Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

?De man zonder eigenschappen? van Robert Musil – deel I door Guy Cassiers en Toneelhuis.

22 juni 2010

?De man zonder eigenschappen? van Robert Musil – deel I door Guy Cassiers en Toneelhuis.

?De theatrale oerdrang om je te verkleden en van gedaante te verwisselen, die tot de lusten van het leven behoort, werd hier zonder de minste bijsmaak aan hem vertoond, waarschijnlijk zonder enig besef van komedie; en wel zo sterk dat de burgerlijke gewoonte om theaters te bouwen en van het toneelspelen een kunst te maken en die men voor enkele uren huurt, hem naast deze onbewuste en blijvende kunst van het zichzelf-spelen als iets volkomen onnatuurlijks, laattijdigs en gespleten voorkwam.? (p.107)

Guy Cassiers heeft met Toneelhuis een poging gedaan om een eerste deel van het meesterwerk van Robert Musil in theatervorm te presenteren.
Ik was er niet kapot van.
De man zonder eigenschappen is een complex, moeilijk, verrassend, benevelend, verslavend en vertwijfelend boek, waar taal, theater, toon, titel, tuig, teken en tijd door en over elkaar heen warrelen. Ondanks het schijnbare opzet.

In 1913 wordt in Kakani?, de Keizerlijke en Koninklijke Donaumonarchie aanstalten gemaakt om de 70 ste kroningsverjaardag verjaardag van Franz-Josef te vieren in 1918. In datzelfde jaar zou de Pruisenkeizer Wilhelm II 30 jaar heersen.
Maar niet is wat het lijkt en dus kwam van de respectievelijke vieringen niets terecht wegens tegen die tijd de beide keizerrijken en dat van de Russische familie afgevoerd in een orgie van bloed en staalbliksems.

In 1922 begint Robert Musil aan zijn literair meesterwerk dat zo vaak en door zovelen ter hand is genomen. Rond de honderdste pagina weegt het boek zo zwaar dat een verder lectuur volgehouden inspanningen vraagt, van de lezer. Het verhaal volgt immers schijnbaar lichtvoetige en punthoofdige kronkels die meanderen doorheen scherpe essayistische analyses die de stand van de wetenschappen wegen en te licht bevinden en telkens weer zoeken naar andere verbanden tussen vreten en moraal, lief en leed, genot en verlangen, bloed en bodem, incest en oorlog.
Bij ?De man zonder eigenschappen? worden die ferme inspanningen beloont, zij het met mondjesmaat maar met een blijvende onrust als opdracht in het hoofd van de lezer.

Marguerite Duras schreef ooit: ? Dit boek is voor mij een van de geweldigste leeservaringen geweest die ik heb gekend:het is een buitengewoon duister, onleesbaar en onweerstaanbaar boek; het lezen ervan is een mysterieus corvee, bijna onoverkomelijk voor het merendeel van de lezers, maar als het corvee eenmaal voorbij is en het lezen tot rust is gekomen, maakt er zich een betovering uit los die met niets anders te vergelijken is. ?

Wanneer de eerste twee delen verschenen in 1930 is de politieke situatie in Midden Europa alweer fors onder spanning gekomen. In 1938 werden Musils boeken verboden en vlucht hij na de Anschluss uit Oostenrijk weg.
Op 15 april 1942 sterft hij in ballingschap in Geneve, in armoede en vergetelheid, nadat hij het hoofdstuk ?Ademhaling van een zomerdag? had afgerond over het spanningsveld tussen hart en rede, tussen passie en overleg, tussen voelen en denken. Zijn magnum opus zou nooit voltooid worden, net zoals moderne denken nooit kan afgerond worden.

Want de spiegel, oorspronkelijk voor ons genoegen geschapen, zo redeneerde hij, was tot een instrument van de angst verworden, zoals de klok, die moet compenseren dat onze bezigheden elkaar niet langer natuurlijk opvolgen. (277)

De superioriteit van een man die zich heeft bevrijd van de wens om te leven is heel groot. (274)

Het is immers de wereldgeschiedenis die altijd ? la baisse of ? la hausse in mensen heeft gespeculeerd; ? la baisse door list en geweld, ? la hausse een beetje zoals mevrouw uw echtgenote het hier probeert, door het geloof in de kracht van idee?n. (536)

Als de vader arm is, zijn de zoons dol op geld; als pa geld heeft, hebben de zoons weer de hele mensheid lief. (1316)

Theaterversie
In zijn eerste deel lijkt Guy Cassiers een onmogelijke klus te klaren door acteurs stukken uit Musils schitterend proza te laten declameren, naast elkaar, tegen elkaar en met de rug naar elkaar toe.
Wellicht bedoeld om met bevreemdende effecten de toeschouwers te bekruipen, maar te lang, te moeizaam en te verwarrend om een draad te vinden in het betoog.
Cassiers breidt bovendien het reeds forse aantal personages in de roman nog verder uit voor zijn theaterbewerking.
Voor een begrijpelijke benadering van zo?n complex en lijvig boekwerk lijkt mij eerder een forse reductie van het aantal personages zinvol en haalbaar.
Musils boek kan makkelijker en beklijvender betreden worden door menselijke interacties tussen een beperkt aantal acteurs die hun relationele spanningen uitvergroten tegen een achtergrond van maatschappelijke fenomenen.
Overspelige lust en incestueus verlangen versus sarcastisch machtsmisbruik en dodende broederstrijd. Wie dit voor toneel wil bewerken, heeft immers ook tekstuele vrijheid, niet alleen visuele.

Het tweede deel van de voorstelling oogt daarentegen verbluffend door het spel van op jaloezie?n gefragmenteerde beelden van Da Vinci?s Laatste Avondmaal en Ensors ?Intrede van Christus in Brussel?. Hier wordt de dynamiek gekaderd in filmisch geprojecteerde beelden van declamerende acteurs die bewegen als iconen uit de Europese schilderkunst.

Goedkoop en compleet naast de kwestie is echter Cassiers? hedendaagse interpretatie van Musils analyse van de ondergang van de grote Europese multiculti-keizerrijken. Dat wordt er amechtig bij de haren bijgesleept om toeschouwers op te zadelen met de angst voor de EU, het falen van een Europees beleid en de nakende ondergang van het land aan communautaire en nationalistische kwesties.
In zijn eigenste strategie van de angst cre?ert de regisseur zelfs extra personages om de voorstelling nog wat te ?actualiseren?.
Een van hen wordt als graaf Von Schattenwalt opgevoerd om als Mussolini look-alike alsnog een retorisch surplus te arrangeren als waarschuwing tegen communautaire spanningen en daarin dreigend fascisme in een goudgerand decor van opgelijste politiechefs.

De manier waarop Cassiers inhoudelijk aan de slag gaat met Musils analyse van de nakende ondergang van de Midden Europese Keizerrijken getuigt van platte demagogie, van armtierig gezwets bij gebrek aan diepgang. Omdat de moeilijke emoties van Musils ?Man zonder eigenschappen? niet echt aan bod komen en zeker niet tot het publiek kunnen doordringen – ook niet bij wie het boek wel gespeld heeft – vergrijpt hij zich aan de truuk met de duif. En de duif is zoals steeds dood.

Hoe verdwaasd kan je zijn om een gelijkenis te suggereren tussen de hedendaagse EU en de Midden Europese Keizerrijken?
Hoe weinig moet je willen weten van de Europese geschiedenis NA de twee grootste Europese burgeroorlogen in de XXste eeuw?
Hoe oppervlakkig kan je omgaan met ontwikkelingen die precies uit de ondergang van de door Musil aan de kaak gestelde lemen rijken ontstonden?
Is dit een vorm van pseudo linkse romantiek en sadomasochistische automutilatie?
Is dit een goedkoop hengelen naar herkenning door een strategisch spel van de angst?
Of is dit gewoon luiheid in een oppervlakkige poging om te scoren met een vlugge bewerking van een der meest complexe literaire meesterwerken van de XX ste eeuw?
Musils boek werd in 1999 door de nog levende Duitse schrijvers en recensenten uitgeroepen tot de belangrijkste Duitstalige roman van de XX ste eeuw.

De Europese Unie is precies ontstaan op de puinhopen en de gruwelen van de ondergang die Musil analyseerde.
De EU is vanuit een compleet verschillend uitgangspunt opgebouwd en gebruikt heel andere machtstechnieken dan de oude keizerrijken, in een overigens compleet andere en geglobaliseerde wereld.
Wie daarover vragen heeft kan ze onderzoeken in het politieke meesterwerk van Luuk van Middelaar, ?De passage naar de EU. Geschiedenis van een begin? - Historische uitgeverij

`De tijd beweegt zich zo snel als een rijkameel. Men weet alleen niet waar naartoe. Je kunt doen wat je wilt, het komt er in deze klit van krachten niet op aan,?zover was men aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog volgens Robert Musil.
De machtstructuren van de broze lemen rijken konden al decennialang geen gelijke tred meer houden met de economische en politieke ontwikkelingen. Zij dateerden uit een periode die definitief voorbij was. Het geweld van oorlogen en revoluties zou volgens Marx de vroedvrouw zijn van de nieuwe tijd en de nieuwe machtsverhoudingen. Dat blijkt ook zo geweest te zijn, alleen niet zoals Marx en zijn volgelingen hadden gehoopt. De synthese via EGKS, EEG, EU en Euro draaide veel Musilachtiger uit dan zij ooit hadden kunnen denken.

Niet het nationalisme werd de doodgraver van de Europese keizerrijken. De keizerlijke vrede bleek vooral een carcan voor een status quo dat niet meer te handhaven bleek. Onvrede bij een bevolking die economisch vanuit een premoderne, nog middeleeuwse en sociologisch gesloten gemeenschap in een indivdualistisch te bewinnen proletendom werd gecatapulteerd, bouwde steeds meer geweld op tegen de bestaande keizerlijke orde.
Die stemming heerste in Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

?Daar verderop staat zo?n marxist, verduidelijkte Stumm, die zogezegd beweert dat de economische onderbouw van een mens geheel en al zijn ideologische bovenbouw bepaalt. En een psychoanalyticus spreekt hem tegen; die beweert dat ideologische bovenbouw geheel en al het product is van zijn onderbouw, waar driften de toon aangeven.?
(...)
?Dat is de psychologie van de massa, Doorluchtigheid! mengde de geleerde generaal zich weer in het gesprek. Voor zover het de massa betreft, begrijp ik dat heel goed. De massa wordt alleen bewogen door driften, en dan natuurlijk door die welke de meest individuen gemeen hebben: dat is logisch! D.w.z., dat is natuurlijk onlogisch: de massa is onlogisch, zij gebruikt logische gedachten juist alleen om er goede sier mee te maken! Waar zij zich werkelijk door laat verleiden is enkel en alleen de suggestie! Als u mij de kranten, de radio, de filmindustrie en misschien nog een paar andere cultuurmedia geeft, neem ik het op mij om binnen een paar jaar ? zoals mijn vriend Ulrich dat eens heeft genoemd ? de mensen in menseneters te veranderen! Dit is ook waarom de mensheid een sterke hand nodig heeft! Uwe Doorluchtigheid weet dat overigens beter dan ik! Maar dat ook het in sommige gevallen zo hoogstaande individu niet logisch zou zijn, wil er bij mij niet in.?
(...)
Zo hangen de geschiedenis van de waarheid en die van het gevoel op vele manieren met elkaar samen, maar die van het gevoel is daarbij in het donker gebleven.(?)
Grappig bijvoorbeeld dat de religieuze en dus toch zeker ook hartstochtelijke idee?n die de middeleeuwen zich over de mens gevormd hebben, sterk overtuigd waren van zijn gezond verstand en zijn wil, terwijl tegenwoordig veel geleerden, wier hartstocht er hoogstens uit bestaat dat ze teveel roken, het gevoel als de grondslag van alle menselijke zien. (1318)

Archief

David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010

13 juni 2010

David Van Reybrouck, Congo, een geschiedenis. De Bezige Bij 2010

Al is het ?een geschiedenis?, het is een beklijvende geschiedenis van Congo, van het centrum van Afrika, van 130 jaar wijzigende machtsverhoudingen in de wereld en het leven van mensen, ook in Azi? en Europa.

David Van Reybrouck is erin geslaagd een magnum opus te schrijven waar dank zij zijn literaire kwaliteiten geen droge feiten en cijfers, geen eindeloze namen, falen en gruwelen de lezers niet moedeloos achterblijven.

Knap gehanteerde filmische technieken van in- en uitzoomen, van close-ups, kikker- en vogelperspectieven houden de lectuur van 582 bladzijden ?Congo? boeiend en verrassend.
David Van Reybrouck is er door zeven jaar titanenwerk in geslaagd om als laatste blanke de laatste levende ooggetuigen van de geschiedenis van de kolonisering en de dekolonisatie te spreken, hun verhalen te noteren, hun herinneringen vast te leggen voor wie na hen komen.

Maar hij doet meer, veel meer.
Hij onderzoekt bijvoorbeeld ook nieuwe fenomenen. Hij zoekt naar nieuwe verklaringen en laat zich niet verblinden of in slaap zeuren door mythische verhalen over leed en leven, over lijden en lot, schuld en boete en zelfverklaarde hero?ek.
Zo trekt hij interessante parallellen tussen popmuziek, biermerken en nieuwe religies.
Dank zij succesvolle popsterren bouwden biermerken in Kinshasa een marktoverwicht uit onder leiding van een Nederlandse filosoof als CEO van Heineken.
De machtsstrijd tussen biermerken en mobilofonie-aanbieders analyseert David Van Reybrouck alsof je Machiavelli?s ‘Heerser’ toegepast ziet in Afrika.
Hij onthult praktijken van popgoden die zich letterlijk ontpoppen tot mensenhandelaars en slavendrijvers.

58. Maar het zou al te simpel zijn te stellen dat Stanley hen bevrijdde van de slavernij. Van oudsher werd slavernij in Centraal-Afrika niet in de eerste plaats begrepen als
een beroving van je vrijheid, maar als een ontworteling uit je sociale milieu.
Gruwelijk was het zeker, maar om andere redenen dan doorgaans wordt gedacht. In een samenleving die zozeer getekend was door gemeenschapszin, betekende ?de autonomie van het individu? helemaal geen vrijheid, zoals in Europa sinds de renaissance wordt geroepen, maar eenzaamheid en ontreddering. Je bent wie je kent; en als niemand je kent, ben je niets. Slavernij, dat was niet geknecht zijn, maar onthecht zijn, van huis zijn.

David Van Reybrouck weet te argumenteren waarom de situatie in Congo en Midden Afrika niet het gevolg is van premoderne machts- en productieverhoudingen, maar – veel erger – voortvloeit uit een postmoderne chaotische ?failed state? situatie.

495. Het etnisch geweld in Ituri was geen atavisme, geen primitieve reflex, maar het logische gevolg van grondschaarste in een oorlogseconomie die de globalisering diende ? en in die zin een vooraankondiging van wat een overbevolkte planeet nog te wachten staat. Congo loopt niet achter op de geschiedenis, maar v??r.

499. Mobiele telefonie is voor Afrika wat de boekdrukkunst voor Europa was: een ware revolutie die
de structuur van de samenleving grondig herdefinieert.

521. (Naar aanleiding van de verkiezingen van midden 2006) Congo was een land zonder infrastructuur geworden. Het was onmogelijk om per auto van de ene naar de andere kant van het land te rijden. Zelfs de grote centra waren niet meer met elkaar verbonden. Congo was meer een archipel dan een pays-continent, een archipel waarvan de eilandjes enkel per vliegtuig, helikopter of prauw te bereiken waren. Niemand wist hoeveel mensen er woonden, niemand hield de geboortes bij, niemand had papieren.

180. In de steden ontstond ( in de jaren ?30 ) een nieuwe levensstijl die verschilde van de dorpscultuur, maar ook meer was dan een kopie van de Europese stadscultuur, al was het maar omdat die nieuwe Afrikaanse agglomeraties in niets geleken op hun Europese tegenhangers. Zelfs voor Belgen was de koloniale stad een geheel nieuwe ervaring! Er was meer ruimte en vrijheid, de afstanden waren groter, de lanen breder, de percelen rianter. De steden waren van meet af aan bedacht op het gebruik van de auto. Het had wel iets Amerikaans, vonden vele blanken. L?opoldville met zijn verschillende stadskernen zonder duidelijk centrum leek meer op Los Angeles dan op de middeleeuwse stadjes van Belgi? of de negentiende-eeuwse burgermanswijken van Brussel of Antwerpen. De koloniale stad hinkte niet achter het Europese model aan, maar liep erop vooruit. Toen een Belgische journalist zag hoe blanke vrouwen in Congo het vliegtuig namen om in L?opoldville te gaan bevallen, zei hij verrukt dat in de kolonie ?een nieuwe samenleving, een nieuw Belgi? met nieuwe idee?n geboren werd?. Het leek alsof in Congo de jaren vijftig al in de jaren twintig begonnen.

300. (Over de eerste republiek.)
Net als in het theater was ook hier de tragedie van de geschiedenis geen zaak van redelijken versus redelozen, van goeden versus slechten, maar van mensen die samenkwamen en zichzelf stuk voor stuk als goed en redelijk beschouwden. Idealisten stonden tegenover idealisten, maar elk idealisme dat te fanatiek beleden wordt leidt tot verblinding, de verblinding der goeden. De geschiedenis is een afschuwelijk gerecht bereid met de beste ingredi?nten

In tegenstelling tot de gebruikelijke zwart-wit analyse van Patrice Lumumba – zwarte duivel of Afrikaanse marxistische martelaar – besluit Van Reybrouck genuanceerd en blijkt de eerste Congolese premier te licht bevonden.

328. (Lumumba gewogen)
Lumumba groeide in een mum van tijd uit tot een martelaar van de dekolonisatie, een held voor alle verdrukten der aarde, een heilige van het goddeloze communisme. Die status had hij eerder te danken aan zijn gruwelijke levenseinde dan aan zijn politieke successen. Hij was alles bij elkaar nog geen twee?nhalve maand aan de macht geweest, van 30 juni De strijd om de troon tot 14 september 1960. Zijn palmares las als een opeenstapeling van blunders en inschattingsfouten. Zijn bruuske afrikanisering van het leger was sympathiek maar desastreus, zijn zoeken naar militaire steun bij de VS en de Sovjet-Unie was begrijpelijk maar vreselijk lichtzinnig, zijn militair optreden in Kasai kostte het leven aan duizenden landgenoten. Bij zijn leven vonden Youlou en Senghor, de eerste presidenten van Congo-Brazzaville en Senegal, zijn optreden al erg problematisch. Daartegenover stond dat hij nauwelijks op zijn taak was voorbereid, af te rekenen kreeg met een onbezonnen civiele exodus en een militaire invasie van de Belgen en moest toezien hoe de VN aarzelde om de Belgische agressie krachtig te veroordelen. Maar met zijn ongelukkige manier van reageren op re?el onrecht kweekte Lumumba stelselmatig meer vijanden dan vrienden. De tragiek van zijn kortstondige politieke loopbaan was dat zijn grootste troef van v??r de onafhankelijkheid ? zijn onwaarschijnlijke talent om de massa op te zwepen ? zijn grootste nadeel werd toen hij eenmaal als machthebber geacht werd iets serener op te treden. De magneet die eerst aantrok, stootte nu af.

Er was een tijd van missionarissen, Vlaamse kermissen en zilverpapier.
Er was een tijd van solidariteitsacties en hulporganisaties, van gouvernementele en niet-gouvernementele ontwikkelingshulp.
Er is een tijd van ngo?s gekomen die ontwikkelen tot een nieuwe lucratieve hulpverleningsindustrie en zichzelf in stand proberen te houden ten koste van de mensen voor wie de hulp bedoeld zou zijn.


500. De hulp van vele honderden ngo?s was vaak indrukwekkend, maar niet zonder consequenties. Door de endemische corruptie binnen het ambtenarenapparaat gaven veel ngo?s er de voorkeur aan om ook in het land van aankomst ?niet-gouvernementeel? te blijven en enkel met lokale partners te werken. Begrijpelijk, maar niet van dien aard dat de vertrouwensband tussen overheid en bevolking werd hersteld. Bovendien cre?erde de toestroom van buitenlands geld ook zoiets als ?hulpverslaving?: Congolezen begonnen te twijfelen aan hun zelfredzaamheid.

?Congo? besteedt in het laatste gedeelte ook veel aandacht aan het fenomeen van de talloze kerkgenootschappen die naast de katholieke en protestante kerken mega-successen boeken. Hij vergelijkt hun paktijken met die van de middeleeuwse katholieken in Europa.
Al blijken daar wel tastbare elementen van overeind gebleven in kunsten en wetenschappen.
Wat vermoedelijk niet het geval zal zijn voor de patsers van de nieuwe religies in Afrika.

515.Een beetje man van God kon toch niet in lompen bij zijn hoogste werkgever verschijnen? Gezeten op een bombastische troon riep hij zijn gelovigen wekelijks op om gul te schenken aan zijn kerk. Ostentatief doneren werd een bewijs van devotie en deugd. Kutino liet zich de luxeauto?s en intergalactische gsm-toestellen welgevallen. ?Ik hou van geld,? zei hij aan een Franse journalist, ?het helpt om goed te leven.? Stuitend? Ja, maar niet verschillend van de dynamiek die ervoor zorgde dat in het middeleeuwse Europa kathedralen werden gebouwd en kanunniken rondliepen in brokaat en filigraan. Postmaterialisme is een luxe voor rijken. De pauper kijkt op naar de patser.

Indringend is ook de reflectie van de auteur over zijn bezoek aan Laurent Nkunda die als krijgsheer in Noord-Kivu een terreur bewind voerde met kindsoldaten over de talloze vluchtelingenkampen en zich als locale krijgsheer niet bewust blijkt te zijn van het zwaard van Damokles dat boven zijn bloeddoorlopen ogen zweeft.

548. Beduusd van zoveel retoriek voor gevorderden stap ik met Rene en zeven anderen in een krappe jeep. In de koffer zit een kindsoldaat met een kalasjnikov. Het is bijna middernacht. We rijden oostwaarts door de natte, druipende heuvels en hopen geen Mai-mai-patrouille tegen te komen.
Ik ben bang en verward. Ik weet niet dat er op dat moment in New York een VN-rapport wordt klaargestoomd dat de Rwandese inbreng in de CNDP duidelijk aantoont, ik weet niet dat Human Rights Watch een verslag voorbereidt over de gruwelen van Nkunda. Ik ben op het punt aangekomen dat de geschiedenis nog warm is, vers en ongrijpbaar. Ik heb geen overzicht, niemand heeft overzicht.
Ik weet alleen dat ik liever met gewone mensen praat dan met bewindslieden, dat ik meer van anekdotiek leer dan van retoriek. Ik weet alleen dat ik in het vluchtelingenkamp van Mugunga in de plastic hut van Grace Nirahabimana zat, blok 48, nummer 34, ik kon er niet rechtop staan. Grace was een prachtige vrouw van 23 met twee kinderen, Fabrice en David. Haar twee broers van 12 en 16 waren door Nkunda meegenomen, haar twee zussen waren aan diarree gestorven, zij was door drie
militairen verkracht. Ze had alles achtergelaten. Haar zussen waren in het kamp gestorven ? te weinig eten, geen toiletten ? ze lagen begraven tussen de bananenstruiken. Het was koud toen ik bij haar op bed zat. Een gure wind joeg over het maanlandschap van lava en deed de plastic wand van haar hutje klapperen. ?Ik voel me echt niet beschermd,? snikte ze, ?ik ben heel, heel bang. Bang voor Laurent Nkunda.?

In het slotstuk opent David Van Reybrouck een nieuw boeiend perspectief.
De kering van de Noord-Zuid invloed vanuit Europa naar Centraal-Afrika en vanuit de VS naar Midden-Afrika tot de Sino-Afrikaanse as zal een fundamentele wijziging in de machtsverhoudingen op een geglobaliseerde wereld bol meebrengen.
De auteur heeft die lijnen ontdekt, meer nog hij is Afrikaanse handelaarsters gevolgd tot in het Zuidchinese Guangzhou – Kanton – en terug. Naast de offici?le mijnbouw- en infrastructuurcircuits bestaan er intussen gigantische kleinhandelverbindingen tussen Kinshasa en China.
De invloed van deze contacten kunnen ook niet onderschat worden.

574. Veel Congolezen trekken naar het buitenland om de verstikkende familiebanden te ontlopen. In tijden van crisis heeft de veel geroemde Afrikaanse solidariteit iets ontroerends, maar in tijden van wederopbouw zorgt ze voor een infernale logica die langetermijnprojecten onmogelijk maakt: het beetje beschikbare geld raakt onmiddellijk verkruimeld over vele monden. Herinvestering en planning kunnen op weinig waardering rekenen. In China lukt dat beter. Er zijn geen ooms en neefjes die je van hekserij betichten wanneer je weigert om het beetje geld dat je verdiend hebt te verdelen, terwijl in Congo hekserij het ultieme argument is om je tot solidariteit te dwingen.

Het is anderzijds merkwaardig hoe een erudiet, eminent en ervaren auteur-onderzoeker als David Van Reybrouck aan de ene kant een uitermate genuanceerde en precies daardoor briljante en beklijvende geschiedenis van Congo heeft geschreven maar in zijn uitlatingen over Belgi?, Vlaanderen, Europa aan een merkwaardige verziendheid lijkt te lijden.
In Congo weegt hij feiten, verhalen, cijfers, herinneringen en eigen ervaringen minutieus om tot een goed overwogen verhaal te komen.
Vanuit Congo lijkt hij blind voor de democratische problemen in Brussel, Belgi? en Europa die telkens weer omschreven worden als ?Vanuit Congo zie ik Belgi? als het theepaviljoentje van de wereld waar men aan het keuvelen is met opgeheven pink. Beste mensen, denk ik dan: kom naar hier en durf je handen vuil te maken.? (Humo, 04052010)
De literaire, archeologische, sociologische, antropologische methodes die hij hanteert in zijn geschiedenis van Congo zijn het meer dan waard om ook op ‘een geschiedenis van Brussel, Vlaanderen, Belgi?, Europa en de rest van de wereld’ toe te passen.
Ook dat zal een magnum opus opleveren dat weer zeer de moeite is om te lezen en te herlezen.

Archief

Toon Horsten, Het geluk van de lezer. Hoe boeken je leven kunnen veranderen. Linkeroever uitgevers.

10 juni 2010

Toon Horsten, Het geluk van de lezer. Hoe boeken je leven kunnen veranderen.Linkeroever uitgevers.

Toon Horsten bundelt een selectie van vier jaar columns uit De Standaard der Letteren tot een gelukservaring voor de lezer.
Dat is niet moeilijk want Toon Horsten weet veel, heel veel. Hij leest veel, heel veel.
Maar bovenal heeft hij oog voor de indringende afstand tussen het onderwerp en de schrijver, tussen de lezer en het thema.
Precies die afstand leidt je in zijn verhalen binnen.
Precies die afstand heeft hij nodig gehad om de boekenreus te worden uit Hoogstraten die over Turnhout en de weidse Kempen resideert.
Nog steeds voelen schoolfrikken en rechtgelovigen uit de Kempen zich koud gepakt wanneer iemand opmerkt dat sociologisch de Kempen een schitterende plaats is om geboren te worden en op te groeien.
Want veel van deze jongeren hadden vaak nog slechts ??n ambitie: wegkomen uit diezelfde Kempen.
Zo leerden ze de wereld te zien, de wereld over de plank die hen voor de kop gehouden werd wanneer ze naar het uniformiseringsproces werden gedreven in een van de vele scholen.

Toon Horsten heeft dat gedaan met boeken. Hij werd een vaardige reiziger in de wereldliteratuur met oog voor wat in de verdrukking leek te raken, voor wat vergeten wordt.
?Het geluk van de lezer? weet te verleiden en te misleiden, en doet dat op een vrolijke badinerende toon, maar biedt een schitterende selectie van leestips die zijn onderwerpen liefdevol larderen.

Liebig vleesbouillon. Je kan het niet eten. Maar er zal nog veel soep van worden getrokken, aldus de Duitse schrijver-criticus Kurt Tucholsky in 1927 over de pas verschenen ‘Ulysses’ van James Joyce. Toon Horsten herkende zijn eigen gevoel bij het gedoodverfde meesterwerk. Mooi mimetisch geluk.

In een moeite door onthult hij hoe Turnhout (n)ooit Bauhaus had kunnen huisvesten, omdat Henry van de Velde solliciteerde voor de directeursfunctie van
de lokale kunstacademie. De vroede vaderen prefereerden een andere kandidaat en de sollicitant vertrok dan maar naar Weimar met alle gevolgen vandien, voor Weimar en het kunstgevoel van de opkomende industri?le bourgeoisie uit Duitsland.

Hij zet met een gevoelige draai Nico Rost en Egon Erwin Kisch te kijk met hun reportages uit 1934 over de gezinsverpleging te Geel. Hij vergelijkt hun verslag – Kisch ontdekt dat in Geel de statuslozen geen zinneloze gast te houden hebben en dus ook de daaraan verbonden renumeratie mislopen – met de gelauwerde filmdocumentaire van Arnout Hauben over de gezinsverpleging ‘Geel’.

In zijn stukje over het Waalse dorpje ?Waulsort? – wegens een station een betere buiten voor de bourgeoisie rond de vorige eeuwwisseling – wijst hij op de restauratie van de vele sjieke villa?s en Grand Hotels langsheen de Maas, waar na het vertrek per automobiel van de beter begoeden op zoek naar de wereld plaats geruimd werd voor minder begoede scholieren uit het Rijksonderwijs. Wanneer die uiteindelijk vertrokken wegens korting op de schoolreisjes werd de oude glorie opgeschoond voor de nieuwe burgerij (uit Vlaanderen?). Nog even wachten.

In oude krantenartikelen zocht Ambanelli de woorden op die hij kende en wanneer hij er ??n gevonden had, was hij tevreden alsof hij een vriend had ontmoet ( Luigi Malerba, ‘De ontdekking van het alfabet’. )

De zoektocht van Toon Horsten in oude boeken, vergeten publicaties, werk van verdwenen schrijvers brengt meer tot leven dan die schrijvers.
Dat is het geluk van de lezer van Horsten.
Kijk!, zegt mijn vriend de boekhandelaar als er weer eentje binnengewandeld komt. Daar heb je weer zo’n zweefteefje. Hij vertelt erbij dat het meestal om vrouwen tussen de 35 en 55 gaat, die op zoek naar Het Hogere en dat denken in de esoterie te vinden. Hoe ijler, hoe beter. ( bekeerd door ‘De Celestijnse Belofte’)

Of hoe boeken je leven kunnen veranderen.

Archief

vrt deredactie.be opinie&blog – OVER DE NOOD AAN GENEES-, HEEL- EN VERLOSKUNDIGEN.

4 juni 2010

OVER DE NOOD AAN GENEES-, HEEL- EN VERLOSKUNDIGEN.
30 / 05 / 2010
?Mensen zijn vreemd. Zonder erbij stil te staan begaan ze de ergste misdaden, maar daarna kunnen ze niet leven met de herinnering aan wat ze gedaan hebben. Die moeten ze kwijt, en dan komen ze naar mij omdat ze weten dat ik de enige ben die opluchting kan bieden, en vertellen me alles. Ik ben het afvoerputje, Brodeck. Ik ben geen priester, ik ben een menselijk afvoerputje. In dat hoofd van mij kun je al je ettervocht en smerigheid gieten, zodat je je weer verlicht en opgelucht voelt. En daarna gaan ze weg alsof er niets gebeurd is. Ververst. Gereinigd. Klaar om opnieuw te beginnen, in de wetenschap dat het afvoerputje zich weer heeft gesloten boven wat hem is toevertrouwd. Dat hij er nooit over zal praten, met niemand. Zij kunnen rustig slapen, maar ik stroom over, Brodeck, ik stroom over, het is te veel, ik kan niet meer maar ik hou vol, ik probeer vol te houden. Ik zal sterven met alle gruwelijkheden die ze in mij hebben uitgestort.? (Het verslag van Brodeck, 145)
Philippe Claudel laat in zijn meesterwerk die functie van menselijk afvoerputje toelichten door de dorpspastoor.
Er was nochtans een tijd dat ons werd voorgehouden dat in een moderne geseculariseerde maatschappij de rol van de pastoor vervangen werd door die van de dokter. Maar wij begrepen toen niet hoe een priester kon genezen, helen, laat staan verlossen.
Wij herinnerden ons loden tijden op collegekamers in de geur van sigaren en alcohol waar paters en fraters godgegeven levensenergie zouden koesteren met genotvolle pijn in hun blaas. Het droge plezier van drukkend geloof, zoals bij Tao?stische monniken en in goedkoop drukwerk over de alternatieve kracht van traditionele Chinese geneeskunde. Het zou duren tot de cursussen urologie eer we het mechanisme konden vatten van die retrograde ejaculatie.
Met dat soort ongein liet een dynamische progressieveling zich in die bevrijdende tijden niet in, wegens doordrongen van het solidaire verlangen naar het goede doen om het goede. Of zoals Karl Marx het ons had voorgehouden: ?De filosofen hebben de wereld slechts verschillend ge?nterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen.? ( Elfde Stelling over Feuerbach)

Meer kennis en kunde dan kunst
Wij waren nog jong en de geneeskunde was voor ons nog meer kennis en kunde dan kunst zoals ook de wereld nog maakbaar leek.
Een Cartesiaanse logica werd ons academisch gepresenteerd als motor van wetenschappelijke ontwikkelingen. Als je maar goed genoeg keek zou je zelfs (quantum-)mechanische wetten van de wetenschap kunnen herkennen en begrijpen. Wat let je dan nog te werken aan oplossingen voor menselijk leed en intellectueel lijden in die schemerzones van helverlichte Rede, Waarheid en Vooruitgang van de Mensheid.
Het duurt lang, ontzettend lang, minstens negen jaren lang eer je de taal van het artsenvak kan spellen, eer je de tekens en aanrakingen in de vingers kan krijgen. En dan nog moet je leren kiezen voor genezen door onderwijzen – als dokter – en/of als arts – archi iatros, genezen door heersen.
Geneeskunde studeren eist zoals een opleiding tot priester een hoge graad van inwijdbaarheid.
Je moet er wat voor over hebben om gedurende jaren af te zien van geneugten en verlangens die leeftijdgenoten lang voor jou kunnen beleven, om af te zien van reguliere regelmaat in studie, werk en priv?-leven.
Maar later komt de beloning. Je wordt gepromoveerd tot genezer, heler en verlosser. Je zal opgenomen worden in het gild van de Onmisbaren.

Onmisbaar maar niet al te nabij
Misschien daarom ook dat vele artsen als ?Onmisbaren? vaak moeilijk afstand kunnen bewaren tegenover hun pati?nten, kunnen verzaken aan de illusie van het gewijde goddelijke dat over hen is nedergedaald. Het is immers niet makkelijk als huisarts of psychiater te balanceren in een helende vertrouwensrelatie met een pati?nt en toch voldoende afstand te bewaren. Zeker niet wanneer de uitgelopen consultatie zwaar was en de eenzaamheid groot. Helpende helers houden zich ver van het spel van macht en misbruik en kiezen voor collegiale toetsing.
Artsen opteren vaker voor een specialistische opleiding, niet alleen om de centen maar vooral om te kunnen schuilen achter het masker van hun operatiekledij en een indrukwekkend instrumentarium.
?Larvatus prodeo? – liever treden we gemaskerd naar voren in onze omgang met de pati?nt. Een arts-pati?ntrelatie is er een van ontsluiten en afsluiten. Een goede zorgrelatie heeft vooral van doen met de houding die je als zorgverlener aanneemt. Je kan onmogelijk goeie zorg verlenen en tegelijk macht uitoefenen. Macht verderft en corrumpeert, zeker in een vertrouwensrelatie.
Wie zijn of haar dokter niet vertrouwt, kan moeilijk beter worden in zo?n relatie. Wie als zorgverlener zo?n relatie beschaamt, beschadigt de pati?nt, ook al wordt die in Nederland tegenwoordig steevast omschreven als cli?nt.

Geduld of eisen
Met de vermarkting van de gezondheidszorg hoopten opeenvolgende Nederlandse regeringen op een weldadige Cartesiaanse benadering van ziekte en zorg. Wetenschappelijk wegens becijfer-, begroot-, beknibbel- en dus bespaarbaar. Methodisch wegens herleidbaar tot nauw omschreven handelingen die aan vaardige technici voor een prijsje worden gedelegeerd. De koopmansgeest zou voldoende tuchtigend werken: de beste behandeling tegen de scherpste prijs.
Intussen is het hek van de dam: de kosten voor de zorg swingen onhoudbaar de pan uit wegens martkwerking gevoelig voor minder becijferbare gegevens zoals methodisch verlangen naar winstmaximalisatie door ziekenhuizen, artsenassociaties, thuiszorgconglomeraten, pr- en managementboeren.
De zogenaamde cli?nten beginnen intussen stilaan ontnuchterd te snappen dat ze door eisend ?te? claimen minder ?te?-vredenheid scoren dan als pati?nt in een vertrouwensrelatie.
?Verpleegkundig specialisten, praktijondersteuners en nurse practitioners? worden in Nederland in hoog tempo klaargestoomd om het monopolie van de medische stand – uiteraard ook financieel – te beknibbelen.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg concludeerde in 2007 nog dat verschuiving van taken van artsen naar niet-artsen een positieve bijdrage leverde aan veilige, effectieve, pati?ntgerichte en toegankelijke zorg.
Recent blijkt deze taakherschikking echter te leiden tot meer specialisatie en verdere versnippering van de zorg: verpleegkundigen die medicijnen voorschrijven, anesthesiehelpers die medicatie inspuiten, diabetesverpleegkundigen die volgens protocollen suikerzieken volgen, wondverplegers die dermatologen vervangen, sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen die psychiaters substitueren? Niemand heeft nog oog voor en zicht op het geheel van de lijdende mens.

Zorgsubstitutie naar wildgroei
Deze doorgedreven zorgsubstitutie naar goedkopere paramedici heeft een wildgroei van dure case- en zorgmanagers tot gevolg gehad in plaats van lagere kosten en minder tijdsbelasting voor artsen – die nu vooral meer moeten controleren en managen.
De nood aan zorgzame en ervaren verpleegkundigen is intussen gestegen waardoor nog minder ?handen aan het bed? en dus slechtere basiszorg voor pati?nten. Chronische zieken worden vaker begeleid door verpleegkundigen zonder voldoende medische kennis om verbanden te leggen tussen klachten, andere mogelijke ziektes en medicijnen die ingenomen worden. Medicijnen voorschrijven wordt binnenkort in dezelfde besparingsdrang wettelijk overgelaten aan verpleegkundigen.
Naast de juridische problemen bij dit soort substitutie dreigt schrijnende ellende wanneer verpleegkundigen opgezadeld worden met verantwoordelijkheden waarvoor ze niet eens opgeleid werden.
Erger nog, in dit substituerend en delegerend versnipperen verdwijnt het contact tussen arts en pati?nt. Behandelrelaties verliezen de klinische blik en de noodzakelijke ervaring.

Schoonheid van scherven
Na jaren ?geneeskunde? kan je werk ?geneeskunst? worden: met door nascholing onderhouden kennis van de evoluties in het vak en cumulerende praktijkervaring kan je in een vertrouwensrelatie proberen te luisteren als afvoerputje voor soms nauwelijks te benoemen menselijke angst en lijden. Alle illusies van genezen door de nieuwste medicijnen, van helen door macht, verlossen door kracht moet je laten varen om een bondgenootschap te kunnen sluiten met pati?nten. Zij proberen jou te vertrouwen als de bewaarder van de verhalen van wie niet meer zoeken naar een stem. Hen rest vaak alleen nog de schoonheid van de scherven, die onvolmaakte spiegeling.
In de succesvolle, interessante Amerikaanse tv-serie ?The Sopranos? wordt die rol behoedzaam waargenomen door de psychiater van maffiabaas Tony Soprano, Dr. Jennifer Melfi.
Zij voelt zich door haar pati?nt in de rol gemaneuvreerd van een raadgever zoals Niccol? Machiavelli destijds voor zichzelf had voorzien in zijn relatie met Florentijnse heersers. In de tv-serie weet zij zeven lange jaren wankel te balanceren tussen de rol van ?Onmisbare? en ?Ingewijde?.
Salman Rushdie omschreef deze schone kunst van genezen, helen en verlossen in zijn roman ?Schaamte?:
?Om in het leven te Slagen, zei hij tegen de jongen, dient men tot de Onmisbaren te behoren. En wie is er het onmisbaarst?
Welnu, degene die het Onmisbare verschaft, natuurlijk!
Ik bedoel bijvoorbeeld Goede Raad, Diagnoses en uitsluitend op recept verkrijgbare medicijnen. Word Dokter, dat is wat ik in jou gezien heb.
Aldus sprak Schoolmeester Eduardo Rodrigues tot Omar Khayyam Shakil.
Want wat is een dokter per slot van rekening? Een bevoegd gluurder, een vreemde wie we toestaan met zijn vingers en zelfs met zijn hele hand te tasten en te porren, waar we de meeste anderen nog geen vingertop zouden laten steken, en die kijkt naar wat we juist angstvallig proberen verborgen te houden; iemand die aan onze sponde zit, een buitenstaander die we toelaten bij onze intiemste momenten (geboorte, dood, enz?) anoniem en als speler van een bijrol, maar paradoxaal genoeg toch ook een centrale figuur, vooral in kritieke situaties.?
(50)

Zeker in een moderne, geseculariseerde samenleving waar menselijke eenzaamheid als een loden deken zwijgend tot ziekte dwingt, is er nood aan integere artsen-priesters. In het spiegelen van emotie- en taalarme pati?nten gaat verlossende medemenselijkheid boven heersende offervaardigheid. Hoe minder cohesie onder mensen, hoe groter de nood aan behoedzaam helende sjamanen – zij die ?weten?, de ?onmisbaren? die nog proberen een holistisch mensbeeld te lijmen in een gebarsten spiegel.
Wie ooit de geneeskunst wil beoefenen, leze daarom veel en volhardend mooie romans waarover de Turkse Nobelprijswinnaar Literatuur 2006, Orhan Pamuk ooit schreef: ?Ik kan me geen Europa indenken zonder romans. Dan spreek ik over de roman als manier van denken, doorgronden en verbeelden, en ook als manier om zich in iemand anders te verplaatsen.?

Of zoals de Tsjechische schrijver van ?De ondraaglijke lichtheid van het bestaan?, Milan Kundera, sprak over ?het fascinerende denkbeeldige koninkrijk waarin niemand de waarheid in bezit heeft en ieder het recht heeft begrepen te worden? de wijsheid van de roman?.
Goede literatuur helpt zorgverlener en therapeut de wereld en het leven van mensen anders te bekijken, beter te begrijpen en de helende blik te verruimen. Ze maken de schoonheid van de scherven, die onvolmaakte spiegeling, lichter te dragen. Ze helpen ook een veilige afstand te houden en het geheim te bewaren.