Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Luckas Vander Taelen, De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitische fundamentalisme?

26 februari 2018

Luckas Vander Taelen, De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitische fundamentalisme? Uitg. Houtekiet 2016


 

106. ‘We hebben een luxeprobleem: we zijn verwend door jaren van vrede, zelfs de koude oorlog is in het beste geval nog een verre herinnering. We zijn vergeten dat er altijd gewelddadige conflicten zullen zijn en dat niet alles op te lossen is met een goed gesprek. Onze verblinding is zo groot dat we het Kwade niet herkennen, zelfs als het door Parijs, Beiroet of Bamako dwaalt en de lijken van onze vrienden in de straten liggen. We weten niet meer hoe we op geweld moeten reageren, we willen geen oorlog, we geven ons nog liever over. De ontreddering is totaal: theaterregisseur Luc Perceval vroeg zich meteen na de aanslagen op Radio 1 af of we niet beter met IS zouden gaan onderhandelen. Waarover, vraag ik me dan af? Over onze totale onderwerping aan een krankzinnige, moorddadige ideologie? Daarover ging Soumission, de helaas visionaire roman die Michel Houllebecq net na de aanslagen op Charlie Hebdo uitbracht.
Op planetaire schaal is de islam aan een spectaculaire uitbreiding bezig die heel vaak met geweld tegen andersdenkenden gepaard gaat. Dat radicalisme spreekt ook bij ons jongeren aan die in een marginale situatie terecht zijn gekomen. Bewegingen zoals Sharia4Belgium maakten daar op een ‘perverse manier misbruik van, door hen te rekruteren voor een heilige oorlog. In die context hoeft het niet te verbazen dat de modale Belg enige bedenkingen heeft bij de opkomst van een godsdienst die hier een halve eeuw geleden nauwelijks bekend was.
13 november was een mokerslag voor vele ideologische zekerheden. De verpletterende stilte van links nu, is tekenend voor de ontreddering van het zelf opgelegde correcte denken, dat de tekens van het groeiende fundamentalisme niet wou zien, uit angst beschuldigd te worden van islamofobie. En er een haast principieel schuldgevoel op nahield dat alle onheil in de wereld aan westerse interventies, kolonialisme en imperialisme toeschreef.
‘De vertrouwde en geruststellende antwoorden op complexe vragen waren even leeg als voorspelbaar. De islamitische allochtonen waren voor links het nieuwe proletariaat; de sluipende, nefaste impact van een fanatieke religie werd genegeerd of in het beste geval geminimaliseerd. Voor elke Syriëstrijder zocht men een excuus van sociale achterstelling, dat ook het alibi werd voor het baldadig geweld van straatbendes. De schrijnende verdrukking van islamitische vrouwen werd goedgepraat vanuit een principieel cultuurrelativisme, dat de universele waarden van de verlichting reserveerde voor de autochtone bevolking en ontzegde aan allochtonen.
Nooit zou men mogen vergeten dat de geschiedenis een opeenvolging is van conflictsituaties over normen en de waarden. Die staan niet in steen gebeiteld en wettelijke kaders kunnen de maatschappelijke druk tot verandering niet tegenhouden. Het is bijzonder belangrijk dit te beseffen: waarden waarvoor soms decennia lang gestreden is en die wij als evidenties beschouwen, kunnen door nieuwe groepen in vraag gesteld worden. Scheiding tussen Kerk en staat, religieuze vrijheid en de vrijheid om zich publiekelijk af te zetten tegen godsdienst, gelijkheid tussen man en vrouw, respect voor holebi’s, enzovoort: het zijn verworvenheden van een lange emancipatorische strijd. Het is geen uiting van racisme of xenofobie om daaraan te herinneren en ‘van nieuwkomers te verwachten dat ze zich aan die ‘normen en waarden’ aanpassen. Pas als men dat niet doet en stelt dat migranten er hun eigen waardenpatroon op na kunnen houden, geeft men blijk van een racistische instelling: alsof de waarden die wij belangrijk vinden voor onszelf, niet zouden gelden voor mensen die van elders komen.

 

 

 

6. ‘In de westerse wereld, met de scheiding tussen Kerk en staat, is de invloed van de christelijke godsdiensten sterk verminderd. Wij weten dan ook niet meer hoe om te gaan met een godsdienst die net meer invloed wil en niet wil weten van een scheiding tussen wereldlijke en geestelijke macht. Lange tijd is deze duistere fundamentalistische dreiging onderschat en gerelativeerd. Vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum zorgde het religieuze geweld voor veel verwarring. Traditioneel had links met veel vuur de multiculturele samenleving verdedigd en dat engagement maakte het links soms heel moeilijk om op een ondubbelzinnige manier te reageren op fundamentalistische religieuze eisen die afkomstig waren van nieuwkomers.
Hoe positief de decennialange vrede in de westerse wereld ook was, ze had een negatief gevolg: we hebben het bijzonder moeilijk om een gewelddadige verstoring van onze maatschappij juist in te schatten. Dat er perfide krachten bestaan die er op uit zijn om ons te vernietigen: we zien het liever niet. Net zoals sommige goed menende pacifisten niet wilden geloven dat de nazi’s er op uit waren de wereld te domineren. Dat soort van goedgelovigheid wordt in de context van het oprukkende islamisme vaak versterkt door een onbepaald schuldgevoel ‘wat het Westen machteloos maakt tegen tegenstanders die absoluut niet lijden onder een vergelijkbare emotie. Nazi’s of islamitische fundamentalisten kennen enkel hun eigen gelijk en hun obsessie om andersdenkenden of ongelovigen uit te schakelen. Wie zich tegenover een dergelijke dreiging aarzelend opstelt en zich verliest in zelfkastijding, is op voorhand verloren.’

8.’Het beeld van de islam veranderde echter radicaal na de transformatie van Iran in een islamitische staat eind jaren zeventig. Dat was het begin van een sluipende godsdienstoorlog die bijna een halve eeuw later stilaan naar zijn hoogtepunt lijkt te gaan.
Het lijkt wel alsof het Westen machteloos staat tegen de kracht van de radicale islam, omdat het door de naïviteit en het keurslijf van het ideologisch politiek-correcte denken het probleem van een intolerant religieus imperialisme zelfs niet wil benoemen, laat staan er tegen strijden. De bedreiging door het fundamentalisme gebeurt echter niet altijd door bloedige aanslagen. Het is vooral een langzaam proces van infiltratie. Trage en kleine pasjes op weg naar de overwinning van een radicale godsdienst. Door de zelf opgelegde verblinding kon en wou de linkerzijde niet zien hoe radicale islamieten met steeds minder schroom belangrijke verworvenheden als de gelijkheid tussen man en vrouw of de scheiding tussen Kerk en staat terug willen draaien. Wie op deze gevaarlijke tendens wees, werd als een kortzichtige racist weggehoond.’

61. ‘Maar met de huidige vluchtelingencrisis wordt de aloude achilleshiel van links weer zichtbaar: de neiging om ideologische principes voorrang te geven op de door de burgers beleefde realiteit. Dat probleem heeft de N-VA niet, en de partij neemt zo met brio de rol over van het vroegere Blok, zonder racistische ondertoon evenwel, als populistisch klankbord voor begrijpelijke angsten die leven bij de bevolking.’

63. ‘De moeilijkheid die linkse partijen lange tijd hadden om een probleem als veiligheid te benoemen, vindt zijn oorsprong bij de 19de-eeuwse marxistische analyse dat de burgerij zich bedient van een ‘repressieapparaat’ om de arbeidersklasse te onderdrukken. Tot vandaag zijn vooral extreemlinks maar ook delen van Franstalige centrumpartijen nog onder de invloed van dit soort denkbeelden. In dit ideologische denken is het proletariaat van toen vervangen door een nieuwe verdrukte klasse, de allochtonen. Ook al is die groep bijzonder heterogeen en ook al speelt in tegenstelling tot vroeger religie een bijzonder grote rol, toch blijft links bijna pavloviaans de kant kiezen van wat het ziet als ‘onderdrukten’. Die hebben altijd het voordeel van de twijfel, terwijl de ordehandhavers steeds kritisch worden bekeken.’

65. ‘Fourest gelooft dat het strenge denkkader van het fundamentalisme aanleunt bij de marxistisch-leninistische rigiditeit van revolutionaire bewegingen waarin sommige linkse denkers politiek opgegroeid zijn en waarvan ze de sporen blijven dragen. Beide ideologieën hebben gemeen dat ze simplistische analyses maken van grote problemen. Fundamentalisten geloven dat bekering tot het juiste geloof voor een betere wereld zal zorgen. Extreemlinksen zien alle maatschappelijke tegenstellingen als een uiting van de klassenstrijd tussen onderdrukkers en onderdrukten. Dus kan het Brussels geweld enkel verklaard worden in dit soort termen en is alles wat naar politie ruikt deel van het repressieapparaat van de vermaledijde bourgeoisie. Ik denk dat dergelijke analyses in 2016 enigszins achterhaald zijn.’

79. ‘In het Franse Brest vertelde een imam in het begin van dit jaar aan een publiek van heel jonge kinderen (van wie de meisjes bijna allemaal gesluierd waren) dat muziek het werk is van Satan en dat wie er naar luistert in een varken of een aap zou veranderen. De imam ziet er absoluut niet uit als een oude gek, maar hij vertelt zijn krankzinnige boodschap met veel overtuiging en laat de kinderen herhalen wat er gaat gebeuren als ze naar muziek blijven luisteren. Dit is geen doorgeslagen fanatiekeling van IS en het gebeurt niet in het islamitisch kalifaat, maar wel in Frankrijk in 2016.
Het is een situatie waar dringend over gepraat moet worden, want in het Brussels gewest beschouwt volgens een recente enquête van Le Soir 23 procent van de inwoners zichzelf als moslim. Indrukwekkend is dat bijna 80 procent van die groep praktiserend is en dat de geloofsbeleving sterker is bij de jongeren dan bij hun ouders en grootouders. In drie Brusselse gemeenten (Sint-Joost, Molenbeek en Schaarbeek) ligt het percentage moslims rond de 40. Eén derde van de Brusselse jongeren heeft een moslimachtergrond.’

94. ‘Nooit eerder hebben wij restaurants gehad die hun bereidingen aanpasten aan religieuze dictaten. Behalve Joodse koosjerrestaurants, maar hun aantal is beperkt en vooral: het fenomeen neemt niet toe en beperkt zich tot een paar wijken in het Antwerpse. Zelfs in duistere tijden, toen het gewicht van het katholieke geloof in onze streken nog verpletterend was, zijn er nooit restaurants geweest die fier op hun vitrine hun geloofsaanhang etaleerden en hun spijskaart aanpasten aan religieuze eisen. Verder dan de obligate vrijdagse visschotel is het nooit gegaan, zelfs in het katholieke Vlaanderen. Dat zou ook nooit getolereerd zijn, omdat zelfs de meest overtuigde gelovigen een dergelijke verregaande inmenging van de godsdienst in het privéleven onaanvaardbaar achtten. Maar op de hoek van mijn straat in Vorst is nu zelfs een slager die zichzelf openlijk als ‘Boucherie Islamique’ etaleert. Terwijl vroeger eerder kwaliteitsargumenten zouden aangevoerd worden, prijkt nu een religieuze aanprijzing. Niemand lijkt daar nog aanstoot aan te nemen; de infiltratie van de godsdienst wordt stilzwijgend getolereerd. Als het om de islam gaat uiteraard, want ik ben er zeker van dat er meer verontwaardiging zou zijn als de Vlaamse bakker in mijn buurt zijn winkel een ‘christelijke bakkerij’ zou hebben genoemd.’

96. ‘Een hoofddoek is vooral een symbool waarmee de draagster aangeeft dat ze het islamitische geloof aanhangt. Maar het is meer dan dat: het is in de eerste plaats een teken dat de vrouw de religieuze voorschriften van de islam over de omgang met wie niet tot hetzelfde geloof behoort volgt. Zo geeft een jonge, ongehuwde vrouw die een hoofddoek draagt, te kennen dat ze zich voorbehoudt voor een man van hetzelfde geloof. Want de islam laat geen gemengde huwelijken toe.’

106. Verlichtingswaarden kunnen niet anders dan universeel zijn: als men bijvoorbeeld pleit voor een gelijke justitie voor iedereen, dan kan men onmogelijk een parallelle rechtspraak dulden. Als men van oordeel is dat godsdienstkritiek een essentieel onderdeel is van de vrijheid van denken, kan men daarop geen uitzonderingen toestaan. Net zomin als men bijvoorbeeld kan tolereren dat onze wetten voor dierenwelzijn om religieuze redenen niet toegepast moeten worden. Het is vooral het meningsverschil over de plaats van de religie in de samenleving en religieuze opvattingen over gender en seksualiteit die voor spanningen zorgen. In Frankrijk kwam dit in 2014 volop naar boven: tegen een leerprogramma in de scholen over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen had zich een merkwaardig front gevormd tussen extreemrechtse traditionalisten én islamitische fundamentalisten. Dan duikt de vraag weer op tot ‘redelijke aanpassingen’, eufemisme voor waarden à la carte. Maar dat leidt ‘altijd tot een aantasting van de universaliteit van vrijheden.
Een waarden- en normenpatroon met twee snelheden is een contradictie. Dat betekent allerminst dat assimilatie en uitvlakken van verschillen het uiteindelijke doel moet zijn. Integendeel: het is perfect mogelijk de eigen culturele specificiteit te behouden, terwijl men toch een algemeen waardenkader aanvaardt dat voor iedereen geldt. Daaraan moeten uiteindelijk alle culturele eigenheden wel getoetst worden: als men dat niet doet, dan heeft men geen argument om barbaarse gewoonten zoals vrouwenbesnijdenis af te wijzen. Dat is net het gevaar van cultuurrelativisme, dat in geen geval zijn waarden aan een andere groep wil opdringen, uit angst om van etnocentrisme beschuldigd te worden.
Net het tegenovergestelde moet gebeuren: in de scholen moet de geschiedenis verteld worden die geleid heeft tot onze pluralistische samenleving, die steunt op universele waarden die ons lief zijn. Er moet worden uitgelegd dat godsdienst een private beleving is en geen regels mag opleggen aan het openbare leven. Vele jongeren weten nu zelfs niet wat dat juist betekent, de scheiding tussen Kerk en staat. Hen moet worden duidelijk gemaakt dat een kerkelijke rechtspraak zoals de sharia in ons rechtssysteem niet kan bestaan, omdat ons land geen theocratische staat is. Van in de laagste klassen moet men het hebben over de gelijkheid tussen man en vrouw.
Maar het is niet omdat men het meer over die beginselen van onze democratie moet hebben, dat men geen aandacht zou hebben voor de diversiteit van de schoolbevolking in 2016. Het is net even noodzakelijk om de culturele achtergrond van alle kinderen deel te laten worden van het lessenpakket. Het onderwijs moet een combinatie zijn van die twee assen: de historische fundamenten van onze samenleving én het respect voor de diversiteit.
Tegelijk is een grote inzet nodig op het lokale niveau. Repressie kan niet het enige antwoord zijn. In gemeenten als Molenbeek moet massaal worden ingezet op de plaatselijke verenigingen om jongeren te bereiken. Men moet hen tonen dat er een alternatief is voor het radicalisme en hen betrekken in projecten die tolerantie en pluralisme bevorderen. Jongeren hebben behoefte aan opvoeding en duiding; hen een kader aanbieden waarin ze zich kunnen ontplooien en de complexiteit van de wereld begrijpen is een essentiële voorwaarde om hen te laten opgroeien tot geïntegreerde burgers. En laat ons hen ook duidelijk maken dat ze hun godsdienst op een andere manier kunnen beleven dan via wat hen verteld wordt door gevaarlijke virtuele predikanten.
Een realistische inschatting van de fundamentalistische bedreiging hoeft dus niet noodzakelijk tot pessimisme te leiden.’

Reacties graag naar mailadres.