knee compression sleeve

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Louis Van Dievel, Het Gewemel – stationsroman.

18 maart 2013

Louis Van Dievel, Het Gewemel – stationsroman. Uitgeverij Vrijdag Antwerpen 2013. 

Louis Van Dievel heeft als auteur iets van Leo Pleysier, naar beeld en klank met een fijngevoelig oor voor woorden en intonaties bij menselijke interactie.

Bij Van Dievel is de ruis op de achtergrond van het leven in zijn negende roman ‘Het Gewemel’ die van een spoorwegstation, meer bepaald dat van Mechelen. Tussen Brussel en Heide.

Op de voorgrond proef je zijn liefde voor het woord van de gewone man en vrouw en hoe ze met elkaar, hun werk, hun leven, hun wereld proberen klaar te komen.

Hij bouwt daartoe met de traagheid van rangerende treinen een plot op die onafwendbaar uit het gewemel opdoemt nu eens razend versnellend met een bulderende lach, dan weer besmuikt en luchtig voorbij denderend. Hij leert de lezer ervan te genieten hoe je medereizigers de biecht afneemt of laat afnemen en hoe ze zonder absolutie verder moeten: de biechtvader van de kleine luiden, de Franciscus van Neckerspoel en Heide.

Je ziet het glinsteren van de natte sporen in de lage zon op het enorme rangeerstation van het leven. En je weet als reiziger nauwelijks welke trein op welk spoor zal verschijnen. Een dagelijkse bron van spanning en twijfel voor veel pendelaars, niet alleen in de eerste maanden van 2013.

De auteur van ‘Het Gewemel’ houdt de cadans van al zijn personages op het ritme van den ijzerenweg dat onweerstaanbaar en overweldigend het leven van de pendelaars bepaalt. Allemaal hebben ze met elkaar te maken en allemaal kruisen ze mekaar op de wissels van de sporen.

‘Het Gewemel’ is bij mijn weten een van de eerste Nederlandstalige stationsromans die zich afspeelt op, onder, boven en naast de sporen.

Als motto draagt Het Gewemel een citaat van de Duitse arts, psychiater en schrijver Alfred Döblin uit Berlijn Alexanderplatz: ‘Het leven is van ijzer, als een stoomwals komt het zwaar en langzaam dreigend op ons toe. Daar helpt geen weglopen aan, daar komt het al, daar is het al vlakbij.(...) Daar nadert het en niemand kan eraan ontkomen. Hoort die machine bonzen en stampen. Als het straks weer licht wordt, zullen we zien wat er overgebleven is.’

Siegfried Bracke had het in zijn feestelijke voorstelling over de titel: ‘ Deze roman heeft als titel Het Gewemel. Dat woord ‘gewemel’ is een van onze mooiste Nederlandse woorden. Men weet naar verluidt niet waar dat woord precies vandaan komt, maar interessant is dat het een zogeheten frequentatief is van wemen, wat kwetsen betekent. Ik kom hier nog op terug. Gewemel, dames en heren, is wat God ziet als hij naar de mensen kijkt. En omdat elke schrijver per definitie God is in zijn eigen roman, én omdat wij allemaal God zijn in het diepste van onze gedachten, weten wij wat het is, Gewemel. Het is hoe wij de anderen zien. Mensen op, door, in, over, naast, met elkaar. Bij Louis Van Dievel is dat het station. Een van de personages zegt het letterlijk: ‘Dat is zo met een station, daar is altijd gewemel.’ Het stationsgewemel als metafoor van het algemeen Gewemel. Daarover gaat Het Gewemel.”

Het spreekt voor zich dat Het Gewemel voor de NMBS zeer zinvol kan dienen als genoegdoening aan haar klanten en personeel voor de zoveelste afgelasting of vertraging van treinen: ‘Ik had Isolde opgegeven, daar kwam het op neer. Alles slijt, ook het verdriet, ook de liefde.’  

Reacties graag naar mailadres.