Teju Cole, Open Stad
vert. Paul van der Lecq Uitg. De Bezige Bij 2012
Originele en bij wijlen indrukwekkende observaties van een Amerikaanse auteur van Nigeriaanse afkomst die zich actief binnen de Europese romantraditie wil plaatsen.
Hij slaagt daar behoorlijk in, maar weet zijn open einde niet echt beklijvend te serveren.
Ook messcherp waar hij het racisme van de zwarte medemens weet te verduidelijken als een theatraal onderdeel van belangenbehartiging en voorgewende broederlijke solidariteit.
58. Assistenten psychiatrie hebben de naam dat ze minder zwaar zijn dan andere, en dat was ook mijn ervaring, maar het werk bracht zijn eigen bijzondere uitdagingen met zich mee. Soms voelen psychiaters het gemis van de kant-en-klare oplossingen die chirurgen of pathologen in huis hebben, en het kan vermoeiend zijn altijd maar weer de mentale voorbereiding en emotionele betrokkenheid te moeten opbrengen die nodig zijn om pati?nten te behandelen. De lange uren wanneer ik dienst had of op afroep beschikbaar was, kenden eigenlijk maar ??n lichtpuntje, als ik er nog eens goed over nadacht, en dat was het vertrouwen dat de pati?nten in mij hadden, hun kwetsbaarheid, hun hoop dat ik ze kon helpen er weer bovenop te komen. Hoe dan ook, anders dan toen ik net in het ziekenhuis werkte, was ik in gedachten lang niet meer zo vaak met mijn pati?nten bezig (dat begon meestal pas als ik een volgende afspraak met hen had), en wanneer ik mijn rondes deed, had ik vaak de pati?ntenkaart nodig om me zelfs maar de meest basale gegevens voor de geest te halen. Dat ik buiten de medische campus aan M. dacht, was in die zin een uitzonderingsgeval; net als V. was hij een van de zeldzame pati?nten van wie de problemen niet ergens in mijn achterhoofd verdwenen zodra ik de deur uit stapte. M. was twee?ndertig, onlangs gescheiden en leed aan waandenkbeelden. In de weken dat het slecht met hem ging, leken zijn medicijnen nauwelijks te helpen.
132. Ik dacht terug aan de verklaring van Mayken en bedacht dat ik me vergist had. Het waren geen vluchtige, wantrouwige blikken waarmee Farouq in de tram te maken had. Het was een onderhuidse, nauwelijks onderdrukte angst. De eeuwige aversie tegen immigranten, als rivalen in de strijd om dezelfde schaarse middelen, viel samen met een hernieuwde angst voor de islam. Toen Jan van Eyck in de jaren dertig van de vijftiende eeuw een portret van zichzelf schilderde met een grote rode tulband, was dat een manier om te bevestigen dat een vreemdeling niets ongebruikelijks was voor de multiculturele stad Gent. Turken, Arabieren, Russen: ze maakten destijds allemaal deel uit van het visuele repertoire. Maar de vreemdeling was een vreemde gebleven en fungeerde nu als zondebok voor nieuwe grieven. Daarnaast had ik het gevoel dat de situatie waarin ik zelf verkeerde niet heel anders was dan die van Farouq. De manier waarop ik me presenteerde ? als donkere, ernstige, eenzame vreemdeling ? maakte me tot een mikpunt voor degenen die in het geweer kwamen voor Vlaanderen. Op de verkeerde plek kon ik voor een verkrachter worden aangezien, een ?Viking?. Terwijl degenen die deze woede met zich mee droegen zich nooit zouden realiseren hoe gemakzuchtig dat was. Ze hadden geen besef van de banaliteit en zinloosheid van hun agressie, uit naam van een monolithische identiteit. Die onkunde was iets wat verontwaardigde jonge mensen van over de hele wereld met elkaar deelden, en met de oude, machtige politici die meesters waren in de retoriek. En na dat gesprek besloot ik dus voor de zekerheid niet meer laat op de avond van die lange wandelingen te maken door Etterbeek. En in de stillere wijken bezocht ik geen caf?s en familierestaurants meer waar alleen blanken kwamen.
177. U bent hier lang weg geweest, dus in die zin bent u absoluut geen doorsnee-Belg, maar ik vraag me af wat uw reactie is op wat een vriend kort geleden tegen me zei. Hij beschreef Belgi? als een land waar Arabieren het moeilijk hebben. Wat die vriend vooral zo zwaar valt, is om hier te wonen en tegelijkertijd zijn eigen identiteit te behouden, zijn achtergrond. Denkt u dat hij daarin gelijk heeft? Ik weet niet of u het nog weet, maar in het vliegtuig zei u tegen me dat Belgi? kleurenblind is. Maar Farouq, die vriend, woont hier nu zeven jaar, en zijn ervaringen lijken daarmee in tegenspraak. Ik meen zelfs dat ze op de universiteit zijn scriptie hebben afgewezen, alleen maar omdat hij schreef over een onderwerp waarmee de beoordelingscommissie zich niet op haar gemak voelde. Ze had nog geen hap genomen van haar waterzooi. Ze bleef maar brood kauwen en haar antwoord op mijn vraag klonk mat. Moet je luisteren, ik ken dat type wel, zei ze; jongemannen die doen alsof de wereld ze iets heeft aangedaan. Daar kleeft een groot risico aan. Mensen die het gevoel hebben dat alleen zij het moeilijk hebben gehad, dat is echt gevaarlijk. De wrok die zulke mensen koesteren, dat vraagt om problemen. Onze samenleving heeft deze mensen opgenomen, maar als ze eenmaal hier zijn, hoor je ze alleen maar klagen. Waarom zou je naar een andere plek verhuizen, alleen maar om te laten zien dat je heel anders bent? En waarom zou zo?n samenleving op je zitten te wachten? Maar als je al zo lang geleefd hebt als ik, dan begrijp je dat er oneindig veel verschillende problemen zijn op de wereld. Iedereen heeft het moeilijk. Ik knikte. Maar het zou anders zijn, zei ik, wanneer u het van hem hoorde. Hij is geen klaagtype, en ik geloof niet dat hij vol wrok zit, niet echt. Volgens mij voelt hij zich oprecht gekwetst. Nou, dat zal heus wel, zei ze, maar als je te zeer zwelgt in je eigen verdriet, dan vergeet je dat ook anderen verdriet hebben. Het is niet voor niets, zei ze, dat ik uit Belgi? vertrok en een nieuw leven wilde opbouwen in een ander land. Mij hoor je daar niet over klagen en om eerlijk te zijn heb ik maar weinig geduld met mensen die dat wel doen. Jij bent zelf toch ook geen klaagtype?
210. Tegen de tijd dat Vietnam een rol ging spelen, leverde dat een ander soort spanning op, dat wil zeggen, voor degenen onder ons die mentaal betrokken waren geweest bij Korea. Vietnam was een mentaal gevecht voor jongeren, voor de generatie na ons. Je ervaart zoiets maar ??n keer, hoe zinloos een oorlog kan zijn. Je vult je hoofd met al die plaatsnamen, al die nieuwsberichten. Dat overkwam me niet in de Tweede Wereldoorlog, dat was een andere ervaring, veel eenzamer, veel moeilijker. Maar in 1950 leefde ik op de universiteitscampus, als een vrij man, zodat Korea me veel dieper raakte. Halverwege de jaren zestig was de chaos van de oorlog niets nieuws meer voor mij. En nu, deze oorlog, dat is een mentaal gevecht voor weer een nieuwe generatie, jouw generatie. Er zijn namen van steden die bij jou een enorme afschuw wekken, omdat je geleerd hebt die namen in verband te brengen met gruweldaden, maar voor de generaties na jou zullen die namen nietszeggend zijn: het duurt niet lang voordat zoiets vergeten is. Fallujah zal hen net zo weinig zeggen als Daejon jou.
252. Mijn taak, om het maar eens gewichtig uit te drukken, was de gekken te genezen. Als het me niet lukte ze te genezen, wat vaker het geval was dan niet, probeerde ik ze te leren met hun problemen om te gaan. Gedurende mijn hele studietijd had ik mijn best gedaan dat nobele streven niet uit het oog te verliezen, het ideaal dat ten grondslag lag aan de wetenschap en aan onze medische praktijk. Dat waren natuurlijk volstrekt persoonlijke motieven, en een van de eerste lessen die ik als student in de Geneeskunde had geleerd, was dat het totaalplaatje werd opgeofferd, meer uit gewoonte dan uit noodzaak, aan de kleine details. Er werd ons geleerd de filosofie te wantrouwen; onze docenten gaven de voorkeur aan een krachtige neurotransmitter, het analytische kunstje, de chirurgische ingreep. Holisme, daar keken veel docenten op neer, en de beste studenten volgden daarin hun voorbeeld. We leefden allemaal heel erg mee met het leed van onze pati?nten, maar voor zover ik wist, was ik een van de weinigen die voortdurend nadacht over de ziel, of zich zorgen maakte om de plek die deze innam in de zo zorgvuldig geijkte feitenkennis. Ik zat onwillekeurig vol twijfels en vragen. Na drie jaar assistent in opleiding te zijn geweest leverde de behandeling van de meeste pati?nten nog maar weinig problemen voor me op. Aan het begin was het allemaal heel overdonderend geweest, een zee van kennis die ik nooit zou kunnen beheersen, een weg vol gevaren en potentieel gemiste kansen. Maar schijnbaar van het ene op het andere moment ontdekte ik dat ik een bekwaam psychiater was. En er stond me ook beter voor ogen wat ik wilde, naar wat voor betrekking ik wilde solliciteren, wie ik om een aanbeveling wilde vragen. Ik had gaandeweg de ambitie opgegeven om me aan de wetenschap te wijden en onderzoek te gaan doen, en in plaats daarvan stelde ik me een toekomst voor in een groot, niet-academisch stadsziekenhuis, of misschien in een kleine praktijk, ergens in de voorstad. Zoiets leek me prima, want in feite had ik absoluut geen trek in de onderlinge rivaliteit die de wetenschap met zich meebracht.
289. De signatuurleer is ons bekend in gedegenereerde vorm: frenologie, eugenetica, racisme. Maar in de tijd van Paracelsus lag de gevoeligheid voor de wisselwerking tussen de innerlijke geest en de uiterlijke materie ook ten grondslag aan het succes van talloze kunstenaars, vooral op het gebied van het Zuid-Duitse houtsnijwerk. Door veel aandacht te besteden aan de eigenschappen van het hout en zich af te vragen hoe die eigenschappen vertaald konden worden in expressieve sculpturen, cre?erden zij kunstwerken van blijvende waarde, precies van het soort dat stond opgesteld in de kamers en de galerijen van het Cloisters Museum. Riemenschneider, Stoss, Leinberger en Erhart gebruikten hun diepgaande materi?le kennis van het lindehout in de manier waarop ze het bewerkten, en hun pogingen de aard van dat materiaal te koppelen aan de uiterlijke vorm, hoe ambachtelijk ook, is eigenlijk wel te vergelijken met de diagnostische inspanningen van een arts. Dat geldt zeker voor de psychiaters onder ons, die externe signalen gebruiken om op het spoor te komen van een innerlijke realiteit, zelfs als de relatie tussen die twee niet altijd even duidelijk is. Het resultaat dat we daarmee boeken is zo bescheiden dat het voor de hand ligt te denken dat onze tak van geneeskunde al net zo onderontwikkeld is als de chirurgie in de tijd van Paracelsus. Met die kruiden- en signatuurleer in mijn achterhoofd, had ik die dag geprobeerd aan mijn vriend uit te leggen hoe mijn idee?n over de psychiatrische praktijk zich ontwikkeld hadden. Ik vertelde hem dat ik elke pati?nt als een donkere kamer beschouwde, en als ik die pati?nt dan behandelde en daarvoor zijn kamer binnen ging, vond ik het van het grootste belang langzaam en voorzichtig te werk te gaan. Het stond me voortdurend voor ogen dat ik geen schade mocht aanrichten, de oudste van alle medische principes. Bij zichtbare aandoeningen heb je meer licht om bij te werken; de signalen dienen zich duidelijker aan en zullen je daardoor minder snel ontgaan. Maar in het geval van een psychische stoornis is het lastiger een diagnose te stellen, want zelfs de krachtigste symptomen blijven soms buiten beeld. Dat alles is vooral zo ongrijpbaar omdat we onze informatie ontlenen aan de psyche zelf, die in staat is zichzelf voor de gek te houden. Wij artsen, zo hield ik mijn vriend voor, zijn afhankelijk van wat de pati?nt ons vertelt, veel meer dan als het om lichamelijke kwalen gaat. Maar er is niets aan te doen: de lens waardoor we de symptomen waarnemen is van zichzelf al symptomatisch. De geest kan zichzelf niet in zijn geheel doorzien, en het is moeilijk erachter te komen waar de ondoorzichtige plekken nu precies zitten. Volgens oogheelkundigen bevindt zich achter in het oog een blinde vlek, waar de oogzenuw met zijn misschien wel miljoenen zenuwcellen het oog verlaat. Precies op de plek waar een te grote opeenhoping is van neuronen die betrekking hebben op het zicht, houdt het zicht op. Al heel lang, zo herinner ik me indertijd tegen mijn vriend te hebben gezegd, had ik het gevoel dat de blinde vlek van werkers in de geestelijke gezondheid, en dan vooral van psychiaters, zo groot was dat die het zicht grotendeels belemmerde. Wat we wisten, hield ik hem voor, was heel veel minder dan alles wat in duisternis gehuld bleef, en die gigantische handicap was wat het vak zo aantrekkelijk ?n frustrerend maakte.
295. Ieder mens moet zichzelf wel als ijkpunt nemen voor wat normaal is, waarbij hij ervan uitgaat dat zijn eigen geest hem niet geheel en al duister is. Misschien is het dat wat we bedoelen met ?geestelijk gezond?: we hebben misschien wel wat eigenaardige trekjes, maar in onze eigen verhalen spelen we niet de schurkenrol. In zekere zin geldt zelfs het tegenovergestelde: we spelen de heldenrol, voor minder doen we het niet, en te midden van die stortvloed aan andermans verhalen, voor zover die ons zelfs maar interesseren, zijn we nooit minder dan heldhaftig. Wie heeft in dit televisietijdperk nog nooit voor de spiegel gestaan om zich voor te stellen dat zijn leven een show is, met misschien al miljoenen kijkers? Wie heeft nog nooit, met dat idee in zijn achterhoofd, iets theatraals gedaan in zijn dagelijks leven? Wij hebben het vermogen zowel goed als kwaad te doen, en in de meeste gevallen kiezen we voor het goede. Doen we dat niet, dan zullen wij en ons denkbeeldig publiek zich daar niet aan storen, want we kunnen het voor onszelf uitleggen, en vanwege de eerdere keuzes die we hebben gemaakt genieten we toch al onze sympathie. Het publiek denkt graag het beste van ons, en niet zonder reden. Als ik vanuit mijn eigen standpunt het verhaal van mijn leven overzie, zelfs zonder te beweren dat ik er zulke hoog- staande normen en waarden op na hou, ben ik ervan overtuigd dat ik het goede als leidraad heb genomen. Dus wat wil het in zo?n geval zeggen als ik de schurk ben in het verhaal van een ander? Onbetrouwbare verhalen ? het product van een onbetrouwbare herinnering, of een onbetrouwbare verteller ? zijn niets nieuws voor me, want ik hoor ze maar al te vaak van pati?nten. Ik ken de vertelsels van mensen die altijd iemand anders ergens de schuld van geven, mensen die niet kunnen inzien dat zijzelf de rode draad zijn in het verhaal van al hun slechte relaties, in plaats van de ander. Er zijn bepaalde karakteristieke trekjes waarmee ze zich verraden.