Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Johan Harstad, Max, Mischa & het Tet-offensief. 

30 september 2020

Johan Harstad, Max, Mischa & het Tet-offensief. 

uitgeverij Podium 2018

10. ‘Ik geloof niet in zalen met meer dan vierhonderd stoelen. Er gebeurt volgens mij iets met de toeschouwers als het er te veel worden, ze lijken in één groot gruwelijk organisme te veranderen dat collectief reageert op alles wat het ziet en hoort, terwijl de acteurs steeds slechter gaan spelen in een vergeefse poging de energie over de menigte in de zaal en op de balkons te verdelen. Het allerliefst zou ik voor vijftig man spelen en hooguit tien dollar voor een kaartje vragen; theater voor hoi polloi.’

Max, Mischa & het Tet-offensief is het verhaal van toneelregisseur Max Hansen, die als puber naar Amerika emigreert. Hij heeft moeite om zijn jeugd in Stavanger, waar hij als kind van communistische ouders het Tet-offensief naspeelde, achter zich te laten. Maar in New York ontdekt hij dat eigenlijk iedereen daar ontheemd is. In kunstenares Mischa en Vietnam-veteraan Owen treft hij dierbare lotgenoten.
Het magnum opus van Johan Harstad is een hypnotiserende vertelling die vele decennia en continenten omspant: van de oorlog in Vietnam en Apocalypse Now tot jazzmuziek, van Mark Rothko en Burning Man tot de aanslag op de Twin Towers. Maar bovenal draait deze volstrekt verslavende roman om de vraag: hoe lang moet je weg van huis zijn voordat het laat is om terug te keren?

‘Ik kan maar één ding zeggen: respect!’ ****** Aftenposten


Ik vond nochtans het leven van de ouders van de Max in dit boek een interessanter verhaal  -  omstandig toegelicht en geanalyseerd door Dag Solstad met zijn ‘Leraar Pedersens verslag van de invloedrijke politieke beweging die een bezoeking voor ons land is geweest’. Johan Harstad is er redelijk uitputtend in geslaagd om het leven van hun zoon weinig geanimeerd te presenteren, zonder veel passie, zonder veel keuzedwang alsof alles aan hem en wie hem nabij is voorbij struikelt. Zonder veel oorzaak noch gevolg laat staan betekenis. 
Hoeveel dagelijksheid en clichés kan een mens, of die nu criticus is of niet, verdragen? Een dikke roman moet het uithoudingsvermogen van zijn lezer verdienen. En dus moet elke zin, elk woord, er één zijn. En dus moet je het vertrouwen vanaf bladzijde één hebben dat de schrijver weet wat hij doet. Dat hij zijn materiaal gekneed heeft in de enige vorm die het recht doet. Aan de andere kant zou je ook kunnen zeggen dat een roman een levend organisme is. En dat juist een dikke roman dit gegeven viert, door af en toe in te zakken, en dan weer op te klimmen, en te laten zien dat vermaak en verveling dicht bij elkaar kunnen liggen. Maar is dat genoeg? Heeft de schrijver dan niet ‘gewoon’ een leesboek geschreven?

Dat Max, Mischa & het Tet-offensief meer is dan dat, begon me eerlijk gezegd pas halverwege te dagen: alles – de oeverloosheid, de dagelijksheid, de nietszeggendheid, de details – maakt deel uit van het ongoing kunstwerk dat de schrijver zijn Max laat maken. In feite kun je de roman lezen als het diapositief van een kunstwerk van vriendin Mischa, de Toronto Precision-serie, een serie die handelt over herinneringen en geheugen, en die uitblinkt in abstractie en precisie. Eenmaal dit perspectief toelatend, laten de tweede zeshonderd bladzijden zich wonderbaarlijk genoeg lezen als een precisiebombardement, terwijl er op zinsniveau niet zoveel verandert. Wél komt de vertelling steeds meer onder spanning te staan, de personages naderen hun vervulling, het boek wordt fysiek lichter aan de linkerkant, wat allemaal zal meehelpen aan een welkome sensatie van beklemming en betrokkenheid. https://www.groene.nl/artikel/de-laatste-omhelzing

 


Voor mij was het dus een moeizame leesopdracht maar omwille van de commentaren van jonge mensen van nu, leek het me zinvol om dit boek met de veelbelovende titel toch in zijn geheel te consumeren. 

Er waren boeiende passages, bij tijd en wijle, met soms verrassende wendingen maar de onmacht van de jonge personages om mekaar nabij te zijn, om echt iets voor elkaar te betekenen en te werken aan hun onderlinge relaties was pijnlijk. Niet alleen voor hun generatie maar ook voor die van hun ouders… Wellicht met nog ergere gevolgen voor hun kinderen.

 


‘Het staat buiten kijf dat de vrijheid van een democratie gevaar loopt, als de mensen toelaten dat de macht van een enkeling groter wordt dan die van de democratische staat zelf. Dat is in wezen een fascistische vorm van bestuur, waarbij een individu, een groep of welke particuliere macht dan ook de touwtjes in handen heeft.’



“The liberty of a democracy is not safe if the people tolerated the growth of private power to a point where it becomes stronger than the democratic state itself. That in its essence is fascism: ownership of government by an individual, by a group, or any controlling private power.” ? Franklin D. Roosevelt



19. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat ze soms stiekem hoofdschuddend glimlachte om de inspanningen van haar kameraden die elkaar probeerden af te troeven in hun streven om een rasechte socialist en het meest opofferingsgezinde lid van de Partij te worden – door afstand te doen van alles wat ook maar in de verste verte riekte naar kleinburgerlijkheid en doelloos vermaak of door te stoppen met een studie waar ze al jaren mee bezig waren en letterlijk wel te zien waar het schip zou stranden door aan te monsteren op een schip en zich daadwerkelijk onder de arbeiders te mengen. Een van de kernproblemen van de AKP’ers was, volgens mijn moeder, dat de meeste partijleden helemaal geen arbeiders waren maar slimme studenten en intellectuele academici met kleinburgerlijke carrières in het verschiet. Als je mij vraagt wat mijn moeder het meest fascineerde aan de Partij en de beweging, afgezien van de betrokkenheid bij Noord-Vietnam waarmee de jongerenpartij SUF haar om te beginnen voor zich had gewonnen, denk ik dat het antwoord te maken heeft met alle geheimzinnigdoenerij waarmee de AKP zich omgaf, de codenamen waaronder velen opereerden en de nerveuze, omslachtige omwegen die ze moesten maken naar ‘de diverse vergaderlocaties in Stavanger, waarbij ze vaak onderweg van auto of bus moesten wisselen, overtuigd als ze waren dat ze continu in de gaten werden gehouden, werden achtervolgd, met afgeluisterde telefoons en ambtenaren in dikke jassen die ’s nachts hun vuilnisbak doorzochten. En ze hadden vaak nog gelijk ook. Ik denk dat dit bestaan mijn moeder de saamhorigheid bood waar ze haar hele leven al naar had verlangd. Misschien was dit wel de enige plek waar ze zich opgenomen voelde. Bij de beweging werd ze omringd door vrienden, kameraden, was er liefde en wederzijdse opoffering; iedereen steunde elkaar door dik en dun in hun gevecht tegen de machthebbers en ze moeten zich onoverwinnelijk en waanzinnig gelukkig hebben gevoeld. Voor zolang als het duurde tenminste. Tot de Culturele Revolutie van Mao roet in het eten gooide en Pol Pot zijn ware gezicht toonde en er een gewone man met plastic tassen voor een tank ging staan op het Plein van de Hemelse Vrede en de wereld op zijn kop zette. Maar toen was het allang voorbij. ‘Ik denk vaak dat ik een kind was van de laatste generatie die meende dat ze een verschil kon maken; ik hoor bij de eerste generatie die begreep dat dat helemaal niet het geval was.’

304. ‘Wachten op Godot. Die dus toch niet komt. Dat is het moderne schuldgevoel, dit is de moderne tragedie. We hebben de goden uit de oudheid die ons de hele tijd omringden vervangen door een afwezige God en zo hebben we ons eigen bestaan zinloos gemaakt. We hebben geen bestaansrecht door er gewoon te zijn, we moeten handelen, na-apen, ons iets inbeelden. Dat heet drama. De handelingen die we uit naam van de zinloosheid verrichten, voor elkaar, en die in onze verbeelding belangrijk zijn en kunnen leiden tot zelfontwikkeling, kennis, amusement, zijn allemaal uiteindelijk slechts activiteiten in afwachting van het moment waarop onze tijd erop zit, de stoelen worden verlaten en de lichten in de zaal voorgoed worden gedoofd. Wij zijn de laatste leveranciers van de illusie dat we ergens naar op weg zijn en dat we een doel hebben. Jullie, de acteurs, hebben tot taak ons de indruk te geven dat de wereld in beweging is, terwijl alles stilstaat.’ Hij keek ons aan en zag er plotseling heel triest uit. ‘Niets aan te doen.’

621. ‘En Debbie heeft haar vrijwilligerswerk, voor steeds weer nieuwe verenigingen en doelen, het lijkt wel of ze niet goed kan beslissen hoe ze de wereld het best kan redden of alsof het werkgedeelte van het vrijwilligerswerk haar steeds te veel wordt en haar dwingt verder te zoeken, naar iets waarbij ze zich nuttig kan maken zonder volkomen uitgeput thuis te komen.’

687. ‘Boven hen vloog papa in majestueuze eenzaamheid, tussen reizigers die toen nog nette kleren aantrokken voor ze aan boord gingen, gewoon omdat vliegen een exclusieve aangelegenheid was. Als hij geland was, wachtte niemand hem op, ook mama niet. Het moet een klap voor hen geweest zijn, een enorm verlies dat zo goed als al hun vrienden en contacten van vijftien jaar innige saamhorigheid in één keer verdwenen waren, niemand die aanbelde, niemand die opbelde terwijl onze buren ons als communisten bleven zien. Mama bleef nog een paar jaar lid van de Partij, ook nadat ze al haar functies had neergelegd; ze ging niet meer naar vergaderingen, maar verkocht op zaterdag nog wel de krant Klassenstrijd in de zon en nog vaker in de stromende regen in het centrum van Stavanger, dat hield ze nog een paar jaar vol in de halfslachtige overtuiging dat er in elk geval nog iets kon veranderen en dat niet alle hoop vervlogen was, dat een tegenwicht tegen de conservatieve golf die het land overspoelde hoe dan ook goed was als het de mensen maar bereikte, de Gewone Man; maar uiteindelijk verliet ze ook deze voorpost en stopte ze met het verkopen van de krant van de AKP op het Arnageren-plein in een tijd waarin de stad verdronk in olie, geld en hoge salarissen en er geen grens leek te zitten aan de grootte van de huizen, onder architectuur gebouwd met uitzicht over de fjord en taxi’s naar en van de nachtclub Cobra in de kelder van het Atlantic Hotel waar de internationale oliemagnaten zich met longdrinks onder de lokale bevolking mengden tot de zon opkwam en de helikopters opstegen en koers zetten naar de olieplatforms. Toen nam ze de wekelijkse stapel kranten mee naar binnen, legde die op de toonbank in de breiwinkel die ze had kunnen overnemen dankzij een lening van de bank en kreeg een klantenkring die bestond uit feministen en vrouwen die nooit deelgenomen hadden aan het politieke leven, maar die wel degelijk een mening en een stem hadden, een betere investering had ze niet kunnen doen, het werd een plek waar vrouwen (en soms een enkele man) een ander milieu schiepen, milder en minder rigide, verbonden door politiek en garen, maar zonder erop te hoeven letten of de discussies wel binnen de strakke kaders van een partijprogramma bleven; mama hield van de winkel ‘en wij vonden het fijn dat ze de winkel had en er gelukkig van werd’.

1228. ‘Maar elk huis, elke flat verliest iets van zijn glans in de loop van de tijd, zelfs de meest fantastische flats worden waardeloos als je dezelfde deurkruk maar vaak genoeg omlaag hebt gedrukt, dezelfde vloer tienduizend keer hebt belopen en je maar lang genoeg in dezelfde kamers naar hetzelfde uitzicht hebt zitten kijken. Er komt een moment waarop de fouten, de gebreken en de slijtage zichtbaarder zijn dan de pluspunten, zoals ook alles wat ooit smetteloos en nieuw was nu duidelijke tekenen van vermoeidheid vertoont en daar helpen geen herinrichting, voorjaarsschoonmaak of nieuwe bank en vloerkleed aan en evenmin leveren die een ander perspectief op of slagen ze erin een frisse wind door de vertrekken te laten waaien. Hetzelfde geldt helaas ook voor de relatie tussen de mensen wier levens zich tussen deze muren afspelen. Die kun je nog moeilijker opnieuw behangen.’

1233. ‘We waren als verlamd, als bevroren door het gif dat zo ongemerkt binnengeslopen was; we zagen dat het niet meer goed zat tussen ons en we wisten niet waardoor het kwam, wat er gebeurd was en hoe het was ontstaan, het was alsof we weer onbekenden van elkaar werden, want elke dag wisten we minder van elkaar en onze gesprekken werden ongemakkelijk, dubbelzinnig, en niet alleen verdween het brandende verlangen om die gesprekken voort te zetten, maar ze lieten ook een metalige smaak in onze mond achter, met een duidelijk gevoel dat we naar woorden zochten, welke dat ook maar waren, voordat de dag aanbrak waarop we alleen nog maar tegen elkaar konden gorgelen of schreeuwen.’

1381.’Nog altijd dringt het niet tot ons door dat we op zoek zijn naar het verkeerde verhaal, op de verkeerde plek. Want Vietnam, Max, is geen Amerikaans verhaal. Ook geen Frans verhaal. Of dat is het wel en toch ook weer niet, daardoor is het waarschijnlijk zo gecompliceerd. Maar het is vooral een Vietnamees verhaal en we hebben nog niet eens geprobeerd om dat te begrijpen of om de stukjes aan elkaar te plakken. Daarvoor is het ook te laat, denk ik, in elk geval voor ons. Ik bedoel, de Amerikaanse tactiek schijnt te zijn: waarom zou je je omdraaien en naar je eigen stront kijken als je ook je blik naar voren kunt richten en daar van alles kunt onderpissen? De geschiedenis werd altijd geschreven door de overwinnaars, Max. Achteraf. Maar tegenwoordig wordt die al van tevoren geschreven, vanuit het perspectief van de overwinnaars. Als een treatment of filmscenario. Ongeacht de afloop. Dat betekent niet dat de mensen dezelfde film zien.’

Reacties graag naar mailadres.