catastrofe, blijft Odysseus ons vertrouwd als een onzichtbare metgezel. Zijn afstand doen van openlijke aanwezigheid wordt gecompenseerd door zijn voortbestaan in de herinnering en in de geschiedenis. Achilles moet worden opgeroepen; Odysseus staat al naast ons, altijd en overal. 

151. Er zijn genoeg scènes in de Ilias die laten zien dat Odysseus een bekwaam militair leider was en een respectabel vechter.’

‘Nou, ik ben in het leger geweest en ik kende een paar kerels die echte helden waren. En ik verzeker je, níemand jankte daar.’

Een paar studenten keken geamuseerd.

Ik kuchte. ‘Eigenlijk ben ik blij dat mijn vader hierover begint, want een van de bedoelingen van de Odyssee, dat zullen we zien in de loop van dit semester, is het herdefiniëren van wat een held is. In de Ilias, een epos over oorlog, sneuvelen aan één stuk door helden, maar ze zijn bereid om te sneuvelen als hun heroïek op het slagveld een roemvolle reputatie oplevert, wat de Grieken kleos noemden. Het beroemdste voorbeeld daarvan is de keus van Achilles, de grootste held van allemaal, die een kort, roemvol leven verkiest boven een lang, onverdienstelijk leven.’

Sommigen knikten.

‘Maar de Odyssee,’ vervolgde ik, ‘is een gedicht over een na-oorlogse wereld. Het speelt in de nasleep van de oorlog en een van de punten van onderzoek is hoe een held eruit kan zien als er geen oorlog meer is om in te vechten. Achilles is beroemd om zijn fysieke dapperheid, zijn snelheid en kracht. Odysseus is wel een uitstekende vechter, maar hij is vooral beroemd om zijn listen, zijn intellectuele brille. Achilles sneuvelt, maar Odysseus overleeft. Eén vraag van de Odyssee is: hoe zou de heroïek van het overléven eruit kunnen zien?’


Daniel Mendelsohn koppelt zijn seminaries over Homerus’ Odysseia en een Middellandse zee cruise met zijn vader in het zog van de Griekse held aan zijn eigen vader-zoon relatie als kind in een joodse familie uit New York. Zijn vader blijkt een veinzende wiskundige en hijzelf is homo-vader van twee zonen bij een LAT moeder op afstand. 

Zijn ‘Odyssee’ is bij wijlen ontroerend, vol zwijgen en toch kennen, omdat de betrokkenen elkaar willen kennen en benaderen.

30. Je eerste kind voelt als een wonder, bijna als een surprise… Daarna is het je leven.

Lees verder »

Treme HBO, ‘A city of drunks and dreamers!

18 mei 2018

Treme HBO

Tremé, genoemd naar een zwarte muzikale wijk in New Orleans, had ik me na ‘The Wire’ in zijn geheel – 4 seizoenen + cd – aangeschaft wegens helemaal gepakt door The Wire over Baltimore van dezelfde televisiemaker David Simon. Deze keer smeert hij de toestand van New Orleans na de verwoestende orkaan Katrina breed uit tot en met de heropbouw, de fraude, machtsmisbruik van de politie, sex, drugs en de talloos vele locale muzieksoorten. 

Ingenieus opgezet, loopt het na twee seizoenen behoorlijk vast in een zich eindeloos voortslepend stramien van hoofdpersonages die maar wat aanrommelen op de toeren van allerlei wereldberoemde jazz en aanverwante bands en solisten, waarvan ik er slechts enkele ken. Die blijken dan in hun echte habitat nog de grootste karikaturen van de hele reeks. 

Soms helpt de muziek de kijkarbeid te verlichten, soms helpt zelfs dat niet.

In het vierde seizoen probeert David Simon alle verhaaltjes die nu gelukkig wat sneller afwisselen tot een acceptabel einde te voeren. 

Fascinerend vond ik de Mardi Gras Indians en hun muziek, dans- en kostuumcultuur ontstaan uit de vermenging van gevluchte zwarte slaven en moerasindianen. 

Ook de redelijk open inkijk in de verschillende groepen zwarten, creolen, losgeslagen toeristen en Japanse jazz-aanbidders is boeiend.

Ontnuchterend is de werkelijkheid voor een Hollandse straatzanger die door zware arbeid op een Vietnamese vissersboot ontwennen kan en de dochter van de baas mag trouwen. Nog meert ontnuchterend is de lokale muziekindustrie die teert op zelfverzonnen legendes, dwingende traditie en bijgevolg een pijnlijk gebrek aan vernieuwing.

Verfrissend blijft top-keukenchef Janette die tussen New Orleans en New York pendelt maar veel aandacht genereert voor de gastronomie in Louisiana. 

De verhalen van bouwfraude, corruptie en politie-geweld met amper één echt goeie luitenant die dan finaal nog moet ophoepelen zijn niet te tellen.

In werkelijkheid wellicht minstens zo erg. De strijd van een nooit versagende advocate is een rode draad door de hele reeks, maar gloeit bijwijlen evenzeer als een karikatuur. 

Ergens zei iemand van buiten New Orleans: ‘A city of drunks and dreamers!’

en dat lijkt me een betere titel dan Tremé voor de reeks en de stad. 

Jevgeni Zamjatin, Wij.

5 mei 2018

Jevgeni Zamjatin, Wij.

Vert. Dick Peet, Atlas, Amsterdam, 2011, 

Om kort te gaan, we moeten Wij (als het niet alleen een document is maar ook een serieuze roman) tegen de draad lezen, en tegen onszelf in – anders wordt het alleen een zinloze oefening in zelfvoldaanheid. De kern van de zaak wordt ironisch verwoord door I-330: geluk is er ‘wanneer er geen enkel verlangen meer bestaat’, en geluk is niets positiefs – ‘voor het absolute geluk hoort natuurlijk het minteken, het goddelijke minteken’. Negatief: geen pijn, fantasie, ziekte, terreuraanslagen, ideeën, verlangens. Het ‘goede’ als afwezigheid van het ‘kwaad’.

Al bij al een verbluffende reeks aantekeningen van iemand die wellicht bij de alleen eersten begreep waartoe zijn geloof in het wetenschappelijke, wiskundige socialisme en de ultieme vooruitgang van de rede voor de mensheid leiden zou. Moeizaam te lezen maar bij wijlen verschroeiend helder als de wetten van de optica in een glazen piramide .

 

Fascinerend lijkt mij hoe Zamjatin als ingenieur met een wis- en natuurkundige opleiding aanvankelijk het mechanistisch wetenschappelijke maatschappijconcept van het Marxisme uitdroeg en zich met de verspreiding en ontwikkelingen van de relativiteitstheorie en quantumfysica afkeerde van dit dialectisch en historisch materialisme als basis voor een  (socialistische) utopische wereldbeeld.

Michel Houellebecq schreef er met ‘De mogelijkheid van een eiland’ een hedendaagse variant van. Aldous Huxley en Georges Orwell gingen hem voor.

‘Aantekeningen uit het ondergrondse’ van Fjodor Dostojevski was een eerste forse kritiek op de utopie in Wat te doen? van Nikolaj Tsjernysjevski  (1863). Lenin schreef later zijn Wat te doen?

15. ‘Het is immers duidelijk dat de hele geschiedenis der mensheid voor zover wij die kennen, de geschiedenis is van de overgang van nomadische levensvormen naar een al meer gezeten levenswijze. Volgt daar dan niet uit dat de meest gezeten levenswijze (de onze) tevens de meest volmaakte (de onze) is? Als de mensen hebben rondgezwalkt over de aarde van het ene uiteinde naar het andere, dan is dat slechts geweest in prehistorische tijden, toen er nog naties, oorlogen, vormen van handel en de ontdekkingen van verschillende Amerika’s waren. Maar waartoe, voor wie is dat nu nog nodig?’

32. ‘Dat is duidelijk,’onderbrak I mij; ‘origineel zijn wil zeggen zich op enigerlei wijze onderscheiden te midden van de anderen. Derhalve is origineel zijn gelijk aan de gelijkheid verstoren… En datgene wat in de idiote taal der Ouden “banaal zijn” werd genoemd, betekent bij ons: slechts zijn plicht vervullen. Daar namelijk…’

219. ‘Het is onzinnig, omdat er van revolutie geen sprake kan zijn. Omdat de onze (dat zeg ik tenminste; niet jij), omdat onze revolutie de laatste is geweest. En verder kan er geen enkele revolutie meer komen. Dat is eenieder bekend…’

 

Lees verder »

Pierre Plum: “Toon Horsten, De pater en de filosoof. Het spannendste boek over filosofie dat ik ooit gelezen heb’!

24 april 2018

Pierre Plum op FB:

“In Leuven wordt nog aan filosofie gedaan. Zo dacht ik toen ik in de jaren zestig het ene aula-boekje na het andere verslond over fenomenologie en antropologie. In Gent daarentegen waar ik studeerde, wilde men zo vlug mogelijk af van elke vorm van speculatie, introspectie en metafysica. Alles diende wetenschappelijk te zijn. Ook indien het dat duidelijk niet was. Een vreemdsoortig mengsel van marxisme en neopositivisme werd onder de naam van ‘moraalwetenschappen’ over een nieuwe lichting aspirant filosofen uitgegoten, en Plato was slechts een kanttekening bij wat Jaap Kruithof allemaal beweerde. Duidelijk was dat men in Gent de wereld niet langer wilde interpreteren maar hem grondig wilde veranderen.
Tegendraads als ik was, zocht ik mijn heil in fenomenologie, existentiefilosofie en psychoanalyse om mijn studies in de psychologie wat diepgang te verlenen, en ik droomde ervan om een paar jaartjes in Leuven te studeren. Ik las in mijn aula-boekjes dat zich aldaar het Husserl-archief bevond, een overweldigende schat van nog onuitgegeven teksten van de grondlegger van de fenomenologie, en dat iedereen die daarin geïnteresseerd was die kon inkijken, mits hij daartoe ernstige redenen kon opgeven. Ernstige redenen had ik niet, tenzij dan dat ik meende dat het mij gelukkig zou maken, om daar wat in de transcripties van de gestenografeerde nota’s van Husserl te zitten grasduinen, in navolging van Merleau-Ponty, Levinas, Derrida en andere grootheden naar wie ik opkeek.
Ik ben er nooit in geslaagd, maar ik ben wel heel blij dat ik gisteren in een dag en een nacht het boek van Toon Horsten over dat Leuvense archief heb verslonden. Eindelijk weet ik wie die mysterieuze pater was, die op gevaar af van zijn leven, de immense intellectuele erfenis van Edmund Husserl van Freiburg naar Leuven wist over te versassen, in die onzalige nazi-tijd. Herman Leo Van Breda, is zijn naam, en zijn avontuurlijk leven rondom dit archief, de mensen die erbij betrokken waren, filosofen, assistenten, familie van Husserl, leest als een thriller. Ik moet toegeven dat la Petite Histoire, de kleine voorvallen in de oorlog van de diverse helden in dat verhaal mij meer bezig houdt dan de manier waarop Husserl tot het wezen van alle bestaande dingen trachtte door te dringen. Sinds dat boek ben ik meer geïnteresseerd in wat Landgrebe, Fink en Edith Stein, assistenten van Husserl ooit, in de oorlogsjaren overkwam dan in hun uiterst waardevolle reflecties over de fenomenologie als zuivere wetenschap.
En nu wil ik ook dat archief betreden; ik vind wel een ernstige reden. En daarna ga ik uitgebreid dineren, zoals pater Van Breda dat ook zo graag deed, met kreeft en de lekkerste wijnen. Hij had zoals ik diabetes maar leefde er niet naar. Telkens hij een aanval van hypoglykemie kreeg, begon hij tegen iedereen die in zijn weg liep te fulmineren. Vooral op Fonske was hij kwaad, Alphonse de Waelhens, de topfilosoof van Leuven die hem verweet een vergader-filosoof te zijn, een mannetje dat wel in alle commissies zat om gelden te verzamelen, maar zelden een verstandig woord op papier zette. Of anders meende hij dat de fietsen van de studenten in de tuin van het Instituut voor Wijsbegeerte niet goed waren gestald, en begon hij eindeloze jeremiades af te steken over de jeugd van tegenwoordig. Of hoe geleidelijk de vraag naar het wezen, naar het Zijn in mij is ontaard in nieuwsgierigheid naar het bonte en veelal irrationele leven van de filosofen.. Ik moet in elk geval dat begenadigd oord met mijn eigen ogen verkennen. Ik kan nu goedmaken wat ik in mijn jonge jaren nooit heb gedurfd. Ik vind wel een ‘ernstige’ reden.

Toon Horsten, De pater en de filosoof,uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2018.
Het spannendste boek over filosofie dat ik ooit gelezen heb!”


Ik kan me hierbij aansluiten. Ook ik heb ‘De pater en de filosoof’ in één ruk uitgelezen. De auteur heeft de knepen van het spannende vak in de vingers. Pierre Plum drukt in zijn FB stukje met de zijne op de pijnlijk kloppende littekens van de filosofie in Vlaanderen.
226. Jaren later, na de dood van Van Breda, zal Emmanuel Levinas ‘Noms propres’ publiceren. Een bundel waarin hij dertien portretten schetst van mensen die op de een of andere manier belangrijk voor hem zijn geweest. Het gaat om en paar schrijvers met voorop Paul Celan en Marcel Proust, maar toch vooral om filosofen. Onder meer Kierkegaard, Jean Wahl, Jacques Derrida en Martin Buber passeren de revue. Ook Van Breda krijgt een ereplaats in het boek, als iemand die voor Levinaas geldt als een toonbeeld van rechtschapenheid. “Zijn goedheid en zijn universitaire fijnzinnigheid manifesteerden zich altijd in die lach, in de vrolijkheid van de tevreden boer die weet dat hij de duivel een stevige loer heeft gedraaid”, schrijft hij.

227. Steeds vaker manifesteert zich ook hypoglycaemie, waarbij Van Breda in een soort van trance geraakt. Rudolf Boehm is een van de eersten die er, in de vroege jaren vijftig, mee te maken krijgt. “Als de pater te weinig suiker in het bloed had, dan kon zich zo’n hypo voordoen. Dat was een lelijke toestand hoor, een soort van dronkenschap. Vreselijk voor de persoon in kwestie, het moet een bijna psychotisch gevoel zijn. Het heeft vooral lichamelijke gevolgen, maar ook de stemmingswisselingen konden enorm zijn. Dan begon hij zich geweldig op te wonen, werd boos, en zag de wereld ten onder gaan. Alles was dan één grote samenzwering van de paus, Stalin en De Waelhens, zijn drie zwarte beesten. Ik moest altijd een klontje suiker bij me hebben, waar we ook waren. Meestal wilde hij dan niet toegeven dat er iets aan gehand was, dat was het moeilijkste.’

MOOOV Turnhout 2018 – Les Bienheureux – Marquis de Wavrin – The legend of the Ugly King – Yol – Blue Silence.

23 april 2018

MOOOV Turnhout 2018 

LES BIENHEUREUX

Algiers, 2008, twintig jaar na het begin van de burgeroorlog. Het rijke koppel Amel en Samir gaan uit eten om hun huwelijksverjaardag te vieren. Ze delen niet langer dezelfde ideeën en de avond verzeilt al snel in een moeilijk gesprek. Ze kunnen niet anders dan vaststellen dat hun idealen van weleer een illusie zijn geworden. Amel heeft het over verloren illusies en ziet geen toekomst meer voor haar land; daarom spoort ze hun zoon aan om in Europa verder te studeren. Samir wil dit niet. Intussen zwerft hun zoon met zijn vrienden rond in de straten van de hoofdstad.

Met een oneindige tederheid en empathie voor haar personages en met een sterke sensuele cameravoering is dit debuut een treffend onderzoek naar de wonden uit het verleden van Algerije. Sami Bouajila en Nadia Kaci tonen het oudere koppel op een gevoelige en delicate manier. Maar met Lyna Khoudri als het meisje Feriel heeft de cineaste de ideale belichaming gevonden van de jonge Algerijnse generatie. Deze actrice won op het filmfestival van Venetië terecht de prijs van beste vrouwelijke actrice!

‘Les bienheureux’ geeft eerder op een trage en langdradige manier een  interessante inkijk in het leven van de betere middenklasse in Algiers. Tijdens de loden jaren van 1991 tot 2002 (met vandaag nog steeds oplaaiend geweld van moslimfundamentalisten tegen de politie en het leger in de bergen van Kabylië) zijn een deel van hun intellectuele vrienden naar Frankrijk gevlucht. Sommigen waaronder Amel (arts) en Samir (prof) zijn ondanks de aanslagen en moordpartijen gebleven. Sindsdien is het islamisme steeds verder doorgedrongen, ook in het publieke leven van de grote steden. Alcohol wordt niet meer geschonken op terrassen, vrouwen worden niet meer toegelaten in cafés en bars, het uitgangsleven en de daarbij horende muziek is verboden of fors ingeperkt. Onder hun kinderen heerst een landerige sfeer met opstoten van religieus fundamentalisme om het testosteron overschot te kanaliseren. 

De film is vooral interessant omdat de regisseur Sofia Djama haar toeschouwers confronteert  met de steeds verder opbouwende spanning in het Algiers van na de loden jaren. Dreigend is ook de toenemende kloof tussen de intellectuele burgerij en de gewone burgers in de stad en verder. 

MARQUIS DE WAVRIN, DU MANOIR À LA JUNGLE 

1913. Robert Marquis de Wavrin betrapt twee kinderen die op zijn landgoed noten stelen. Hij schiet zijn geweer op hen leeg; ze overleven het maar net. Om een celstraf te ontlopen, vlucht hij naar Buenos Aires. Zo begint het Zuid-Amerikaanse avontuur van de jonge Belgische edelman. Zijn drie reizen naar Zuid-Amerika, tussen 1913 en 1937, leveren vier films op. Daarnaast schrijft hij boeken en artikelen en verzamelt hij waardevolle objecten die nu nog in musea te zien zijn. Archivaris Grace Winter heeft deze documentaire uit het filmmateriaal van het Koninklijk Belgisch Filmarchief. Ze kreeg hulp van Luc Plantier. De documentaire toont dat de markies zijn tijd ver vooruit was. ‘Mijn echte huis was de jungle. De indianen werden mijn broeders. Ik benaderde ze altijd als een vriend. Eerlijk, ongewapend en kwetsbaar.’ Zijn oprechte interesse voor andere culturen was in die tijd een uitzondering. Veel van zijn tijdgenoten zagen de overzeese gebieden als commerciële wingewesten en hun inwoners als wilden. Robert Marquis de Wavrin leverde een grote bijdrage aan de wetenschap en de Belgische cinema. Hij verdient het om niet vergeten te worden.

Een boeiende en ingenieuze compilatie van het werk van Robert de Wavrin, waarbij het exotisme (koppensnellers en – krimpers, mannelijk en vrouwelijk naakt, borstvoeding voor een apenjong) van zijn reisverslagen recht wordt gedaan. De ontdekkingsreiziger kwam tijdens en door zijn reizen tot inkeer: van een verwende egocentrische persoonlijkheid tot iemand die open stond voor andere culturen in verre landen. 

Er is een dvd van het hele werk te koop bij Cinematek te Brussel

Yilmaz Güney dag te Turnhout


THE LEGEND OF THE UGLY KING
Ze noemden hem the ugly king. Een mythe, een held, een filmlegende. Wie was Yilmaz Güney? Een getalenteerde regisseur? Een revolutionair? Een moordenaar, een genie of gek? In THE LEGEND OF THE UGLY KING de jonge regisseur Hseyin Tabak zoekt antwoorden in een script over de Koerdische filmmaker uit Turkije. Güney werd veroordeeld tot 100 jaar gevangenisstraf, om politieke redenen maar ook voor de moord op een rechter.Hij begon met films vanuit de gevangenis. Zijn beroemdste film YOL won de Gouden Palm op het festival van Cannes in 1982. Tabak bezoekt landen waar familie van Güney woont, zijn acteurs, prestigieuze filmmakers als Michael Haneke en Costa Gavras, voormalige gevangenen en gewone mensen voor wie Güney nog steeds een held is. Hoe dieper Tabak graaft, hoe meer de legendarische ugly king menselijk en kwetsbaar lijkt.Tabak begint zijn film met de triomf in Cannes en keert langzaam terug naar Turkije om de overlevende medewerkers en familie van Güney te interviewen. Het resultaat is een rijk biografisch werkstuk en een oprecht eerbetoon aan een filmmaker wiens integriteit en creativiteit tot op vandaag inspireren.

Tabak heeft een boeiende compilatie gemaakt van getuigenissen, raadsels en verhalen van en over de mythische Koerdische cineast Yilmaz Güney die in 1982 voor de doorbraak van de Turkse film zorgde met YOL .

Verrassend was ook de pijnlijke voorliefde voor botox en fillers van menig oudere schone van het Turkse witte doek.

YOL - THE FULL VERSION

Yol is een Turkse film uit 1982 gemaakt door Yilmaz Güney. Het scenario werd geschreven door Güney en, omdat hij in de gevangenis zat, geregisseerd door zijn assistent Serif Gören, die de instructies van Güney nauw opvolgde. Later, toen Güney uit de gevangenis ontsnapte, nam hij de negatieven van de film mee naar Zwitserland en bewerkte deze in Parijs. De film won uiteindelijk de Gouden Palm op het Filmfestival van Cannes. Yol werd in Turkije verboden vanwege het vermeende negatieve beeld dat er van het land werd geschetst.Turkije werd in die tijd geregeerd door een militaire dictatuur. Nog meer controversieel was het beperkte gebruik van de Koerdische taal, muziek en cultuur, hetgeen destijds verboden was.Güney ontsnapte in 1981 uit een Turkse gevangenis en vluchtte naar Frankrijk. Daar, op het filmfestival van Cannes, won hij de Gouden Palm voor YOL (1982). Zijn laatste film was DUVAR (1983), een verhaal over kinderen in gevangenschap. Deze werd zowel financieel als politiek gesteund door de Franse regering. In 1984, toen Güney vrij was van vervolging, sloeg het noodlot toe: hij kreeg maagkanker en stierf op 47-jarige leeftijd in Parijs.In 2017 werd een nieuwe versie van Yol uitgebracht, YOL: THE FULL VERSION. Dankzij intensief speurwerk werd filmmateriaal gevonden dat verloren werd gewaand. Het werd gedigitaliseerd en bewerkt volgens het oorspronkelijke plan van Yilmaz Güney. Beeld en geluid zijn nauwkeurig hersteld in hun authentieke staat. De film werd uiteindelijk gerestaureerd en voltooid ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van Yilmaz Güney.

Boeiend waren de toelichtingen van Donat Keusch, chef van de Zwitserse Cactus Film AG, die de rechten op de film beweert te hebben, wat tot nogal wat onduidelijkheden en disputen leidde. Hij deed ook een mooie verhaal over de ontsnapping van Yilmaz Güney uit de Turkse gevangenis met asiel in het Frankrijk van Mitterand en Jacques Lang.

Nog boeiender was de verklaring van Keusch dat Güney hem persoonlijk herhaaldelijk had duidelijk gemaakt dat de mannelijke personages van Yol die vrij kregen uit de gevangenis ( oorspronkelijk 12 die werden teruggebracht tot 5 +1) allemaal alter-ego’s van Yilmaz Güney zelf waren.

Het tekent de moed en de kritische zelfkennis van Güney én de tot vandaag en nog vele decennia aanslepende ellende van man-vrouw verhoudingen op het Turkse platteland en bij de Koerdische families en clans, ook in de grootsteden.

YOL is 35 jaar later nog pijnlijker dan in 1983 toen ik hem voor het eerst zag. Vooral omdat het er vaak nog steeds op dezelfde manier aan toe gaat ( ook in de Koerdische en Turkse diaspora) en omdat in al die jaren nog steeds geen fatsoenlijke federale oplossing voor de autonomie-eisen werd gerealiseerd.

BLUE SILENCE

Hakan, een 42 jarige Turkse ex-militair, heeft de laatste jaren doorgebracht in een psychiatrisch ziekenhuis, waar hij behandeld werd met als doel te genezen van oorlogstrauma’s. De gruweldaden die hij in naam van het Turkse leger pleegde, blijven aan hem vreten. Met de hulp van de verpleegster Ayla voelt hij zich langzaamaan beter worden. Vlak voor Kerstmis achten de dokters hem voldoende mentaal gezond om naar huis terug te keren. Zo belandt Hakan weer in zijn appartement in Istanbul. Hij probeert in contact te komen met zijn vrouw en zijn dochter Melis, maar die zijn zeer afhoudend om hem weer te zien. Alleen Ayla houdt vol en probeert hem te helpen, tot ze de waarheid ontdekt over zijn verleden Sinds zijn wereldpremière viel de film al meerder malen in de prijzen en wie hem ziet, zal hierover niet verwonderd zijn. Het is een heerlijk minimalistische en intuïtieve prent met heel veel opvallende stiltes. De regisseur zoekt vooral naar beelden om het verhaal van Hakan te vertellen. Componist Michelino Bisceglia zorgt met strijkers voor de klanken hierbij.

Bülent Öztürk denkt nog dat om poëtische films over gruwelijke feiten te maken het volstaat om lange, ongewone shots en close ups te tonen met stilte of opdringerige geluiden en muziek. Hetzelfde trucje wordt in Blue Silence tot vervelends toe herhaald en dwingt de kijker tot vermoeid versuffen.

Zelfs als ‘minimalistisch en integer’ als schaamlapje moeten dienen en de muziek bij wijlen troost biedt, blijft het een misser van formaat.

Als de brave regisseur nog vol van zijn pas geleerde kunstjes bij de nabespreking ook nog een hilarisch verhaal begint over de verantwoordelijkheid van België binnen de NATO waardoor de Turkse elitetroepen als burger verkleed gruweldaden hebben leren plegen, is het tijd om op te stappen. Er zijn grenzen aan de waanzin – zeker als daar dan het optreden van Belgische paracommando’s in Congo aan gekoppeld worden. Iemand zou dit soort interessant makend gezeur zonder enige kennis van zaken beter voorkomen.

De Druivelaar heeft voor dergelijke zelfverklaarde getuigenis-filmers (die zich dan nog graag bekennen als fans van Yilmaz Güney) een goede raad: ‘Het is beter te zwijgen en dom te lijken dan je mond open te doen en alle twijfels voorgoed weg te nemen.’

 

Jolande Withuis, Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog

14 april 2018

Jolande Withuis, Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog 

Uitgeverij De Bezige Bij 2018

106. ‘Het communisme is een groots, historisch experiment geweest. Het was heerlijk om erin te geloven. Het maakte je bereid veel door de vingers te zien.’

Met deze indrukwekkende benadering van haar vader probeert Jolande Withuis de vinger te krijgen achter haar eigen jeugdtraumata én die van haar vader en moeder, militante communisten van het eerste uur in Zutphen en na de oorlog in Amsterdam en heel Nederland. Ook tijdens de Koude Oorlog waarin leden van de CPN werden vervolgd, gebroodroofd en veiligheid voor hun kinderen niet echt aan de orde was binnen het grote geloof in de ene en de ware ideologie van gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid:
228. Geloven helpt zolang je kunt blijven geloven. Communisten die de confrontatie met de socialistische werkelijkheid aangingen, belandden vaak in een persoonlijke crisis.

214. Het samengaan van een vrijwillig lidmaatschap met een verregaand verlies van vrijheid behoort mijns inziens tot de kern van de totalitaire verleiding: je kiest er in vrijheid voor om mee te doen aan een aantrekkelijk lijkend genootschap dat een omvattende visie biedt op de wereld en het leven, maar levert vervolgens, om erbij te mogen blijven horen, je verlangen en je vermogen om vrij te kiezen in.


Berry – Berend – Withuis (1920-2009) kon zich redden via zijn passie voor het schaakspel en zijn bedrevenheid in het netwerken voor toernooien, grootmeesters, de Sovjetschakers en de Nederlandse schaakjournalistiek. 

‘Raadselvader’ is een noodzakelijk boek omdat zijn dochter Jola erin geslaagd is door een nauwgezette reconstructie van o.a. de uitgebreide documentatie van de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst, oude schaakvrienden en partijgenoten enkele sluiers van haar vaders leven te lichten.  

Mij komt het voor dat de man door te zwijgen tegenover zijn kinderen hen wellicht voor erger wou beschermen. 

Toch drijft ‘het kind van Berry’ door om zelf begin jaren 70 lid te worden van de CPN in Amsterdam. Gelukkig wordt ze snel geconfronteerd met de werkelijkheid en ziet ze zelf de scheurende spanning tussen het ware leven en de CPN ideologie, ook binnen de broederschap der partijleden. Haar onderzoekswerk en het schrijven van ‘Raadselvader’ lijkt mij een daad van liefde en eerherstel, mét de onthulling van zijn drijfveren, wanen, haat en woede.

Voor oud-gelovigen is het lezen van ‘Raadselvader’ vaak beklemmend door de herkenning van de minutieuze processen van identificatie, afwijzing, sektevorming.

49. Onverbiddelijk moest je zijn, hoe gering ook de afwijking. De vraag hoe het kon dat louter strategische conflicten indertijd waren geëscaleerd tot ware mini-oorlogen terwijl de betrokkenen elkaars politieke idealen deelden, kwam pas veel later in me op, toen ik afstand had genomen van mijn vaders politieke visie en in de jaren tachtig wetenschappelijk onderzoek ging doen naar het naoorlogs communisme. Ik vond ook een antwoord: het kwam door hun teleurstelling en de wijze waarop de communisten, onverzettelijk als ze waren, met die teleurstelling omgingen.

28. Hij stelde het als een verdienste voor om geen gevoelens te hebben ten aanzien van individuen. De snerende uitdrukking dat ‘communisten meer geven om de mensheid dan om mensen’ vatte mijn vader op als compliment. Hij hield mij dit streven zelfs letterlijk voor, maar of dat ook betekende dat hij jegens mensen inderdaad geen gevoelens hád – het blijft gissen. 


66. André Roelofs, die in 1951 als twintigjarige de redactie kwam versterken, maakte mijn vader intensief mee. Toen ik André vroeg of mijn vader wel eens iets van twijfel had laten doorschemeren, corrigeerde hij mijn naïviteit:

Als jouw vader kritiek had op de Partij, of aarzelingen bij het communisme, zou ík dat bij uitstek niet weten. Dat zou hij op de redactie nooit hebben laten merken. Wij hielden onze gedachten voor ons, juist tegenover degenen met wie we samenwerkten. Openheid over aarzelingen of kritiek kon je je echt niet permitteren.

De eenzaamheid die uit dit antwoord naar voren komt, staat in schril contrast tot de in de CPN beleden en vaak ook beleefde kameraadschap. Die kameraadschap berustte voor een flink deel op de overtuiging dat er buiten de partij geen fatsoenlijk leven mogelijk was. Het bevorderde de nagestreefde eenheid dat men liever zijn mond hield dan eruit te liggen. Je keek in het klimaat van voortdurende zuiveringen en onderlinge verklikkerij wel beter uit dan openhartig te zijn, juist tegenover degenen met wie je dag in dag uit alle tegenslagen deelde, diegenen dus die doorgingen voor je beste vrienden. Zo onmogelijk als het was vriendschappen te onderhouden buiten de Partij, zo onmogelijk was het ook daarbinnen.

Dit treurige leven in deze zelfgekozen gevangenschap zag men aan voor geluk, althans: men hield zichzelf met wisselend succes voor dat men gelukkig was. De armoede, het isolement en het geploeter werden gecompenseerd door de troostrijke zekerheid dat men beschikte over diepe historisch-maatschappelijke inzichten. Communisten voelden zich geestelijk verheven boven buren, collega’s en familieleden die het vertrouwen in de komst van de heilstaat en de vreugde van de dagelijkse strijd moesten missen. Vermoedelijk namen de volwassenen aan dat dit voor hun kinderen ook gold.

105. Het behoort tot de communistische basisbeginselen dat je juist in het overwinnen van je intuïtieve neigingen (zoals dat je je vrienden en geliefden wilt sparen) bewijst een goed partijlid te zijn. De goede zaak gaat immers boven alles. Vriendelijkheid is een zwakte die je omwille van de revolutie te boven dient te komen.

De lakmoesproef, dat de ware gelovige bereid is zijn primitieve goedhartigheid te overwinnen en onmenselijke misdaden te begaan, is overigens niet exclusief communistisch maar geldt voor meer totalitaire overtuigingen. Zo stelde Himmler dat iedereen natuurlijk wel een enkele jood aardig vindt, maar dat het erom ging dat gevoel te overwinnen. Je moest joden willen vermoorden, al vond je ze aardig. 

En zo oefenen jonge moslims in Amsterdam-West zich voor hun toekomst door naar onthoofdingsfilmpjes te kijken, waar ze in eerste instantie van moeten kotsen.

Onovertroffen in dezen is het verhaal waarmee mijn vader altijd de onmenselijkheid van het christendom bewees: God die van Abraham eist dat hij zijn zoon Isaak offert.

Lees verder »

Wild Wild Country – Bhagwan Shree Rajneesh (later bekend als Osho) in Oregon – Netflix Documentaireserie

5 april 2018

Wild Wild Country – Bhagwan Shree Rajneesh (later bekend als Osho) in Oregon Netflix Documentaireserie (6 delen) ***** Regie Chapman en Maclain Way.

Fascinerende serie over de oranje-rode secte die in de jaren 70-80 van de vorige eeuw Amerika én Europa besmette met een originele toepassing van het communistische ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid in de praktijk: gemeenschap van alles en iedereen ten dienste van het hogere doel, de gids en de leiding.

Uiteraard was dat alles maar schijn en ging het er in werkelijkheid en meer nog achter de schermen heel anders aan toe. De langstgelovige advocaat van de Bhagwan(-beweging) Philip Toelkes (a.k.a. Swami Prem Niren) weet finaal zelfs te verklaren dat ‘Osho’, de Meester, erin geslaagd was zijn hoogste doel te bereiken met zijn volgelingen: hij was een verheven versie van de zeer succesvolle Grieks-Armeense farceur George Gurdjieff die zijn leerlingen wist te overtuigen dat de menselijke geest moet opgewekt en bevrijd worden via de vierde weg, die van de sluwe mens.

Het dorpje Antelope in Oregon dat het Bhagwan experiment ongevraagd opgedrongen kreeg en mocht genieten van de financiële en gewapende ‘verdraagzaamheid’ van de sannyasins en hun handlangers, overleefde ternauwernood en houdt zich nu recht met een vlag aan de mast en een citaat van Edmund Burke:

The only thing necessary for the triumph of evil is for good men to do nothing.”

Diverse hoofdrolspelers zijn toch nog goed terecht gekomen.

Wat eens begon als een miljoeneninvestering in de utopie van de eeuwige belofte van vrijheid, zeker ook in de liefde, wordt nu beheerd door een club van fundamentalistische christelijke jeugdkampen waar de voorhuwelijkse onthouding beoefend en bezongen wordt.

En dan lees je in De Morgen en de Volkskrant van Mark Moorman : “Netflix-documentaire Wild Wild Country is een epos over een mislukte utopie – Documentaire over Indiase goeroe die maximale vrijheid bepleitte.”

‘Uiteindelijk is Wild Wild Country een epos over intolerantie, over een utopie die implodeert als mensen hun eigen belangen boven die van de groep gaan stellen, en ook een onderzoek naar de vrijheden die de Amerikaanse grondwet garandeert: stel dat die lijnrecht tegenover elkaar komen te staan.’

Een dergelijke opmerking houd je in 2018 toch niet meer voor mogelijk… edoch, blijkbaar is dit soort geleuter weer aan de orde dankzij New Age en Nieuw Groen en Links…

Mij lijkt Wild Wild Country eerder een fascinerend onderzoeksverslag naar het grote ideaal van ‘love and peace and equality and liberty’, de psychopathologie van gevaarlijke maakbaarheidsideologen die vele honderdduizenden over de hele wereld erin geluisd hebben.

En onder hen niet de minsten: Peter Sloterdijk en Jan Foudraine -Wie is van hout? 

„Van alle ideeën die onoverzienbare en een of meer desastreuze effecten op de 20e eeuw hebben gehad, is dat van de goede gemeenschap waarin onderlinge banden en solidariteit heel sterk zijn en alles is gebaseerd op een gemeenschappelijk gevoel, het meest opzienbarende.  Er zijn nog steeds talloze mensen die een gemeenschap beschouwen als de omgeving waar ze zouden willen leven, wat die gemeenschap ook inhoudt, al was het een zuiver misdadig genootschap, als het maar een vorm betreft waarmee men veel gemeenschappelijk heeft, waar onderlinge banden iets betekenen. Dat verlangen is zo intens dat de bestaansgronden en de aard van die banden er nauwelijks nog toe lijken te doen: zolang ze maar sterk en hecht zijn.” (Roberto Calasso, De literatuur en de goden.)

“Van alle politieke ideeën is de gevaarlijkste wellicht het verlangen om mensen volmaakt en gelukkig te maken. Elke poging om de hemel op aarde te brengen heeft naar een hel geleid” (Karl Popper)

Ronald Commers, De legende 1717 – Vrijmetselarij, 300 jaar droom en daad?

4 april 2018

Ronald Commers, De legende 1717 – Vrijmetselarij, 300 jaar droom en daad?

uitg. Garant 2018

8. Het zal bekend dat vrijmetselaarsorganisaties activiteiten vormgeven aan de hand van symbolen en rituelen. De auteur van dit boek argumenteert dat de meeste daarvan van betrekkelijk recente datum zijn. Wij tasten in het duister over het symbolische en rituele apparaat in de eerste twee decennia van de eeuw. Maar vanaf het midden van die eeuw lijkt er bijna geen houden meer aan. Verschillende symbooltalen en rituele systemen, riten genoemd, zien de ene na de andere het levenslicht. Zij zijn allen door plaats en tijd bepaald. Daarom is het merkwaardig dat sinds de eeuw onafgebroken wordt geruzied over het vooropgestelde oude karakter van de symbooltalen en de rituele systemen. Geleidelijk aan werd een ritueel traditionalisme de mainstream. Het leidde tot de uitsluiting van loges en van individuele maçons. Er kwamen processen van omdat men meende dat gevestigde reglementen waren overtreden. Het bracht verordeningen mee die de leden van loges moesten dwingen zich te conformeren aan de “oude plichten en gebruiken”. Ook daarvoor werd een woord uitgevonden: landmarken. Daardoor werd het moeilijk gemaakt om nog met helder verstand te onderzoeken of er toch ook geen domme rituele gebruiken en verlopen symbolen in de omloop waren en zijn, en zich af te vragen hoe oud nu eigenlijk de maçonnerie is die zich heeft getooid met woorden als universaliteit en humanisme.

Kortom, de auteur stelt zich de vraag of wat ooit zijn bestaansreden ontleende aan een specifieke tijdruimtelijke context, later niet werd ontkoppeld van de sociale, culturele en politieke evoluties. Eigenaardig omdat vrijmetselarij zoals die door de meeste maçons vandaag wordt beleefd in haar symbolische en rituele vorm van recente datum is, terwijl ze in haar wezenlijk wereldbeschouwelijke gezindheid ouder is dan de legenden die sinds 1723 worden verteld. De auteur ziet een symbolische en rituele hardnekkigheid aan het werk de obediénties (dat zijn de overkoepelende maçonnieke organisaties binnen dewelke loges werken). Die hardnekkigheid zette een rem op Wat de verdere ontplooiing van de maçonnieke zingeving had kunnen zijn. Hij wil tonen hoe een geschiedkundige vergetelheid, gevolg van de verering van legende, mythe en allegorie, een hypotheek heeft gelegd op wat een geactualiseerde vrijmetselarij naar haar wereldbeschouwelijke essentie zou kunnen zijn.

Lees verder »

Cesare Pavese & Bianca Garufi, Het grote vuur.

3 april 2018

Cesare Pavese & Bianca Garufi, Het grote vuur.

Einaudi Turijn1959 – Karaat 2012 Nl vertaling Evelien Rauws & Luc de Rooy

Interessante overwegingen over familie, dorp en de kindertijd, maar ook hoe de herinnering aan de gruwelen van toen door ontworteling soms kan verzachten.

45.  In alle tijden, zei hij, zijn families ten onder gegaan aan de grillen van een onverantwoordelijke vrouw. De man moet de familie bijeen zien te houden. Vrouwen kunnen geen geheimen bewaren, of ze creëren absurde geheimen. Net als in de politiek. Heeft u verstand van politiek?

Nee, voegde hij er meteen aan toe, hier hebben we het later wel over. U bent nog te jong. Goed zoals ik al zei, de familie is een organisme opgebouwd uit geheimen en uit andere, zichtbare elementen. Aan de buitenkant: de huid, de uitdrukking in de ogen, de houding, de goede gezondheid; aan de binnenkant: de organen, het afval, de schande.

82.  ‘De familie’, ging hij verder, ‘is een bolwerk tegen de dood’. (…) ‘Voor velen is de familie de dood’, zei ik kortaf om Silvia te steunen.

103. ‘…. Ik weet veel dingen, denkt u niet, al woon ik in een dorp als dit. Hier huwelijken families hun kinderen uit ze nog jong zijn, men volgt de gebruiken, en dat is helemaal zo slecht nog met. Het kan goed aflopen of minder goed, dat ligt eraan, maar hier hebben mannen en vrouwen een huis en familie, en zolang de man zich niet als een beest gedraagt behouden we de vrede. Maar voor jullie is dat anders. Jullie, die in de stad werken, en niets willen weten van de gebruiken, hebben behoefte aan meer, jullie willen alles tegelijk. Jullie wonen ver weg van huis en van familie, van gebruiken en eerbied moeten jullie niets meer hebben, jullie zijn eenzaam. Jullie moeten zo nodig meteen van elkaar houden, en kunnen niet wachten tot de liefde later een keer komt. Houdt u van Silvia?’

114. Calvino merkt in zijn essay ‘Pavese en de mensenoffers’ op : ‘[Pavese] zoekt naar de reden waarom een dorp een dorp is, naar het geheim waardoor plaatsen, namen en generaties met elkaar verbonden zijn.’

127. En terwijl ik wandel merk ik dat de Pavese van wie ik houd, die van ‘De maan en het vuur’, weer een plekje in mijn hart gevonden heeft. ‘Je hebt een dorp nodig, al was het maar om het plezier van weg te gaan,’ citeer ik uit mijn hoofd. ‘Een dorp wil zeggen dat je niet alleen bent, dat je weet dat er iets van jou is in de mensen, in de planten, in de aarde, dat er op je wordt gewacht ook als je er niet bent.’

128. Voor Pavese was Santo Stefano de plek van zijn afkomst en zijn fantasie, een podium voor zijn kindertijd. ‘De moderne kunst is – voor zover van enige waarde – een terugkeer naar de kinderjaren,’ schreef hij in zijn dagboek. ‘Het blijvende motief is de ontdekking van de dingen, een ontdekking die, in haar zuiverste vorm, alleen kan plaatsvinden in de herinnering aan de kinderjaren.’ Zijn opvatting raakt aan die van Charles Baudelaire: de kunstenaar is een herstellende patiënt, die uit de dood terugkeert om alles opnieuw voor de eerste keer mee te maken. Pavese gaat daarop verder: ‘En in de kunst drukt men alleen datgene goed uit wat met onbevangenheid is opgenomen. De kunstenaars blijft niets anders over dan zich omwenden en inspiratie zoeken in de tijd dat ze nog geen kunstenaars waren, de kinderjaren dus.’ Pavese idealiseerde zijn geboortedorp, maar veranderde het in een ambigue streek. Het personage dat in ‘De maan en het vuur’ uit de Verenigde Staten terugkeert, nadat hij er rijk werd, is op weg een geliefd én gehaat oord.

135. ‘Wie niet kan leven met naastenliefde en wie de pijn van anderen niet kan omhelzen, wordt gestraft doordat hij zijn eigen pijn ondraaglijk hevig voelt. Pijn kan men alleen aanvaarden door [...] mee te lijden met de anderen die lijden.’

Vrt.nu De Ronde : Doe het goede om het (eigen )goede (gevoel)!

27 maart 2018

Doe het goede om het (eigen )goede (gevoel)!


De Ronde, Finale.



Vanaf 25’ In den Havana


https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/de-ronde/1/de-ronde-s1a3-broers/


Vanaf 40’ na de koers over den Havana en het eigen goede doel


https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/de-ronde/1/de-ronde-s1a7-het-peleton/



Marc Six bekent Dieter De Leuze dat hij in hetzelfde bordeel Havana in barre omstandigheden gefilmd werd en nu gechanteerd wordt om maandelijks 100 € af te dragen voor een goed doel naar keuze door de nostalgische oud-marxist John Van Roey. Niet zot maar nu pooier voor zes goede doelen: ‘Het is niet eerlijk verdeeld in de wereld en daar doen wij iets aan.’

 

– Ik ben echt heel bang wat hij met die beelden gaat doen, meneer De Leuze. – Maar dat moet toch niet Marc. Zorg er gewoon voor dat je het geld stort. Heb je al een goed doel gekozen? – Neen. – Maar, doet dat rustig Marc. Neem er je tijd voor en kies iets waar je je hart kunt insteken. – Wat heeft dat nu voor belang. – Natuurlijk heeft dat belang. Het zal u helpen om het te verwerken. – Zever niet. – Toch is dat zo. Als ik weet hoeveel waterputten er in Burundi gegraven zijn door wat ik heb meegemaakt dan geeft dat troost. En dan weet je dat die vernedering niet voor niks geweest is en dat er mensen beter worden door wat jij doorstaan hebt.

Zineb El Rhazoui, Vernietig het islamitisch fascisme.

26 maart 2018

Zineb El Rhazoui, Vernietig het islamitisch fascisme.

Prometheus 2018

Scherp geformuleerd pamflet door een vrouw die de islamitische aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo overleefde.

Miel Swillens schreef een jaar de aanslagen door islamitische terroristen te Brussel een opmerkelijke tekst op Doorbraak met eenzelfde reeks vaststellingen.

17. ‘Niet één islamitische theocratie staat de burgers vrijheid van geweten en van godsdienst toe. Maar in een Europese context, waar de mensenrechten heilig zijn, zegt de islamist tot een minderheid te behoren en verdedigt hij het recht op anders-zijn dat hij op eigen terrein niet duldt. Zeker, hij wil de vrijheid graag verdedigen, maar alleen de vrijheid nog religieuzer te zijn. De islamist streeft ernaar zijn gemeenschap te isoleren, een muur tussen moslims en anderen op te richten via kleding, cultuur, taal, geografie en recht, om intussen iedereen van haat te beschuldigen. De islamist hekelt haat, niet omdat hij geen haat voelt, maar omdat hij meent er het alleenrecht op te hebben. Erger nog, de islamist denkt de behoeder te zijn van de ‘legitieme haat’, die volgens hem Gods wil zou zijn. Betwist je hem dit alleenrecht, dan ben je islamofoob.

De islamist leent de democratische dialectiek, zegt dat hij een groot aantal mensen vertegenwoordigt om beter minderheden te kunnen onderdrukken. En zolang de islam geen staatsgodsdienst is, beweert de politieke Islam religieuze diversiteit te respecteren, om de onschendbaarheid van het eigen domein beter in de hand te kunnen houden. Het salafistische vocabulaire, niet van dat van Islamitische ‘Staat en de islamitische theocratieën te onderscheiden, wordt door de islamisten verdedigd als een uitdrukking die bij de islamitische identiteit hoort. Afwijzing ervan ziet men als discriminatie van alle moslims. Terecht denk je dat mensen verdelen in homogene groepen die onder verschillende wetten vallen racistisch is, maar de islamist beweert ook het alleenrecht op racisme te hebben. Hij verbiedt dat mensen met zijn geloof trouwen met joden, christenen of atheïsten, maar deze discriminatie is voor hem de wil van God waarover hij op aarde waakt. Als je over hem zegt dat hij een racist is, dan ben je islamofoob.’

30. De islam is absoluut géén religie van vrede en liefde, maar een ideologie die je haat jegens de ander bijbrengt, en de minderwaardigheid onderstreept van vrouwen en van niet-moslims.

Lees verder »

Ali Rizvi, De atheïstische Moslim. Een weg van geloof naar rede.

26 maart 2018

 

Ali Rizvi, De atheïstische Moslim. Een weg van geloof naar rede. 

Nieuw Amsterdam 2018

Een fascinerend verslag van een insider die nauwgezet probeert zijn eigen geloofsafvalligheid te reconstrueren en de gevolgen ervan te onderzoeken, bij hemzelf, familie, vrienden, andere moslims.

Een moedig en noodzakelijk boek voor de verstandigen en de weifelaars.

En voor wie er van buitenaf met grote ogen en oren op zit te kijken en te luisteren.

Er lijkt nog een beetje hoop te kunnen gloren.

 

16. ‘In een leerboek voor de vijfde klas (elfjarigen) stonden lessen over vriendschap en loyaliteit: ‘Het is een moslim verboden om een loyale vriend te zijn van iemand die niet in Allah en Zijn Profeet gelooft, of iemand die tegen de religie van de islam vecht.’ En: ‘Een moslim, ook al woont hij ver weg, is je broeder in de religie. Iemand die zich tegen Allah verzet, ook al is hij je broer door bloedbanden, is je vijand in de religie.’

In de achtste klas (veertienjarigen) leerden de studenten over de omgang met joden en christenen. ‘De apen zijn de joden, het volk van de sabbat; de zwijnen zijn de christenen, de ongelovigen van de gemeenschap van Jezus.’

In de twaalfde klas zijn de leerlingen klaar om eindexamen te doen en daarna de maatschappij in te gaan. ‘Jihad op het pad van Allah – bestaande uit het bestrijden van ongeloof, onderdrukking, onrecht en hen die dit begaan – is de bekroning van islam. Deze religie kwam voort uit jihad en verhief zijn vaandel door middel van jihad. Het is een van de edelste daden, die de gelovige dichter bij Allah brengt, en een van de meest verheven daden van gehoorzaamheid aan Allah.’

‘Nogmaals: dit waren de aangepaste leerboeken, die een aantal jaren ná 11 september 2001 werden gepubliceerd.’

35. ‘De ambassadeur antwoordde dat het gebaseerd was op de Wetten van de Profeet; dat het geschreven stond in hun Koran; dat alle volkeren die hun gezag niet erkenden zondaren waren; dat het hun recht en plicht was om oorlog tegen hen te voeren waar ze hen aantroffen; en om slaven te maken van iedereen die ze gevangen konden nemen; en dat elke muzelman [moslim] die in de strijd omkwam zeker naar het Paradijs ging.

Deze woorden lijken wellicht te verwijzen naar een verklaring van Islamitische Staat (ISIS) of naar een samenvatting van een recent manifest van Al-Qaida. Ze klinken misschien zelfs als frases uit een fatwa van een Iraanse geestelijke.

Geen van beide.

Het zijn de woorden van Thomas Jefferson, uit de tijd dat hij als ambassadeur van de Verenigde Staten in Frankrijk verbleef. De passage is afkomstig uit een brief aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken John Jay, waarin Jefferson verslag doet van de ontmoeting die hij en John Adams hadden met Sidi Haji Abdul Rahman Adja, de Londense gezant van Tripoli. Dat was in 1786, meer dan twee en een kwart eeuw geleden.’

 

Lees verder »

House of Cards (1-5) … het bezingen van de wrok, nu ook Washington D.C.

26 februari 2018

????? ?????, ???, ????????? ???????
‘De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles / moet u bezingen.’
Het eerste woord uit de Europese literatuur is afschuwelijk.
Homeros, ‘Ilias. Wrok in Troje’, vert. Patrick Lateur
“We used to make each other stronger, or at least I thought so. But that was a lie. We were making you stronger. And now I’m just weak and small, and I can’t stand that feeling any longer.” Claire Underwood
House of Cards, wrok in Washington D.C.

http://www.independent.co.uk/arts-entertainment/tv/news/house-of-cards-kevin-spacey-diane-lane-greg-kinnear-replacements-final-season-a8188121.html
“Money is the Mc-mansion in Sarasota that starts falling apart after 10 years. Power is the old stone building that stands for centuries. I cannot respect someone who doesn’t see the difference.”
“Friends make the worst enemies.”
“Power is a lot like real estate. It’s all about location, location, location. The closer you are to the source, the higher your property value.”
“There are two kinds of pain. The sort of pain that makes you strong, or useless pain. The sort of pain that’s only suffering. I have no patience for useless things.”
“There’s no better way to overpower a trickle of doubt than with a flood of naked truth.”
“Democracy is so overrated.”
“Proximity to power deludes some into thinking they wield it.”
“For those of us climbing to the top of the food chain, there can be no mercy. There is but one rule: hunt or be hunted.”
“The road to power is paved with hypocrisy, and casualties.”
“The nature of promises, Linda, is that they remain immune to changing circumstances.”
“A great man once said, everything is about sex. Except sex. Sex is about power.”
“From this moment on you are a rock. You absorb nothing, you say nothing, and nothing breaks you.”
“I’ve always loathed the necessity of sleep. Like death, it puts even the most powerful men on their backs.”
“The best thing about human beings is that they stack so neatly.”

https://en.m.wikiquote.org/wiki/House_of_Cards_(U.S._TV_series)

Luckas Vander Taelen, De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitische fundamentalisme?

26 februari 2018

Luckas Vander Taelen, De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitische fundamentalisme? Uitg. Houtekiet 2016


 

106. ‘We hebben een luxeprobleem: we zijn verwend door jaren van vrede, zelfs de koude oorlog is in het beste geval nog een verre herinnering. We zijn vergeten dat er altijd gewelddadige conflicten zullen zijn en dat niet alles op te lossen is met een goed gesprek. Onze verblinding is zo groot dat we het Kwade niet herkennen, zelfs als het door Parijs, Beiroet of Bamako dwaalt en de lijken van onze vrienden in de straten liggen. We weten niet meer hoe we op geweld moeten reageren, we willen geen oorlog, we geven ons nog liever over. De ontreddering is totaal: theaterregisseur Luc Perceval vroeg zich meteen na de aanslagen op Radio 1 af of we niet beter met IS zouden gaan onderhandelen. Waarover, vraag ik me dan af? Over onze totale onderwerping aan een krankzinnige, moorddadige ideologie? Daarover ging Soumission, de helaas visionaire roman die Michel Houllebecq net na de aanslagen op Charlie Hebdo uitbracht.
Op planetaire schaal is de islam aan een spectaculaire uitbreiding bezig die heel vaak met geweld tegen andersdenkenden gepaard gaat. Dat radicalisme spreekt ook bij ons jongeren aan die in een marginale situatie terecht zijn gekomen. Bewegingen zoals Sharia4Belgium maakten daar op een ‘perverse manier misbruik van, door hen te rekruteren voor een heilige oorlog. In die context hoeft het niet te verbazen dat de modale Belg enige bedenkingen heeft bij de opkomst van een godsdienst die hier een halve eeuw geleden nauwelijks bekend was.
13 november was een mokerslag voor vele ideologische zekerheden. De verpletterende stilte van links nu, is tekenend voor de ontreddering van het zelf opgelegde correcte denken, dat de tekens van het groeiende fundamentalisme niet wou zien, uit angst beschuldigd te worden van islamofobie. En er een haast principieel schuldgevoel op nahield dat alle onheil in de wereld aan westerse interventies, kolonialisme en imperialisme toeschreef.
‘De vertrouwde en geruststellende antwoorden op complexe vragen waren even leeg als voorspelbaar. De islamitische allochtonen waren voor links het nieuwe proletariaat; de sluipende, nefaste impact van een fanatieke religie werd genegeerd of in het beste geval geminimaliseerd. Voor elke Syriëstrijder zocht men een excuus van sociale achterstelling, dat ook het alibi werd voor het baldadig geweld van straatbendes. De schrijnende verdrukking van islamitische vrouwen werd goedgepraat vanuit een principieel cultuurrelativisme, dat de universele waarden van de verlichting reserveerde voor de autochtone bevolking en ontzegde aan allochtonen.
Nooit zou men mogen vergeten dat de geschiedenis een opeenvolging is van conflictsituaties over normen en de waarden. Die staan niet in steen gebeiteld en wettelijke kaders kunnen de maatschappelijke druk tot verandering niet tegenhouden. Het is bijzonder belangrijk dit te beseffen: waarden waarvoor soms decennia lang gestreden is en die wij als evidenties beschouwen, kunnen door nieuwe groepen in vraag gesteld worden. Scheiding tussen Kerk en staat, religieuze vrijheid en de vrijheid om zich publiekelijk af te zetten tegen godsdienst, gelijkheid tussen man en vrouw, respect voor holebi’s, enzovoort: het zijn verworvenheden van een lange emancipatorische strijd. Het is geen uiting van racisme of xenofobie om daaraan te herinneren en ‘van nieuwkomers te verwachten dat ze zich aan die ‘normen en waarden’ aanpassen. Pas als men dat niet doet en stelt dat migranten er hun eigen waardenpatroon op na kunnen houden, geeft men blijk van een racistische instelling: alsof de waarden die wij belangrijk vinden voor onszelf, niet zouden gelden voor mensen die van elders komen.

Lees verder »

Luckas Vander Taelen, Mijn gedacht, Opinies over Brussel en andere belangrijke zaken.

26 februari 2018

Luckas Vander Taelen, Mijn gedacht, Opinies over Brussel en andere belangrijke zaken, Houtekiet, 2017.

Een boeiende reeks verhalen en analyses, onthullingen en moedige standpunten over Brussel vroeger en nu, en vooral morgen. Met een reeks aanbevelingen die Groen en Ecolo (om van de overige politieke partijen nog maar te zwijgen) beter zelf ter harte zouden nemen om niet ten onder te gaan aan de dhimmitude.

174. ‘Het lijkt wel of we enkel preventief kunnen denken: meer legerpatrouilles op onze pleinen en grotere betonblokken in onze winkelstraten. De verdediging is de slechtste aanval.
We zijn even verwend als we naïef zijn. Verlamde lemmingen die niet weten hoe om te gaan met fanatici die hun leven veil hebben voor hun geloof en overtuiging. Salafisten zijn als religieuze nazi’s. Maar als iemand dan zegt dat dit oorlog is, stuiven we verschrikt weg. Churchill blijft zich maar omdraaien in zijn graf. Hoeveel meer blood, sweat and tears kunnen we nog verdragen?
Laat ons toch eens ophouden met ons in te houden. Laten we hardop zeggen wat zelfs Obama nooit over zijn politiek correcte lippen kreeg, om toch maar niemand te stigmatiseren: dat al dat onheil van een op hol geslagen godsdienst komt. Waarom knijpen we altijd onze billen dicht om toch maar geen religieuze gevoeligheden te bruuskeren? Vrijzinnigheid, atheïsme en Verlichting zijn stilaan scheldwoorden geworden. We noemen onszelf liever agnost dan dat we durven zeggen dat God niet meer is dan een menselijk verzinsel. Journalisten verzwijgen bewust het adjectief ‘islamitisch’ bij het substantief ‘terrorist’. Een opiniemaker zegt dat terroristen niet meer dan depressieve zelfmoordenaars zijn. Of amateurs, psychopaten, eenzame wolven… zeg maar wat. Alles om toch maar niet het I-woord te moeten gebruiken. Ik vraag me af wat die voorname denkers zullen verzinnen nu blijkt dat het in Spanje over een goed georganiseerde bende islamitische fundamentalisten ging.
We willen ons vooral niet superieur voordoen, zelfs niet tegenover barbaren. Vanuit een onbepaald schuldgevoel kastijden wij liever onszelf. De islamitische moordenaars van de Ramblas verachten ons om zoveel dwaze en blinde zwakheid. Door onze dubbelzinnigheid geven we hun vrij spel om nog meer verwarde jeugdige geesten te kapen.

Lees verder »

Irvin D. Yalom, Dicht bij het einde, terug naar het begin. Memoires van een psychiater

3 februari 2018

Irvin D. Yalom, Dicht bij het einde, terug naar het begin. Memoires van een psychiater

uitg. Balans

Een pracht van een afscheid, les en lering van Irvin Yalom, van wie ik veel heb geleerd als huisarts voor mijn patiënten, ook voor mijzelf en mijn dierbaren.

Een aanrader bij de film Yalom’s Cure en voor iedere (aankomende) arts en therapeut over hoe het ook kon en nog steeds kan.

Zijn wij niet de bewaarders van de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem?

 

Irvin D. Yalom, De Schopenhauerkuur.

 

Irvin D. Yalom, Nietzsches tranen.

Irvin D. Yalom, Scherprechter van de liefde

Irvin D. Yalom, Het raadsel Spinoza. Uitg Balans 2012

 

26. Charles Dickens ‘In Londen en Parijs: ‘Want nu ik langzaam het einde nader en de cirkel bijna rond is, kom ik weer steeds dichter bij het begin. Het schijnt mij toe dat dit de manier is waarop de weg wordt geëffend en voorbereid. Mijn gemoed loopt over bij allerlei herinneringen die al lang geleden waren weggedommeld…’

Deze passage ontroert me hevig, want inderdaad: nu ik langzaam het einde nader, kom ik steeds vaker uit bij het begin. De herinneringen van mijn cliënten roepen steeds vaker herinneringen uit mijn eigen leven op, mijn werk aan hun toekomst roept mijn verleden op en woelt het om, en ik merk dat ik mijn eigen verhaal herzie. Mijn herinneringen aan mijn vroege jeugd zijn altijd fragmentarisch geweest en ik dacht dat dat kwam door de ongelukkige, armoedige omstandigheden waarin we leefden. Maar nu ik in de tachtig ben, dringen zich steeds vaker beelden uit mijn kinderjaren bij me op.

FIETSEN

34. Ik heb fietsen altijd heel bevrijdend en contemplatief gevonden en de laatste tijd komt het verleden heel gemakkelijk bij me boven als ik op de fiets zit, dat gevoel van soepele snelheid ervaar en de wind in mijn gezicht voel.

JODENDISCRIMINATIE

75. In die tijd had ik het gevoel dat mijn hele leven, mijn hele toekomst, op het spel stond. Ik wist sinds mijn ontmoeting met dokter Manchester, op mijn veertiende, al dat ik medicijnen wilde studeren, maar het was algemeen bekend dat geneeskundeopleidingen een streng quotum van vijf procent hanteerden voor joodse studenten – de geneeskundefaculteit van GW nam per jaar honderd studenten aan, onder wie maar vijf joden. De joodse scholierenvereniging waarvan ik lid was (Upsilon Lamb­da Phi) had veel meer dan vijf intelligente eindexamenkandidaten die na een voorbereidende bacheloropleiding geneeskunde wilden gaan doen, en er waren wel meer van dat soort verenigingen in Washington. De concurrentie leek moordend, dus besloot ik vanaf dag één van mijn studie de volgende strategie te volgen: ik zou me nergens anders mee bezighouden, ik zou harder werken dan alle anderen en ik zou zulke goede cijfers halen dat ze me bij geneeskunde hoe dan ook moesten toelaten.

Lees verder »

Elise Wuyts, De Studente

7 januari 2018

Elise Wuyts, De Studente

uitg Vrijdag 2017

1882. De Studente klopt aan bij de Dokter. Ze is jong en ze is ambitieus. De wetenschappen beleven hoogtijdagen en de Dokter heeft met nieuwe, radicale ideeën baanbrekend werk verricht in de geneeskunde en de anatomie. Hij kan de Studente helpen in haar ambities. Maar ze is een vrouw die leeft in het preutse victoriaanse Engeland. En ze draagt een verleden met zich mee. De Dokter heeft zich onder raadselachtige omstandigheden op het platteland teruggetrokken. Ook hij torst een verleden.

De Studente vertelt het verhaal van een ondoorgrondelijke, intieme relatie tussen de Studente en de Dokter, waarbij machtsspelletjes voortdurend de overhand nemen. Tot het verleden zijn definitieve schaduw werpt.

“Schrijven heb ik van kindsbeen af graag gedaan” zegt Elise. “Maar ik wist ook al heel vroeg dat ik geneeskunde zou studeren. Psychologie was een andere mogelijkheid maar een mijn tante overtuigde me om voor psychiatrie te gaan. Meer bepaald forensische psychiatrie. Dezelfde tante en mijn moeder hebben me ook gek gemaakt van Engeland. Die elementen heb ik trachten samen te brengen in het boek.”

Alweer een verbluffend romandebuut, dit keer bij Uitgeverij Vrijdag en weer uit de Kempen, de Voorkempen deze keer met een zegening voor de stad, het land en de wereld.

Elise Wuyts is een laatste jaars studente geneeskunde – nog wel aan mijn oude UIA intussen UA en zo – die een voor haar leeftijd en professie fenomenaal verhaal heeft geconstrueerd vanuit de levensvragen die velen uit het snijdersgild zich zelfs niet durven of kunnen stellen.

De Studente is een eerbetoon aan wetenschap, schoonheid en liefde. Maar het onthult ook waar mensen toe in staat zijn wanneer dat hen drijft.’

Ze doet dat met het mededogen van een wijze ervaren dokter, ze doet het met de liefde en het respect van een gelouterd mens. Dat is behoorlijk kras, zelfs voor iemand die de geschiedenis van de Engelse geneeskunde in de 19 de eeuw heeft bestudeerd.

Ze is ook niet bang om de échte vragen te stellen en antwoorden te zoeken, ook al is het verhaal naar eigen zeggen in niets autobiografisch. Haar inlevingsvermogen en empathie haalt een professioneel niveau waaraan sommigen uit het vak zelfs nauwelijks durven denken.

En ze schrijft in sobere, snelle zinnen met heldere overwegingen over een fascinerend emotioneel heen en weer tussen haar personages: de jonge Studente en de oude Dokter, ieder met hun pijn en geheim.

Wat een gedurfde schoonheid!

Het doktershart

5. Dokters denken graag van zichzelf dat er niets is waar ze niet goed in zijn. Het is een arrogantie die even diep zit als onze liefde voor de wetenschap. Sommigen proberen er als student mag tegen te vechten, maar uiteindelijk vallen we allen ten prooi aan dezelfde grootheidswaanzin.

Wat de buitenstaander echter niet mag vergeten, is dat het een inherent tegennatuurlijke daad is om een scalpel in de hand te nemen en in warm, levend vlees te snijden. Om dat te overwinnen moeten we ons boven de natuur en de wetten van dc mens stellen. En dat vergt een heel ander soort moed dan die van soldaten op het slagveld. Wij dragen onze zelfzekerheid als een harnas. Het beschermt ons tegen twijfels en trillende handen, want zonder zelfzekerheid maken we fouten en als we fouten maken, sterven er mensen.

Als we dan op het eind van de dag het gevoel hebben dat geen enkele wet nog voor ons geldt, moet u ons dat vergeven. U zult er blij om zijn wanneer u bij ons op de tafel komt te liggen. Daar hangt uw leven af van onze vingervlugheid.

107. Een doktershart is een fragiel iets. We hebben de neiging tot grootheidswaanzin en zelfkleinering. Een goede dissectie of behandeling laat ons geloven dat de zon uit ons achterwerk schijnt en een slechte maakt van ons een totale mislukkeling. Elke keer dat we een patiënt behandelen, stellen we ons op om te falen. Geneeskunde is geen exacte wetenschap en zal ons nooit een eenduidig antwoord geven. Mensen sterven elke dag, soms door ons toedoen.

108. Ik heb vele hoogtes en laagtes gekend in mijn carrière en die staan allemaal in mijn geheugen geëtst. Ik kon van arrogantie overgaan in depressie door een enkele opmerking. Ik vond mezelf het succes dat ik kreeg niet waardig, maar ik wou altijd meer. Meer affaires, meer publiciteit, meer dissecties, meer bekendheid.

Een voldaan man is hij die weet wat hij wil, maar enkel neemt wat hij nodig heeft.

De inwijding en het geheim

103. Iets zei me dat de Studente wist waarover ze sprak als ze schreef dat geheimen een mens kunnen vernietigen. Maar toen ik haar leeftijd had, vond ik vooral dat een geheim iemand mysterieuzer maakte. De aard van het geheim was niet belangrijk. Enkel dat de persoon in kwestie het goed kon uitspelen. Ik merkte dat de mensen die niet meteen alles vertellen over zichzelf, het meeste respect en autoriteit genoten.

105. Sommige geheimen kunnen een leven verwoesten als ze bekend zouden raken. Andere geheimen hebben juist de grootste destructieve kracht wanneer ze verborgen blijven. Ze kunnen een persoon langzaam verteren. De mens heeft de natuurlijke neiging om te bekennen. We denken in onze naïviteit dat een stuk van de verantwoordelijkheid, van het schuldgevoel, zal verdwijnen als we het geheim met iemand delen. Maar dat is slechts een illusie. De slechte dingen die we hebben gedaan of de slechte dingen die ons overkomen blijven aan ons hangen als een schaduw. We kunnen enkel proberen om ons erboven te zetten en te blijven leven. Maar vroeg of laat is er weer een stukje van het verleden dat ons inhaalt.

Schuldgevoel en paranoia kunnen een mens vernietigen. Misschien zal het me goed doen om mijn geheimen uit te spreken. Misschien zal het enkel ongeluk brengen. We kunnen alleen maar zien wat de toekomst brengt.

Intimiteit

117. Voor mij heeft intimiteit lang een negatieve betekenis gehad. Ik verwarde het met intimidatie. Pas later leerde ik andere vormen kennen. Ik ontdekte dat intimiteit niet noodzakelijk gelinkt is aan fysiek contact of zelfs maar aantrekkingskracht.

Het is een van die dingen waarvan we graag zeggen dat het ons menselijk maakt, maar in werkelijkheid is het iets dat veel meer op instinct vertrouwt dan op intellect. Kijk, zeggen we dan als honden op elkaar kruipen, dieren kennen geen intimiteit. Zij doen het voor het nageslacht en niets meer. Wat voelen we ons superieur, wat staan we toch ver boven andere diersoorten met onze morele waarden en ons vermogen tot liefhebben.

Maar de diepgang die we zo graag aan onszelf toekennen, de complexiteit van de menselijke geest die dieren niet bezitten, is net datgene wat ons tegenhoudt om ware intimiteit te bereiken. Waar we allemaal naar streven is een connectie met een ander persoon. Om iemand te kunnen aankijken en die persoon te zien voor wie hij werkelijk is. Iemand zonder opsmuk of rationalisaties, zonder projecties en zorgvuldig geconstrueerde maskers. Iemand in zulk licht zien kan het mooiste zijn wat je ooit zult zien in je leven, maar ook het meest angstaanjagende.

118. We hebben elkaar niet meer gezien na die ene avond en dat hoefde ook niet. Het voelt gewoon goed om te weten dat er ergens iemand rondloopt die mij heeft gezien zonder mijn masker en niet in afschuw terugdeinsde.

Waar het om draait is dat ik mezelf in hem zag en omgekeerd. Ik heb mijn verbondenheid gevonden in een naamloze, gezichtsloze man met wie ik één benevelde avond heb doorgebracht, gevuld met verhalen en grote woorden. Maar dat gevoel zou er niet meer zijn als we elkaar opnieuw hadden ontmoet.

Sommige dingen kunnen enkel in het donker ervaren worden.

Sommige dingen worden grotesk en bespottelijk in het daglicht.

Misbruik

147. Misschien was het anders geweest als iemand me in die tijd wel had opgemerkt. Iemand die me recht in de ogen had gekeken om me te zeggen dat het niet mijn schuld was. Dat dit misbruik niet mijn leven zou overnemen en dat ik ooit zou kunnen ontsnappen. Als er toen iemand was geweest die me had verteld dat ik het waard was om van te houden, had ik misschien die liefde ook kunnen beantwoorden.

Sanne Huysmans, Rafelen.

5 januari 2018

Sanne Huysmans, Rafelen

uitg. Houtekiet 2017

Alweer een nieuw Kempens schrijftalent – met veel inhoud, schoonheid en nog meer wijsheid. Sanne Huysmans durft het aan om diep te gaan in haar bevraging van de werkelijkheid tot zelfs de tussenruimte, de Japanse aida (Kimura Bin), die vrijheid biedt aan mensen die zonder verdwaasd ronddolen.

183. Een feit komt tot stand wanneer twee dingen zich op elkaar richten. Wat gebeurt is bijgevolg belangrijker dan wat bestaat. Eigenlijk geschiedt de wereld in de lucht tussen ons. Kortom: het wezen van de werkelijkheid zit in de verbindingen en niet in de materie.

Rafelen is knap geschreven, boeiend opgebouwd, soms wat ruim bemeten in metaforen maar vaker nog vol prachtig verwoorde overwegingen.

Wat een romandebuut!

Eén klein detail werd door de redactie evenwel over het hoofd gezien: ‘Een foetus van acht weken oud. Hoewel het ledematen had van amper drie centimeter lang, leek het toch alsof het haar met zijn kleine handen had losgelaten en uit haar was gestroomd.’ (169)

Een embryo van 8 weken meet hooguit 2 centimeter. Een foetus van 18 weken zou beter passen.

48. Rafelen is ontwarren, de knopen van het weven loshalen; rafelen is ook verwikkelen, de structuur van het weven weer in chaos storten. Rafelen betekent zowel eenvoudiger maken als compliceren. Ik doe dat vaak, rafelen. Tornen aan wat steek houdt, uitpluizen wat in de war is.

(…)

Rafelen is de worsteling tussen de verknoopte draad en zijn weefsel, tussen wat weg wil en wat insnoert. Het is de paradox van de vrijheid. Weg van verstikkende structuren, de zucht naar bewegingsvrijheid. Vrijheid als bevrijding, ongebondenheid en zelfzucht. Maar tegelijkertijd krijgt de draad pas zin in het geheel van het tapijt. Vrijheid in de andere betekenis van naastheid, verbondenheid en zorg. Het is allebei waar.

92. Het leven is niet gemaakt omwille van het gemak. Iedereen moet pogen het spiegelbeeld van zijn ouders stuk te slaan en zichzelf te vinden in de scherven.

213. D. Frenkel Order through entropy.

In de systemen die de onderzoekers bestudeerden, hadden zich uit zichzelf kristallen gevormd, die de orde van de systemen deden stijgen. De wetenschappers stelden vast dat de atomen binnen de structuur van het kristal meer vrijheid hebben: ze hebben een groter volume ter beschikking. De bewegingsruimte van de individuele partikels blijkt groter in verbinding dan in afzondering. Op dezelfde manier zouden de draden van een tapijt vrijer zijn dan de draden die eenzaam en uiteengerafeld in de marge blijven liggen.

En ook een mens heeft meer vrijheid om zichzelf te zijn in het spinnenweb van zijn relaties dan in eenzame, autonome ongebondenheid.

Ype de Boer, Murakami en het gespleten leven.

3 januari 2018

Ype de Boer, Murakami en het gespleten leven.

uitg. Amsterdam university Press

Een bijzondere studie van het werk van de Japanse auteur Haruki Murakami die niet alleen Japans nationale neurose en gespletenheid analyseert, maar ook voor vergelijkbare problemen in het westen, vooral in de komende decennia, een antwoord formuleert.

Ype de Boer laat zien dat Murakami’s verhalen ons iets kunnen leren over een fundamentele gespletenheid in het menselijk bestaan. Deze originele bespreking van Murakami’s alledaagse helden, magische figuren en droomachtige sferen nodigt uit om Murakami’s fictie op het eigen leven te betrekken, en werpt nieuw licht op thema’s als identiteit, verantwoordelijkheid, zelfkennis, verbeelding, liefde, vrijheid en lot. 

Ype de Boer heeft de taak op zich genomen uit het labyrintische oeuvre van de Japanner een ware levenskunstfilosofie te halen. Verplichte kost voor wie denkt dat het leven om harmonie, gemoedsrust en innerlijke stabiliteit draait. Murakami en vooral De Boer laten zien dat het om iets heel anders gaat: de bereidheid je gespletenheid en veranderbaarheid te accepteren.’ – René ten Bos, Denker des Vaderlands 

 

189. Op basis van een verdiepende lezing van de ontwikkeling die Murakami’s personages doormaken, heeft dit boek willen laten zien dat zijn verhalen over gespleten levens een fundamenteel aspect van het menselijk bestaan tot uitdrukking brengen. Het algemene beginpunt van zijn fictie en de toestand waarin zijn protagonisten zich bevinden, is geduid als een situatie van geïdealiseerde alledaagsheid. Niet alleen begrijpen de personages zichzelf als gewone, saaie mensen en leiden ze een ingekaderd en geroutineerd bestaan, het is ook precies in die alledaagsheid dat ze het: ideale leven zoeken. Het levert hun onafhankelijkheid, overzichtelijkheid en stabiliteit op. De keerzijde van hun zelfbehoud is de eenzaamheid, leegte en onverschilligheid die hun bij tijd en wijle ten deel valt.

Maar dan overkomt hun iets – een ontmoeting, een overlijden, een droom — wat van hen vraagt de grenzen van hun alledaagse bestaan te overschrijden. Ze merken dat er naast hun alledaagse leefwereld nog een andere bestaat en dat er ondervoede en onverkende verlangens in hen leven: ze ervaren de gespletenheid van hun bestaan. Opeens staan ze tegenover hun schaduw, hun spiegelbeeld (…) gedesoriënteerd en verward.

193. Als het klopt dat Iiefde van de mens vraagt zich over te geven aan een transformatief proces, dan betekent het zich laten bewegen door het leven in Murakami zoiets als het verliefd worden op het leven zelf, een steeds opnieuw bewogen worden door wat het leven biedt, het vormen en erdoor gevormd worden.Op die manier creëert de dynamiek die iedere ervaring van de grens tussen bekend en onbekend teweegbrengt het leven steeds opnieuw, wordt de mens zelf steeds opnieuw geboren. Dit leven op de grens betreft een levenshouding die zich kenmerkt door Iiefde, metamorfose, de grootste gevoeligheid voor de dynamiek van het eigen bestaan en de ontvankelijkheid voor anderen. Elk leven is in die zin potentieel een avontuur, onafhankelijk van de bijzonderheid van de gebeurtenissen erin. En dit avontuur, deze houding, is tegelijkertijd een levenskunst.

Vanuit dat oogpunt heeft het ook geen zin om te spreken over het gespleten leven in termen van harmonie. De levenskunst die in Murakami’s fictie op het spoor gekomen is, heeft niet zozeer te maken met het in balans brengen van deze krachten en de scheiding tussen eigen en vreemd zogezegd in het midden te stabiliseren. Uiteindelijk draait deze levenskunst niet om gemoedsrust. Want absolute harmonie en onverstoordare gemoedsrust kunnen verstenen en omslaan in apathie. De erkenning van de eigen gespletenheid betekent niet de stabilisatie ervan, Het betekent de vitalisatie ervan. Het is precies de dynamiek die gespletenheid oplevert, het oneindige heen en weer tussen krachten, die in deze lezing van Murakami een positieve waardering heeft gekregen. Onbalans, vervreemding en desoriëntatie bergen altijd een transformatieve mogelijkheid in zich. De gespletenheid, veranderlijkheid en bewogenheid van het menselijk bestaan zijn geen problemen waarvoor we onszelf in bescherming moeten nemen. Wat Murakani’s fictie ons leert, is dat de gespletenheid van het menselijk bestaan de voorwaarde vormt voor menselijke ontwikkeling, zelfkennis, liefde, verantwoordelijkheid, vrijheid en lotsbestemming. Op geen van deze zaken bezitten we enig ‘recht’, geen van deze zaken kunnen we claimen of bezitten, maar we kunnen ons wel zodanig tot het leven verhouden omdat ze mogelijk worden. Daarin bestaat de kunst van het gespleten leven.

109. De duidelijkste woordvoerder van dergelijke theorie in Murakami’s fictie, is de professor uit Hard-boiled Wonderland.

Na een bepaalde Ieeftijd — volgens onze berekeningen is dat achtentwintig jaar – ondergaan mensen zelden nog wijzigingen in de globale configuratie van hun bewustzijn. Wat gewoonlijk zelfontplooiing of bewuste verandering wordt genoemd laat nauwelijks een krasje achter in het oppervlak. (Hard-boiled Wonderland, 117)

In plaats van zichzelf te willen veranderen, doet de mens er vanuit dit perspectief beter aan de grenzen en contouren van de eigen identiteit te leren kennen en respecteren. Zelfreflectie heeft dan vooral te maken met erachter komen wie men is, en niet met verandering.

Tegelijkertijd echter, leven we in een tijd waarin de oproep tot ‘bewuste verandering’ steeds breder vertegenwoordigd wordt. En ook deze oproep is in Murakami’s fictie sterk aanwezig.

De fiiosofie~student Haida uit De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren verwoordt dit ideaal als volgt:

Alles in het leven is omgeven door een lijst, en met het denken is het al niet anders gesteld. Je hoeft voor zulke lijsten niet bang te zijn, maar je moet ook niet bang zijn om ze te doorbreken. Dat is het allerbelangrijkste voor een mens als hij vrij wil zijn: dat hij de lijsten respecteert en haat. AI het overige in een mensenleven is van secundair belang. (De kleurloze Tsukuru Tazaki, 71)

113. Het doel van deze verwerking is echter niet reconstructie en acceptatie van het verleden, zoals de psychoanalyse dat wil, maar deconstructie en afscheid. Niet verzoening met de eigen identiteit, maar bevrijding ervan. Daar waar psychoanalytische en neurologische theorieën de oplossing zien in het stabiliseren van de identiteit veranderen deze oplossingen in Murakami’s fictie in obstakels op de weg van zelftransformatie.

In de verhouding van de personages tot hun zelfbeelden komt een gespletenheid aan het licht, een ruimte tussen de mens en zijn beelden: dat is de ruimte van vrijheid.

 

 

Ivan Wolffers, Broer van God.

14 december 2017

Ivan Wolffers, Broer van God.

Uitg. De Arbeiderspers 2017

Ik beken graag dat ik van Ivan Wolffers veel heb geleerd. Net alleen van zijn legendarische kritische jaarboeken over Medicijnen, lang voor dit genre in België te vinden was, maar ook van zijn artikels over medische antropologie.

Na al die jaren is het dan ook niet echt verrassend om in ‘Broer van God’ de ontwikkelingen van de rol van de dokter-arts intens geanalyseerd te zien. Wolffers nieuwste roman is een geraffineerd geconstrueerd verhaal met zeer veel aandacht voor de verhoudingen tussen artsen als collega’s, partners en geliefden die elkaar in spanning houden terwijl het professionele en relationele leven voorbijraast.

Ook al worden de protagonisten bij wijle wat clichématig neergezet, dit boek kan je ook lezen als een handboek voor jonge artsen en paramedici. Over hoe artsen werden opgeleid om als een broer van god te leren werken en er dan ook naar neigen om zich als dusdanig te gedragen: hubris, de grootste zonde voor psychotherapeuten en hulpverleners die zich verlustigen in de spiegelende pupil van hun cliënt, voor de arts die gedijt bij het helen van de angst die hij verspreidt.

‘Broer van God’ is met veel tederheid geschreven en heeft aandacht voor vele types van artsen, sterke vrouwen en vallende mannen.

336. ‘Dat hij geneeskunde had moeten studeren, zich had moeten specialiseren en jaren had moeten praktiseren, was om uiteindelijk dat te leren: gezondheid begint met trots zijn op jezelf, dat je niet opgesloten zit in de kooi van het beeld dat mannen voor je gebouwd hebben, waar andere vrouwen je graag willen houden omdat ze er niet alleen willen zitten, waar de dokter komt met zijn bloeddrukmeter, stethoscoop en een lijstje vragen die hij moet stellen, waardoor er geen tijd overblijft om te luisteren en vervolgens vaststelt dat je ziek bent, ongeneeslijk vrouw.’

Lees verder »

« Vorige berichten