Archief
Onze wensen voor 2009 en later…
Zoals bij een eclips
kunnen wij zelf bepalen
waar Licht heerst
en waar Duisternis.
Dat wensen wij jullie voor 2009 en later…
Zoals bij een eclips
kunnen wij zelf bepalen
waar Licht heerst
en waar Duisternis.
Dat wensen wij jullie voor 2009 en later…
Peter Sloterdijk, Het heilig vuur, over de strijd tussen jodendom, christendom en islam. uitg. Boom
Peter Sloterdijk analyseert het Heilig Vuur waarmee de monotheïstische godsdiensten zich door de eeuwen heen hebben gepresenteerd aan de gelovigen, de ongelovigen, de andersgelovigen en de ketters.
‘Het heilig vuur’ is de moeite van het spellen waard: spits, diepgravend, verrassend – Mozes als volgeling van Achnaton – maar met een erudiete weging van de betekenissen van religies.
De enige haalbare oplossing volgens Sloterdijk is afstand doen van de fanatieke aspecten van het universalisme en zelf veranderen in cultuurreligies zonder godsdienstijver, zoals we sinds de XVIIIde eeuw bij het liberale jodendom hebben gezien, sinds de XIX de eeuw bij de grote meerderheid van de protestantse kerken en sinds het Tweede Vaticaanse Concilie bij de liberale stromingen van het rooms-katholicisme. Vergelijkbare ontwikkelingen kent de islam, vooral in Turkije sinds 1924, maar eveneens in de westelijke diaspora, waar het altijd raadzaam is zich te presenteren als een godsdienst die de dialoog aankan. (125)
14. Zolang men het heftige aan een transcendente oorsprong blijft toeschrijven, is het onmogelijk om in te zien dat iets wat als van buitenaf ingegeven kracht wordt beleefd, voortkomt uit een psychosemantisch getransformeerde werkzaamheid van het eigen organisme tijdens extreme stress – wat in vele gevallen misschien ook voor de profetische vervoering geldt.
22. In dit opzicht moet een flink deel van de huidige massacultuur, en dan vooral de buitensporige kant hiervan, aan een onuitgesproken contrareformatie worden toegeschreven: zij heeft de weg vrijgemaakt voor de veelbesproken ‘ terugkeer van de religie’ . Bij alle projecten om de passiviteit te herstellen gedraagt de wil om te geloven zich als een verlangen naar overweldiging.
56. Formeel gezien kunnen we de verhouding van het jodendom tot beide opvolgreligies als een spirituele voorafschaduwing van de asymmetrische oorlog opvatten. (…) De joods positie komt overeen met die van een guerrillabeweging die haar steeds weer bereikte niet-nederlaag als noodzakelijke, zij het niet voldoende voorwaarde voor haar overwinning bijschrijft.
63. (…) het christendom heeft vaak zelf het kwaad aangewakkerd waarvoor het vervolgens de verlossing aanbood.
68. (…) de riskante ingesteldheid van het universalistische militantisme. We zien daaruit bijvoorbeeld hoe snel het ongecontroleerde universalisme in een fascisme van het goede uitmondt. (…) niet het doel heiligt de middelen, de middelen zeggen de waarheid over de doelen.
95. ‘ Spreken wil zeggen: met het lichaam van de ander spelen. Alfred Tomatis.
Het Museum Dr. Guislain en het Filmfestival Gent presenteren:
Het Spel van de Waanzin, over gekte in film en theater
nog tot 12 april 2009
Naar goede jaarlijkse gewoonte heeft het Museum Dr. Guislain een ferme tentoonstelling met ‘ Het spel van de waanzin’. Eens e meer wordt duidelijk gemaakt hoe dun de grens is tussen het menselijke spel van waanzin en wijsheid. Waan of wijs is vaak afhankelijk van de positie waarin de speler zich bevindt. Hij of zij kan dit zelf kiezen of wordt vaak gedwongen coördinaten in te nemen waaraan belangrijke voor- en nadelen verbonden die bij de keuze niet altijd even duidelijk lijken.
Waanzin is taboe, maar fascineert mateloos. Deze dubbelzinnige houding zet aan tot spel: we fantaseren, ontvluchten en dollen er op los. Het spel van de waanzin verkent de gespeelde gekte in filmfragmenten, beelden van theaterstukken, historische schilderijen, miniatuurtheaters, art brut en hedendaagse kunst. Archetypes als de nar, de hysterische vrouw, de gekke dokter, de gestoorde vorst en de gevaarlijke gek passeren de revue.
Herkennen wij geen aspecten van onszelf in deze stereotiepe gekken? Er wordt zowel gefocust op het theatrale van de waanzin als het therapeutische van het theater. De scène wordt belicht als een plaats voor gekte, ritueel en genezing.
Werk van velen wordt gepresenteerd als illustratie: James Ensor, Jan Fabre, Hugo Claus, Fernand Khnopff, Dirk Braeckman, Jack Nicholson, Dirk Roofthooft, David Lynch, Jan Vercruysse, Julien Schoenaerts, Koen Broucke, Ger van Elk, Guy Cassiers, Johan Dehollander, Woody Allen, Alain Platel, Ingmar Bergman, Eric De Volder, Guy Van Bossche, Abattoir Fermé, Henry Darger, Pedro Almodovar, Lemm & Barkey, …
De catalogus bij Roulartabooks is de moeite.
Nog tot 29 maart 2009 kan je in de Sint Pieters Kunsthal te Gent een adembenemende tentoonstelling van Vlaamse wandtapijten bezoeken in zalen en zaaltjes, langs trappen en treden op en neer en heen en weer, maar overal schitterend gepresenteerd als het toppunt van Europese chique uit de XV en XVI de eeuw.
De tentoonstelling ‘ Vlaamse wandtapijten voor de Bourgondische hertogen, keizer Karel V en koning Filips II’ is een van de eerste verzamelingen met audiovisuele toelichting – doch zonder catalogus – die zo knap wordt uitgelicht. De begeleidende muziek is mooi, de achtergrondgeluiden lachwekkend en sommige stukken audiotekst tenenkrullend.
Maar al bij al vergaap je je als bezoeker aan een luxueuze ambulante vorm van wandversiering die aan de grootste Europese hoven eeuwenlang de ultieme uiting van goede smaak en fenomenale rijkdom bleef.
In barre omstandigheden heb ik honderden van deze immense tapijten gezien in eindeloze gangen van gereputeerde musea in Frankrijk, Italië, Duitsland, Spanje en België met een droefgeestige belichting van flets verbleekte kleuren. Dit is in niets te vergelijken met wat en hoe in de Gentse Sint Pieters Kunsthal wordt gerealiseerd.
Bezoekers krijgen er zelfs een filmpje bij over deze unieke en dure weeftechnieken die eeuwenlang fortuinen naar de weefcentra in Brussel, Oudenaarde, Gent, Brugge, Mechelen en Doornik draineerden.
Flanders Technology van toen, nooit meer geëvenaard.
Op internet bij Klara hoor je boeiende toelichtingen.
http://users.telenet.be/geertW/Site%20Wandtapijten/Home.html
http://www.klara.be/cm/klara/2.1410/1.49698
http://www.klara.be/cm/klara/2.1410/1.48950-behang-van-de-bourgondi%25C3%25ABrs
http://www.klara.be/cm/klara/2.1410/1.47932-vlaamse-wandtapijten-in-chicago
Brussels Biennial nog tot 4 januari 2009.
Niets, niets, maar dan ook werkelijk niets van wat er in het kader van deze Brussels Biennial vertoond wordt, is de moeite om je doorheen het ijzige postsorteercentrum aan het Zuidstation te slepen.
Of het zou de ‘Once is nothing’ grap moeten zijn waarmee de derde verdieping van deze vergane glorie opent, een lang verhaal om de ondraaglijke lichtheid en de futiele ruis van de manmoedige borstklopperij als een prestatie te presenteren aan de argelozen die erin getrapt zijn om 10 Euro op te hoesten naast een gidsenfee om een verzameling bijeengeraapte flauwe kul van heinde en verre te beleven:
‘Once is Nothing is een reeks paradoxen. Het is een tentoonstelling die gebaseerd is op een vorige tentoonstelling. Bijna leeg maar toch vol herinneringen en geschiedenis. Een nieuw project en een herhaling van iets dat al gebeurd is. Het vraagt de kijkers om wat te treuzelen en kan in enkele ogenblikken bekeken worden.
Once is Nothing is gebaseerd op Individual Systems met Igor Zabel als curator op de 50ste Biënnale van Venetië in 2003. Vijf jaar geleden richtte dit statement van de curator zich op de relatie tussen artistiek impresariaat en hedendaagse wereldwijde systemen. Hier is Individual Systems gereconstrueerd via een interpretatie van de architectuur door kunstenaar Josef Dabernig, de originele ontwerper. Toch zijn de werken uit de tentoonstelling fysiek afwezig. Deze afwezigheid is zowel een erkenning van het feit dat herhaling onmogelijk is als een ondermijning van de vraag naar eindeloze vernieuwing die je in de meeste kunstbiënnales aantreft. In de plaats van de werken is er een catalogus met beelden en teksten over beide exposities en een nieuw werk van Patrick Corillon. Elk nieuw element — tegelijkertijd verhelderend en raadselachtig — geeft een ander gedeeltelijk verslag van wat er gebeurde in 2003 en in de periode tussen toen en nu.
Once is Nothing is een poging om een pauze in te lassen in de stroom van kunstproductie en de consumptie ervan. Het vraagt aan de bezoeker zich te verbeelden wat er niet is. Tegelijkertijd biedt het een tastbare beleving van het gebouw, het uitzicht door de ramen, de architectuur en de verhalen die ze gecombineerd kunnen vertellen. Het is een uitnodiging om met deze elementen te spelen, een virtuele versie te creëren van wat hier geweest kon zijn of wat je zou willen zien.
Op de vraag om als kunstinstelling mee te werken aan een biënnale willen de BAK, basis voor actuele kunst (Utrecht) en het Van Abbemuseum (Eindhoven) een moment van reflectie over de kunst van vandaag creëren. Musea en kunstencentra houden zich vaak bezig met het bewaren van de herinnering en het herbedenken van dingen die voorbij zijn, een taak die in het algemeen afwijkt van die van de biënnales, die nieuwe dingen willen introduceren. Once is Nothing probeert deze verschillen tastbaar te maken en bovendien een verrassende beleving van kunst, architectuur, ruimte en tijd te bieden. ‘
Kortom je mag de invulling van de tentoonstelling bij ontstentenis van de werken zelf verzinnen. Allsezins een heel aparte belevenis.
Waarlijk verrassend is het bezoek aan het gebouw zelf en een blik door de versleten maar ooit afgrijselijk dure ‘thermopan’ glaspartijen van Glaverbel op de postmoderne gruwelen aan de Fosnylaan en het schuiven van de treindaken tussen de perronluifels van de ‘Midi’.
Tweetalige bordjes : ‘Bericht aan het personeel. Er wordt aan herinner dat ENKEL het technisch personeel de toelating heeft de zonneblinden te bedienen. De econoom’
En de handige waarschuwingen aan de liftdeuren: ‘Het is onontbeerlijk – te wachten tot de liftkooi het niveau bereikt heeft vooraleer de deuren te openen – alvorens in te stappen u te vergewissen dat genoemde kooi wel degelijk aanwezig is.’ als toemaatje bij de dreiging door de directie met zware tuchtstraffen voor wie de liftknoppen onrechtmatig indrukt.
Het zijn naast de lijsten met het ‘verlof’, de taalrol, graad, geboortedatum en dag van de indienststreding beklemmende getuigenissen van meer dan 40 jaar wel en wee in Brussel X. Modernisme in de Belgische ambtenarij.
In deze immense zalen was de hoogste betrachting het beklimmen van de cheffenkooi van waaruit de hele helse werkvloer als in een gevangenis te overzien was en van waaruit alle lopende banden met schakelaars en knoppen konden bediend worden, net zoals de chef van de Midi al zijn wissels vanuit een gelijkaardig commandocentrum beheerste. Hier de brieven, daar de treinen.
Mensenwerk op godenmaat.
Net zoals de architectuurelementen die in het Anneessens cultuurcentrum naast het gelijknamige metrostation midden de allochtone desolaatheid van de Brusselse grootstedelijke ellende. In de ondergrond van het Fontainasplein worden allerlei constructies geëtaleerd van ondermeer Luc Deleu en fragmenten uit Paul Otlets Mundaneum en Universele Decimale Classificatie. Artistieke architecten blijven in Brussel dromen van mensen als mieren of muizen die in een urbanistisch en architecturaal stramien gedwongen worden om gelukkig te zijn met een minimale ecologische afdruk.
De Nederlander Renzo Martens vertoont in het Postsorteercentrum een stukje van zijn filmische poging om lokale fotografen in Oost Kongo te helpen om gruwelfoto’s te maken voor Westerse persagentschappen en zo meer poen te beuren dan met huwelijksfotografie en ander fraais voor de eigen bevolking. Hij verspeelt zijn journalistenvergunning en de Mai Mai krijgers poseren alweer in groot ornaat voor de westerse fotografen: hoe meer ellende – desnoods zelf toegediende – hoe sneller en hoe langer de westerse hulpmachine draait. Een mooiere illustratie van Jean Brcimonts waarschuwing tegen ‘Humanitaire interventies’ is nauwelijks te bedenken.
En verder, verder, her en der nog een paar leu
Parijs 2008-2009: Futurisme in Beaubourg – Picasso in Le Grand Palais, Orsey en het Louvre – Van Dyck in Jacquemart André en Andrea Mategna in het Louvre
Futurisme in Beaubourg
In het Centre Pompidou te Parijs werd naar aanleiding van de honderdste verjaardag van hun blijde inkomst een tentoonstelling gewijd aan het Futurisme van het stelletje Italiaanse wonderboys die tussen sigaret en lippen in veel te grote jassen en met te korte beentjes onder hun aandoenlijke bolhoeden. Deze heren hanteerden de klepel en hingen hun visie op de kunst, de toekomst, snelheid en tijd aan de grote klok. Ze maakten soms schitterende schilderwerken waarmee ze vooral beweging probeerden te suggereren. Een ferme dynamische steen in de kikkerpoel die kringsgewijs uitdijde tot in het kubisme, Russisch suprematisme, constructivisme tot en met Bauhaus en minimal art.
Een klein maar niet onbelangrijk detail ontbreekt echter in deze tentoonstelling: de snelle lijn richting links en rechts fascisme is nergens te bekennen, hoewel dit spoor naar de onnoemelijke gruwelen van de maakbaarheididealen onmiskenbaar belangrijker is geweest dan het meeste gewauwel in de marge.
Kunststromingen met dergelijke alles nieuw makende manifesten zijn schitterend zolang het maar om te lachen blijft, zoals bij de surrealisten. Wanneer dit soort nieuwe dynamici zichzelf echter au sérieux nemen loopt het gegarandeerd fout.
Wanneer dergelijke omwentelingsmanifesten in de werkelijkheid worden opgelegd aan het levende mensenvee, draait dit op een bloederig drama uit, ongeacht de snelheid en de eeuwige beweging die gesuggereerd wordt.
Picasso et ses maîtres – Galeries nationales du Grand Palais – Orsay en het Louvre.
Een waarlijk schitterende tentoonstelling waar vaak heel treffend en pakkend duidelijk wordt hoe Picasso zijn klassiekers interpreteerde en onbevangen het gevecht aanging met hun en zijn eigen demonen.
“De wereld waarin Picasso rondzwierf was Dionysisch, onveilig gemaakt door saters en minotaurussen – het onheilspellende bestiarium dat het modernistische idealisme nooit heeft weten te verdrijven. Picasso erkende in Rembrandt een voorloper van zijn eigen gevaarlijke visuele intelligentie, die zich vrij kon bewegen tussen het esthetische gemak van het naakt en de rommeliger, sexier werkelijkheid van het naaktmodel: geëtste afbeeldingen van halfgeklede vrouwen die zich warmden bij het fornuis. Niets van die ontklede waarheid zou zich nog voordoen tot Manet en Degas.
Volgens Picasso en Matisse bestond er een zogeheten ‘keten’ die hun begrip van het modernisme verbond met bepaalde oudere meesters – Velázquez en Goya, maar ook Rembrandt – die begonnen waren met de taak om de kunst lastige vragen over haar eigen conventies te laten stellen: in dit geval de behaaglijke schoonheid van het naakt.” Simon Schama, De geest van Rembrandt, Vrij Nederland 5 mei 2007, p. 87
Waar ‘Malen gegen die Zeit ‘ vorig jaar in Dusseldorf een schitterend overzicht gaf van zijn gevecht met de tijd, wordt in Le Grand Palais de opbouw van Picasso’s meesterschap onthuld aan de hand van soms zeer frappante en adembenemende interpretaties.
De audiogids in het Nederlands geeft schitterende commentaren, maar de ongetwijfeld gediplomeerde kunstkenner van Noord-Nederlandse signatuur die aan het woord is, blijkt niet alleen niet in staat om de Franse titels en namen correct en verstaanbaar uit te spreken maar etaleert een schrijnend gebrek aan kennis van de kunsthistorische en klassieke canon.
Al hebben ze daar in Nederland graag de mond van vol.
De ontvoering van de [Sabins], [Ingres], [ Titsijen] met als topper de vertaling van ‘ventre’ als ‘maag’ in de reeks rondingen, borsten, heupen is onbegrijpelijk voor een tentoonstelling van dit niveau.
Overigens is het natuurlijk even onbegrijpelijk dat men in Parijs nog altijd niet door schijnt te hebben dat ook in Vlaanderen Nederlands wordt gesproken waarbij de uitspraak van Franse namen en titels en de vertaling van de teksten veel correcter door Vlaamse Nederlandstaligen gebeurt dan door Noord-Nederlanders.
Op deze tentoonstelling zie je waarom Picasso zoveel respect had voor Rembrandt, Velazquez, El Greco, Goya.
In het Musée d’Orsay ontleedt hij Manets “Déjeuner sur l’herbe” tot op het meest perverse bot.
Naast de onthulling van Manets perverse fantasieën loopt in Orsay overigens nog een ongelooflijke tentoonstelling van pasteltoppers.
In het Louvre volgt Picasso een vergelijkbaar procédé om ‘Les Femmes d’Alger’ van Delacroix grondig uit de wellustige doeken te doen.
Een boeiende verzameling met schitterende audiogids doch zonder mijn topper van Mategna: Lamento su Cristo Morte uit Milaan.
Het uitzicht op de omgeving van het Gonzaga kasteel van Mantua is fenomenaal bij La morte della vergine.
Antoon Van Dyck bij Jacquemart-André
Evenzeer de moeite van het aanschuiven waard net als een degelijke lunch of thee onder het plafond van Tiepolo
Niet zoals de grote Antoon van Dyck tentoonstelling te Antwerpen in 1999 maar toch ook een selectie schitterende portretten waarin hij de sprezzatura van zijn modellen subtiel bespeelt.
Frank Albers: Waar is de woede?
‘ J’Accuse…!’over het ontbreken van de woede in de kudde waar vrijheid heerst onder de ogen van de wolven in het bos en het gesnuffel van de herdershonden. In De Morgen van vandaag als opiniestuk en op de zeer aanbevelenswaardige Frank Albers’blog, dus zeker ook op Dupslog.
Er zijn dagen dat ik de wereld wil slaan.
Om zijn domheid.
Zijn kortzichtigheid.
Zijn machtsmannetjes.
Zijn hebzucht.
Zijn zelfgenoegzaamheid.
Geen erger weapon of mass destruction dan mijn soort.
De bom! De bom!
Ja, er is Beethoven en er is Shakespeare, antibiotica en het Louvre, algemeen stemrecht en Venetië – leve de dialectiek en ik hoor u alweer Walter Benjamin citeren. Maar niettemin.
Quo usque tandem abutere, Capitalista, patientia nostra? Het wordt met de dag hemeltergender: hoe politici in dit halfrond er niet in slagen ook maar één originele gedachte te ontwikkelen die een zweem van een glimp van een schijn van een fractie van een oplossing zou kunnen bevatten voor de economische epilepsie-aanval die de wrede vrije markt andermaal – voor de zoveelste keer al in de geschiedenis – heeft uitgelokt.
De zoveelste depressie van dit manische systeem.
Hoe de diagnose ook luidt, de remedie is altijd dezelfde: more of the same.
Geleuter over centen en procenten.
Het denken achter de komma.
Morrelen, schipperen, neuzelen.
Maar uiteindelijk: geen millimeter spatie tussen feit en wens.
Meer dan ooit zijn politici de handlangers van krachten die ze nauwelijks doorgronden en al helemaal niet beheersen. Strandjutters. Ijdele slaven die zich schminken in de glans van hun boeien. Meer dan ooit is politiek de bezemwagen die achter de feiten aanrijdt. We hebben geen keus! jammert het gilde al maanden. En dus doet het wat het zegt te moeten doen: lief zijn voor Freddie en Fannie, plots instortende banken stutten, fors lenen, btw en rentevoeten verlagen, de begroting een beetje in het rood laten gaan – en als er geen geld meer is, dan drúkken we geld. Allemaal noodgrepen binnen de logica van een systeem, dat precies door diezelfde logica deze problemen over zich heeft afgeroepen.
“Het kan niet de bedoeling zijn dat de winsten geprivatiseerd worden en het verlies gesocialiseerd,” aldus de hoofdredacteur van The Economist vorig weekend in De Morgen. Dat is me dunkt wel degelijk de bedoeling van sommigen, en dat is in ieder geval wat nu ophanden is. Zoiets zou in een minder comateuze wereld een gevaarlijke volkswoede uitlokken. Maar niet in onze beste aller mogelijke werelden, waar niemand buiten de sjablonen denkt. Ik vraag me af hoe slecht slecht nieuws moet zijn om vadsig Europa nog tot enige vorm van opstand te kunnen bewegen.
Ondertussen marcheert het parmantige volkje der commentatoren en opiniemakers en columnisten achter de feiten aan, als de muziekkapel over het dek van de Titanic. Kweelde diezelfde hoofdredacteur van The Economist in zijn debardeur: “Kapitalisme is een goede zaak. Daar zou zelfs geen discussie over mogen bestaan. Het einde van de vrije markt zou pas echt een wereldramp zijn.” De journalist als cheerleader. Opsluiten moesten ze zo’n man. Uithongeren. De vrije markt is een catwalk in een mijnenveld. De beurs is een machtiger en wispelturiger sfinks dan het Grieks orakel ooit is geweest. Vergeleken bij Wall Street is Lourdes een sciëntistisch bolwerk. Maar geen politicus – van groen tot donkerbruin – die de macht van de sfinks fundamenteel in vraagt stelt. Dat is wat deze financiële en economische crisis zo schrijnend duidelijk heeft gemaakt: de politieke klasse heeft geen macht, geen ideeën, geen lef. Boven het bidet van het parlement spoelt de vrije markt haar kut.
Pijnlijk ook, hoe zo’n hoofdredacteur een systeem bejubelt waarvan de logische gevolgen momenteel in zijn eigen vakgebied een kleine ravage aanrichten. Niet onder hoofdredacteuren wellicht. (Misschien moesten persbedrijven in moeilijkheden, voor ze aan het infuus van de overheidshulp gaan, eerst maar eens hun loonschalen publiceren. Het afvijlen van een paar toplonen zou wellicht enige C4’tjes kunnen schelen.)
En dan de intellectuelen. De schrijvers. De kunstenaars. De filosofen. Het danst en het tobt en het kliedert en het schrijft zijn schriftjes vol, naarstig, vlijtig, braaf. Het vent zijn gesubsidieerde onbehagen, het moppert obligaat, me quoque, en hoopt stiekem op een prijsje. De vrome schlagerzangers der cultuurkritiek, wie maalt nog om hun rebelse refreintjes? Als een minister van Buitenlandse Zaken de subversieve kracht van de kunst gaat loven, zoals Karel De Gucht vorige zaterdag in deze krant deed, dan weet je hoe het met de subversieve kracht van de kunst gesteld is.
Nergens zie ik echte woede. Nergens leidt deze diepe en alomvattende crisis tot een diepgaande culturele introspectie, nergens groeit uit het puin een politiek significante tegenbeweging. How many times can a man turn his head, pretending he just doesn’t see? kraste Bob Dylan ruim veertig jaar geleden. Het is nog steeds een open vraag.
Per Olov Enquist, De uittocht der muzikanten. Uitg. Anthos 2008 – 1978
Flapteksten ruiken vaak naar flapdrollen van een ondraaglijke lichtheid.
Bij ‘ De uittocht der muzikanten’ bestaat het de uitgever om in de flaptekst te vermelden:
‘ De uittocht der muzikanten draait om de lotgevallen van de familie Markström, in het dorp Hjoggböle in Noord-Zweden, waar Enquist zelf is opgegroeid. De wereld aan het begin van de twintigste eeuw wordt gekenmerkt door grote sociale veranderingen. Wanneer de sociaaldemocratische activist Elmblad naar het duistere noorden afreist om zieltjes te winnen, stuit hij in Hjoggböle op een muur van verzet. De bewoners weigeren pertinent tot slachtoffer gemaakt te worden.’
Dit vraagt om meer. Waar zou Enquist deze interpretatie vandaan hebben?
We kennen hem als een van de grootste schrijvers van de laatste decennia. ‘Het bezoek van de lijfarts’ en ‘ De reis van de voorganger’ zijn onmisbare meesterwerken voor wie een poging wil ondernemen om het werkingsmechanisme te begrijpen van politiek en ieder spel van en met de macht. Enquist heeft dit in zijn eigenste bloed en lymfe onderzocht en neergeschreven, beklijvend reëel en beklemmend universeel.
Maar hoger flaptekstepitheton voor de bewoners van het Zweedse hoge noorden is veel te veel eer. De bewoners herkennen zich als slachtoffers, leven als offerdieren en de energiekste onder hen beseffen dat niets hen bindt aan de directeuren van de houtzagerijen die hen te pas en te onpas minder wensen te betalen voor het werk dat ze leveren.
Enquist weet als uit eerste en eerlijke bron het leed en de angsten, het verlangen en de twijfelende ellende van socialistische en christelijke beroepsagitatoren te presenteren die een besloten bevolkingsgroep van buitenaf proberen te confronteren met de wereld erbuiten als spiegel voor het cultiveren van de in zichzelf gekeerde gemeenschap.
Enquist onderzoekt de twijfels bij de socialistische activist Elmblad die als beroepsagitator, een Stockholmer – een groter scheldwoord is nauwelijks denkbaar in de diepgelovige kustdorpen – de arbeidende klasse in het achterlijke noorden moet zien te organiseren voor kleine en grote stakingen. Maar ze verkiezen al te vaak verder te eten uit de hand van de meester al schragen ze zichzelf met een arbeidsethos dat hen belangrijker heet dan een passend loon: zij zijn niet lui, zij doen hun werk goed en degelijk. Aan het miskennen van hun arbeidsinzet en -ethiek tillen ze veel zwaarder in de eerste arbeidsconflicten dan aan het verminderde loon.
Enquist peilt de positie van de vrouwen die alleen het geloof en het gezin recht proberen te houden terwijl hun mannen bij gebrek aan lokale werkgelegenheid elders stakingsbreker of migrant spelen.
Al is dit een van zijn eerste boeken – nu pas vertaald in het Nederlands – je merkt hier al goed tot welk literair onderzoeksniveau Enquist zijn werk zal voeren.
Flaptekstschrijvers bij uitgeverij De Geus proberen van het aureool van Enquist te profiteren door hun Agneta Pleijel met ‘ De chirurgijn van de koningin’ te lanceren als ‘ een roman in de geest van P.O. Enquist Het bezoek van de lijfarts en Patrick Süskinds Het Parfum’
In de geest van… een geest uit een lege fles waar op bijna karikaturale wijze het nochtans zeer boeiende conflict tussen chirurgijn-gynecoloog Herman Schutzer en de artsen aan het Zweedse Hofuit uit de doeken wordt gedaan.
Dit heeft niets te maken met het werk van per Olov Enquist, noch naar de soevereine geest noch naar de indringende vorm.
233. (…) hoewel ze nooit wilde toegeven dat ze bang was, (…) preekte ze steeds over voorzichtig zijn. (…) je moet je nooit op iets voor laten staan. Je moet niet geloven dat je iets bijzonders bent. Wees voorzichtig. Sa ooit borg voor iemand. Wees voorzichtig met je naam. Wees eerlijk. Schrijf nooit je volle naam neer als je iemand schrijft. Dat kan zich tegen je keren.
242. Elmblad had gezegd dat de Vrijzinnigen een prop in de aars van de arbeidersbeweging waren. Zolang die prop er zat hoefde je een deel van de stront niet te zien, maar zo kon je niet tot in alle eeuwigheid doorgaan. Hoe eerder de prop verdwenen was, hoe beter.
273. Ik kreeg de indruk dat hij zich de geschiedenis had voorgesteld als iets wat zich buiten hem om afspeelde, bij anderen: een ware lutherse, nederige instelling. En of het alleen mogelijk was de grote richting waarin wij ons allemaal bewegen te begrijpen als je je blik van het centrum afwendde en die verlegde naar de kleine, onmerkbare, gegeneerde, discrete, verborgen en onwillige veranderingen bij de anderen, zij die deden of ze de richting niet veranderden, maar het duidelijk wel deden. Zo kon je de geschiedenis beschrijven en als een fantasieloze boekhouder nauwgezet al die vrome, toegenegen, niet zo volmaakte, machteloze buitengeslotenen optekenen die zich vergevensgezind tot hun onderdrukkers wendden en verontwaardigd ontkenden slachtoffer te zijn. Uitg. Anthos 2008 – 1978
Monaldi & Sorti, Het ei van Salaì. Uitg. Cargo 2008
Salai blijft de recalcitrante spring in ‘t veld voor jonge vrouwen die als hulpje en pleegzoon dienst doet bij Lionardo da Vinci die door het auteurskoppel Monaldi & Sorti in hun eerste ‘ Twijfel van Salai’ ontdaan werd van zijn mythische proporties.
Beide Italiaanse sterauteurs geven hem in ‘ Het ei van Salai’ de kans om deskundig komaf te maken met de officiële mythologie rond de ontdekking van Amerika door Columbus.
Monaldi & Sorti gebruiken Salai’s verhaal om een van de zoveelste ideologische en politieke geschiedvervalsingen radiologisch door te lichten.Ze baseren zich daarbij op de fameuze kaart van Martin Waldseemüller uit 1507 waarop voor het eerst een volledige omtrek van de nieuwe wereld wordt afgebeeld, ook al was tot dan geen van de nieuwe ontdekkers ooit de hele kustomtrek langsgevaren, laat staan dat een van hen al de westkust van de beide Amerika’s zou hebben kunnen waarnemen.
De Universalis Cosmographiae van Waldseemüller – sinds 2003 bewaard in The library of Congress in Washington – is een drukwerk uit de Elzas, meer bepaald bleek de naam ‘Amerika’ een uitvinding van de kanunniken en wetenschappers van St Dié-des- Vosges, zoals de franse historicus Albert Ronsin enkele jren gelden aantoonde.
Monaldi & Sorti gaan verder naarstig op zoek naar de geschiedenis die zich heeft afgespeeld achter het officiële decor waar een belangrijke machtsstrijd van bij het begin van de renaissance wellicht tot vandaag zijn consequenties als een slagschaduw voor zich uitwerpt. Fascinerend, adembenemend, soms hilarisch, vaak angstaanjagend. Geconfronteerd worden met de werkelijkheid achter de Venetiaanse spiegel is niet altijd geruststellend en alleszins een weinig narcistische belevenis voor de lezer.
In een moeite door krijg je in glimp van de rechtspraak in Florence aan het begin van XVI de eeuw en wordt met een knappe verteltruck het raadsel van het ei onthuld tot de collocatie van lijf en leden, van woord en daad, van geest en gal. En dus nog ruimte zat voor nog vele vervolgverhalen, al mogen we hopen dat die minder recitatief zullen klinken in baldadig woordgebruik en vermoeiden seksuele spelletjes.
De geest – zelfs bij een perverse en perfide lezer – wil immers ook nog wat.