Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Patrick Süskind Parfum, na de literaire nu ook de filmische waan: 'Perfume, the story of a murderer'.

29 oktober 2006

Door een spijtige vergissing in de verkeerde zaal van Utopolis terecht gekomen en in plaats van ‘Children of men’ van Alfonso Cuaron: 2,5 uur lang een verfilming van Süskinds Parfum mogen aanschouwen. En ach, het werd 20 jaar geleden door menig competent lezer en criticus aanbevolen als een knap boek en ik moet er ooit stukken uit geproefd hebben, al was het me niet echt bijgebleven, wellicht omdat ik in die tijd nog teveel afscheid aan het nemen was, van de wapenen en andere ondeugdelijke praatjes, die bij nader toezien toch de basis vormden voor Patrick Süskinds ‘Parfum’.

Dus doorstond ik deze film tot het bittere einde.

Doorstaan wegens een eindeloos beeldorgasme ter compensatie van zoveel verloren geuren.

Bitter door de Reichiaanse fabels die Süskind de lezer en producer Eighinger met regisseur Tykwer de toeschouwer aansmeerde.

Het leek wel de theorieën van de oude socialistische psychopatholoog Wilhelm Reich, revisited. En dat meer dan een halve eeuw na datum.

Want in den beginne was immers het orgasme. Reichs ‘orgonentheorie’ claimde menselijk geluk door het herstellen van de energiebalans met de kosmos. Hij ontwierp er zelfs accumulatoren voor waarbij de essence werd geconcentreerd die eenieder een goed orgasme zou kunnen bezorgen. Volgens Reich hing goed voelen en geluk samen met op tijd en stond een optimaal orgasme, dank zij een shot van zijn orgonenconcentraat. Wanneer Reich reeds in 1927 de collegae psychoanalytici deelachtig maakte aan zijn ontdekking en op die manier ongewild de richting aangaf voor de latere stralende toekomst van de psychofarmaca, keerden de Freudianen hem de rug toe. Zij begrepen toen reeds dat de meesterlijke kunst er niet in bestond een oplossing te vinden, maar wel te blijven zoeken, in, met en rondom de patiënt.

Maar Wilhelm Reich liet zich niet afschrikken door de naijverige collegae en vertrok naar de Verenigde Staten waar hij na dertig jaar megalomane therapieën en paranoà?de onderzoeken ten onder ging in een Amerikaanse gevangenis.

Hij had de link gelegd tussen seksualiteitsbeleving en gedrag, ook groepsgedrag en zag een parallel tussen de klassenstrijd voor een communistische maatschappij en de bevrijdingskracht van zijn orgone-theorie.
Süskind ziet de parallel in de geuren, de ultieme olfactorische bevrediging van de oudste limbische systemen in onze hersenen.

Als metafoor kan dit natuurlijk tellen. Hoe manipuleer je een massa mensen via geuren, via beelden, via orgone-medicijnen? En hoe krijg je mensen zover dat ze je daarin gelukzalig volgen?

Ook Michel Houellebecq die in zijn werk op zoek gaat naar een ultieme toekomst voor menselijk geluk en bijaldien voor de  hele mensheid, loopt zich vast in de emotieloosheid, de finale en eindeloze of uitzichtloze bevrediging.

En daar vergissen ze zich. Onze tijdsbeleving is van die aard dat we ons bekennen tot het heen en weer, het op en neer, het ritme van de zon en de maan, de bipolariteit van water, enzovoort enzoverder.

Bijgevolg is er geen hoop op ultiem noch blijvend, en is een vergelijkbaar streven een maakbaarheidsillusie.

In 'Voorbij Goed en Kwaad' schrijft Friedrich Nietzsche: '?In de mens zijn schepsel en schepper verenigd.” En hij raadt zijn medemensen dan ook aan 'zo te leven dat je wenst steeds opnieuw te leven.' Nietzsche legt in 'De Vrolijke Wetenschap' met grote vaardigheid de vinger op de wonde: '?Wanneer jullie je eigen lijden zelfs geen uur op je wilt laten drukken en aanhoudend alle mogelijke ongeluk reeds lang van tevoren voor zijn, wanneer jullie leed en onlust in het algemeen ervaren als slecht, verfoeilijk, vernietigingsaardig, als smet op het bestaan, welnu: dan hebben jullie de religie van de behaaglijkheid in jullie hart. Ach, hoe weinig weten jullie van het geluk van de mens, jullie behaaglijken want het geluk en het ongeluk zijn tweelingen die samen opgroeien ofwel, zoals bij jullie, samen klein blijven.'?

Archief

Monaldi&Sorti: Nemo propheta in patria – nog voor de lectuur van ‘Veritas’, De Bezige Bij geeft ‘Imprimatur’uit in het Italiaans!

26 oktober 2006

WAAROM DIT BOEK
Nemo propheta in patria

Censuur is altijd het gevolg van een totalitair regime. Wanneer een auteur erdoor getroffen wordt, heeft hij twee mogelijkheden: niet publiceren of dat doen buiten de landsgrenzen. Als je voor de tweede optie kiest, kun je beter mikken op een land waar de vrijheid van het woord bijzonder geconsolideerd is. Nederland is zeker zo'n land.
De recente geschiedenis kent het geval van Klaus Mann, de zoon van Thomas, die uit nazi-Duitsland was gevlucht en met de hulp van Gide en Aldous Huxley een eigen tijdschrift in Nederland oprichtte. Meer in het verleden werden in Amsterdam de boeken gedrukt van schrijvers die in eigen land door de Inquisitie werden vervolgd.
Ook nu weer wordt deze roman, geschreven in het Italiaans, dankzij de bereidheid van een moedige, dynamische uitgever in de taal van Dante gedrukt, maar dan op Hollandse bodem.
Het is goed te memoreren dat Imprimatur in 20 talen en in 45 landen is vertaald, een uniek geval onder de Italiaanse historische romans, afgezien van De naam van de roos.
Alleen in het vaderland van de auteurs, het democratische Italië, is het voor de lezer niet voorhanden.

Lees verder »

Archief

Sándor Márai, De nacht voor de scheiding. uitg. Wereldbibliotheek Amsterdam.

25 oktober 2006

Sándor Márai, De nacht voor de scheiding. uitg. Wereldbibliotheek Amsterdam.

Met dit boek sleep Márai in 1935 opnieuw een briljant van menselijke relaties,
waar hij de ogen van de lezer in de schittering lokt om
‘de andere, de echtere werkelijkheid’ te onthullen
van het menselijk handelen en denken,
van menselijk lijden en leven.
Of hoe een rechter wordt geconfronteerd met het labyrinth
van menselijke passie, ook in het eigen hoofd.
‘Wat overdag werd opgebouwd, stortte ’s nachts weer in…’
Hongaarse Ballade.

 

32. Natuurlijk kwam het niet in hem op om school te maken – een menselijke, persoonlijke invloed als die van hem uitstraalde, heeft trouwens alleen uitwerking als hij onopzettelijk, haast onbewust is.

45. Van moderne opvoedingstheorieën had hij geen al te hoge dunk. Terwijl hij zo langzamerhand een beetje rijper werd, mensenkennis opdeed, gelegenheid kreeg meer dan één blik te slaan in leven en noodlot, kwam hij tot het inzicht dat mensen die hun evenwicht wisten te bewaren, die weerstand boden aan allerlei gevaar, meestal uit niet eens zo heel bijzondere gelukkige familieverhoudingen kwamen. Uit armoedige of veel te grote gezinnen stamden zij, waar geldgebrek, afgunst en allerlei hartstochten de vernieling in de ziel van de familieleden allang volbracht hadden, maar zonder dat de innerlijke structuur van het gezin zelf daardoor was aangetast. Hoe kwam dat?
Op welke reserves teren zulke mensen dan? Psychoanalyse was tegenwoordig het nieuwste op het gebied van opvoeding; de kinderen uit de gegoede middenstand werden in deze tijd als het ware onder de behoedzame observatie van zenuwartsen grootgebracht, het nieuwe opvoedingssysteem verbood de ouders de tuchtiging, de strenge toon. Ze mochten alleen verklaren, toegeven, ontzien. Kà?mives echter geloofde ook dan een goede en gewetensvolle vader te zijn, als hij deze moderne opvoedingsmethoden niet respecteerde. Volgens hem kwam het op de sfeer aan, hing het ervan af of het gezin een écht gezin was, of ouders en kinderen zich, diep van binnen, werkelijk tot elkaar aangetrokken voelden. En als eenmaal deze innerlijke overeenstemming en saamhorigheid het gezin bond, dan konden de ouders gerust eens schelden, hun kinderen gerust eens flink tuchtigen, kon de moeder best eens een klap uitdelen, de vader weleens slecht gehumeurd of krenterig zijn… Zo’n gezin vormde dan, ondanks alles, toch een gemeenschap, niemand hoefde er te verkleumen door gebrek aan warmte en geen van de kinderen kreeg ooit een trauma, een verwonding aan de ziel door zo’n ouderlijke oorvijg. De ouders konden in hun verhouding tot elkaar hartstochtelijk teder of hartstochtelijk onbeheerst zijn, ze mochten ruziën of zich verliefd gedragen… dit alles hoorde dan bij de familie als geboorte en dood, als grote schoonmaak en verhuizing.
Het was de gemeenschap, waar het op aankwam, en de kinderen voelden zich ook in de nabijheid van een strenge vader thuis op hun gemak. Dit was, volgens Kà?mives, het beslissende fundament waarop een jong leven stond: deze vorm van gemeenschappelijkheid. Maar deze openhartigheid, deze saamhorigheid, deze zowel in de deugd als in zonde wankele, met karakterfouten doorweven gemeenschappelijkheid was natuurlijk alleen dán iets waard, wanneer ze absoluut oprecht en ongekunsteld was. Wie echter kon een gezin op zijn innerlijke gehalte toetsen?

150. Pas veel later begreep ik haar, toen ik alleen nog maar in naam arts was, maar innerlijk dit vak reeds opgegeven had en zieken alleen nog maar aanzag en aanhoorde, hun alles gaf wat ze van mij verwachtten, hun lijden verzachtte of pijnen verdoofde, terwijl ik er voor mijzelf van overtuigd was dat ik aan datgene wat hen ziek maakte, zelfs met geen sonde kon raken… aan die onaantastbare plek waar de ziel zich afsluit… Een allerheiligste is dat, die plek, waar de ziel alleen is met haar noodlot; het is de camera obscura van het karakter, waar een vreemde nooit binnen kan gaan.

197. Dan bestaat er werkelijk zo’n andere werkelijkheid, waarin deze dingen inderdaad gebeuren, en de feiten, de handelingen, ja zelfs de voorwerpen weerspiegelen dan alleen maar die andere, echtere werkelijkheid.

Categorie: Gelezen | 1 reactie »

Archief

Ian Buruma, Dood van een gezonde roker.

18 oktober 2006

Ian Buruma, Dood van een gezonde roker. uitg. Atlas

De volgende klap voor het zelfvoldane poldermodel van het Nederlandse regentendom kwam met de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004.
Als buitenstaander – 30 jaar in het buitenland – maar kenner wegens zijn jeugd in Nederland heeft Ian Buruma geprobeerd als participerende en observerende vreemdeling door te dringen achter de schermen van het leven in zijn geboorteland, te kijken doorheen de scheuren in het behang van de welvaartstaat.
Hij probeert troost te bieden door te analyseren waarom de islamitische fundamentalistische moordenaar van Theo van Gogh wel degelijk een kind is van de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Dat leek me een krasse stelling, die maar weinig troost kan bieden, behoudens een katholiek ‘mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa’ dan wel de Vreze Gods voor de Toorn des Heren die zovele gereformeerde gelovigen bij het naderende levenseinde parten speelt.

Anderzijds kan je de mentaliteit en de belevenis van het leven, wonen en geld verdienen door vele allochtonen uit andere culturen waarschijnlijk wel vergelijken met de mentaliteit en de belevenis van die zelfde essentiële levensvisies door de Nederlandse ‘ontdekkingsreizigers’- gelukzoekers die op de gewapende handelsvloten van de Verenigde Oost-Indische Compagnie aan wal gingen langsheen de kusten van de wereldzeeën: Insulinde, India, China, Japan, Afrika, Amerika. Overal richtten ze handelsposten op van waaruit ze probeerden zaken te doen tot meerdere eer van de Heer en vooral pecuniaire glorie voor henzelf. Ook zij waren op zoek naar een beter en makkelijker inkomen, naar goederen die ze mee naar de Republiek van de Lage Landen sleepten omdat die enkel daar in het eigen referentiekader ten volle konden geapprecieerd worden. Dat was hun éérste betrachting: koloniseren voor eigen rijkdom en gewin thuis achter de dijken, langs de grachten en in de polder.
Vandaag is voor de overgrote meerderheid allochtonen uit verre landen en andere culturen een verblijf in West Europa evenzeer een poging om makkelijker een inkomen en rijkdom te verwerven. Dit dient uiteraard ook in eerste instantie te refereren aan de appreciatie op hun thuisfront.
En net zoals de grote rijken en culturen de Nederlandse handelskolonisten – die alleen maar uit waren op rare goederen en mensen die ze per se thuis of op de markt wensten aan te bieden - eigenaardig, lachwekkend of irritant vonden, zo vinden vele West-Europeanen allochtone migranten eigenaardige bezoekers die er rare gewoontes op na houden en niet wensen te erkennen hoe superieur de Westerse cultuur en godsdienstbeleving wel niet is. Laat staan dat ze zich wensen te integreren.

De meewarigheid die de niet westerse heersers en de culturele en religieuze elite destijds aan de dag legde voor westerse zoekers naar geld en geluk – en zeker voor die uit Nederland - is ongetwijfeld vergelijkbaar met de meewarigheid waarmee de westerse culturele, politieke en economische elite de laatste decennia zoekers naar geld en geluk uit de derde wereldlanden tegemoet treden. Zouden deze migranten de weldaden van onze superieure cultuur niet weten te appreciëren en daardoor onze superioriteit misschien niet willen erkennen?
Daarin lijken de culturele, religieuze en socio-economische elites in die verschillende beschavingen natuurlijk ook erg op elkaar.

Lees verder »

Archief

Margalith Kleijwegt & Max van Weezel, Het land van haat en nijd. Hoe Nederland radicaal veranderde

18 oktober 2006

Margalith Kleijwegt & Max van Weezel, Het land van haat en nijd. Hoe Nederland radicaal veranderde. uitg. Balans-Vrij Nederland.

In een onderhoudend boekje met korte artikels en reportages gaan beide journalisten op zoek naar de oorzaken en opmerkelijke uitingen van de omslag die in Nederland heeft plaatsgehad sinds het scharnierjaar 2001-2002: Nine-eleven en Pim Fortuyn. Het ruikt boeiend en het presenteert interessante visies en tegenstellingen uit het dagelijkse leven in kikkerland, inclusief de scoop van justitieminister Piet Hein Donner die wist te vertellen dat de sharia zonder meer kan ingevoerd worden in Nederland wanneer twee derde van de bevolking dit wenst, waarmee hij een wel heel merkwaardige visie op ‘democratie’ beleed.
Al even merkwaardig is de visie van een gereformeerd rechtsgeleerde en politicus als Donner die de parallel trekt tussen de 18de en 19de eeuwse spanningen onder de verschillende christelijke kerken die elkaar toen naar het leven stonden – althans verbaal en sociaal –  en de islamitische rechtgelovigen in Nederland die zich laten voorstaan op de Ene en de Ware in hun eigen geloof. Donner herkent in de houding van de vrijzinnige goegemeente en de klein-, zwak- of ongelovige maatschappelijke elite tegenover de groot-, goed- en vooral braafgelovige kleine luiden een zelfde dedain als tegenover de islamitische rechtgelovigen vandaag.

Dat Piet Hein Donner van de essentie van democratie niet echt kaas heeft gegeten, blijkt uit zijn stelling dat democratie niets anders is dan de wilsuiting van de meerderheid van de bevolking. Alleszins verrassend voor een minister van justitie uit een oud geslacht van juristen.

Voor een grondige analyse en verhelderende standpunten bleef ik in ‘Het land van haat en nijd’ op mijn honger.
Gerard van Westerloo heeft met zijn ‘Niet spreken met de bestuurder’ in 1984 en 2004 een vergelijkbare reportage uit het ware leven geschreven die veel verder gaat en meticuleus de open zenuwen traceert in de polder en op de heuvelruggen, op het Binnenhof en in de achterkamertjes, al was zijn remedie tegen de alles versmachtende consensuspolitiek- nlk. het stelselmatig periodisch door elkaar schudden van de ‘ons kent ons’ cultuur van zelfvoldane bestuurders en ambtenaren – ook aan de ideële en slappe kant.

Lees verder »

Archief

Orhan Pamuk Nobelprijs Literatuur 2006

15 oktober 2006

Met de Nobelprijs voor Literatuur wordt Orhan Pamuk geconsacreerd in het Pantheon van de wereldliteratuur. Met Orhan als eerste Turkse schrijver die deze erkenning te beurt valt, wordt ook Dé Stad '? Istanboel geëerd, de grootste Europese stad, op de grens van Oost en West, 17 miljoen inwoners, die in Orhans boeken een oord vol weemoed is: '?Om het intense gevoel van weemoed gewaar te worden dat het Istanbul van mijn kinderjaren bij me oproept, moeten we enerzijds naar de geschiedenis kijken, naar de gevolgen van de ondergang van het Osmaanse rijk, maar anderzijds ook naar de weerslag die de geschiedenis heeft gehad op de 'mooie' stadsgezichten en de inwoners van de stad. Weemoed is in Istanbul zowel een belangrijke emotie in de lokale muziek en een kernbegrip in de poëzie, als een levensvisie, een gemoedstoestand en iets wat kennelijk essentieel is in het karakter van de stad. En omdat het al deze betekenissen in zich verenigt, is weemoed ook een gemoedstoestand die de stad zich met trots toeëigent, of in ieder geval is dat wat ze wil doen voorkomen. Daarom wordt deze emotie even positief als negatief beoordeeld. '?

1952 geboren in Istanbul – studeert enige tijd architectuur – 1974 besluit te gaan schrijven -  1982 debuteert met de roman ‘De heer Cevdet en zijn zonen’ – 1983 ‘Het Huis van de Stilte’  – 1985 ‘De Witte Vesting’ – 1990 ‘Het zwarte boek’ – 1995 ‘Het nieuwe leven’  – 2000 ‘Ik heet Karmozijn‘ - 2002 ‘Sneeuw’  – 2005 ‘Istanbul’  -  De Vredesprijs van de Duitse boekhandel '? 2006 Nobelprijs Literatuur
“Ik beschouw mijzelf essentieel als schrijver, als kunstenaar. Ik begin met beelden, woorden, concepten, en ga daarmee spelen. Dan luister ik naar het rijm, naar de muziek die daaruit komt, en zeg: dat is aardig… en zo ga ik door. Je weet op dat punt niet wat je aan het doen bent. Je hebt er alleen maar plezier in; het eerder iets sensueels dan rationeels. Pas wanneer het af is, zie je de boodschap erin, de mogelijke interpretaties. Ik ben tegen `zuiverheid’: dat is een boodschap die ik wel accepteer. Maar dat is geen gedachte waardoor de roman wordt voortgebracht.’’

“Het dooreenvlechten van verschillende culturen en tegelijk de confrontatie tussen traditionele manieren van vertellen en experimentele, postmoderne vormen, gevat in mijn eigen persoonlijke stijl, is het opzet van mijn schrijven.('?)
Het zwarte boek vertelt over de zoektocht van de jonge advocaat Galip naar zijn in Istanbul verdwenen vrouw, van wie hij vermoedt dat ze met haar halfbroer, de bekende columnist Celal, ondergedoken is. In Celals columns meent Galip aanwijzingen te vinden over hun verblijfplaats. Tenslotte gaat hij, onder Celals naam, zelf stukjes schrijven voor de krant en neemt zo diens identiteit over. Ik had zelf twee ooms die in de jaren vijftig voor Turkse kranten schreven. Ik herinner me nog hoe ze thuis voortdurend het hoogste woord hadden. Hun lezers verwachtten dat ze overal hun commentaar op konden leveren, van het privéleven van de Amerikaanse president tot bepaalde fouten van Sigmund Freud of de nieuwe straatverlichting in een achterafstraatje. Ze konden die gebeurtenissen op een heel populaire manier dramatiseren. Dat maakte hen zo leesbaar en ik bewonderde ze vreselijk. Het waren mensen die de pen als een zwaard gebruikten en die je tegelijkertijd, net als Sjahrazaad, elke dag een nieuw verhaal vertelden.('?) In Het zwarte boek leest Galip de columns van Celal eerst nog op een heel rationele, cartesiaanse manier, maar aan het einde is hij er helemaal in opgegaan. Je kunt dat de vermenging van leven en literatuur noemen, en dat is voor een deel natuurlijk ook de waarde van de literatuur. Boeken, columns, verhalen hebben we altijd al gelezen, omdat we ze voor het leven zelf hielden. Dergelijke naà?eve lezers die het verhaal niet onderscheiden van de werkelijkheid en daar helemaal in opgaan bestaan nog altijd, in Turkije ook maar elders. Ik neem die lezers bij hun kladden, maar ook de meer verfijnde, westerse lezers, en draai ze in mijn boeken rond en rond, tot ze tenslotte allemaal verward achterblijven.’’ ('?)
“Laat ik beginnen met op te biechten dat ik uit een enigszins paranoà?de cultuur kom en zelf ook een beetje paranoà?de ben. Denken in samenzweringen is een heel gebruikelijke manier om in Turkije dingen te verklaren en te organiseren.('?) Maar eerlijk gezegd denk ik dat een intelligente persoon een beetje paranoà?de moet zijn. Alle systemen waarin dingen op een vernuftige manier met elkaar in verband worden gebracht zijn op een bepaalde manier slimme paranoà?a’s. Je moet alleen een onderscheid maken tussen intelligente en domme paranoà?a. Die laatste is de grond van veel alledaagse politiek. Dat Turkije zijn problemen met de Koerden en de mensenrechten niet weet op te lossen, dat het niet tot de Europese Unie wordt toegelaten, wordt allemaal verklaard doordat Europa vanwege onze religie tegen ons zou samenspannen. Ik construeer mijn boeken daarentegen rond een soort intelligente paranoia, doordat ik de dommere vormen ervan belachelijk maak, ermee speel, tegen de lezer knipoog, enzovoort.’’ ('?)
“Dat de woorden zijn losgeraakt van de dingen waarnaar ze verwijzen en hun eigen gang gaan, heeft daar misschien wel mee te maken. Ga maar eens naar Istanbul, de Gouden Hoorn over en loop door de straten, en je ziet jezelf blootgesteld aan zoveel beelden, kleuren, letters en teksten dat je vanzelf het gevoel krijgt: ik kan dat allemaal niet meer met elkaar verbinden. Het Zwarte Boek is een poging tot die verwarring op te roepen, dingen samen te voegen die uit heel verschillende bronnen komen. En als je die verwarring, die anarchie van symbolen en tekens, letters en beelden, op je laat inwerken, begin je te accepteren dat de dingen en hun betekenis zich niet meer in een organische eenheid bevinden. Dat is het uitgangspunt van mijn romans, ook weer in het Crimson-boek. In die zin zijn het Bildungsromans. Ik stuur mijn figuren het doolhof van de wereld in, dompel ze onder in de anarchie van mijn stad Istanbul, en laat ze er, hoop ik, als andere mensen weer uitkomen.’’

,,Tot ongeveer mijn vijfentwintigste beschouwde ik mezelf als volledig westers. Toen begon ik langzaam in te zien dat mijn land niet volledig bij het westen hoort. Ik begon in mijn eentje, zonder lid te worden van een of andere sekte, te lezen over de geschiedenis van religie. Die seculiere lezing van allegorische, islamitische vertellingen, heeft met sterk beà?nvloed. Ik moest veel vooroordelen overwinnen, want mij was altijd verteld dat gelovige mensen achterlijk zijn.'?

,,Het westen is onoverwinnelijk. De meeste mensen in het oosten weten dat. Het grootste deel van de mensen wil erbij horen. Maar een deel van hun ethiek, identiteit en waardigheid hoort nog bij het oosten. Het gaat er niet om dat de een `ja’ zegt en de ander `nee’. Zulke mensen vormen een minderheid. In de meeste gevallen zegt dezelfde persoon `nee’ en `ja’ tegelijk.’ Daarbij spelen ook gevoelens van minderwaardigheid en afgunst een rol. ,,Mensen in het oosten weten dat ze laatkomers zijn, dat ze niet de baas zijn. Ze weten ook dat ze tot de tweede garnituur zullen behoren, als ze naar het westen gaan. Maar als ze blijven waar ze zijn, zullen ze vergeten worden. Dat betekent het einde van alles wat ze zijn geweest. Ik schrijf over de spirituele dimensie van zulke historische veranderingen.'?
'?De meeste Turken willen bij Europa horen, om de economische voordelen en omdat Europa staat voor goed bestuur. Maar dezelfde mensen hebben ook heel primitieve ideeën over hun identiteit. Veel Turken denken dat ze speciaal en uniek zijn, zoals alle andere naties dat van zichzelf denken. Ik ben zelf voorstander van toetreding tot de EU. Ik geloof dat een Europa met een islamitisch land in de Unie een toleranter en beschaafder imperium zou zijn dan een uitsluitend christelijk imperium. Maar ik zeg dat als Turk die bij Europa wil horen, niet als een objectieve theorie.'?

,,Radicale secularisten haten me omdat ik schrijf over religie, over de Koerdische kwestie en omdat ik grappen maak over Atatürk. Fundamentalistische kranten vallen me aan omdat ik in Ik heet Karmozijn grappen maak over een imam die met de duivel neukt. Maar ze hebben daarnaast toch waardering voor me, omdat ik ook over hún geschiedenis schrijf. Ze weten daar zelf niets van, want fundamentalisten zijn ook door het moderne Turkse onderwijs gevormd. Ik vind het prettig om mezelf in dit soort dubieuze, ironische situaties te plaatsen. Een schrijver moet een publiek bereiken dat hem niet helemaal afwijst maar ook niet helemaal accepteert. Ik ben er trots op dat ik die plaats bekleed in Turkije.
'?Liever dan van een `botsing van beschavingen’ heb ik het over een eindeloos proces van wederzijdse kruisbestuiving. Natuurlijk zijn er ook dramatische momenten, die in de buurt van oorlog komen. Maar veel vaker komen culturen op een harmonieuze manier bij elkaar. In 'Mijn naam is Karmozijn' slagen de miniatuurschilders er niet in om die harmonieuze verandering te volbrengen, omdat ze de schildertechniek niet onder de knie krijgen. Ze raken in verval en gaan ten onder. Maar ik ben daar zelf wel in geslaagd in mijn boeken. Ik heb mijn Joyce, Proust, Mann, Calvino, Eco gelezen en vervolgens heb ik mijn romans geschreven. Dat is ook mogelijk.’

 

Archief

Harry G. Frankfurt, Bullshit – waarom er zoveel geluld wordt…

10 oktober 2006

Harry G. Frankfurt, Bullshit – waarom er zoveel geluld wordt… uitg. De Arbeiderspers

p.23-24: Ooit zei Witgenstein dat de volgende regels van Longfellow hem tot motto konden dienen: In de kunst van weleer/Wrocht men al wat klein/En onzichtbaar bleef met de grootste zorg/Want de goden zijn overal.

Het is duidelijk wat deze regels willen zeggen. In vroeger tijden liep een vakman de kantjes er niet vanaf. Hij werkte zorgvuldig en lette heel goed op elk aspect van zijn arbeid. Ieder onderdeel van het product kreeg veel aandacht, en alles werd ontworpen en vervaardigd precies zoals het moest. Deze vakmensen lieten hun ijzeren discipline niet verslappen als het ging om aspecten van het werk die gewoonlijk onzichtbaar bleven. Hoewel niemand het zou merken dat deze aspecten niet helemaal perfect waren, toch zou een vakman last krijgen van zijn geweten. Dus werd er niets onder het tapijt geveegd. of misschien zou je mogen zeggen dat er niet werd geluld.

p.26-27: In de wereld van de reclame en de voorlichting, en in de tegenwoordig nauw verwante politiek, wemelt het van de voorbeelden van onvervalst, en daardoor onmiskenbaar klassiek, gelul. In deze werelden lopen bovendien gewiekste vaklieden rond, die – met behulp van geavanceerde en ambitieuze marktonderzoektechnieken, het peilen van de publieke opinie, psychologische testen, enzovoort – zich onvermoeibaar inzetten om elk woord en beeld dat ze produceren geheel op maat te snijden.

 

Archief

Rüdiger Safranski: Arthur Schopenhauer, de woelige jaren van de filosofie

5 oktober 2006

Rüdiger Safranski: Arthur Schopenhauer, de woelige jaren van de filosofie – uitg. Olympus-Contact.

Eén van de schitterende biografieën – naast Schopenhauer ook over Hoffman, Schiller, Nietzsche, Heidegger – die Rüdiger Safranski met grote eruditie en een geraffineerde invoelbaarheid heeft geschreven. Samen met Peter Sloterdijk is hij regelmatig te horen en te zien op de Duitse ZDF in Das Philosophische Quartett – http://www.ftsmedia.de/philo.php - waar de heren urenlange fascinerende discussies voeren met enkele gasten van niveau – op zondagnacht maar nadien ook in heruitzending op menselijke uren.

Dat Safranski niet voor één gat te vangen is bleek ondermeer uit enkele interviews in De Groene Amsterdammer, waar hij in ‘Het drama van de vrijheid’ op 20 april 2002 op de vraag van René Gude: ‘Wat is het slechtste dat u ooit heeft gedaan?‘als volgt antwoordde: «Ha! Om nu niet al te persoonlijk te worden zal ik een voorbeeld geven van een slechte politieke situatie waarbij ik betrokken ben geweest. In het begin van de jaren zeventig, direct na de periode '68, was ik dogmatisch maoà?st. Met een deel van mijn generatie heb ik mij overgegeven aan de totalitaire verleiding, de zucht naar het ene antwoord op alle vragen. Naar wij dachten deden wij dat dit keer in het teken van een goed project, maar ondertussen hielden we er wel een onderdrukkend, intolerant mensbeeld op na. Wij deden zoals Charly Chaplin in The Great Dictator: hij propt te veel kleren in een koffer en snijdt weg wat er niet in past. Zo sneden wij veel levends weg omdat het niet paste in ons ene concept, ons starre mensbeeld. Het werd een plat materialistisch programma '? een mens moet brood hebben '? waarin een praktisch nihilisme, een totale secularisatie op geestelijk gebied, alleen nog ruimte liet voor economische gerechtigheid. Dat laatste is op zich een loffelijk motief, maar alle andere motieven werden daaraan ondergeschikt gemaakt of weggesneden. Je kon toen in miniatuur ondervinden wat en gros in de vorige eeuw voor onheil is aangericht. Jezelf en anderen tot dingen maken is het allerkwalijkste en we deden het uit vrije wil, niemand dwong ons ertoe. Het blijkt achteraf een van de duistere opties van de vrijheid.

Gelukkig is het maoà?sme in Duitsland nooit van de speelplaats gekomen, maar dat was niet onze verdienste. Elders in de wereld konden wij zien wat er zou gebeuren als het ernst werd. Daar bleef het niet bij een ideëel project, maar werd een daadwerkelijke verwoesting van hele culturele tradities doorgevoerd. Wij kunnen nu in de voormalige DDR van zeer nabij zien wat er gebeurt als na de schipbreuk van een dergelijk systeem zelfs de laatste waarde '? die van de economische gerechtigheid '? wegvalt en er consumentisme voor in de plaats komt.»

Plat materialisme en consumentisme zie je in het Westen ook, maar dan na enige decennia liberalisme en sociaal-democratie.

427. Zoals Feuerbach het lichaam, het gij en de gemeenschap ’ ontdekt’ , zo ’ ontdekt’  Marx het maatschappelijk lichaam en zijn brandpunt: het proletariaat. In een politiek bewogen tijd is er de politieke impuls: de vrijheidsrechten van de Franse revolutie zijn in Duitsland nog steeds niet verwezenlijkt. Daarbij komt de maatschappelijke ervaring: de vroeg-kapitalistische ellende in de steden die ook een student in de rechten en de wijsbegeerte in Berlijn niet ontgaat, vooral wanneer deze ellende zich manifesteert in hongeropstanden en gewapende acties. En toch: Marx komt niet vanuit de werkelijke ellende tot de filosofie, maar omgekeerd: vanuit de kritiek van de filosofische ellende komt hij tot de werkelijke ellende. Het is een filosofische hartstocht die zich om het sociale leed bekommert. Het is de gedachte die op de werkelijkheid aandringt. Door het proletariaat wordt de burgerzoon aangetrokken, omdat hij er een filosofische rol aan heeft toebedacht. Evenmin als men bij Feuerbach het gevoel heeft dat hij over het werkelijke lichaam spreekt, maar men steeds het lichaam in een filosofische rol krijgt voorgeschoteld, gaat het bij Marx om het werkelijke proletariaat, maar om een categorie met talloze benen. De uitspraak van Marx, die gericht is tegen Feuerbach en de hele wijsgerige traditie: ’ De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geà?nterpreteerd, het komt erop aan haar te veranderen’ betekende eigenlijk: de verandering is een voortzetting van de filosofie met andere middelen. Veranderen is de meest geavanceerde manier van interpreteren. ‘Praxis’ is filosofie in actie – is en blijft echter filosofie. Zou men Marx een sociale politicus hebben genoemd, dan zou hij dat een belediging hebben gevonden.
(...)
Maar wat is het zijn? Bij Marx is het de mens in stofwisseling met de natuur, de werkende mens en de in de arbeid georganiseerde mens. In de arbeid uit de mens de krachten die in zijn binnenste schuilen, door arbeid brengt hij zichzelf en de maatschappij voort – maar de arbeid voltrekt zich in een ’ vervreemde’ vorm, in al zijn oorspronkelijke kracht. De mens bevindt zich nog in het rijk van de noodzakelijkheid, heeft zich nog geen weg naar de vrijheid gebaand. De producten die de mens vervaardigt en de sociale relaties die hij aanknoopt, houden hem in hun macht. Feuerbach’s kritiek van de religie keert hier terug en moet, zoals Marx zegt, vanuit de kritiek van de heilige vervreemding doorstoten tot de onheilige vervreemding: ’ Het is dus de taak van de geschiedenis, nadat het hiernamaals van de waarheid is verdwenen, de grondslag te leggen voor de waarheid van het hiernamaals. Het is de eerste taak van de filosofie, die in dienst staat van de geschiedenis om, nadat de heilige gestalte van de menselijke zelfvervreemding is ontmaskerd, de zelfvervreemding in haar onheilige gestalten te ontmaskeren. De kritiek van de hemel verandert aldus in de kritiek van aarde, de kritiek van de religie in die kritiek van het recht, de kritiek van de theologie in de kritiek van de politiek’ .
Een filosofische razernij is een deze kritiek aan het werk – het is nog eenmaal de hele hartstocht van de wilde jaren van de filosofie – maar het is ook een kritiek die zich als de uiteindelijke beschouwt. Voor de laatste maal filosofie en dan kan filosofie in het gerealiseerde geluk opgaan. Bij Hegel stond de uil van Minerva gereed voor de vlucht, nadat de werkelijkheid zich heeft klaargemaakt; bij Marx moet  de uil van Minerva de dageraad tegemoet vliegen. ’ De kritiek, aldus Marx, heeft de imaginaire bloemen aan de ketting uit elkaar geplukt, niet opdat de mens de fantasieloze, troosteloze ketting draagt, maar omdat hij de ketting van zich afwerpt en de levende bloem breekt’ .
De ’ levende bloem’ – Novalis had haar in de droom gezocht. En Marx, de romantiek overtroevend, verkondigt: ’ De hervorming van het bewustzijn bestaat slechts hierin dat men de wereld… uit de droom van zichzelf wakker maakt, dat men haar eigen acties verklaart…Dan zal blijken dat de wereld allang de droom van een zaak bezit, waarvan zij slechts het bewustzijn moet bezitten aan haar werkelijke bezitten’ .
Nog elke droom zal door het werkelijke bezit worden overtroffen, dat is de grote belofte van Marx’ filosofie. Het is de apotheose van de glorieuze toekomst van de menselijke vrijheid. Deze klaroenstoot dringt ook door tot het oor van Schopenhauer. Maar hij beschouwt een dergelijk optimisme als een ‘snode’ denkwijze. ’ Een filosofie, aldus Schopenhauer in 1858 tijdens een gesprek met de Franse filosoof Morin, waarin men tussen de regels door niet de tranen, het geween en tandengeknars en het vreselijk getier van de wederzijdse algemene moordpartij hoort, is geen filosofie’.

Lees verder »

Archief

Don Verboven en Het Gevolg, 'Paradijs voor futlozen': een tatoeage voor ons collectieve geheugen.

1 oktober 2006

Don Verboven en Het Gevolg tatoeëren met 'Paradijs voor futlozen' ons collectieve geheugen.

http://www.flickr.com/photos/59276281@N00/257289752/

Met 'Paradijs voor Futlozen' heeft Theaterwerkplaats Het Gevolg -  http://www.hetgevolg.be/ - een indringende trigger in het geheugen geplant van de gelukkigen die een van de veertien voorstellingen konden bijwonen van dit stuk van Don Verboven.
Zes keer was er bovendien voor liefhebbers die snel genoeg inschreven een forse wandeling van de Boerderij over de Bootjesvijver, langs de begraafplaats naar de gevangenis. Historica en auteur Leen Huet '? Almanak – presenteerde onderkoeld enkele verhalen van mensen die ooit zelf hun bijdrage leverden aan de Rijksweldadigheidskolonie te Wortel. De oude directeur vertelde over zijn klanten naast de ruà?ne van een ontroerende toegangspoort naast de Bootjesvijver en was nog steeds trots op de verwezenlijkingen van zijn 'mennekes' waaronder creatieve stielmannen, artiesten, geniale levenskunstenaars die vaak faalden en die hem hun verhalen hadden toevertrouwd bij het intakegesprek, zoals dat nu heten zou. Maar in de ogen van de beheerder van het domein, de Stichting Kempens Landschap, zijn de 'monumenten' die zijn 'mennekes' opgericht hebben niet authentiek en dus worden ze afgebroken om de omgeving in een oudere orde te herstellen.
In de intussen tot gevangenis omgebouwde 'kolonie' huizen nog steeds 8 bejaarde landlopers die na 1993 bij het opheffen van de instelling in hun vertrouwde omgeving gebleven zijn, waar ze rustig naast elkaar leven midden een zelfgebouwde huiselijkheid. Directeur David weet discreet en precies het falen van het huidige opvangsysteem te duiden. De Rijksweldadigheidskolonie Wortel was meer dan zelfbedruipend en maakte in het laatste jaar zelfs 6 miljoen oude franken winst met haar boerderij en werkplaatsen. Vandaag worden mensen die zich niet kunnen of willen handhaven in een razende maatschappij opgevangen in vele kleinschalige initiatieven, die vooral de makkelijkste klanten selecteren en zelden of nooit aangepast werk kunnen bieden. Zij vereenzamen nu in kleinschalige stedelijke opvangtehuizen. De Vlaamse Gemeenschap heeft nooit willen begrijpen dat een instelling als Wortel '? ook op vrijwillige basis '? een fenomenaal opvangwerk kan zijn voor de paar duizend ontheemden die hun draai niet willen of kunnen vinden in wat een moderne 'samenleving' heet.

'Paradijs voor Futlozen' kende een boeiende geboorte en is na de veertien opvoeringen lang niet dood.
Regisseur Don Verboven in De Hoogstraatse Maand van september ll.: '?Ignace Cornelissen van het Turnhoutse theatergezelschap Het Gevolg speelde al met het idee om een reeks van vier theatervoorstellingen op te zetten, die hij 'Littekens in het landschap' wilde noemen. Hij wou op vier verschillende plaatsen in de Kempen waar de mens in de loop van de geschiedenis op de een of andere manier een ingrijpende verandering in het landschap had aangebracht, een voorstelling spelen. Het uitgangspunt zou telkens zijn: Hoe heeft die menselijke ingreep in het landschap de mens, de maatschappij en de omgeving van die plek veranderd? In het geval van de kolonies van Merksplas en Wortel was die impact nogal groot. Dat de streek tot heinde en verre bekend is, heeft veel '? zoniet alles '? met de kolonies te maken. Het gevangeniswezen heeft de voorbije twee eeuwen een grote invloed op deze streek uitgeoefend.'?
 
Và?à?r de gebouwen van de Gevangenis te Wortel, naast één van de omroeppalen waarmee de landlopers en bedelaars vroeger '?zoals in de socialistische paradijzen - gesommeerd werden tot handel en wandel, zit Andi -  Nico Sturm – laveloos aan en in de grond. Hij houdt zich tomeloos en uitzichtloos recht tussen een pallet bierblikken en een berg geconsumeerde 33-ers in een spetterende dialoog met het publiek. Hij geniet met volle teugen van zijn finale optreden voor het huis van vertrouwen op de achtergrond waar hij na de sluiting in 1993 nooit meer mag terugkeren. Zijn broer '? ingehouden liefdevol en schuldbewust gespeeld door Bruno Vanden Broecke '? daagt toch nog op in de benevelde herinneringen van de terminale alcoholist die de signalen voelt van de 'andere kant', het echte leven achter de schijn, waar bomen met hun wortels communiceren, waar kabouters spreken en duiven de post brengen. De formidabele dialoog tussen de broers wentelt de toeschouwer langs de groeven van opgroeien en ontsporen, van herinnering en verlangen, van liegen en lijden, van lafheid en levensmoed, van angst en bravoure. Dit patroon werd zo invoelbaar gespeeld dat velen, die ooit zelf langsheen die levensgroeven fietsten maar nog net op tijd de wentelende wielen verlieten om met een klap uit dat ritme te ontsporen, dit beklijvend zullen herkennen. De toeschouwers p de tribune voelen het goed aan in de opstijgende kou met gekrulde tenen onder de paardendekens.
'Paradijs voor Futlozen' speelde in nat gras en een walm van verschaald bier met de drievoudige echo van iedere wanhoopskreet, van ieder schot langsheen muren van bomen omheen de enorme weide và?à?r de Rijksweldadigheidskolonie te Wortel. Het waren de stemmen van de tienduizenden die hier 170 jaar lang met de resten van hun verbrokkelde leven blijvende groeven hebben geslepen in wat eens een woest heidelandschap was. Ze konden zich geen van allen handhaven in een maatschappij waar voor mensen als hen geen plaats werd gehouden. Ze hielden meer van de wereld als een kamp waar de strakke structuur stapstenen waren waarop ze konden steunen met de brokstukken van hun bestaan. Zovele van hen kenden die andere wereld, 'den anderen kant ', maar al te goed en vonden het in Wortel veiliger sterven dan in het razende theater daarbuiten waar de illusie van vrijheid, de roep om creatief ondernemersschap iedere menselijkheid  bleek te verliezen.

Om iets na tien uur wisselde tegen de achtergrond van het reële decor de wacht van de gevangenis met een stoet koplampen van de auto's van cipiers die zich huiswaarts spoedden. Kort daarna verschijnt de geblindeerde Mercedes limousine die de beide broers onder begeleiding van de fanfare De Marckezonen naar hun eeuwige moeder uitgeleide doet.
'Paradijs voor Futlozen' had iets van een hommage aan de boeken van J.M.H. Berckmans '? 'Het zomert in Barakstad' en meer van het geniale fraais dat onze welvaartstaat spiegelt voor wie goed luistert naar de wortels van de bomen en de ogen sluit om elfen en kabouters te zien: niets is immers wat het lijkt.
Don Verboven en Het Gevolg van Ignace Cornelissen hebben hier een paal in de zandgrond van onze herinnering geheid. De witte duiven keren aarzelend maar steeds weer terug naar het glazen hok van onze herinneringen met de boodschappen van 'den anderen kant', tenminste voor wie ze nog durft te aanhoren.