Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Paul Claes, De haas en de regenboog.

14 september 2016

Paul Claes, De haas en de regenboog.

uitg. De Bezie Bij 2016

Tegen het einde van de negentiende eeuw verbleven de revolutionaire Franse dichters Arthur Rimbaud en Paul Verlaine in Londen. Gevlucht voor het oproer dat ontstond na het neerslaan van de Commune van Parijs in 1871, waren ze op zoek naar een nieuw leven, een nieuwe liefde en een nieuwe poëzie. In Engeland beleven Rimbaud en Verlaine de hoogtepunten van hun stormachtige en noodlottige affaire, maar ze groeien er ook langzaam uit elkaar, verteerd door schuld en ambitie.

In De haas en de regenboog laat Paul Claes een nieuw licht schijnen op deze ophefmakende romance. In een kleurrijke, van speelsheid doordrenkte taal schetst hij een historisch beeld van een mislukte politieke, literaire en persoonlijke revolutie. Deze roman is, naast een waarheidsgetrouw verslag van het seizoen in de hel, een prachtige vertelling over de dieptes van de literatuur en de liefde.


Dit is een vermetel boek over spanning en lust tussen twee heren – Paul Verlaine, 29 jaar, gehuwd, vader en 10 jaar ouder dan Arthur Rimbaud – beiden kinderen van hun moeders.

Het loopt behoorlijk uit de hand met twee schoten waarmee de dichter  Verlaine zijn vriend Arthur neerschiet in Brussel op 10 juli 1873. Het politieverslag van hun ruzie wordt bewaard in het Archief van de Stad Brussel.

Het verhaal eindigt met een indrukwekkend slot.

Een jaar later zou Arthur Rimbaud voor altijd zwijgen en zijn zwerftocht beginnen door Europa tot voorbij de hoorn van Afrika.

 

183. Door het portierraampje kroop de ochtendklaarte naar binnen. Op een onbebouwd veld zag hij opeens een schim. Het was een haas die daar overeind zat: met opgeheven voorpoten aanbad het dier de opgaande zon. De kleuren van de opkomende dag volgden elkaar op als de klinkers in dat sonnet dat evenveel lof als spot had geoogst: zwart, wit, rood, groen, blauw. Ooit zou hij het raadsel onthullen waarvan hij alleen de sleutel bezat: was de dichter niet de zoon van de Zon?

184. Nu wist hij beter: hij was niet gemaakt voor blijvend geluk. Hij moest als een haas door blijven rennen en de zon achtervolgen tot achter de horizon.

187. Opeens begreep hij hoe de metamorfosen van de natuur aan de oorsprong lagen van elke menselijke fantasie. Nergens waren er duizelingwekkender vormen te zien dan in de golven van de zee, nergens waren er ongehoorder beelden te bewonderen dan in de wolken aan de hemel. Elk beeld kon veranderen in gelijk welk ander beeld, iedere vorm was de vorm van een andere vorm. Het inzicht dat alles symbool kon staan voor alles was de toversleutel van de verbeelding.

Sidderend besefte hij dat hij het ultieme geheim van de poëzie had ontdekt. Dichten was niets anders dan anders zien. Ons geestesoog was in staat een andere werkelijkheid te scheppen: een nieuwe wereld die wonderlijker was dan de wereld van altijd. Nu pas verstond hij zijn eigen formule: ‘Wij moeten absoluut modern zijn.’ Een kunstenaar die de wereld afbeeldde, weerspiegelde alleen het vanouds bekende. Een kunstenaar die de wereld verbeeldde, kon kiezen uit een oneindig gamma van mogelijkheden. Hij was een alchemist die iedere droom waar kon maken, zelfs de onmogelijke droom van de osmose van alles in de Liefde.

Reacties graag naar mailadres.