Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Bert Keizer, Reis om de dood.

28 januari 2020

Bert Keizer, Reis om de dood.

uitg Prometheus 2019


Emil Cioran (Roemeens-Franse filosoof)


‘De dood is een beloning voor al diegenen die het tot niets hebben gebracht, tot niets wilden brengen… Hij stelt hun in het gelijk, hij is hun triomf. Maar voor de anderen, voor al diegenen die zich hebben uitgesloofd om te slagen in dit leven en die dat ook bereikt hebben – wat een klap in hun gezicht!’



43. ‘Voor hij begon met repareren nam hij de omgeving in zich op:

de tuinen, het weiland, de huizen aan de zoom,

het bos, de paarden die op stal wilden,

en dacht na over wie hier vóór hem zaten. Hoe spraken zij

in zichzelf, zo hoog? En hoe zag de hemel er die dag uit?

Helder? Zwanger van komend noodweer?

Nagel in zijn mond vroeg hij zich af of ook zij het verlangen

hadden gekend een bericht achter te laten voordat

zij begonnen met het bedekken van het dak.

Een regel gekrast in lood.

Ze zagen hetzelfde als hij, werkten met hetzelfde

materiaal en gereedschap: nagels, leien,

een zaag, een hamer.

Over tien jaar is hij dood.

Niet lang daarna zal iemand de trap beklimmen, zijn onleesbare

tekst vinden en bij het afdalen

onverklaarbaar geluk ervaren.

Getroost door een leven dat schonk

wat het zelf ook niet bezat, als

in het wonder van onze lege handen.

Uit: Wim Brands,  ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014).

47. ‘Denken over de dood?Denken is dansen met je verstand. Op de melodie van de wereld. Daarom is denken over de dood zo moeilijk. Omdat het orkest dan zwijgt.’

52. ‘Dokter en dood?Een van de opvallendste aspecten van de klinische demonstraties tijdens medische colleges was de volstrekt samenhangende wijze waarop de klacht, de diagnostiek, de diagnose en de therapie in een keurig rijtje voorbijmarcheerden. In deze colleges werd ons een gang van zaken voorgespiegeld waarin eigenlijk nauwelijks vragen overbleven. Ik denk dat niets zo vergiftigend is voor jonge slimme geesten als de mythe die hier overhandigd werd. Het ging om de (overigens niet onaantrekkelijke) suggestie dat een wetenschappelijke analyse van de gebeurtenissen in ons lichaam ons in staat stelt het noodlot te keren. Het verwarrende is dat dit soms inderdaad het geval is, maar in de meeste gevallen niet, en uiteindelijk in alle gevallen niet. Het sterftepercentage van de mens is nog steeds 100 procent.

Ik zeg ‘vergiftigend’ omdat deze kennis de houding van de toekomstige arts verpest, die denkt dat biochemische supervisie een adequate vorm is van noodlotsbesturing en die vergeet dat een zieke niet alleen in elektrolyten of neuroreceptorbindingsprofielen uiteenvalt, maar dat hij ook een mens in nood is met een kind, of die een kus nodig heeft.

Ik wil u wel een voorbeeld geven.

Niet zo lang geleden zat een dierbare collega van mij tegenover ‘de internist. Zij vertelde hem dat hij een pancreascarcinoom (alvleesklierkanker) in een vergevorderd stadium had. Na drie maanden van onbegrepen ellende was de diagnose rond, volgend op een geleide punctie uit de alvleesklier. Haar tweede mededeling was: u kunt naar huis. Hij keek haar ontzet aan en zei: ‘Maar mevrouw, ik kan niet eens meer op mijn benen staan.’ Voor haar was het probleem opgelost. Ze wist nu wat het was. Wittgenstein klaagde herhaaldelijk over deze stompzinnige aanbidding van wetenschappelijk gefundeerde analyse.

Ik citeer uit de Tractatus:

 

‘6.371

De hele moderne wereldbeschouwing berust op de dwaling dat de zogenaamde natuurwetten de verklaring van de natuurverschijnselen zijn.

6.372

Dus blijven sommigen bij de natuurwetten staan als bij iets onaantastbaars, zoals mensen vroeger bij God en Noodlot.

En beide groepen hebben gelijk en ongelijk. De Ouden zijn weliswaar in zoverre duidelijker dat ze een duidelijke begrenzing erkennen, terwijl het bij het nieuwe systeem moet lijken dat alles verklaard is.

‘Wat die afsluiting betreft: ik denk dat hij wil zeggen dat de Ouden beseften dat ze niet alles begrepen.

Voor de internist is de hele zaak duidelijk (in haar jargon): pancreaskopcarcinoom, met cholestatische icterus en meta’s in de vrije buikholte, resulterend in ascites. Prognose? Maand misschien, of twee maanden. Alles verklaard.

Maar wat moet ze dán zeggen?

Nou, ‘ik blijf bij u’ was mooi geweest. Maar ach, al zou ze het willen, dan nog zou heel het ziekenhuis steigeren bij een dergelijk voornemen.’

173. ‘Opium en William Osler.?De spannendste periode in de medische geschiedenis, vind ik tenminste, is de tijd tussen 1850 en 1920, waarin geneeskunde langzaam wakker wordt en oprijst uit de eeuwenlange nachtmerrie van talgkruid, mosterdpleisters, piskijken, kamferinjecties, clisteerspuiten en bovenal het vervloekte aderlaten. Voor mij is William Osler (1849-1919) een van de meest bewonderenswaardige artsen uit die overgangsjaren toen medische kennis nog niet zo eenduidig was te vertalen in medisch handelen. Hij was daarbij een uiterst beminnelijk man die het medische bedrijf niet alleen met een scherpe maar ook met een humorvolle blik bekeek. Zijn dappere scepsis over de toenmalige farmacopee sprak uit de bewering: ‘The first duty of the physician is to educate the masses not to take medicine.’ Osler zei zonder omhaal dat niks hielp tegen pneumonie, roodvonk, parkinson of meningitis. ‘To apply a blister to a patient suffering with agonizing headache in meningitis is needlessly to add to the suffering.’

Het aardige van Osler is dat hij met een vergevende glimlach naar de patiënt keek die, als hij geen zinloze medicatie kreeg van de dokter, dan toch zijn weg bleef vinden naar andere middeltjes. Hij beschreef artsen als priesters die trouw hadden ‘gezworen aan de god van wetenschap, maar hield begrip voor patiënten die afgoden bleven aanbidden in de vorm van kwakzalvers en hun rare mengsels. ‘This is yet the childhood of the world, and a supine credulity is still the most charming characteristic of man.’

Osler was niet alleen een arts die moedige nuchterheid predikte en zijn patiënten verder aan hun lot overliet, hij was ook een zorgzame dokter. Toen een van zijn oud-assistenten dodelijk ziek was vroeg die om Osler in het vertrouwen op een positieve boodschap die nog wat hoop zou brengen. Hij sprak met de man als een bedroefde moeder met haar kind, sloeg toen zijn arm om de schouder van de zieke en zei: ‘Now Swan, I want you to let this good woman here give you some morphia tonight so that you may relax and sleep, for that is what you need. And I want you to do this for me, your old Professor and friend.’

Osler deed niet aan het bij ons zo gangbare denigreren van beginnelingen. Hij stond eens bij de eerste obductie van een onhandige student die er een kliederboel van maakte. Zijn commentaar: ‘Splendid! Splendid! It is always better to do a thing wrong the first time.’ William Osler was een zeldzaam zuivere ziel. Ik ken geen enkele andere arts die zo veel klinisch inzicht met zo veel mededogen wist te verenigen.

Op zijn eigen sterfbed bleef hij nuchter als altijd, omringd door artsen die met de beste bedoelingen nog heel wat voor hem meenden te moeten doen. Hij was duidelijk over hun medicatie: ‘Shunt the whole pharmacopoeia, except opium. What a comfort it has been!’

187. ‘Geneeskunde is twee keer wakker geworden. De eerste keer was in de negentiende eeuw toen we eindelijk enkele duizenden jaren van purgeren, laxeren, aderlaten, bidden, zegenen, offeren, handopleggen, op bedevaart gaan, aan de buren geven, aan de maan tonen, uitroken, wegblazen, mesmeriseren, magnetiseren, elektriseren en hypnotiseren geleidelijk van ons af wisten te schudden. De tweede keer was in de tweede helft van de twintigste eeuw toen eindelijk duidelijk werd dat artsen hun patiënten ook erg veel ellende kunnen bezorgen. Palliatieve geneeskunde is de klinische vertaling van dat besef, en een van de methodes die voor lijdensverlichting worden toegepast is palliatieve sedatie.

Je doet het als de patiënt in de laatste levensfase in een dermate pijnlijke en hopeloze toestand is beland dat de gangbare dosering van geneesmiddelen niet meer voldoende helpt om pijn, angst en benauwdheid te bestrijden. Je geeft dan een zo hoge dosering van morfine en midazolam (een sterk slaapmiddel) dat de patiënt niets meer meemaakt. En je handhaaft dit regime tot de dood intreedt. Het is een zegenrijke interventie, als het maar op het juiste tijdstip wordt ingezet en als je de juiste dosering krijgt. Zie daarvoor ook onder ‘morfinedosering’.’

Reacties graag naar mailadres.