Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Trudy Dehue, De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen . Uitg. Augustus. 2008

20 juli 2008

Trudy Dehue, De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen . Uitg. Augustus. 2008

Het worden barre tijden voor de farmaceutische industrie. Nog net niet zo erg als voor de banken en hypotheekfirma's in de VS, maar met een paar jaar vertraging gaan ze dezelfde heilloze en perfide ondergang tegemoet.
Al jaren zit er nauwelijks wat veelbelovends in de 'pijplijn'. De praatjes van de pillensector klinken door hun hoog mantra-gehalte eerder hilarisch dan bezwerend. Het heeft wat van de sjamaan of de keizer die geen kleren aanheeft.
Jarenlang hebben ze zich overmatig gelaafd aan de bronnen van fortuinen die collectief in de gezondheidszorg dienden gepompt wegens alle mensen toch maar mooi gelijke rechten en dito kansen en dies meer.
Nu het cholesterolverhaal als laatste grote angstbron voor forse winsten gestaag in het wetenschappelijke leutermoeras verdwijnt, stevent ook het gezwijmel over genetische designdrugs voor specifieke ziektes en vermeende problemen resoluut naar een fiasco, net zoals de wijdverbreide begoochelingen over preventie en behandeling van dementie met dure pillen.
Van een exclusieve branche met het aura van hoogwetenschappelijke geneeskunst zette de farmaceutische sector vlot en vaardig de stap naar het heil voor allen, ook voor wie alsnog geen klachten meende te hebben.
Meten is weten en voorkomen is beter dan genezen, deed en doet de burger in angsten verder leven. En daar is dus nog wel een en ander uit te puren. Tot voor kort kon dit alleen via voorschriften van deskundigen uit de medische sector, maar daar is het uit met de makkelijke winsten wegens sterk commercieel opbod tussen de verschillende zorgverzekeraars in Nederland die erg lage prijzen bedingen bij elkaar wegconcurrerende generieken.
Rest hen bij een kwakkelend verhaal van nieuw en beter enkel nog de ultieme sprong voorwaarts: een pil voor iedere dag biedt geluk en gezondheid voor iedereen. In tegenstelling tot het Europese verbod op geneesmiddelenreclame streeft de farmaceutische sector nu naar een Amerikaanse vrije-markt-beleving waar de pillenboer rechtstreeks het koopvee kan en mag bewerken.
Bureaucratische eisen van strikt meetbare behandelschema’s slaan nu ook toe in de Nederlandse psychiatrische en psychotherapeutische sectoren. De ’ biologische’ stroming vaart er wel bij wegens een of meer pillen voor iedere kwaal, eerder dan een vertrouwensrelatie op te bouwen.
Moet kunnen, niks mis mee en vooral heil voor de farmaceutische benadering van de menselijke geest en gedragingen.

Trudy Dehue is hoogleraar psychologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen en heeft een moedig afgewogen, behoedzaam en boeiend werk geschreven met ' De depressie-epidemie'.
Het boek is van een goed begrijpelijk en degelijk wetenschappelijk niveau waarbij geen heikel thema uit de weg wordt gegaan. Man en paard worden genoemd.
Dit is een handboek voor alle studenten medische en paramedische wetenschappen, voor alle artsen en dokters, voor psychologen en psychiaters, voor sociologen, pedagogen, maatschappelijk werkers én vooral voor journalisten, die zich al te licht en onwetend voor het ’ wetenschappelijke’ karretje van de geraffineerde commercie in welzijn en geluk laten spannen.
Professor Dehue maakt met een historische analyse brandhout van de pseudowetenschappelijke statistische terreur in de psychomedische sector en bevrijdt de lezer van de dwang van EBM, RCT's, DSM IV en DBC's die allen steunen op de meetbaarheideisen van de verzekeringsmaatschappijen en niets van doen hebben met het heil van de patiënt.
Ze ziet een constructief perspectief in een maatschappijbeeld dat in tegenstelling tot de liberale competitie en een illusoire meritocratie aandacht, respect en waardering biedt in een ‘aidocratie’ die niet winstbelustheid maar toegewijdheid belangrijk acht.

' Anders dan in de meritocratie krijgen in zo'n samenleving ook mensen status die het maatschappelijk belangrijke werk doen van het dagelijkse onderhouden, van het ' zorgen', in allerlei beroepen en rangen. In zo'n maatschappij krijgen psychotherapeuten weer de kans om hun professionaliteit in te zetten in plaats van productie te moeten draaien en dat geldt ook voor universitaire docenten, leraren, verpleegkundigen of politieagenten. De aidocratie acht dergelijke professies niet lager dan het werk van de directies van grote bedrijven en stelt grenzen aan hetgeen de winnaars in competitieve beroepen voor zichzelf kunnen binnenhalen. Ze legt ook lang niet zoveel nadruk op het labelen van mensen en het voortdurend meten van prestaties, maar is meer gebaseerd op inzicht dat het lot niet altijd aan te sturen valt.'
Een volgend boek '? maar dat wordt een politiek verhaal – zal de strategische lijn in de strijd om de macht moeten behandelen, want met een goede analyse van de bestaande en komende ellende is nog maar een eerste stap gezet in het keren van de competitieve eenzaamheid met een sausje van meritocratie als eigen schuld dikke bult.
En dat is een kwestie van bedrevenheid in het schaakspel van de macht eerder dan goed gedocumenteerde wensdromen over respect en toewijding.

29. Wetenschapsbeoefenaren schrijven dikwijls historische inleidingen op hun vak. Ze vertellen dan doorgaans over de pioniers die met hun ontdekkingen op het spoor kwamen van tegenwoordige overtuigingen. Dergelijke verhalen hebben de logica van een spannende zoektocht naar de heilige graal, mar aan de normen van professionele geschiedschrijving voldoen ze niet. Dat komt door hun finalistische structuur.
Vakhistorici gebruiken negatieve termen zoals ' finalisme' of ' presentisme' en ' voorwoordgeschiedenis' als iemand het heden als standaard gebruikt om te bepalen welke gebeurtenissen of auteurs uit het verleden in het verhaal mogen figureren. Tegenwoordige inzichten lagen in dergelijke geschiedenissen als het ware altijd al klaar om door de juiste mensen stapsgewijs te worden ontdekt. Het heden brengt ook samenhang aan in het verhaal. ('?) Het verleden beweegt zich in deze geschiedenissen naar het heden ' als ijzervijlsel naar een magneet' .
31. Finalistische geschiedenissen onderstrepen het gelijk van het heden met historisch wortels die ze daar zelf aan hebben vastgeknoopt.
46. Van ziektenaam naar ziekteoorzaak.
Ook de huidige vierde versie van de DSM doet geen uitspraken over de eventuele oorzaken van de beschreven problematiek en presenteert haar labels slechts als samenvattingen van een reeks bij elkaar gegroepeerde symptomen. In de praktijk pakt dat echter vaak anders it. ~De zieken van DSM kregen al gauw de status van oorzakelijke entiteiten, zoals sommige leden van de taakgroep in de jaren zeventig vreesden. Terwijl bijvoorbeeld de term ADHD niet méér pretendeert te zijn dan een samenvattende beschrijving van een aantal gedragskenmerken, zijn kinderen en volwassenen nu toch druk en ongeconcentreerd omdat ze ADHD ' hebben' ( en steeg de wereldwijde verkoop van medicatie ertegen tussen 1993 en 2003 met 274%, waarbij Nederland niet achterbleef).
50. Wetenschapsbeoefenaren geven de verschijnselen vorm vanuit het perspectief waarmee ze werken. Voor zover bekend was de Poolse bioloog Ludwik Fleck de eerste die dit proces uitvoerig beschreef. Fleck publiceerde in 1935 een Duitstalig boek waarvan de titel in vertaling luidt: ' Het ontstaan en de ontwikkeling van een wetenschappelijk feit. Inleiding in de leer van de denkstijl en het denkcollectief.' Flecks term ' denkstijl' stond voor meer dan het begrippenkader dat een ' denkcollectief' gebruikt, want ook de manieren van werken vallen eronder en zelfs de dingen die men waarneemt. De denkstijl omvat standaarden voor de juiste manier van onderzoeken, voor goede argumenten en voor de vraag wanneer iets goed of fout moet heten. Hij behelst ook allerlei keuzen en gewoonten die bepalen wat een zinvolle formulering van het onderzoekonderwerp is. Langs al deze wegen bepaalt de denkstijl wat de mogelijke uitkomsten zijn van het onderzoek, evenals de effectieve manieren van ingrijpen in de praktijk. ('?)
Zijn boekje bleef aanvankelijk totaal onopgemerkt totdat de wetenschapshistoricus Thomas Kuhn in 1962 zijn werk ' De structuur van wetenschappelijke revoluties' publiceerde met e beroemd geworden termen ' paradigma' en , wetenschappelijke gemeenschap' , die een verwant beeld van wetenschap schetsen, zodat Kuhn naar Fleck verwees.

Lees verder »

Archief

Imre Kertész, Dossier K. Een onderzoek. Uitg. De Bezige Bij 2006

2 juli 2008

Imre Kertész, Dossier K. Een onderzoek. Uitg. De Bezige Bij 2006

De eerste Hongaarse Nobelprijswinnaar literatuur 2002 speelt in Dossier K. een spel met zijn interviewer Zoltán Hafner die hij na een diepte-gesprek de vragen en antwoorden ontfutselt om een Dossier K. te herschrijven, dat als handvat kan helpen om doorheen zijn oeuvre te ploegen op zoek naar de betekenis van de sterk geurende truffels in het herfstige woud van het Hongaarse leven.
In de Groene Amsterdammer van 19/10/2002 heeft Graa Boomsma het over Kert'sz als 'het geheugen van Hongarije':
'Voor Imre Kertész ' – privé-overlevende van Auschwitz-Birkenau – is schrijven zowel noodzaak, vlucht als redmiddel «om mijn geestelijke wereld te redden». Zijn balpen is zijn spade, de aard van zijn schrijfwerk is graven, «het verder graven aan een graf in de hemel».
Teruggekeerd uit Auschwitz en Birkenau wordt Kertész journalist en partijlid. Maar de stalinistische ideologie is aan hem niet besteed. Hij trekt zich terug uit de maatschappij. Hij leeft 35 jaar op een piepklein flatje in Boedapest, in een straatje ingeklemd tussen twee drukke verkeersaders. Zijn vrouw werkt, hij schrijft, in een drukkend isolement. Het jaar 1989 is niet echt een bevrijding voor hem. In 1995 sterft zijn vrouw. Hij hertrouwt. Zijn literaire kwaliteiten worden in Amsterdam, Berlijn en andere steden zeer gewaardeerd. In Boedapest blijft het akelig stil.
In een interview heeft Imre Kertész eens gezegd dat Hongarije een trauma aan de Eerste Wereldoorlog heeft overgehouden, toen het, met Duitsland, tot de verliezers behoorde. Dat trauma zorgde ervoor dat Hongarije in de Tweede Wereldoorlog eveneens tot de daders ging behoren. Het is die historische rol van Hongarije, met alle gevolgen van dien voor de zevenhonderdduizend Hongaarse joden, die nog steeds niet in de volle openbaarheid wordt bediscussieerd.
Wat hield dat trauma – waarvoor Kertész en vele honderdduizenden moesten bloeden of waarvoor ze de gaskamers werden ingejaagd – nu in? De Vrede van Trianon in 1920 zorgde ervoor dat Hongarije – eens onderdeel van de machtige Habsburgse monarchie – tweederde van zijn grond gebied kwijtraakte. Admiraal Nikolaus Horthy streefde in de jaren dertig naar drastische verschuiving van de Hongaarse grenzen en sloot zich aan bij de expansiedrift van het fascistische Italië en nazi-Duitsland. Maar toen Hitler er in 1944 lucht van kreeg dat Horthy, die de nederlaag van de As-mogendheden aan zag komen, uit opportunistische redenen een afzonderlijke vrede wilde afsluiten met de westelijke geallieerden en met de Sovjet-Unie, betekende dat het begin van het einde van het Hongaarse Horthy-tijdperk. Op 12 februari 1944 schreef Horthy een brief aan Hitler waarin hij de terugkeer eiste van negen Hongaarse divisies die aan het oostfront vochten. Hij had die zogenaamd nodig om de Karpatische kust tegen het oprukkende sovjetleger te verdedigen. Hitler vond toch al dat de Hongaarse divisies bij Stalingrad weinig voor elkaar hadden gebracht. Hij besefte dat Hongarije van twee walletjes wilde eten. Horthy had Hongarije uit de oorlog willen halen; Hitler meende dat de Hongaarse joden als vijfde colonne opereerden, iets waar Horthy niets aan deed. Daarom, en om de broodnodige grondstoffen, bezette Hitler op 18 en 19 maart 1944 Hongarije en installeerde hij een marionetten regering in Boedapest.
In het kielzog van het Duitse bezettingsleger bevonden zich Eichmanns troepen. Binnen een paar dagen pakte de gewillig meewerkende Hongaarse politie duizenden joden op. De eerste treinen naar Auschwitz begonnen al in april 1944 te rijden. Een van de passagiers in de veewagens was de vijftien jarige Imre Kertész.
Begin juni waren er maar liefst driehonderdduizend joden uit Pest en elders naar hun dood getransporteerd. In juli, toen er exact 437.402 Hongaarse joden naar de gaskamers waren gestuurd (zie Ian Kershaws biografie Hitler, Nemesis 1936-1945), liet Horthy de transporten stoppen. ('?)’

Een bezoek aan Boedapest in november 2007 was een belevenis. Niet zozeer omwille van de herkenning van het Nyugati-plein voor het westelijke station waar de vrolijke bruin-oranje kleuren uit de jaren zeventig vergrijsd waren zoals de Magyaren die zich doorheen de koopspelonken bewogen. In de vroegere Stalinallee – nu weer Andrássy út 60 – waar de staatsveiligheid traditioneel huis hield onder de diverse regimes, worden nu hun prestaties en erelijsten herdacht. In het Szobor park ver buiten de stad werden de monumenten van de socialistische arbeiders- en boerenstaat verwameld, want nog steeds kan Hongarije niet uit de voeten met het eigen verleden.
Aan het einde van de Baros út waar ooit de hoeren het Orczy Ter bevolkten, liepen we over de Fiumei Ut naar de Kerepesi begraafplaats waar de groten van vroeger zoals Kossuth en Deák hun mausoleum hebben en waar modernisme handig inwisselbaar bleek om de steeds wisselende helden en voorgangers van de arbediers- en boerenstaat te herdenken in vervuilde witte travertijn. Doorheen het gerestaureerde gedeelte van de Ervin Szabà? bibliotheek was de jeugd van Boedapest aan de studie te zien in luxe van vroeger. In het Hongaars Nationaal Museum was de nationalistische ellende nog steeds niet te overzien.
Maar het meest aangrijpende waren luttele foto’s in het Joods museum van de grote synagoge. Ze toonden hoe de Hongaarse politiediensten joodse medeburgers ophingen aan rechtopgezette treinbiels, het snoer om de hals en over de kop van de staande dwarsliggers, en dan het opstapje wegtrekken.
Het was daarna belangrijk voor mij om even te bekomen in de schaduw van de zilveren treurwilg voor Raoul Wallenberg.

Halverwege 1945 keerde Imre Kertész terug in Boedapest, als zestienjarige jongen. De hoofdpersoon uit ‘Onbepaald door het lot’ – die op onbegrip stuit – beseft dat hij er geen genoegen mee kan nemen dat alles alleen maar een vergissing was, «een blind toeval, een uitglijder van de geschiedenis of – erger nog – iets wat vergeten moet worden».

Hongarije mag dan veel hebben verdrongen van zijn eigen heikele historie, wie Imre Kertész leest kán niet meer vergeten. Met de Nobelprijs voor literatuur werd het geheugen van Hongarije passend eer betuigd. Al zullen heel veel Hongaren daar een heel andere mening over koesteren.

Lees verder »

Archief

Péter Esterházy, Harmonia Caelestis. uitg. De Arbeiderspers (2000-2002) '? Verbeterde Editie (2003-2004)

30 juni 2008

Péter Esterházy, Harmonia Caelestis. uitg. De Arbeiderspers (2000-2002) '? Verbeterde Editie (2003-2004)

De auteur is een nazaat van één der oudste, machtigste en rijkste adellijke families van Hongarije.
Hij werd wel geboren in 1950 wanneer het socialisme reeds glorieus had gezegevierd en nadat zijn vader alle bezittingen in handen van de arbeiders- en boerenstaat moest overlaten om zichzelf te kunnen proletariseren.

Péter Esterházy heeft met 'Harmonia Caelestis' een turf geschreven over zijn vele vaders omdat hij alle Esterházy-vaders en voorvaderen als de zijne moet beschouwen, wil beschouwen, kan beschouwen. Daardoor heeft hij geen keuze tussen al die vaders. Hij kan er zich achter verschuilen, maar dat impliceert medeverantwoordelijkheid.

«De familie, zowel het gezin waarin ik leef met mijn vrouw en vier kinderen, als de grote familie, uit de historie, is mijn grote ervaring, met allerlei gevolgen voor mijn leven. Ik heb ze beide gekregen, zonder er veel voor hoeven te doen. Ik ben in de grote familie geboren toen deze al op geen enkele manier groot of groots meer te noemen was. Daarom is mijn relatie ermee eerder observerend en aanvaardend dan kritisch. Was ik geboren ten tijde van de volle glorie en macht, dan had ik mijn positie moeten bepalen ten opzichte van deze macht. Nu hoeft dat niet, het is voldoende me te realiseren dat ik in een interessante positie zit, dus we kunnen inderdaad die zin citeren. Of het om de geschiedenis van Hongarije of die van Europa gaat, ik kan het als familiegeschiedenis hanteren. Ik zoek even in de geschiedenisboeken op welke van mijn voorvaderen met een bepaald onderwerp te maken hadden, en ik heb meteen een levende relatie tot een tijdperk.» ( Interview In De Groene Amsterdammer)

In zijn boeken neemt hij als Hongaars auteur die verantwoordelijkheid mee op en zoekt hij naar de gronden van de Hongaarse positie binnen de EU en die van de Hongaarse houding tegenover de buurlanden met grote Hongaarse minderheden, maar ook tegenover de geschiedenis van de joden in eigen land.

'Het is geen toeval dat er geen Hongaars woord is voor Vergangenheits bewà?ltigung. Het woord bestaat niet omdat die activiteit niet bestaat. Het woordenboek stelt omschrijvingen voor: het verwerken van het verleden, vrede vinden met het verleden. Misschien betekent dit alleen maar dat de Hongaarse taal weet wat de Duitse taal is vergeten, dat je het verleden niet kunt bewà?ltigen, overwinnen, afhandelen, maar het lijkt alsof het Hongaars daaruit ook de verkeerde conclusie heeft getrokken dat ‘Vergangenheits bewà?ltigung’ als werk, als verplicht werk voor Europa, evenmin mogelijk is.
Niemand kan zijn eigen problemen alleen oplossen. Het komt onder meer door de gestelde Duitse vragen dat wij de vragen die ons aangaan niet stellen, en het komt onder meer door onze nog niet gestelde vragen dat de Duitsers de ontbrekende vragen niet kunnen stellen.
De Duitsers hebben hun eigen schuld benoemd, maar niet hun pijn.
De eigen misdaden verhullen met de Duitse misdaden is een Europese praktijk; haat tegen de Duitsers is het fundament van het naoorlogse Europa. Het onscherpe Hongaarse nationale geheugen dat het werk aan het verleden nog niet heeft verricht, ziet zichzelf graag als slachtoffer (een algemene reflex in Oost-Europa). Het Duitse nationale geheugen is al veel verder gekomen, het benoemt de eigen verantwoordelijkheid. Maar aangezien het de verantwoordelijkheid van anderen niet kan benoemen (als het dat probeert, stuit het op een hysterisch wantrouwen), en wij, de anderen, onze eigen verantwoordelijkheid niet benoemen, wordt door dit klaarblijkelijke onrecht weer het Duitse zelfmedelijden opgewekt. Iets wat één zou moeten zijn valt uiteen in zelfhaat en zelfmedelijden, de on-waarachtigheid van de moordenaar die alleen moordenaar is staat tegenover de onwaarachtigheid van het slachtoffer dat alleen slachtoffer is en daarachter bevindt zich het onbestemde wir, het onscherpe nationale geheugen. Die onscherpte verlangt op een hysterische manier naar de «normaliteit».
Zonder herinnering kan er geen moraal bestaan, las ik ergens. Maar je kunt je niet herinneren zonder te vergeten. Daarbij kan de paradoxale werking van literatuur behulpzaam zijn. Het collectieve weten en de collectieve acceptatie maken het voor het individu mogelijk om te vergeten. Het boek vertelt een verhaal opdat jij je eigen verhaal niet hoeft te vertellen. Er is een Hongaarse uitdrukking die gebruikt wordt als men ergens niet meer over wil praten: laten we er een sluier overheen leggen. Die uitdrukking is exacter dan het Duitse Schwamm darüber. Een sluier wist dat waar hij overheen gelegd wordt niet uit, het is er nog, we kunnen het nog een beetje zien, maar het is niet meer direct en pijnlijk aanwezig.' ( Toespraak bij de ontvangst van de Duitse Vredesprijs 2004)

Hoe dik deze hemelse harmonie ook wordt gepresenteerd,
hoe intens de auteur ook zoekt en draait en keert om alle Esterházys
và?à?r hem als vaders van zijn vaders te willen, te kunnen, te moeten beschouwen,
precies dardoor verliest hij de keuze tussen al die vele vaderen.
Als bewaarder van de zinssneden uit het leven van zijn familie,
als dragen van de bekentenissen van zijn familie,
probeert hij er zich achter te verschuilen, maar dit impliceert
voor hem een vorm van medeverantwoordelijkheid, en die is niet gering.

Nauwelijks had Péter Esterházy 'Harmonia caelestis' als essentie van de familienaam na 10 jaar literaire arbeid bij de drukker, of uit de pas geopende archieven doken de eerste gegevens op over de prestaties van zijn vader als spion voor de Hongaarse staatsveiligheid.
Hij voelde zich maandenlang gedwongen en gedreven om de rapporten in het typische handschrift van zijn vader te spellen, te proeven, te verbijten. Hij reconstrueert dank zij de addenda en commentaren van diens officieren -opdrachtgevers soms de precieze omstandigheden waarin zijn vader de bewuste spionagerapporten had geschreven. Hij realiseert zich op een bepaald moment dat de kinderen niet in vaders werkkamer mochten komen omdat papa in een geur van alcohol geconcentreerd diende te kunnen schrijven. Soms dachten zijn moeder en haar opgroeiende zonen dat vaders telefonisch gemispel draaide om verraad in vrouwenkwesties in plaats van verklikkerswerk. Péter beseft plots dat zijn vader in 1969 bij het opstellen van zo'n verklikkersrapport even oud was als hijzelf wanneer hij
de vruchten van vaders arbeid in 2000 doorheen een vloed van tranen tot zich neemt.
Hij maakt tal van sluipende omtrekkende bewegingen om de rapporten van zijn vader heen tot hij eindelijk beseft dat deze van een gedwongen tot een vrijwillige, ongedwongen en onbetaalde informant verworden was.

In zijn 'Verbeterde editie' is Péter Esterházy magistraal als schrijver en als zoon.
Hij hanteert zijn pen met liefdevolle tederheid en tastbare angst voor erger om het verraad van zijn vader en zijn verraad aan zijn vader te ontsluieren.
Aandoenlijk speurt hij in de lullige verklikkersrapporten van zijn vader naar tekenen van afgrijzen, afwijzing, begrip, passief verzet of superioriteit. De ontgoocheling groeit wanneer alleen passieve volgzaamheid blijft bovendrijven.

'Persoonlijk gesproken was er maar één ding belangrijk en dat is dat ik mijn vader emotioneel niet verloren heb. Ik was in een absoluut irreële situatie beland, omdat wat ik te horen kreeg met geen enkele van mijn herinneringen, of die van mijn broers, in overeenstemming was te brengen. Ik werd dus geconfronteerd met een waarheid die in mijn leven geen plaats had gehad. Soms krijg je klappen in het leven en in Oost-Europa komen die vaak van de geschiedenis. Het toont aan hoe fragiel de mens is, al is dat geen enkele rechtvaardiging voor wat mijn vader gedaan heeft. In een bepaalde situatie, die u en mij onbekend is, is hij zwak gebleken. Dat is legitiem, maar het had zwaarwegende gevolgen. Er is een eenvoudig woord voor: verraad. Maar tegelijkertijd is zijn geschiedenis veel gecompliceerder.’
( Interview NRC Handelblad)

Lees verder »

Archief

Wim Van Rooy, De malaise van de multiculturaliteit. Uitg. Acco Leuven

22 juni 2008

Wim Van Rooy, De malaise van de multiculturaliteit. Uitg. Acco Leuven

Wim van Rooy heeft de krachttoer van Paul Scheffer met zijn ‘Land van aankomst’ voor Vlaanderen herhaald, met passie en vuur. Zijn analyse verklaart de waanboodschap van de multiculturaliteit als basis voor het succes van extreem rechtse partijen in Vlaanderen.
Wim Van Rooy gaat zeer breed en spaart niets of niemand, zelfs zichzelve niet, als een vrij en eerlijk man. Zijn pamflet zindert van de verontwaardiging die hij decennialang heeft verzameld in het onderwijs waar hij de praktische gevolgen ondervond van het politiek correcte denken en het goedkope veinzen. Hij heeft voor zijn omvangrijk polemisch essay de pen in bloed gedoopt.
‘Essays mogen het eigen gevoel toelaten en daarbij alle schaamte achterlaten, ze zijn een bravade tot op het irriterende af.’(20) en dat zal de auteur geweten hebben omdat dit soort polemische grondigheid hand in hand gaat met een grote eenzaamheid.
Maar dit zal hem worst wezen want echte intellectuelen verschillen van de hofnarren van de macht, de dwergen van het politiek correcte verhaal.

55. Het nieuwe multiculturele design.
Het werd duidelijk dat het multiculturalisme een nieuw links of groot progressief verhaal inhield, ongetwijfeld met de beste bedoelingen bedacht, maar onwerkbaar in actu. De filosoof Peter de Graeve schreef over dit soort onbezonnenheid in een ander verband, maar direct toepasbaar op het multiculturalisme: 'Maar links Vlaanderen denkt niet. Het signeert, het emotioneert, het speelt zijn valse morele spel. Het doet er alles aan om dit debat te ontlopen en in de kiem te smoren. En wie het debat uit de emosfeer probeert te halen, krijgt alle voorziene verwensingen naar het hoofd ('?) Weldenkend zijn in Vlaanderen betekent vooral één ding: veel praats hebben '. En ik voeg daaraan toe: de bestuurlijke, culturele en politieke elite had inderdaad veel praats bij het kleineren van al diegenen die het waagden hier en daar een vraagteken te plaatsen bij wat gewoon klein en groot 'onfatsoen' genoemd wordt in verband met het nieuwe samenleven.

Van Rooy onderbouwt zijn analyse met tal van – vaak bijzonder boeiende – voetnoten wat voor de lezer nog ruimere horizonten laat oplichten, al mankeert een trefwoorden- en namenregister.
Wie zich niet laat afschrikken door de soms ‘irriterende bravade’, ontdekt bij Van Rooy een ouderwets degelijk handboek, ruim bemeten en met veel liefde en passie geschreven.
Hij ontleedt de bezwerende riedels waarmee de ‘mei ‘68’- generatie zich – ook in Vlaanderen – heeft laten vangen door de rattenvangers van het multiculturalisme.

114. Het probleem met mensen die hun geloof in god zijn kwijtgeraakt, is niet dat ze nergens meer in geloven, maar dat ze bereid zijn om overal in te geloven. ( G.K. Chesterton)

De naoorlogse retoriek van schuld en boete bij de Europese intellectuele elite werd een handig excuus om de intussen weer opgebouwde samenlevingen door elkaar te schudden met massale import van goedkope arbeidskrachten die aflopende industrieën nog een paar decennia lieten renderen.

Maar de Amerikaanse econoom George Borjas maakt duidelijk dat de huidige immigratie, ook die in de Verenigde Staten, de sociale ongelijkheid doet toenemen: welvaart vloeit weg van de werknemers die concurreren met immigranten en gaat naar de werkgevers en anderen die gebruik maken van de diensten van immigranten. Zijn bondige conclusie is:'Werknemers verliezen doordat immigranten de lonen verlagen. Werkgevers winnen omdat immigranten de lonen verlagen.' ( Paul Scheffer, Land van Aankomst, p. 113)

Zoals we zagen kan volgens sommigen een ontwikkelde middenklasse niet zonder onderklasse van laagopgeleide migranten, die hand- en spandiensten verlenen. Zo kunnen morele beginselen gemakkelijk overlopen in eigenbelang. Multiculturalisme en marktliberalisme hebben veel overeenkomsten: in beide gevallen wordt de waarde van het sociale compromis binnen de eigen grenzen ernstig betwijfeld. ( idem p. 126)

Wim Van Rooy brengt de politiek correcte denkers graag met beide voeten op de grond, tot aan de knieën in de stront: ‘De voornamelijk Europese intellectuele elite (...) was mede verantwoordelijk voor de kloof tussen burger en politiek. Het democratische deficit dat ontstond, was beangstigend: het volk moest zwijgen en op zijn tanden bijten, maar het knarsetanden was er niet minder om. Het daardoor ontstane ongenoegen werd eerst slinks, later brutaler, in het stemhokje geuit via een voor de elite onbegrijpelijke voorkeur voor een extreemrechtse partij. Het pleit voor het democratisch bewustzijn van datzelfde volk dat het niet nà?g meer verleid werd door het xenofobe discours, en dat traditie, een vaag christelijk bewustzijn en een bijna natuurlijke gematigdheid de politieke hoofdstroom bleven bepalen.(122)

In 1947 hadden Horkheimer en Adorno met hun ‘Dialektiek van de Verlichting’ er reeds op gewezen dat fascisme en racisme beschouwd kunnen worden als een opstand van de onderdrukte natuur. Wrevel en onrust, angst en twijfel die volgens de politiek correcte denkers en de goegemeente onder de mat geveegd wordt, duikt altijd weer op onder de vorm van barbarij.
De zwakste sociale klassen die alleen de nadelen van de immigratie en multiculturaliteit ondervonden werden onder het mom van internationale en socialistische solidariteit de mond gesnoerd door hun leiders. In het stemhokje konden ze steeds openlijker hun gram kwijt als groeihormonen voor het Vlaams Blok-Belang.

In zijn boek houdt Wim Van Rooy een vurig pleidooi voor de verworvenheden van de Verlichting. Hij analyseert de islam als derde grote monotheistische religie die er het minst in slaagt om de verlichtingsideeën te integreren in haar leer en cultuur, wegens extreem vasthoudend aan primitieve machtsinterpretaties van de woorden van hun heilig boek.
Van Rooy is erg pessimistisch over de mogelijkheid van een Europese islam. Precies omdat de Aristoteliaanse rationaliteit in de loop der eeuwen door de christelijke hiërarchie werd omhelst, vond de Verlichting een vruchtbare bodem die het westerse denken op het pad van de rede en het weten kon houden.

276. De cursus 'darwinisme ' in de lessen biologie in het secundair en de debatten met jonge moslims daarover is een hallucinant schouwspel. Het debat dat gedurende de moderniteit en de wetenschappelijke revolutie ooit gevoerd was met de christenen van allerlei signatuur , had eeuwen in beslag genomen en moest met de islam weer helemaal opnieuw gevoerd worden, sterker nog: in de slipstream van dit wat onmogelijke en vermoeiende karwei grepen evangelische christenen hun kans en werkten zich (weer) op de voorgrond.
Het multiculturele islamgesprek dat gevoerd wordt, of eerder: het gebrek daaraan, wordt getroebleerd én door het absolute en grondstellige karakter van deze religie én door de onwereldse gedachten van westerse intellectuelen. ('?)
Terwijl zij de modale man de levieten leest en hem/haar verwijt dat hij/zij zich niet realiseert welke vruchten de multicultuur oplevert, vraagt in het Midden-Oosten ondertussen een hele schare denkers dat wij ons democratische en liberale gedachtegoed niet zouden verkwanselen en niet zouden toegeven aan de scherpslijpers van het nieuwe jihadisme.

277. De islam en zijn radikalinski's spreken voortdurend over de perversie van de westerse wereld, maar over China bijvoorbeeld hoor je ze zelden. Dat is vanuit hun optiek evident: men valt aan wat week is en wat dus geen respect verdient. Het is van een treurigstemmende verwaandheid en achterlijkheid tegelijk.

‘De malaise van de multiculturaliteit’ van Wim Van Rooy stemt treurig.
Maar het is niet anders. Al te simpele politieke, economische en culturele interpretaties van de globalisering, al te felle polarisatie van het eigen blikveld heeft veel westerse intellectuelen en politieke broodheren te lang opgezadeld met een oprecht naà?ef en idealistisch verlangen naar gelijkwaardigheid en ditto kansen. Misschien was dit oppervlakkige salongewauwel wel een onderdeel van de paleisverveling waarin de Europese culturele hofhouding zich sinds de jaren tachtig had teruggetrokken.
De gevolgen zullen nog generaties lang wegen op het Europa van morgen.
Er is geen weg terug. De toenemende verstedelijking zal ongetwijfeld leiden naar nog meer chaotische armoede en pijn, naar lijf en geest, naar doen en denken.
‘Ander Geloof’ en religie hanteren als een leiband om bevolkingsgroepen manipulatief te socialiseren naar de wensen van de vrije markt is een levensgevaarlijke optie voor de turbulente tijden die ons wachten.

Paul Scheffer verklaarde het als volgt:

‘Wezenlijk is dat de islam zichzelf ziet als de opvolger en vooral ook de vervolmaking van het jodendom en het christendom. Deze inherente superioriteit van de islam in de ogen van zijn aanhangers is een deel van de verklaring waarom de interesse in de westerse wereld pas laat op gang kwam. ('?)
Morele overtuigingen die in de islamitische wetgeving zijn vastgelegd vinden hier geen erkenning. Sterker nog: deze rechtsnormen zijn in strijd met onze beginselen van gelijkheid en vrijheid. Waar gewetensvrijheid heerst, heeft het geloof als juridische discipline geen plaats. (355)

En Van Rooy citeert op p 165 Abram de Swaan: 'De Verlichtingsidealen gelden dan misschien niet als absoluut, ze zijn niet volledig, ze zijn onderling strijdig, en elke keer moet er weer gepeinsd, gepast en geprutst worden om ze in de praktijk te brengen. Net zoals dat gaat met al die religieuze leerstelligheden. Maar de verlichtingsidealen zijn waarschijnlijk een beetje beter.'?

Wim Van Rooy neemt het moedig op voor de verlichtingsdenkers in de islamitische wereld en voor de kritische moslim(a-)s in Europa, die zich in de steek gelaten voelen door de politiek correcte hofnarren en hun broodheren die plots denken de kudde handelbaar te houden door een beroep op de baardmannen van de Ene en de Ware, waarvan ze niet eens durven vermoeden dat deze Heren van het Geloof een eigen agenda hebben die een ietsiepietsje anders ligt dan die van de ander-geloof-propagandisten.

‘De malaise van de multiculturaliteit’ is geen gemakkelijk pamflet, het is een moedig polemisch essay dat tot nadenken, zelfreflectie en kritisch handelen stemt.

Lees verder »

Archief

39ste Poetry International Festival te Rotterdam: T.S. Eliot, The Waste Land '? Vertaling Paul Claes, Het Barre Land '? uitg. De Bezige Bij 2007

12 juni 2008

T.S. Eliot, The Waste Land '? Vertaling Paul Claes, Het Barre Land '? uitg. De Bezige Bij 2007

Paul Claes levert met 'Het barre land' een schitterende vertaling op, met een intrigerende verklaring en een lankmoedige vermaning. Hij weeft een fascinerend spel in zijn toelichtingen rond een van de belangrijkste gedichten van de XXste eeuw, waar persoonlijk leed herkenbaar wordt in maatschappelijk lijden, en vice versa.
Thomas Stearns Eliot schreef van 1917 tot 1922 aan 'The Waste Land'.
Paul Claes levert geen zes maar zeven sleutels aan voor het mytische vers dat na de eerste wereldoorlog de toon zette voor de grootste crisis van de Europese cultuur.
In het wonderjaar 1922 verschenen nog twee toppers van het modernisme: Ulysses van James Joyce en de Duineser Eligien van Rainer Maria Rilke.
T.S.Eliot werkte zelf als klerk op de afdeling buitenlands betaalverkeer van de Lloyds Bank in de 'onwezenlijke Londense city', hét toenmalige geld- en handelscentrum terwijl de kanonnen op het vasteland donderden en de jeugd van Europa gesmoord werd in het loopgraveninferno van bloed en slijk, het gruwelijke offer aan de mammon.
De verzen over zijn persoonlijke onmacht lenen zich in ‘Het Barre Land’ tot indrukwekkende metaforen voor allen die hun geloof en de laatste illusies achterlieten in Flanders Fields, zoals ooit Dante Alighieri en Vergilius voor de hellepoort stonden in La Divina Commedia, Inferno, Canto 3, 1-9:

Per me si va ne la città? dolente,
Per me si va ne l'etterno dolore,
Per me si va tra la perduta gente. ('?)
'('?) Lasciate ogne speranza, voi ch'intrate.'
'Door mij komt men in de stad van lijden
Door mij komt men in de eeuwige pijn
Door mij komt men bij de verloren mensheid
'('?) Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt,'

Het Barre Land

I.Het begraven van de doden

April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinnering en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
De winter hield ons warm, hulde
De aarde in vergetele sneeuw, voedde
Een restje leven met verdorde knollen.

T.S. Eliot apprecieerde dichtwerk ooit als volgt: 'Onrijpe dichters imiteren, rijpe dichters stelen; slechte dichters verminken wat ze overnemen en goede dichters maken het tot iets beters of althans iets anders.'

Op het 39ste Poetry International Festival te Rotterdam lichtte Paul Claes zijn zevende sleutel in een schitterende evocatie rond ‘Het barre land’.

Rond 2008 wonen er voor het eerst in de geschiedenis wereldwijd meer mensen in verstedelijkte gebieden dan op het platteland. Rond 2030 zal dat meer dan zestig procent zijn. De verhouding tussen stad en platteland zal door deze onomkeerbare ontwikkeling fundamenteel veranderen en daardoor implicaties hebben voor mens en samenleving hebben. Poetry International zal aandacht besteden aan poëzie uit stad en land en wat deze kentering voor de poëzie kan betekenen.

Poetry Special – The Waste Land
dinsdag 10 juni 2008

I will show you fear in a handful of dust
Uit: The Waste Land van T.S. Eliot

Tijdens dit programma zal de gehele tekst van The Waste Land integraal te horen zijn. James Fenton, dichter en voormalig Professor of Poetry aan Oxford University, belicht de literair-historische context van The Waste Land. Vertaler Paul Claes verleent eveneens zijn medewerking.

'Complimenti, you bitch. I am wracked by the seven jealousies,' schreef Ezra Pound aan T.S. Eliot nadat hij het manuscript van The Waste Land had gelezen. Het meer dan 430 regels tellende gedicht verscheen in 1922 en maakte Eliot van onbekende Bloomsbury salondichter plotsklaps wereldberoemd. Eliot gaf in The Waste Land gestalte aan de geestelijke leegte van de Westerse beschaving na de Eerste Wereldoorlog en maakte van Londen een hels landschap dat direct voortvloeit uit Dante's La Divina Commedia. In zeer hedendaagse taal laat Eliot aan de hand van verschillende stemmen uit alle lagen van de maatschappij zijn afkeer blijken van het moderne stadsleven. Sommige hedendaagse critici suggereren dat Eliot persoonlijk veel te verbergen had, maar in zijn essays pleitte Eliot ervoor om afstand te bewaren tussen het leven van de dichter en het gedicht als kunstwerk.

Laat dat nu juist precies zijn wat dichter en vertaler Paul Claes niet heeft gedaan. Aan zijn recente vertaling Het barre land voegde Paul Claes een uitgebreid nawoord toe, waarin hij ingaat op de biografische achtergrond van het gedicht en de seksuele lading ervan.

Met medewerking van Paul Claes (dichter en vertaler), William Cliff (België), David Eeles (acteur), James Fenton (Groot-Britannië), Andrea Gibellini (Italië) en Henk van der Waal (Nederland).

Archief

Andrew Hussey, Parijs. De verborgen geschiedenis – Jacques R. Pauwels , Het Parijs van de sansculotten. Een reis door de Franse revolutie

2 juni 2008

Andrew Hussey, Parijs. De verborgen geschiedenis. Uitg. De Arbeiderspers 2007

De voorbije maand mei stonden vele media bol van Mai '68, waar eerder 69 werd beoefend dan belangrijk politiek werk bedreven. Al bleef de illusie een heilzame balsem voor het falen van menig libido, zeker in Frankrijk, meer nog à? Paris!
Mai '58 was immers heel veel belangrijker met het begin van de Vde Republiek van Generaal de Gaulle, die menige enthousiasteling 10 jaar later met onbevangen onnozelheid en 'kijk, papa, zonder handen' tot de ondergang hoopte te keren. Het had iets heroà?sch en onwaarschijnlijk entoesiasmerend wegens de illusie van een bevrijding die reeds jaren voordien in Leuven, Berkeley, Berlijn, Bologna, Amsterdam plaatshad.

Onder het plaveisel het strand!
Onder het asfalt de kasseien.
Onder de kasseien het moeras.

Andrew Hussey is docent Franse literatuur aan een Parijs filiaal van de Londense Universiteit en dat is zijn verborgen geschiedenis aan te zien.
Zelden een stad zo grondig doorploegd aan de hand van een erudiete gids als het Parijs van Hussey. Hij leidt je te voet of met de fiets naar onooglijke gaten en scheuren, lege stegen en verlopen straten, opgekalefaterde glorie met gruwelijke verhalen en schaduwen van vele eeuwen menselijke lief en leed, het stedelijke theater tegen een decor van twee millennia gevechten om de plaatselijke en de centrale macht. Je snapt beter waarom de diagonalen van de 'hexagone' in Parijs kruisen. Je vat waarom het centralisme in Frankrijk zo wezenlijk is en waarom de periferie zo vaak de buik meer dan vol heeft van de Parijse mentaliteit.

Jacques R. Pauwels , Het Parijs van de sansculotten. Een reis door de Franse revolutie'? Uitg. EPO 2007

Jacques R. Pauwels heeft daarentegen de periode van de Franse revolutie op goed marxistische wijze uitgebeend en levert hiermee een boeiende illustratie van Peter Sloterdijks analyse van woedekapitaal en hoe dat maximaal rendabel kan gemaakt worden, in 'Woede en Tijd'.
Interessante verhalen, pittige details maar vooral een beknopt geschiedenisoverzicht van de revolutie volgens Pauwels. Handig om in Parijs vandaag de plaatsen te herkennen waar en waarom het allemaal begonnen was. Maar zonder veel diepgang, zonder een grondig beeld van de hoofdpersonages, terwijl die er hoe dan ook een ferme stempel op gedrukt hebben. Maar in het dialectisch en historisch materialisme is de geschiedenis een drijvende kracht die het leven der mensen in banen leidt naar het onvermijdelijke geluk in een maakbare samenleving onder de dictatuur van het proletariaat.

Lees verder »

Archief

Gunnar Heinsohn, Zonen grijpen de wereldmacht, terrorisme demografisch verklaard. Uitg. Nieuw Amsterdam 2008

12 mei 2008

Gunnar Heinsohn, Zonen grijpen de wereldmacht, terrorisme demografisch verklaard. uitg. Nieuw Amsterdam 2008

Er was eens in Europa de pest en na deze decimering de gebruikelijke aanwas van de bevolking: Eros en Thanatos gaan immers hand in hand
En dat werd de basis voor de latere ‘youth bulge’, het kloppende gezwel van het forse jonge mannenoverschot in Europa.
De overgrote meerderheid van deze jongens zouden nooit de kansen krijgen van het eerste geboorterecht dat voorbehouden bleef aan de oudste zoon, tenzij die zich liet lijmen met een bord linzensoep.
De rest kon aan de slag aan soldaat, priester of gelukzoeker, of alles tegelijk.
Want volgens de Bremense onderzoeker naar volkerenmoord, Gunnar Heinsohn (Polen, 1943) was Europa het eerste continent waar bezit overging in uitleenbare en beleenbare eigendom. Dat werd de drive – wortel en stok – waarmee het jongerenoverschot de wijde wereld in gestuurd kon worden om het wrokkige ressentiment van de ‘segundos’ – de overbodige tweede en volgende zonen – desnoods met harde en bloedige hand te ruilen voor prestige, rijkdom en sexuele bevrediging. Niet als esoterische martelaren in het paradijs maar als reële overwinnaars in de Nieuwe Werelden.
Niet armoede en honger drijft immers mensen de wereld rond, maar wel het gebrek aan passend geachte toekomstmogelijkheden in de eigen sociale omgeving

27. Armoede en voedselgebrek brengen geen terroristen voort. Om brood wordt gebedeld Gedood wordt er voor status en macht. Juist omdat het gros van de jongeren niet om het naakte bestaan hoeft te vechten, maar de energie, tijd en vrijheid heeft om verder te komen, worden de toekomstige youth bulges door de strategen als een internationaal gevaar gezien.

Gunnar Heinsohn – daarin gesteund door Peter Sloterdijk in ’ Woede en Tijd ‘ – neemt afstand van de marxistische meerwaardetheorie. Er is immers meer nodig voor grote maatschappelijke verschuivingen dan een economische ‘bulge’. Zonder een fors overschot aan jonge mensen ( Stalin had het als volleerd machtstrateeg zelfs over ‘L’homme, le capital le plus précieux’) komt er immers niets terecht van expansionistische, imperialistische, politieke en/of religieuze wereldreddende bewegingen.
Heinsohn ziet een synchrone beweging in de demografische pulsaties en alle mogelijke geweld van volkerenmoorden, godsdienstoorlogen, revolutionaire en veroveringsbewegingen.
Na de pest startte de inquisitie in Europa de liquidatie van de vroede vrouwen die traditioneel zorg droegen voor de kennis van vruchtbaarheid en geboorteregeling, maar ook voor die van zwangerschap, baren en zogen. Met het verbranden van tot heks verklaarde wijze vrouwen verdween de kennis om vruchtbaarheid te beheersen.
Vrouwen werden als akkers geploegd om rijkelijk vrucht te dagen.

98. En wie met overtollige zonen oorlog wil voeren, moet niet alleen eerst de eigen vrouwen monddood maken, maar er ook voor zorgen dat de hele seksualiteit in dienst kom te staan van de voortplanting. Geen vrouw verlangt uit zichzelf naar twintig zwangerschappen en tien kinderen. Hoe pakkend het moderne begrip ' war of the wombs' misschien ook klinkt, het verhult dat het bij deze oorlog vrijwel zonder uitzondering gaat om vrouwen wie het heft uit handen is genomen.

De drive van wortel en stok – kapitaal en schuld, rijkdom en rente – is voor Heinsohn hét fundamentele gegeven in de economische ontwikkeling. Het Aziatische economische mirakel en de opstanding van China stelt hem hier in het gelijk. Je moet natuurlijk wel een maatschappijstructuur weten te realiseren die voldoende stabiel blijft om eigendomstitels en renteverplichtingen door de overgrote meerderheid blijvend te laten erkennen. De balans tusen wortel en stok mag natuurlijk niet aan te felle of te langdurige onevenwichten lijden. Schommelingen houden er de spanning in maar een waag die te fel en te lang eenzijdig overhelt verkruimelt door beurscrisissen en opstanden van wie zich tekort gedaan voelt. Het evenwicht blijft een gewaagd spel, en de spelers riskeren veel in de hoop op beter.

103. Als gebruikers van geld, dat altijd staat voor een schuld – namelijk die van de debiteur, genoemd in het geldscheppende krdietcontract – ontwikkelen burgers van een eigendomssamenleving een heel andere kijk op de wereld dan zij die leven in een bezitssamenleving, dus in een stam of een feodale maatschappij – of daarin nu een adellijke kaste de dienst uitmaakt, of de voorhoede van de arbeidersklasse. Mensen met schuld zoeken altijd naar wegen om gedurende de vastliggende jaarlijkse of maandelijkse termijnen tenminste zoveel winst te maken als voor het betalen van de rente nodig is. Dat is ook de reden dat zij een markt creëren. Daarop proberen ze manieren te vinden om geld in handen te krijgen, zodat ze hun rente en schuld kunnen aflossen. Het geld gaat dus vooraf aan de markt, waar economen menen dat er eerst markten waren en het geld werd uitgevonden om de ruil te vereenvoudigen.

112. Het zijn immers de renteverplichtingen die tot warenproductie, dus tot het scheppen van rijkdom, dwingen. Met het goud en zilver werden nu in andere landen spullen gekocht en de rest van Europa werd mede welvarende omdat het in ruil voor de Amerikaanse metalen echte prestaties en innovaties moest leveren. De Spanjaarden deden hetzelfde als de huidige olielanden, die ook uit de hele wereld importeren, maar in eigen land geen eigendomsstructuur noch rentelast kennen, en zo ook geen noemenswaardige economie opbouwen.

Heinsohn ziet in de Amerikaanse buitenlandse politiek een mooi voorbeeld van verdediging van de democratische waarden over de hele wereld, en vooral in het Midden en Verre Oosten (p. 135). Rusland lijdt onder een krimpende bevolking, China draagt nog lang de last van het éénkind beleid en Europa denkt migranten te moeten aantrekken om de veroudering van haar bevolking tegen te gaan. Al blijken die migrantenvrouwen zich na enkele generaties zodanig geà?ntegreerd te hebben dat zij evenveel vrucht dragen als hun autochtone zusters. De vele importbruiden niet te na gesproken.

Hier lijkt Heinsohn mis te lopen wanneer hij uitsluitend de demografische youth bulge kan herkennen als bepalende pulsaties voor binnen- en buitenlandse machtstrijd en volkerenmoord in naam van de Ene en de Ware, de Belangen van het Eigen Volk of de Arbeidersklasse.
In die optie kan een éénkindbeleid zoals in China nooit tot expansionisme leiden, laat staan tot binnenlandse onrust, omdat de noodzakelijke overbodigen – segundos – nooit geboren werden.
Hij houdt hier evenwel geen rekening met de ‘intern overbodigen’.
Een land kan een economische evolutie doormaken waarbij door verbeterde landbouwtechnieken of goedkopere import van elders hele bevolkingsgroepen ‘overbodig’ worden. Die kunnen opgesoupeerd worden in een ontluikende industrie – zoals tijdens de Eerste Industriële Revolutie in Engeland – of in oorlogen elders – zoals de Zwitserse huurlingenlegers – of als migranten en kolonisten zoals de Zuiditaliaanse Cosa Nostra na de tweede wereldoorlog zijn zonen de wereld rondstuurde. Chinese éénkindgezinnen uit het binnenland moeten hun oogappels wegsturen naar de fabrieken aan de oostkust, naar het Russische Siberië dat leeggelopen is, en zelfs naar de vroegere Oosteuropese landen waar ze de handel en winkelnering op het platteland steeds verder hebben overgenomen. En van een demografische youth bulge kan je daar niet echt spreken na de Maoà?stische bevolkingspolitiek.
Heinsohn maakt ook een wat simpele inschatting van de culturele lasten of krachten die samenlevingen torsen en die niet zomaar om redenen van wortel en stok zullen opgegeven worden.
Gedrag – ook groepsgedrag – wordt ook beà?nvloed door illusies die generaties lang worden overgeleverd als identiteitsbepalende en herkenbare mutaties. Zonder dergelijk ideeel houvast dreigen mensen al te vaak grip te verliezen op zichzelf en hun omgeving. Nakomelingen van Javaanse en Indische Hindoestanen die door Nederland in Suriname werden geà?mporteerd voor het zware werk in een zengend klimaat zweren generaties later ook in Nederland bij vakanties in Dubai en India wegens veel meer faciliteiten voor ‘ons soort mensen’.

Het bijzonder interessante ‘youth bulge’ concept – de pulserende toornmachine van voornamelijk testosterongedreven ressentiment – wordt door Gunnar Heinsohn naar mijn aanvoelen té marxistisch benaderd.
Het schouwtoneel van de machtsverhoudingen in de wereld is geen mechanisch schaakspel, als van een computer.
Politiek, het gevecht om de macht, is eerder een schaakwedstrijd tussen menselijke grootmeesters, die verrassende, verschrikkelijk mooie en gruwelijke beslissingen kunnen nemen die het spel fundamenteel beà?nvloeden. De twee oorlogen in Irak verklaren als een gerechtvaardigde poging van de VS om de Arabische Youth Bulge om zeep te helpen, lijkt mij veel te ver gezocht. De noodzaak voor de Bush-dynastie om de regio te destabiliseren om zo de energiebehoeftedruk op te voeren voor de Aziatische tijgers en China leidde slechts tot een beperkte groeivertraging bij de Chinese hoofdaandeelhouders van de Amerikaanse economie.
Het nut van de Irak-oorlogen wordt door Heinsohn nu gezegend met de missionaire verplichtingen inzake het afkoelen van de Arabische Youth Bulge in het Midden Oosten, rechtstreeks (vluchtelingen en doden) en onrechtstreeks als dreigende vingerwijzing voor Iran. Dank zij de mensenverslindende – en door de VS en Europese landen fors aangemoedigde – oorlogen tussen Iran en Irak is de regionale youth bulge reeds langer aan het verzepen gegaan.
Iran lijkt demografisch niet meer zo sterk te pompen, dus zal de oven wel koelen met gecontroleerd blazen, aldus Heinsohn.
Pakistan dreigt een ander paar mouwen te worden voor de Amerikaanse strategen.
Maar ook voor de Indische en Chinese belangstellende buren.

128. Toch geldt nog steeds het Oudromeinse gezegde ‘si vis pacem, para bellum’ (wie vrede wil, bereidt zich voor op oorlog).
In 2008 draaien de meest urgente scenario’s niet om Iran, maar om de dromen over een heroprichting van een kalifaat waarvan Pakistan en Afghanistan het centrum vormen. Volgens de officiële mededeling is het door de VS geplande rakettenschild in Polen en Tsjechië een voorzorgsmaatregel tegen mogelijke nucleaire wapens van Iran. In werkelijkheid echter wordt gevreesd voor de kernwapens die Pakistan al sinds 1998 heeft. Maar zolang er in Islamabad een partner van het Westen zetelt, wordt die ongerustheid niet aan de grote klok gehangen.

Er is ook nog hoop.
En wellicht wordt die wel door de Chinese kolonisatoren in Afrika geà?mporteerd met de ‘economische steun tot wederzijds voordeel’.
Natuurlijk waren de Belgen destijds in Congo al sterk in het introduceren van eigendomstitels en rentesystemen. Al bleek tenslotte een uitermate corrupte cultuur de dienst te blijven uitmaken.
Wellicht is dit fenomeen wel een vast gegeven wanneer ‘rente en rijkdom’ van buiten- en bovenaf worden opgelegd in een samenleving waar de cultuur van het bezit niet individueel maar gemeenschappelijk (clan- of stamsgewijs) wordt beheerd.
Alleszins heeft de Westerse ontwikkelingshulp de laatste vijftig jaar nauwelijks iets duurzaams opgeleverd, behoudens een verdere ontwrichting van de lokale gemeenschappen, een youth bulge door verbeterde gezondheidszorg, een ondermijning van de lokale machtsverhoudingen en een nauwelijks te temmen hang naar ‘het goede doen om het goede’ bij westerse jongeren die in eigen land niet direct aan de bak konden komen als arts, verpleger, leraar, ingenieur, antropoloog.
Menig jonge man en aanvallig meisje in de zogenaamde ontwikkelingslanden kreeg ook de illusie opgelepeld dat in de rijke landen het leven aangenaam en gezellig overvloedig is. Wat tot een pijnlijke ontnuchtering leidt als ze de oversteek wagen op de drijvende dwang van de eigen familie die haar overtollige zonen en dochters maar al te gretig uitzendt naar Europa om via Western Union en andere transactiesystemen de schamele uitkeringsgelden en de vruchten van legale en minder legale bezigheden terugbesteld te krijgen.

157. De overdracht van economische kennis is de beste ontwikkelingshulp.
Als je de onderontwikkelde landen wil helpen, moet je geen geld geven. De inwoners denken anders echt dat er in de rijke landen als door een wonder grote zakken met geld uit de hemel zijn komen vallen en het dus terecht is dat ze anderen erin laten delen. Het geld is evenwel niet uit de lucht komen vallen, maar gecreëerd op basis van met schuld belaste eigendom. De introductie van eigendom is technisch heel eenvoudig. Aan zoveel mogelijk bezitsgoederen moeten eigendomsrechten worden gehecht, en deze titels moeten in het kadaster geregistreerd worden. Daarvoor hoef je alleen maar te kunnen schrijven en officiële stempels te kunnen maken. Tevens is er zowel een politiedienst als een rechterlijke macht nodig die de wetten inzake eigendomsrechten zonder aanzien des persoons uitvoert. Ook de armste landen kunnen zonder veel hoofdbrekens aan deze eisen voldoen. Geen hulp kan meer welvaart brengen dan informatie over de manier waarop geld wordt geschapen.

158. De ‘grote satan’ is niets anders dan bezit dat niet in eigendom is omgezet. Het verwijt dat rijke landen hun privileges eindelijk met de arme volkeren moeten delen, zal meteen verstommen als algemeen bekend werd dat de executoriale eigendomstitel het verschil uitmaakt. De volkeren die nog geen eigendomsstelsel hebben, zouden dan niet meer roepen dat ze een deel van de koek willen, maar dat het stelsel ook bij hen moet worden ingevoerd. Pas als het zou lukken de enorme blokkade voor economische groei te slechten door bezit tot eigendom te verheffen, zou in veel landen de reële mogelijkheid ontstaan om apathie en terrorisme te overwinnen. En dan zou ook het waandenkbeeld dat de markt de essentie van de economie is, uit de wereld zijn.

Voor de VS en haar moeizame volgelingen in de EU worden het nog spannende jaren van blufpoker, grootmeesterlijk schaken of snooker om de testosteron gestuurde pulsaties van de youth bulge in de hele wereld gecontroleerd met wortel en stok te laten doodbloeden. Niet iedere politieke schaker of snookeraar heeft voldoende koelbloedigheid om dit gevaarlijke spel te beheersen.
Hillary Clinton liet zich eind april 2008 tijdens de Pennsylvania primaries nog verleiden tot de uitspraak ’ If they (Iran) might foolishly consider launching an attack on Israel, we would be able to totally obliterate them’.
Over de noodzaak en de betekenis voor de VS en Europa én voor de Arabische regimes van het Midden-Oostenconflict tussen Israel en de Palestijnen heeft Gunnar Heinsohn ook nog een interessante visie (p. 147)

Duidelijk is alleszins dat ook Europa haar sinds de tweede wereldoorlog gespeelde onschuld zal moeten afleggen, willens nillens.
De illusie waarmee Europese jongeren werden gevoederd over democratische idealen – gelijkheid, vrijheid en broederschap – tussen alle mensen in Europa en dus ook daarbuiten zal veel van haar glans verliezen ondanks de Europese hymne: ‘Alle Menschen werden Brüder!’
Massale immigratie, zelfs gecontroleerde, is alleszins niet zaligmakend en zal de fouten van de jaren zestig en zeventig nauwgezet kopiëren.
Paul Scheffer heeft in ‘Het land van aankomst’ baanbrekend onderzoek verricht.
Indien de overheden en de werkgevers in de EU landen niet bereid zijn om op langere termijn te plannen en enkel met import van goedkope – zelfs hoog opgeleide – arbeidskrachten tanende economische sectoren nog enkele decennia hopen rendabel te houden met lage lonen, zal de immigratiedruk verder toenemen.
De gevolgen voor het maatschappelijk weefsel zullen groot en pijnlijk blijven schrijnen.

Lees verder »

Archief

Piet de Moor, Hotel Silesia – Een romance. Uitg. Van Gennep Amsterdam

19 april 2008

Piet de Moor, Hotel Silesia – Een romance. Uitg. Van Gennep Amsterdam

In een van de prachtige ruime hoekkamers van Hotel Silesia te Gà?rlitz '? op de verkeerde Neisse grens tussen Polen en het herenigde Duitsland '? speelt zich een romance af van de onmacht, van de zelfgekozen onmogelijkheid tot het ontmoeten van de ander, hoe dierbaar die ook voor het 'ik '- personage van Piet de Moors roman zou kunnen zijn.
Piet de Moor heeft een reeks ongelooflijk boeiende parels van historisch onderzoek naar het leven en lijden in het Oosten van Europa opgeleverd.
Met 'Grimmig heden. Een polyfonie' en ‘Schemerland' onderzoekt hij hoe mensen zich gedragen op grenzen.
In de ‘Gelaarsde God' wroet hij in de onderbuik van de macht aan de hand van een gewillige protagonist: Josef Stalin, ooit bekend als de vader der volkeren.
In 'Hotel Silesia' slaat Piet de Moor de hand aan zichzelf, en hoe!
Hij onderzoekt in zijn romance de eigen onderbuik en de krassen in zijn hoofd, de barsten in zijn ziel, waar hij vagelijk de contouren van zijn vader blijft herkennen.

' Ik ben een laatbloeier. Waarom? Omdat ik pas laat inzag dat ik niet de schrijver was die ik me lang geleden had ingebeeld te zijn, een beeld waarvan ik geen afstand wilde doen. Maar ik paste niet in dat schrijversimago dat ik voor en van mezelf ontworpen had. Ik stond voor een deur waarvan ik dacht dat ze vergrendeld was, en het duurde lang voor ik ontdekte dat ze moeiteloos openging. Mijn vooroordelen en mijn gebrek aan kennis keerden zich in al hun monsterachtigheid tegen mezelf.' ( Grimmig heden, 186)

Hij construeert zijn reis met de onmogelijke Andere door regen en mist naar Gà?rlitz, de gedeelde -en intussen Europese – eenheidsstad in het Oosten. Geen Duitse stad heeft de Tweede Wereldoorlog zo goed doorstaan als Gà?rlitz, een soort Disneyworld uit de Gründerzeit overgeleverd: een hedendaagse kopie uit het einde van de 19 de eeuw wanneer het Keizerrijk zijn woedekapitaal opbouwde. De rest van Europa en een groot deel van de wereld zou er in twee gruwelijke rentegolven mee geconfronteerd worden. De Marxistische wetten van de overproductie in het kapitalisme gelden immers voor kapitaal én mens.
In Gà?rlitz moeten de Sileziërs daarom ook veel schuldgevoel verdringen, over waarom zij wel en de anderen niet. Bij voorbeeld die van over de Neisse! Gesteld dat er over schuld kan worden gereflecteerd door Hitlers gewillige beulen of door de Heiligen die zich wentelen in ressentiment wegens 'Nog is Polen niet verloren'.
In Gà?rlitz moet veel gezwegen en verzwegen worden wat pijn kan doen wanneer je kinderen en kleinkinderen een glimp kunnen opvangen van de gruwelen die achter het familiale en nationale behang verstopt zitten.
Misschien daarom dat zovelen deze streek verlaten hebben op zoek naar een beter leven in het Westen, in steden waar de littekens van schuld en boete als keloà?dale tatoeages worden gedragen.
Het leven met het weten van het verleden is een tobberige bedoening, die vaak leidt tot een verstikkende behoedzaamheid die niet langer meer bevrijdt. Misschien ‘burlen’ daarom Oostduitse hertenstieren zo aandoenlijk wanneer ze tekeer gaan tegen ‘anderen’ in hun samenlevingen van de verbeten stilte omdat ze geen ‘andere’ meer willen horen, zien noch ruiken.
Menselijke ontmoetingen zijn asymptotische vergelijkingen. Zij kunnen enkel naderen op oneindig. Tenzij we burlend elkaars illusie respecteren bij de overgave in elkaar zonder angst voor de pijn van de kwetsuren door het vele weten van alle leugens van het leven.
Zeker op weg naar Gà?rlitz.
Wanneer we veinzen elkaars illusie te respecteren kunnen we als mensen met elkaar leven.

'Hotel Silesia' is voor Piet de Moor een eerste vorm van schrijversgeluk.
Om het constiperende effect van het vele weten te vergeten moeten we de verschrikkelijke verbrokkeling van de werkelijkheid liquideren in een andere werkelijkheid. Zo ook met de premissen waarin we onszelf blijven spiegelen.

191. Elke grote roman is een zwart gat dat de werkelijkheid verslindt. Thomas Mann beweerde dat hij in zijn romans de realiteit liquideerde, iets wat ook Imre Kertész zo consequent doet dat hij een van zijn romans de titel 'Liquidatie' gaf. ('?)
Maar het schrijven zelf is voor de echte schrijvers de enige (niet altijd even aangename) leefbare werkelijkheid. In 'Dagboek van een galeislaaf' bevestigt Kertész de uitspraak van E.M. Cioran dat elk boek dat hij schrijft een uitgestelde zelfmoord is. ( Grimmig heden )

Op de muren van een vergaderhok van het vroegere SVB hoofdkwartier in de Leuvense Eikstraat stond 40 jaar geleden gekalkt: 'Afbouwen is makkelijker dan opbreken'.
Piet de Moor heeft dit enigma ter harte genomen.
Met Hotel Silesia is hij eraan begonnen.
Hij zal zijn zelfmoord nog lang moeten uitstellen.
Ook voor zijn lezers.

288. Een van die zinnen als ingegroeide nagels was een evergreen van mijn vader: 'Afbreken is gemakkelijk, opbouwen is moeilijk'. Maar het is juist andersom. Opbouwen is gemakkelijk, maar afbreken is moeilijk. Om af te breken wat je hebt opgebouwd is een welhaast bovenmenselijke moed nodig. ( Grimmig heden)

21. In mij vermoedde je een tegenstander van wie je meende dat je hem kon verraden zonder hem te verliezen, wat een illusie was.

40. En een ogenblik later, toen mijn penis in je vagina schoot, burlde ik als een dodelijk getroffen hert.

93. En toen je me vroeg waarom ik dat meesterwerk dan nog niet geschreven had en of het , gezien mijn leeftijd,niet hoog tijd werd om eraan te beginnen, antwoordde ik dat een werk van de verbeelding heel andere eisen stelt dan een essay, en dat ik, wat het schrijven van fictie betreft, absoluut geen Proust was, wiens schrijversgeluk al contouren kreeg toen hij met zichtbaar genoegen begon te schrijven over zijn verzuim om eindelijk te gaan schrijven, toen hij zich opmaakte om te schrijven over de afleidingen die het echte schrijven in de weg stonden en die zichzelf onderwierp aan een energieke vertraging die maakte dat hij al schrijvend bleef aankloppen aan de schrijfpoorten die voor hem nog moesten opengaan, maar dat ikzelf geconfronteerd werd met hetzelfde probleem als de arme Italiaanse literaire criticus Giacomo Debenedetti '? de auteur van het meesterlijke document 16 oktober 1943. Een joodse kroniek '? een schrijver wiens hele leven beheerst werd door het gevoel dat hem nooit iets overkomen was dat ánders was dan gewoon, die altijd de indruk had dat hij de wereld van achter een glazen wand had bekeken, als een 'feest van de anderen' waarvoor hij niet uitgenodigd was, en dat die Giacomo Debenedetti daardoor een geconstipeerde schrijver was geweest 'omdat hij niet uit het niets kon scheppen'.

Archief

VSB poëzieprijs 2008 voor ‘ Bres’ van Leonard Nolens

13 april 2008

Leonard Nolens (1947) heeft met zijn meesterwerk ' Bres' de vsb poëzieprijs gewonnen.
In Bres heeft de dichter tien jaar lang gewerkt aan het afscheid van de twintigste eeuw, waarvan we de tweede helft voor onze rekening moeten nemen tegenover wie na ons komt. Het is niet fraai geweest en moeilijk aan hen te verklaren.
De Bres die Nolens heeft geslagen in ons geheugen helpt deze naoorlogse generatie de schaamte te dragen want niets is gebleken wat het leek, niets is geworden wat het zou en van de leugen die wij opgelepeld kregen van wie voor ons kwam hebben we geen beter, maar wellicht wel een mooier verhaal kunnen maken.
Althans Leonard Nolens heeft dat met ' Bres' voor ons gedaan.
In De Groene Amsterdammer van 05032008 zei hij het als volgt: '? 'Wij' heeft te maken met de meerderheid. Socrates zei: de opvattingen van de meerderheid zijn griezelverhalen, geschikt om kinderen bang te maken. Dát Wij, die meerderheid, daar wilde ik juist aan ontsnappen. Daarvoor moet de Wij in Bres steeds worden geherdefinieerd. Het persoonlijk voornaamwoord wordt in zoveel mogelijk contexten gebruikt. Want terwijl je het woord Wij gebruikt is er onmiddellijk een restrictie, er komt: ja, maar.'

Wij zijn die eeuw, die twintigste
Zonder getal, ik zei het al
Met de precisie van en losgeslagen tong.

Maak van ons geen foto.
Heb compassie met een vrouw
Die haar maten niet kent,
En draai geen film over verlamde mannen.

Maak van ons geen mens en geen verhaal.
Wij zijn de naakten die zich hullen
In brandende vlaggen,
In de namen van geschonden grenzen.

Onze kleermaker zit zonder stof.
Wij trekken ons uniform van vlees
Over andermans boten om onszelf te zien.
Wij nemen elkaar de maat
Met de mateloze centimeter van Gods afwezigheid.

Onze doorgeleerde mond is een vergissing
Of een gissing, en ons axioma luidt:
Wij weten niets. Wij weten niets.
Dat leren wij de kinderen op school.

Ut Bres, I. Vlees in uniform is volautomatisch, 16

Archief

Bart de Koning: Alles onder controle. De overheid houdt u in de gaten. Uitg. Balans

6 april 2008

Bart de Koning: Alles onder controle. De overheid houdt u in de gaten. Uitg. Balans

George Orwell was te vroeg, vijfentwintig jaar te vroeg met zijn inschattingen voor '1984'.
Hij was ook fout met de virtuele locatie in een land waar de burgers als uniforme slachtoffers gedresseerd worden. Hij vergiste zich in het mechanisme van bewuste, georchestreerde inspanningen van Big Brother om het volk, de natie, de partij in de juiste banen van het eeuwigdurende maakbaarheidsgeluk te leiden.
Bart de Koning, redacteur bij het Nederlandse tijdschrift HP/DETIJD, heeft deze vergissingen helder en vatbaar weerlegd in zijn boekje 'Alles onder controle. De overheid houdt u in de gaten.'
Het gaat voornamelijk over Nederlandse toestanden waar 'the war on terror' als betonrot en huiszwam woekert in wetgeving en samenleving. Het wantrouwen van haar burgers door de overheid is er structureel geworden: anonieme kliklijnen, gestroomlijnd strafrecht met onderzoeksmagistraten als crime fighters', militarisering van de politionele bevoegdheden van fouilleren, tappen, data-mining in de enorme voorraden digitaal verkeergegevens, digitale dossiers voor ieder geboren kind,'?
In België is de toestand ook hopeloos maar niet zo ernstig, omdat de citizensheep van dit land een fundamenteel – en gezond – wantrouwen en ongeloof koesteren tegenover de overheid en de macht.
Fascinerend is ook de rol van de sociaal-democratie en de zogenaamde linkervleugel van het politieke spectrum. Historisch zijn zij er het best in geslaagd de privacy van de burger aan banden te leggen. Onder het mom van preventie en gelijke kansen voor de zwakken, zieken en misselijken hebben zij steeds het voortouw genomen in de ruil van privacy en het recht op veinzen voor een veiligheidsillusie van kopschuwe burgers.
Het lijkt erop dat precies de linkervleugel van het politieke spectrum opgaat in regelneverij en beknotting van creativiteit en vrijheid van haar kiesvee.
Dit heeft wellicht te maken met het verlies van haar wortels in de samenleving. Oorspronkelijk dreef socialisme op jaloezie en rancune van de verongelijkten, van wie als gelijke naar Gods beeld geschapene ook de gelijkheidsillusie wou koesteren in het maatschappelijk leven.
Die zwakste sociale klassen werden aan hun lot overgelaten zo gauw de politieke beweging die op hun vleugels groot werd, deel kon nemen aan de macht.
Het voorgespiegelde arbeidersparadijs werd een nachtmerrie, ook voor de arbeiders en hun naastbestaanden. De angst voor de eigen kameraden werd dermate paranoà?de dat een heel staatsveligheidapparaat diende ontplooid te worden. Geen politieke regime heeft ooit meer burgers als agenten van de staatsveiligheid gerecruteerd dan de socialistische arbeiders- en boerenrepublieken.
Ook in de kapitalistische vrije markteconomie, al dan niet gestuurd en geleid, bleken de ‘linkse’ regeringen zeer ver te gaan in hun voorbereidend of uitvoerend werk om de burgerlijke vrijheden te ondermijnen.
Wellicht speelt ook hier het geloof in de maakbaarheid van een samenleving: het doel van gelijke kansen heiligt de middelen, en bij opgeklopte angstpsychoses geldt dit voor alle middelen.
Op die manier wordt het fundamentele en meest wezenlijke van menselijke relaties, van menselijk gedrag, vernietigd: het recht op veinzen, op doen alsof, op het creëren van illusies, op liegen, op verschillende interpretaties van eigen waarheden.
Mensen kunnen niet samenleven wanneer ze mekaar uitsluitend naakt moeten benaderen, direct en zonder ritualen omdat iedereen alles van iedereen kan weten, en minstens de heersende herders en hun honden alles van ons kunnen weten, zelfs onze geheimste gedachten.
Roberto Calasso onthult in De bruiloft van Cadmus en Harmonia. de moderne inhoud van Homerus’ Odysseia:

'Odysseus zag af van de eerlijkheid van de krijger toen hij op Ithaca waanzin voorwendde om zich niet te hoeven inschepen voor Troje. Hij zag af van zijn recht op vrije meningsuiting toen hij de rol op zich nam van de rondtrekkende bedelaar die door iedere willekeurige slaaf kon worden verjaagd, tot zwijgen gebracht. Odysseus gaf voor het eerst voorrang aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak. Và?à?r allerlei eigenschappen in de loop der eeuwen werden toegeschreven aan kooplieden, vreemdelingen, joden en komedianten, had Odysseus zichzelf ermee bestempeld. De held gaf een voorproefje van de leefwijze waarin noch aristocratische openheid, noch democratische vrijheid van meningsuiting zouden volstaan. Eeuwen later lijkt die leefwijze heel normaal maar ten tijde van Odysseus gaf het blijk van een vooruitziende blik die was voorbehouden aan degenen die hemel en aarde had doorkruist. Dus, terwijl Achilles en Agamemnon zich in ons geheugen griffen als overblijfselen van een voorbije wereld, opgeslokt door een catastrofe, blijft Odysseus ons vertrouwd als een onzichtbare metgezel. Zijn afstand doen van openlijke aanwezigheid wordt gecompenseerd door zijn voortbestaan in de herinnering en in de geschiedenis. Achilles moet worden opgeroepen; Odysseus staat al naast ons, altijd en overal.' (p.301)

Odysseus was het prototype van de moderne mens. De naam die hij kreeg van zijn grootvader betekent: ‘Hij die de haat kent!’
Vandaag wordt het steeds moeilijker om voorrang te geven aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak.
De inzameling, de bewaring en de ‘mining’ van data over alle burgers lijkt onomkeerbaar wegens wereldwijd. Alle bestaande privacywetgeving werd afgeserveerd onder het mom van de terrorismedreiging.
Misschien rest ons enkel nog de mogelijkheid om te zwijgen en afstand te nemen van een doorgedreven Big Brother maatschappij: alles wat wij doen, wat we lezen, denken, eten, drinken, roken, waar we rijden, met wie we de liefde bedrijven wordt zorgvuldig opgeslagen om ten gepaste of ten ongepaste tijde gelicht te worden om ons te corrigeren, te behoeden, te genezen, te leren hoe ons te gedragen.
Terugkeren naar de heldentijd en het promoten van openlijk, publiek en direct reager via de media kan alleen tot enorme verliezen aan mensenlevens leiden. Het woedekapitaal dat in zo’n wereld opgebouwd wordt zal onmiskenbaar bloedig moeten renderen.
Wellicht helpt het instellen van taboes zoals het ritueel zwijgen over zaken die we kunnen weten van de ander en ons menselijk relatiespel verfijnen, op een hoog niveau als een etiquette respecteren. Zo kunnen we de vrijheid spelen onder de ogen van de herders en hun horige honden.
We moeten het wantrouwen koesteren tegen de overheid, de staat en alle organisaties en machtsorganen die het goed beweren voor te hebben met de kudde van haar onderdanen.
De Griekse redenaar Demosthenes (384-322 AC) verklaarde reeds: ‘Wantrouwen beschermt het volk tegen tirannie’.

Met ‘Das Leben der Anderen’ is Henckel von Donnersmarck schitterend geslaagd in het argumenteren tegen de privacy controle door de staat in het belang van de burgers: 'In einem System der Macht ist nichts privat'- gaat niet alleen over het leven van de anderen in het socialistische vaderland, de DDR in 1984. De anderen zijn wijzelf, het leven van de anderen is ons leven, ook vandaag en morgen. Zo blijkt uit de indringende studie die door het Tilburgse Rathenau Instituut eind januari 2007 werd opgeleverd voor een publiek debat in de Eerste Kamer van de Staten Generaal: 'Van privacyparadijs tot controlestaat? Misdaad- en terreurbestrijding in Nederland aan het begin van de 21e eeuw'

14. Het gaat om een veel subtieler en sluipender proces. Onze maatschappij is de afgelopen decennia, bijna ongemerkt, veranderd in een risicosamenleving, dat wil zeggen een samenleving die geen enkel risico meer verdraagt. Als er ergens iets misgaat moet de overheid ingrijpen..

17. De telecombedrijven geven honderden miljoenen per jaar uit om hun gegevens te bewaren en het dataverkeer aftapbaar te maken. Het aantal 'bevragingen' door politie en inlichtingdiensten neemt ieder jaar met tientallen procenten toe. Dat kun je van de ophelderingspercentages niet zeggen: die blijven laag.

32. Bijna dagelijks komt er een nieuwe techniek bij, een nieuwe database, een nieuwe bevoegdheid voor opsporingsambtenaren. Dat wil zeker niet zeggen dat het allemaal onderdeel is van één grote enge samenzwering tegen de vrije burger. Zoals gezegd:
Big Brother bestaat niet. Het omgekeerde is eerder het geval: het is juist een opeenstapeling van talloze technische, commerciële, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen
die alles bij elkaar de privacy van de burger langzaam uitholt. Vaak gebeurt het met de beste bedoelingen, of is het een onbedoeld bijverschijnsel.

44-45. Onderdeel van die Nieuwe Gestrengheid is dat het strafrecht gestroomlijnd is. De officier van justitie heeft meer bevoegdheden gekregen en mag zonder toestemming van de rechter allerlei onderzoeken in gang zetten. De officier was vroeger een magistraat die het onderzoek van de politie onafhankelijk beoordeelde. De waarheidsvinding stond voorop.
Nu is de officier een crime fighter geworden, die vooral boeven wil vangen met de politie. De rechter biedt daaraan niet altijd genoeg tegenwicht, met als gevolg dat het werk van de politie minder gecontroleerd wordt.(...)
De belangrijkste ontwikkeling is misschien nog wel dat het strafrecht steeds meer op preventie is gericht, het voorkomen van misdaad. Traditioneel komt de politie pas in actie
als er een misdrijf gepleegd is. De politie doet onderzoek, verzamelt bewijsmateriaal, het OM besluit al dan niet tot vervolging over te gaan, de rechter beoordeelt de feiten en veroordeelt de verdachte of spreekt hem vrij. Pas na die veroordeling is iemand schuldig. De afgelopen jaren zijn ook steeds meer voorbereidingshandelingen strafbaar gesteld.
Dat maakt het makkelijker voor de politie: ze hoeven niet te bewijzen dat iemand een computer gehackt heeft, het in bezit hebben van de benodigde software is al voldoende voor
een veroordeling. Zoals het hier geformuleerd staat klinkt dat als een verstandige ontwikkeling, maar er zit een principieel probleem in: de rechter kan iemand dus veroordelen
voor iets wat hij nog niet heeft gedaan.
Dat past in een bredere trend. In de klassieke rechtsstaat is iedereen onschuldig totdat het tegendeel bewezen is. In onze moderne rechtsstaat is het begrip onschuld verwaterd.
Niemand is meer echt onschuldig, je hebt hoogstens een laag risicoprofiel. Je bent 'nog niet-verdacht', in de woorden van informatica-expert Bart Jacobs. Dat klinkt vrij dramatisch en dat is het ook.

46-47. De onschuldige burger bestaat niet meer. Dat is geen paranoia, politiefunctionarissen komen er rond voor uit dat ze onschuldige mensen in de gaten willen houden.

Lees verder »

Archief

Philippe Claudel, 'Il y a longtemps que je t'aime ', een film om niet te vergeten.

30 maart 2008

Philippe Claudel, 'Il y a longtemps que je t'aime ', een film om niet te vergeten.

Het is natuurlijk géén toeval dat een schrijver als Claudel een film maakt die in roulatie komt tijdens een hernieuwd debat over euthanasie in Frankrijk en België.
In Frankrijk kreeg Chantal Sébire van de rechtbank geen toestemming voor euthanasie wegens ondraaglijk en uitzichtloos lijden door een bottumor in het aangezicht.
Jamais je ne t'oublierai…
In België besliste Hugo Claus om de dood tegemoet te treden op het tijdstip dat hijzelf verkoos omdat hij de verwarrende verbrokkeling van zijn woorden als ondraaglijk en uitzichtloos herkende voor zichzelf en zijn geliefden.
Jamais je ne t'oublierai…
Philippe Claudel werkte ruim twee jaar aan zijn eerste langspeelfilm en als een groot schrijver weet hij de sluipende pijn in een samenleving te traceren en durft hij het aan de oorzaak van dat leed te onderzoeken.
In zijn boeken worstelen vooral mannen met hun positie in de maatschappij en hun plaats in zichzelf, waarbij terugtreden vaak de beste oplossing (b)lijkt: ’ J’abandonne ‘ – Zonder mij.
In zijn film proberen vrouwen hun positie in de maatschappij te handhaven en hun plaats in zichzelf te behouden, waarbij naar voren treden vaak de beste oplossing (b)lijkt: ’ J’y suis ‘.

Zoals in zijn literair werk bouwt hij in de film met ogenschijnlijk losse stapstenen een spanning waarop de toeschouwer kan steunen met de eigen stemme. Het beeldenspel van aangezichten, waarin we elkaar herkennen, wordt door de muziek in verschillende lagen uitgelicht. Hij kiest opzettelijk voor een verhaal en een beeldentaal die ruimte laat voor interpretatie, ook bij de finale onthulling.
De dreigende vragen rond vijftien jaar gevangenschap wegens moord door een jonge arts en moeder blijven wegen als een moreel dilemma tussen wie uitgesloten uit gevangenschap terugkeert en een maatschappij die niet weet hoe ze ermee om moet gaan.
'Il y a longtemps que je t'aime ' wordt in heel het Franse taalgebied onmiddellijk gevolgd door de tweede regel van het oude 'kinder'-liedje 'à? la claire fontaine' : 'Jamais je ne t'oublierai '.
Vrouwen vergeten niet, zij bewaren de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem. Mannen moeten daarentegen leren vergeten en vergeven, zoals in 'Het verslag van Brodeck' door de burgemeester wordt opgemerkt.
Philippe Claudel onderzoekt in zijn literair en cinematografisch '? maar daarom niet minder literair '? werk het menselijk gedrag en zijn drijfveren. Zijn bevraging helpt beter begrijpen en biedt stapstenen voor het vermijden van nog meer pijn en lijden.
En daaraan dreigt de komende decennia hoge nood: het kan geen toeval zijn dat God weer terug is van weggeweest, als handzaam middel om de kudde kopschuw te drijven waar ze volgens zelfverklaarde herders hoort en volgens hun horige honden wezen moet. Fulminerende kardinalen en etalerende pausen, bezwerende imams en televisiedominees dreigen met hel en verdoemenis, met schuld en schaamte, gewetenloos egoà?sme en gebrek aan respect voor de ander, de stigmata van eigenbelang en het brandmerk van de weigering van de uitgestoken hand in het gedeelde lijden voor al wie zich dreigt te onttrekken aan de angst voor de dood. Alsof mensen die zelf hun lot en leven in eigen handen nemen en daarvoor in medemenselijkheid de volle verantwoordelijkheid opnemen, het vleesgeworden kwaad vertegenwoordigen.
Het kwade, jazeker, het kwade en bedreigende voor wie zich de macht heeft toegeëigend en het spel van en met die macht niet wil onderwerpen aan de kritiek van de kudde.
Want wie zich van die angst voor de dood heeft bevrijd, laat zich niet kopschuw maken, door hond noch herder.
In die zin is Philippe Claudel een behoedzame, solidaire en medelevende humanist, in woord en beeld.
In die zin is zijn film een ode aan de menselijkheid in een stad als Nancy die in haar huizen, straten, pleinen, parken en musea schatten van medemenselijkheid bewaart.
Niet alleen Karel de Stoutmoedige vond er de dood.

De muziek van Jean Louis Aubert, het spel van Elza Zylberstein als Léa Fontaine en van de Engelstalige Kristin Scott Thomas als Juliette Fontaine maken ‘Il y a longtemps que je t’aime’ onvergetelijk.

à? la claire fontaine
1.
à? la claire fontaine
M'en allant promener,
J'ai trouvé l'eau si belle
Que je m'y suis baigné.
Il y a longtemps que je t'aime,
Jamais je ne t'oublierai.
2.
Sous les feuilles d'un chêne,
Je me suis fait sécher.
Sur la plus haute branche,
Le rossignol chantait.
3.
Chante, rossignol, chante,
Toi qui a le cœur gai;
Tu as le cœur à? rire,
Moi je l'ai à? pleurer.
4.
J'ai perdu mon amie
Sans l'avoir mérité,
Pour un bouquet de roses
Que je lui refusai.
5.
Je voudrais que la rose
Fût encore à? planter
Et que ma douce amie
Fût encore à? m’aimer.

Philippe Claudel, Rivier van vergetelheid (Meuse l’oublie), uitg.De Bezige Bij 2006.

64. Slaap maakt ons naakt. Je kunt nooit dichter bij iemand komen dan wanneer hij slaapt: alsof je met de brutaliteit van een boerenkinkel zijn onwetende intimiteit, zijn onschuld betreedt. Of de leugen van zijn intimiteit.

Philippe Claudel, Grijze Zielen

152. De menigte zwelt aan, krijgt iets dreigends, sluit zich steeds dichter om de gevangenen heen, waarom weet niemand, misschien omdat menigtes altijd erg dom zijn. Er wordt met vuisten gezwaaid, er vliegen beledigingen en daarna stenen door de lucht. Wat is een menigte nou eigenlijk?
Als je één op één met mensen praat, zijn de mensen niets, een stelletje onschuldige heikneuters. Maar als ze met z’n allen zijn, dicht op elkaar pakt in een geur van lichamen, zweet en ademen, en elkaars gezichten zien, kunnen ze bij het minste woord in dynamiet veranderen, in een helse machine, een soepterrine gevuld met stoom die in je gezicht uit elkaar kan ploffen als je hem alleen maar aanraakt.

Archief

Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

22 maart 2008

Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

Met 'Het verslag van Brodeck' heeft Philippe Claudel een nieuw literair onderzoek naar het menselijke en het kwade opgeleverd. Het verslag is indringend, beklemmend en pijnlijk herkenbaar. Het is prachtig geschreven en vertaald ( al bezigt een pastoor in een roomse kerk een 'preekstoel' in plaats van een 'spreekgestoelte'). 'Het Slot' en 'Het Proces' van Franz Kafka lichten op tussen de lijnen van het verslag.
Wanneer ik in september 1983 met de fiets van Athene naar Antwerpen reed heb ik de streek doorkruist waar de eeuwenoude en onduidelijke grenszone is gesitueerd tussen Frankrijk en Duitsland: Elzas-Lotharingen, de erfenis van Lotharius waartoe ook het huidige Koninkrijk der Belgen ooit behoorde.
Het was goed fietsen langs de groene hellingen met onder mijn blikkerende spaken eindeloze weiden en de zilverglinsterende rivier in het dal. In de verte lagen dorpjes verstijfd in de oksels van de bossen, in de plooien van het landschap.
Het leven is er vanouds zweterig en broeierig in het Rijk van het Midden, op de grens tussen twee grootmachten die elkaar een millennium lang bestreden. Niet alleen de taal en het gedrag van mensen wier voorouders ooit gekozen hebben en de gevolgen van die keuze generaties moeten dragen, lijdt onder schimmel en gist. Ook de wijnen vertonen een schitterend variërend pallet dankzij die schimmels en gisten, op de druiven en in de lucht. Het lokale idioom is generaties gegroeid uit een heen en weer geschuif van de rijksgrens, waardoor de invloeden van Berlijn en Parijs elkaar te lijf gingen, waardoor de oude taal van passerende handelaars en wisselaars herkenbaar bleef voor wie gedoemd was het leven in de dorpen te koesteren.
Claudel heeft zijn 'Het Verslag' gesteld in een taal en een tijd die universeel lijkt, zeker voor de grensstreek waar het zich afspeelt.
Zijn 'Verslag' handelt over het menselijke en benadert daarmee de klassieken sinds de Odyssea. Het blijft dus schrikbarend herkenbaar en van alle tijden. De hoofdrolspelers zijn universeel menselijk en dus gruwelijk in het leed dat ze dragen en veroorzaken.
In een dorp waar mensen proberen samen te leven in gewapende vrede met de rug naar elkaar, worden wisselende bondgenootschappen uitgeprobeerd om de historische vetes uit de vele oorlogen draaglijk te maken De leden van een select en geheim genootschap proberen de al te gevaarlijke elementen te bezweren of onschadelijk te maken in het belang van het voortbestaan van het dorp. Het dorp heeft de trekken van een premoderne samenleving waar de groep bepalend is voor elk individu – een enkeling niet te na gesproken die elders kan studeren '? op kosten van het dorp '? en die nadien terugkeert om te onderwijzen over meten en weten, en beter voorkomen dan genezen, wat de burger in angsten leert leven.
In de loop der eeuwen zijn er teveel legers gepasseerd die meer dan as van vuur en zaad hebben nagelaten. Wie zich heeft kunnen handhaven in deze kudde, draagt het zwijgen van de tragedie in zich. Wie dat zwijgen doorbreekt, rijt generaties van wonden open: automutilatie in de hoop nog iets te kunnen voelen van menselijkheid.
De oude onderwijzer kon het 'weten' niet langer aan:

'Misschien is Diodème wel gestorven omdat hij alles wilde begrijpen en woorden en verklaringen wilde vinden voor alles wat niet uit te leggen valt en wat je niet behoort te weten.' (35)

De pastoor herkent zich als het rioolputje in de biechtstoel voor alle smeerlapperij van het dorp en heeft na een nieuwe oorlog alle hoop opgegeven, in zijn God en in zijn parochianen. Hij blijft echter leven en lijden temidden van zijn beminde gelovigen:

'En nu weet ik dat Hij niet bestaat '? of anders voor eeuwig is vertrokken, maar dat is hetzelfde: we staan er alleen voor, daar komt het op neer. Toch blijf ik op de winkel passen; misschien doe ik het niet zo goed, maar hij staat nog overeind. Ik doe er niemand kwaad mee en er zijn hier nog wat oude zielen die nog eenzamer en verlatener zouden zijn als ik een eind maakte aan het toneel. Want weet je, iedere voorstelling geeft ze weer wat kracht om door te gaan. Toch is er één principe waaraan ik altijd trouw ben gebleven: dat van het geheim, het biechtgeheim. Dat is mijn kruis en dat zal ik dragen. Ik zal het dragen tot het einde.' (142)

De burgemeester doet in varkens en ziet zich als de herder van de kudde:

'Weten die dieren überhaupt wel dat ze een herder hebben die zoveel voor ze doet? Beseffen ze dat wel? Ik denk het niet. Ik denk dat ze zich alleen interesseren voor wat ze onder hun poten en voor hun neus vinden: gras, water, stro om op te slapen. Verder niets. Een dorp is klein en kwetsbaar. Dat weet je. Dat weet je heel goed. Het onze had het bijna niet gehaald. De oorlog is erbovenop gevallen als een gigantische molensteen die geen graan maalde, maar het dorp verpletterde en verstikte. Toch zijn we er uiteindelijk in geslaagd om die steen een beetje in beweging te krijgen. Hij heeft niet alles verpletterd. Niet alles. Met wat er over was, hebben we het dorp gerepareerd.' (324)

Brodeck was als kind van vermoedelijk joodse ouders na een pogrom op de kar van een oude vrouw in het dorp aangekomen. Hij was verstandig en leerde snel. Hij werd dan ook naar de hoofdstad gestuurd om er te studeren. Na de kristalnacht keerde hij terug met een vrouw en werd nadien door het dorp uitgeleverd aan de bezetter omwille van zijn 'anders zijn'. Als hond aan de leiband van een bewaker overleefde hij het kamp en keerde hij weer naar het dorp van zijn geliefde, die een kind bleek te hebben gebaard als overlevende.
Brodecks naam diende van het oorlogsmonument te worden gehakt, maar zijn letters bleven doorschemeren als was hij één van de doden, zij het geofferd door het dorp.
Hij krijgt als geletterde van de burgemeester en de leidende broederschap de opdracht om een verslag maken van wat er zich in dit dorp heeft afgespeeld dat tot de moord heeft geleid op 'Anderer'. Die kwam met paard en ezel door het bos vanuit het oosten over de grens in het dorp. Hij schilderde en tekende het dorp en zijn bewoners en schonk hen de afbeeldingen waarin ze hun geheimen herkenden. Het zwijgen en het onuitsprekelijke leek doorbroken, wat ondragelijk werd voor de herders en hun honden.
Claudel spant in 'Het Verslag' zoals in 'Grijze zielen' een snaar die hij in de loop van zijn analyse van het kwade meesterlijk aanslaat, waardoor de klank in het hoofd van de lezer blijft zinderen.
Philippe Claudel blijft een bron van hoop voor de Franse literatuur, eens te meer niet uit Parijs, maar uit de periferie '? Nancy.
Vernieuwingen komen doorgaans uit grensstreken, van 'Anderer', bannelingen, van wie dorp, stad of cultuur heeft verlaten en verraden. Wie in staat is zijn of haar wortels te verlaten, kan genoeg afstand houden om terug te blikken. Die kan vanaf de hellingen een overzicht krijgen, van zichzelf en wie hem of haar heeft voortgebracht.
Wie leest, die leeft. Wie schrijft, die blijft.
Ook in grensdorpen en '?steden en op de grenzen van culturen als (slechte) buren.
Maar ook onderwijzers en pastoors die bij hun schapen blijven, zijn onmisbaar in hun rol als geweten, geheugen en biechtstoel voor wat mensen elkaar blijven aandoen.
Het vereist veel moed en liefde om desondanks temidden van de kudde te leven. Dat is rechtgelovigen en maakbaarheidsideologen niet gegeven. Respect voor de grijze zone, voor kleine verschuivingen, voor de indirecte taal, de schuine blik en het tedere spel van geven en nemen, van veinzen en liegen kan een bevrijdende onbevangenheid toelaten.
Philippe Claudel heeft met 'Het verslag van Brodeck' een meesterwerk opgeleverd.
Al mis ik in zijn verslag de aanblik van het dorp en zijn bewoners door de ogen van de 'Anderer', van achter de gebroken spiegel die hij hen voorhoudt. De vraag naar het waarom van zijn komst, zijn gedrag en zijn kennis, wordt nergens beantwoord en houdt de drukkende molensteen verder dreigend over de burgers. Dat is een boeiende literaire truc, maar levert een aspect van het Kwade dat niet onderzocht wordt. Het dorp, zeker op de grens langs wegen naar erger, heeft recht op het onderzoek naar de 'Anderer'. Dat vermijdt alleszins dat de angst als een gierende brand om zich heen grijpt en blijft smeulen als veenbrand. Zoiets dek je niet toe met vergeten, want vergeten kan niet meer, omdat er altijd mensen zullen geboren worden die willen weten.
Als metafoor voor de confrontatie binnen het eengemaakte Europa tussen de Anderer die van verre komen en de 'autochtonen' die na eeuwen onderlinge oorlogen erin geslaagd zijn elkaar te verdragen, vraagt Brodecks Verslag om een vervolg en een verder onderzoek naar het kwade.
Wat is vrijheid immers onder het oog van de honden en de wolven in het bos?
De burgemeester besluit met : '

Een herder moet altijd aan de dag van morgen denken. Alles wat aan gisteren toebehoort, behoort toe aan de dood, en waar het om draait is leven, dat weet jij beter dan wie dan ook, Brodeck, jij die bent teruggekeerd van waar men niet terugkeert. En ik moet alles doen wat nodig is om de anderen ook te kunnen laten leven en ze naar de dag van morgen te laten kijken…'
Toen werd het me duidelijk.
'Dat kun je niet menen…,' zei ik. 'En waarom niet, Brodeck? Ik ben de herder. De kudde
rekent erop dat ik het gevaar op afstand hou, en van alle gevaren is het gevaar van de herinnering een van de grootste; dat hoef ik jou toch niet te vertellen, jij die nooit iets vergeet, die je alles herinnert?' (326)

Lees verder »

Archief

Hugo Claus, 1929 – 2008

20 maart 2008

Bewegen
I

Alsof door de wenteling van je lenden
een heldere nachtmerrie ontstaat
alsof de daimoon in je gewrichten
schokschoudert van het lachen

Dat bewegen van jou en mij
spelingen van het licht

De verwanten zijn ver weg
De liefdes, praat er niet over,
ik registreer alleen die dagelijkse
nonchalante dood van mij
een ridder
vol rare woorden

Uit ‘In geval van Nood’
opgenomen in ‘Hugo Claus – Nu nog, een keuze uit de gedichten’ – De Bezige Bij 2007, p. 345

De Morgen 20032008

‘Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.’

‘Ik verkies een elegante, goedgemaakte leugen tegenover me te hebben die ik herken als leugen en waar ik mijn eigen hoffelijke en hoofse leugen tegenover kan zetten, in plaats van dat geëtter over de waarheid.’

‘Het enige serieuze is: de wellust.’

‘Poëzie is de kern van mijn werk. Een gedicht is een bliksem, proza is een stroom. Daartussen pendel ik.’

‘Schrijven is knutselen, niet de vloed van de ziel weergeven.’

+++++++++++++++++++++++++++++++++

Op kousenvoeten leek het wel,
Dat zijn dood zou komen
En wachten zou op zijn hoe en waar
Want hij durfde kiezen
Als een ridder van het woord
Die dat zelf gestand deed
Voor wie hem dierbaar was en
Bij wie hij blijven zal
In beelden en zinnen, kleuren
En klanken van een stem
Die de toppen van de ironie
Koesterde als een hoeder
Van de verhalen die niet
Meer zoeken naar een stem..

Archief

Anne Provoost, Beminde ongelovigen – atheà?stisch sermoen. Uitg. Em. Querido 2008

18 maart 2008

Anne Provoost, Beminde ongelovigen – atheà?stisch sermoen. Uitg. Em. Querido 2008

De Vlaamse schrijfster Anne Provoost heeft met 'Beminde ongelovigen' een boeiend essay geschreven voor gelovigen en ongelovigen.
Ze onderzoekt de verschuiving die in de laatste 20 jaar duidelijk wordt in de richting van het islam-fundamentalisme, creationisme en religieus sektarisme en levert meteen een bruikbare religiometer.
Haar atheà?stisch sermoen is een ferme oproep aan gemakzuchtige ongelovigen, lauw- of kleingelovigen, in slaap versukkeld door de vadsige evidentie van het rationele gelijk.
Tolerantie tegenover andersdenkenden is voor velen een mantra van gemeenplaatsen geworden die er gemakshalve vanuit gaat dat de andersgelovigen zich ook graag koesteren in de vreedzame en verdraagzame middenmoot van de religiometer.
Het gevecht om de publieke ruimte met religieuze symbolen, al dan niet vestimentair geprovoceerd, wordt al te vaak getolereerd vanuit een ongelooflijke arrogantie van de vrijzinnige humanist of zachtgelovige die ervan uitgaat dat twijfel en ratio tenslotte ook de al te zelfverzekerde andersgelovigen in de heilsleer zal bekeren. Als teken van minachting tegenover de ware gelovigen in de Ene en de Ware levert dit alleen maar een omgekeerd streven naar het zuivere gelijk op, steeds hoger op de religiometer:

' We verwarren tolerantie tegenover andersdenkenden met het kritisch onderbouwen van onze eigen opvatting. Een denkgebied dat blijft hangen in gemeenplaatsen maakt zich kwetsbaar, het zal in geen tijd worden veroverd door filosofieën die plausibeler concepten aandragen. Prat gaan op onze verlichting zal niet mogelijk blijven als de groep die profiteert van die verlichting deze niet meer weet te beargumenteren.'(p.11)

Anne Provoost stelt de lezers met dit pamflet een handzame religiometer ter beschikking om bij onszelf en onze vrienden – vijanden, kennissen '? kunstenaars, familieleden '? collega's een graad van gelovigheid te bepalen.
Aan de hand daarvan kan je het echte breukvlak vinden:

'waar god zijn metafoor overschrijdt, en er sprake is van een ontwerp of een plan. Vanaf de zevende graad op de schaal van (on)gelovigheid hebben we te maken met een interveniërende god. Ineens blijkt hij een mandaat te hebben, en een buiten zijn oevers tredende wil. De schepping beschikt dan over een cockpit met daarin een master brain dat alles bestiert, vanaf de achtste graad ook het lot van wie niet in hem gelooft. Tegen die ontegensprekelijke en verzegelde god moeten we op, wij atheà?sten zowel als de gematigde gelovigen. (p. 41)
Atheà?sten, ietsisten, gematigde gelovigen en agnosten voelen niet de behoefte om het mysterie te versimpelen, de gelovigen in de hoogste graden van de religiometer doen dat wel.( p. 42)

Anne Provoost maakt een boeiende oefening waar ze religie ontleedt als kunst:

‘Het is een van de vele manieren om de verbeelding in te schakelen bij datgene waar ons inbeeldingsvermogen niet kan komen. Of we nu atheà?sten zijn of agnosten, ietsisten of gematigde gelovigen, we zoeken ieder op onze eigen manier naar metaforen. Welke beeldspraak we hanteren, hoe we onze verbeelding inzetten voor wat we ons niet kunnen inbeelden, is niet de kwestie. Allen zoeken we vooral een middel om niet waanzinnig te worden in de kosmos. De niet-gelovige put overwegend hoop uit wat er zich voor de grens van het kenbare afspeelt, de gelovige put evengoed hoop uit wat zich erachter afspeelt, de twee zienswijzen veroorzaken geen essentiële tegenstelling. De atheà?sten houden koppig vol dat er geen extramateriële werkelijkheid is, de gelovigen zien die wel, maar omdat het mysterie voorbij de grens van het kenbare toch onpeilbaar is, is het naast elkaar bestaan van deze zienswijzen geen probleem. (p.40)

Wat ik wel mis in het atheà?stisch sermoen van Anne Provoost is de analyse van het machtsaspect van een godsdienst.
De gestage klim van het ware geloof in de godheid met een uitgewerkt en geopenbaard plan is immers ookeen onderdeel van een machtstrategie, zo ongeveer vanaf graad zeven op de schaal van tien in de religiometer.
Sociologisch is een religie een groepsdynamisch gebeuren dat onontbeerlijk is om grote groepen mensen in een bepaalde richting te doen afmarcheren.
Rationele, onbevangen, vrijdenkende of gelovige mensen met respect voor de anderen '? tot graad zes op de religiometer – zijn niet bereid om de rattenvangers blindelings te volgen.
Wie zich daarentegen al te gretig herkent in het grote gelijk en de beloftes van een transcendent geloof in het plan van de Ene en de Ware voor hen en hun geliefden, voor de zondaars en tegen de afvalligen en godloochenaars, is makkelijk te sturen en volgzaam te leiden.
Religies die een exclusieve uitverkorenheid beloven voor de eigen gelovigen, zijn een handig middel om machthebbers af te schermen van de woede van hun onderdanen.
Was het niet Constantijn de Grote die als eerste grote machtsdrager in het Romeinse Keizerrijk begreep dat hij de plaats van de Allerhoogste vooral niet zelf als keizer diende te claimen? Hij deed vrijwillig en grootmoedig afstand van zijn goddelijke status van Augustus ten voordele van de ene en ware god van de Christenen. Zichzelf benoemde hij tot hoogste bruggenbouwer, Pontifex Maximus tussen de nieuwe alleenheersende rijksgod en zijn schapen. Ergo, alle problemen kon hij pareren met de goddelijke wil, alle successen kon hij genieten als opperste dienaar van de rijksgod.

Godsdienst is niet alleen opium van het volk, een authentieke vorm van endorfines die mensen individueel in de eigen hersenen aanmaken om minder de pijn van het trieste uitzichtloze zijn te lijden.
Godsdienst is medisch-sociologisch ook een narcotiserend hallucinogeen waardoor grote groepen mensen de oorzaak van hun twijfels en angsten, hun vernederingen, ongemakken en ressentimenten herkennen in de ander in plaats van in de heerser.
Het helpt de beminde gelovigen een reusachtig verongelijkt woedekapitaal op te laten bouwen.

Peter Sloterdijk heeft in zijn 'Woede en Tijd' een en ander scherp geformuleerd:

101. Chronologisch gezien begint de revue van het fundamentalisme met het optreden van de evangelistische fundamentalisten in de VS, die het wereldbeeld van de moderne natuurwetenschappen hardnekkig als het werk van de duivel veroordelen en die hun invloed op de Amerikaanse samenleving al tientallen jaren uitbreiden; zo wordt voortgezet bij de ultra orthodoxe joden van Israël die hun seculiere staat liever vandaag dan morgen veranderd zouden zien in een rabbinocratie en wier agitaties door geen enkele regering meer helemaal genegeerd kunnen worden; ze eindigt en onvermijdelijk met de recente islamitische fenomenen.

De derde inzameling – Kan de politieke islam een nieuwe wereldbank van het protest oprichten?

287. Wat de politieke islam geschikt maakt als mogelijke opvolger van het communisme zijn drie voordelen die men op analoge wijze bij het historisch communisme, kon waarnemen.
1. Het eerste heeft te maken met het feit dat in het islamisme een meeslepende missiedynamiek is ingebakken. Hierdoor heeft het de mogelijkheid om een snel aangroeiend collectief van merendeels pas bekeerden, d.w.z. een 'beweging' in engere zin, te vormen. Het richt zich niet alleen quasi universalistisch 'tot allen', zonder onderscheid van natie en sociale klasse; het oefent juist op de benadeelden, de besluitelozen en verontwaardigden (voorzover ze niet van het vrouwelijke geslacht zijn en soms ook op hen) een bijzondere aantrekkingskracht uit. Dit komt doordat het als belangenbehartiging van de spiritueel en materieel verwaarloosde armen optreedt en als hart van een harteloze wereld sympathie wekt. De bescheidenheid van de toetredingsvoorwaarden speelt hierbij een beslissende rol. Zodra iemand in de gelederen van de gelovigen is opgenomen is hij al volledig inzetbaar voor de strijdende gemeenschap – in sommige gevallen meteen al als martelaar. Doordat ze worden opgenomen in een vibrerende commune krijgen de nieuwelingen vaak het gevoel dat ze voor het eerst een vaderland hebben gevonden en dat ze een niet onbelangrijke rol in het drama van de wereld spelen.
2. De tweede aantrekkingskracht van de politieke islam heeft te maken met het feit dat het – net als destijds het communisme – zijn volgelingen een overzichtelijk, strijdbaar en grandioos theatraal wereldbeeld heeft te bieden, dat berust op een duidelijk onderscheid tussen vriend en vijand, een niet mis te verstane opdracht om te overwinnen en aanlokkelijke utopische toekomstvisie: de hernieuwde stichting van het wereldemiraat, dat het islamitische millennium een wereldwijde thuishaven zal bieden, van Andalusië tot aan het Verre Oosten. Daarmee wordt de figuur van de klassenvijand vervangen door die van de geloofsvijand en die van de klassenstrijd door die van de heilige oorlog – met behoud van het dualistische schema van de strijd der principes, van een onvermijdelijke lange en bloedige oorlog, die uiteindelijk, zoals gebruikelijk, door de partij van de goeden zal gewonnen worden.
Voorzover het fundamentalisme politiek wordt gebruikt, heeft het, zoals men gemakkelijk inziet, minder te maken met het geloof dan met een prikkeling tot handelen, preciezer gezegd het creëren van rollen waardoor grote aantallen potentiële acteurs in staat worden gesteld van de theorie op de praktijk over te stappen – beter gezegd van de frustratie op de praktijk.('?)
3. De derde en in politiek opzicht veruit belangrijkste reden voor de onvermijdelijke toenemende dramatiek van de politieke islam (ook al lijkt het op dit moment, na een reeks nederlagen, iets van zijn eerste aantrekkelijkheid te hebben ingeboet) heeft te maken met de demografische dynamiek van zijn rekruteringsveld. Net als de totalitaire bewegingen van de 20e eeuw is het in essentie een jeugdbeweging, preciezer gezegd een jongemannenbeweging. Zijn elan resulteert voornamelijk uit het overschot aan vitaliteit van een onophoudelijke aanzwellende reuzengolf van werkloze en sociaal wanhopige mannelijke jongeren tussen de 15 en de 30 – in meerderheid tweede, derde, vierde zonen, die hun uitzichtloze woede alleen door deelname aan het eerst het beste agressieprogramma kunnen uitleven. Doordat de islamitische organisaties in hun thuislanden tegenwerelden voor de bestaande orde creëren, vlechten ze rasterwerken waarin de toornige jongemannen met ambities zich belangrijk kunnen voelen – daartoe behoort de drang om nabije en verre vijanden te lijf te gaan, liever vandaag dan morgen.
290. De nieuwe mobilisaties – of ze nu overeenstemmen met de theorie van de koran of niet – zouden bij onveranderd hoge geboortecijfers alleen al in de Arabische hemisfeer tot het midden van de 21e eeuw een reservoir van enkele honderden miljoenen jongemannen kunnen beà?nvloeden, die voor een existentieel aantrekkelijke zinverlening op politiekreligieus bemantelde zelfvernietigingprojecten zijn aangewezen. In de duizenden Koranscholen, die sinds kort overal waar overkokende jongemannen overschotten bestaan uit de grond worden gestampt, worden de onrustige groepen in de begrippen van heilige oorlog getraind. Slechts een klein deel hiervan zal zich in het externe terrorisme kunnen manifesteren; veruit het merendeel zal in levensverslindende burgeroorlogen op Arabische bodem worden geà?nvesteerd – oorlogen waarvan het Iraaks-Iraanse bloedbad (1980-1988) een voorproef heeft gegeven en waarvan de kwantitatieve proporties hoogstwaarschijnlijk tot in het monstrueuze zullen uitdijen.
291. Deze verwijzingen naar de actuele massabasis van radicaal-islamistische bewegingen geven meteen ook de grens aan waar hun overeenkomsten met het historisch communisme eindigen. Zowel de huidige als de toekomstige verkondigers van de islamistische expansiegedachten lijken op geen enkele manier op een klasse van arbeiders en loontrekkers, die zich verenigen om door de verovering van de staatsmacht een einde aan hun misère te maken. Veeleer vertegenwoordigen ze een nijdig subproletariaat, erger nog, een desperate beweging van economisch overbodigen en sociaal onbruikbaren, voor wie er in hun eigen systemen veel te weinig aanvaardbare posities zijn, ook al zouden ze door staatsgrepen of verkiezingen aan de macht komen.

Archief

Voor medici en wetenschappers: ‘Vaak blijkt de wijsheid van vandaag de vergissing van morgen.’

3 maart 2008

‘Vaak blijkt de wijsheid van vandaag de vergissing van morgen.’
Frits L. Meijler, em. hoogleraar hart- en vaatziekten
in Arts&auto 4/2008 p. 19 – Oswin Schneeweisz

'Ik ben altijd al gefascineerd geweest door het schilderij dat Rembrandt
in 1654 maakte van de bijbelse figuur Bathsebah
'?, zegt Frits L. Meijler.

'?Zijn vrouw Hendrikje stond model. Als je goed kijkt, zie je op haar linkerborst
een verkleuring en intrekking van de huid. Aangezien Hendrikje kort na het
gereedkomen van dit portret overleed, rijst dan ook de vraag of zij is gestorven
aan borstkanker. Misschien dat mijn oog daarom op het boek van James Olson
viel. Het portret van Rembrandt siert de cover van dat boek.'?

Olson verhaalt over de geschiedenis van borstkanker van de oudheid tot nu
en beschrijft hoe mensen al eeuwen bezig zijn vat te krijgen op deze ziekte.
Meijler: '?Tot op de dag van vandaag weten we nog steeds de oorzaak niet,
waardoor een goede behandeling ontbreekt. Natuurlijk zijn we vooruitgegaan,
maar we behandelen mensen nog steeds zonder dat we echt weten hoeveel zin dat heeft.
De ene vrouw leeft er een half jaar langer door, de ander geneest.
Juist omdat de kennis zo beperkt is, zie je hoezeer de geneeskunde zich
laat beà?nvloeden door allerlei hypes. Men verschuilt zich achter nietszeggende
statistieken of mutileert vrouwen in de hoop dat een stevige behandeling enig effect heeft.
Er is zelfs ooit een serieus voorstel geweest om bij alle vrouwen de borsten preventief te amputeren. Dat geeft de onmacht van de medische stand wel aan.'?

Het boek geeft talloze voorbeelden van die onmacht. Dat maakt het niet
alleen voor oncologen, maar ook voor andere medici interessant. Meijler ziet
bijvoorbeeld raakvlakken met de cardiologie.

'?De kransslagaderchirurgie is op precies dezelfde manier begonnen als de
borstkankerchirurgie. We sneden van alles weg in de hoop dat het effect had.
Pas zeer recent is men terughoudender geworden met borstkankerchirurgie
omdat de effecten soms te beperkt zijn, maar dat besef heeft wel honderd jaar
geduurd. Het boek toont niet alleen het gevecht dat medici voeren. Het gaat ook
over de enorme impact die borstkanker heeft op het leven van een vrouw: het verlies
van intimiteit en toekomstidealen. Niet zelden voelen vrouwen zich onbegrepen
door een mannelijke chirurg.'?

Wat de belangrijkste les is van Batsheba's Breast?

Meijler: '?Dat medici net mensen zijn. Ze hebben een blind vertrouwen in de wijsheid van vandaag, maar niet zelden blijkt de wijsheid van vandaag de vergissing van morgen.

'?

Archief

Luuk Gruwez – Lagerwal. Gedichten. uitg. Arbeiderspers

2 maart 2008

Een nieuwe bundel gedichten van Luuk Gruwez: ‘Lagerwal’, ook over moeders en helden die we niet zijn, noch willen of mogen zijn.
Daartussen een hele fijne over de hoofdstad van Limburg en een slotakkoord zoals het in de Stoomstroopfabriek kan klinken.
Voor de prachtige rede van Luc Devoldere bij de voorstelling van ‘Lagerwal’ in Brugge verwijzen we graag naar De Contrabas: met een van zijn mooiste verzen ‘Sourdine’ (uit: Een huis om dakloos in te zijn, 1981):

En als er geen tederheid meer is,
laten wij de tederheid dan veinzen
met geblinddoekte handen en geloken ogen,
liggend aan elkander als een grens
.

Hasselt

Zijn groene boulevard die nog niet lang bestaat,
zijn blauwe boulevard die nog lang niet bestaat,
zijn vaak geprezen smaak en of die wel bestaat
behalve in zijn jonge klare of in Petotjes speculaas.

Stad waar obers mankementig leerden nijgen – het sexappeal van omeletten in hun blikken
en altijd weer die rouwrand om de vrouwen
die ze niet langer dan één koffie kunnen houden.

Stad met te veel toekomst, stevig
ingepakt in een petieterig verleden.
Nachtwinkels die vloeken met de chic
van brasseriën, coiffeurs en boetieks.

Geen plek heeft zoveel nood aan overal:
wij zijn, welja, modern hier in Hasselt,
modern maar modest en ons kent ons
en onze eurocenten die wij niet verliezen willen.

Maar zacht en wulps zijn Hasselts vrouwen
die zich moedwillig van lippen vergissen
iets opgetogens fezelend van tussen hun dijen.
Zij kijken hun wimpers los van hun ogen.


Niets

Niets eindigt zoals het hoort. Niet
het dankwoord en niet de lustmoord,
niet het rustoord en niet het slotakkoord.
Geen enkel rijmwoord. Niets zoals het hoort.

Archief

Lucian Freud Gemeentemuseum – Peter van Straaten Meermanno – Den Haag

25 februari 2008

Gemeentemuseum Den Haag Lucian Freud
nog tot 8 juni 2008

Een trektocht doorheen het prachtige Haagse Gemeentemuseum van Berlage is dezer dagen wat droef te moede.
Niet om het lege maar heldere vormenspel van César Domela (1900-1992) - jongste zoon van de Nederlandse socialistische politicus Ferdinand Domela Nieuwenhuis die de bezoeker begeleidt naar Mondriaans Victory Boogie Woogie (1942-1940)
Niet om het ontbreken van een fors deel van 'De Stijl'- collectie
Niet om het lijn- en vlakkenspel van Hanns Schimansky (1949)
Niet om de mooi georkestreerde rotzooi van Matthias Weischer (1973, Elte, Westfalen)
Niet om de erg matige inpandige horeca '? die in de belendende parkdelen van het Museumcomplex wat gecompenseerd wordt,
Wel een beetje om de matige en matte 'Picasso in Den Haag' '? 'Malen gegen die Zeit' in K20 te Dusseldorf was van een fundamenteel ander kaliber.

Maar vooral om de overzichtstentoonstelling van Lucian Freud, kleinzoon van'?.
Het is zijn werk aan te zien.
Stroeve schoonheid, schutterige schenkels, schrijnende schilderpsoriasis en modellen die onmiskenbaar de tekenen dragen van de langdurige, zwoele en zweterige ontmoeting met de meester die tijdens de eindeloze sessies liedjes placht te zingen en verhaaltjes vertelde waarbij iedere humor uit zijn werk lijkt weggestreken.
Lucian Freud verslindt zijn modellen en het is hen aan te zien, hoe ze aan die vraatzuchtige ogen met een afgewende blik proberen te ontkomen, hoe ze psoriasis krijgen van zijn verf. Dat olifantenvel moet hen hoeden voor het nietsontziende schildersoog. Een enkel argeloos kindje van de flink geteisterde 'familie Pearce' (1998) kijkt de toeschouwer aan. De anderen zijn hun onschuld verloren , gesteld dat ze die ooit zouden bezeten hebben.
Je kan je afvagen of een model voor Lucian Freud onschuld kan kennen.
Ook Her Majesty niet!
De gesprekken met enkele van zijn modellen op film en dvd geven een glimp te zien van wat er in Freuds loeiheet, volgeklierd en stinkend atelier allemaal gebeurde.
Zijn plant- en tuinschilderwerk is teder en geraffineerd gelaagd, het vroegere portretwerk is bevreemdend maar zijn modellen lijken minder te lijden.
Met de jaren doet hij meer in verf.
De psoriasis en het eczeem worden er steeds dikker op gelegd,
en de ziel van de toeschouwer krijgt er jeukende eelt van.

Intussen loopt in het magnifieke Museum Meermanno '? Westreenianum aan de Prinsessegracht 30 in de Residentie een boeiende tentoonstelling over 'Peters Meesters – Peter van Straaten en zijn inspiratiebronnen '? nog tot 4 mei 2008

Het werk van peter van Straaten wordt getoond naast dat van kunstenaars (tekenaars, illustratoren en cartoonisten) die hem geà?nspireerd hebben: boeiende plaatjesboeken van de 'Gibson girls', Jo Spier, Rembrandt, Gustave Doré. Sinds 1995 verschijnt Peter's zeurkalender met op ieder blad een verademing van herkenbaar leed.

Nog tot 27 april 2008 is er ook een Boekbandententoonstelling 'Koppermaandagproject 2008'. Deze keer hebben vijftig handboekbinders Elsschots Lijmen/Het been gebonden.
Koppermaandag betreft een oude traditie in de grafische wereld, en valt op de eerste maandag na de dag des Heren, volgend op Driekoningen, voor 2008 was dat 14 januari.

Dit jaar is gekozen voor Lijmen/Het Been van de Belgische schrijver Willem Elsschot (1882-1960); in dit boek zijn reproducties opgenomen van de illustraties (lino's) die de Belgische kunstenaar Henri van Straten (1892-1944) speciaal voor de boeken Lijmen (1923) en Het Been (1938) maakte.

Het Museum Meermanno heeft een leuke collectie kleinodiën uit de oudheid, als ansichtkaarten van verre vroege reizen. Maar de boeken die er staan zijn fenomenaal, zeker de muziekhandschriften en drukken.

Musea als deze gaan een grote toekomst tegemoet, want de digitale informatiedragers zullen het bedrukt papier verdringen tot dat laatste enkel nog als kunstige luxe objecten tentoongesteld wordt op salontafel of schouwmantel, zoals vroeger de mooiste harnassen gemaakt werden wanneer ze iedere militaire functie door de opkomende vuurwapens reeds lang verloren hadden.
Het duurt geen decennium meer of mooie dure boeken zijn enkel nog tekenen van cultuur, rijkdom en verfijning. De rest van wat nu nog bedrukt papier nodig heeft, zal uitsluitend nog digitaal geconsumeerd worden
.

Archief

Gravensteengroep en Manifest

24 februari 2008

Het Manifest

De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep* noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.
Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd. Daarom wensen ze de volgende standpunten naar voren te brengen.

Bij het ontstaan van België in 1830 heeft de francofone bourgeoisie de kans schoon gezien haar prioriteiten veilig te stellen, door een regime te installeren dat essentieel op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking was gefundeerd. Die sociaal-economische ongelijkheid is mettertijd in grote mate weggewerkt dankzij een strijdbare arbeidersbeweging. Het recht op eigen taal en cultuur hebben de Vlamingen echter moeten afdwingen via een kluwen van ondoorzichtige compromissen. Het resultaat is een omslachtige staatsstructuur, een institutionele doolhof met zeven parlementen en zes regeringen. Onze ‘imago-schade’ in het buitenland wordt niet alleen veroorzaakt door de voorbije formatiecrisis, maar ook door de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt. De verkiezingsuitslag van 10 juni 2007 in Vlaanderen is mede veroorzaakt door het ongenoegen over deze historische vergroeiing en lijkt een onomkeerbare optie op de toekomst te nemen.

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard ‘progressief Vlaanderen’ stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen. Ons aanknopingspunt is niet een belegen Vlaams romantisme, maar wel de Verlichtingsfilosofie, het democratisch gelijkheidsbeginsel, een moderne visie rond decentralisatie, subsidiariteit, schaalverkleining en regionale autonomie die overal in Europa aan de orde is, van Schotland tot Kosovo, en van Catalonië tot Estland.

Centraal staat daarin het principe van territorialiteit. In 1962-63 werden de definitieve grenzen vastgelegd van Vlaanderen, Wallonië en Duitstalig België, als taalkundige én culturele ruimtes binnen het Belgisch federaal bestel. Dit nadat al in 1932 de eentaligheid der regio’s mede onder sterke Waalse druk werd aanvaard. De taalgrens heeft hier in dit opzicht de kracht van een staatsgrens. Zo’n ruimtelijke afbakening impliceert bepaalde spelregels, nodig voor een gezond sociaal weefsel. Wereldwijd beschouwt men het namelijk als evident dat een immigrant, mits een aanpassingsperiode, zich inburgert door zich de taal van het nieuwe thuisland eigen te maken. Dit doet geen afbreuk aan de mensenrechten inzake godsdienst, culturele eigenheid of taalgebruik in de privé-sfeer. Laagopgeleide allochtone migranten doen deze inspanning met vrucht, terwijl veelal hoogopgeleide Franstalige inwijkelingen in Vlaanderen dit om principiële redenen niét blijken te doen, hierin gesteund door hun politici. Sommigen menen zelfs dat het volstaat, in een grensgemeente een meerderheid te verwerven, om de grenzen te verplaatsen. Daarmee ondergraven ze het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich. Men kan zich indenken hoe de Fransen zouden reageren, mocht een Duitstalige meerderheid in een Franse grensgemeente eventjes de grenzen tussen beide landen willen wijzigen…

De ondertekenaars van dit manifest vinden daarom dat elke discussie over sociaal-economische solidariteit onmogelijk wordt, indien men de politieke solidariteit, d.w.z. het wederzijds respect voor grens en ruimte niet eerbiedigt. Er is een ommekeer in de mentaliteit nodig bij de francofone politici: wij hoeven dit respect niet ‘af te kopen’. De splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde is een toepassing van dat in de grondwet verankerd territorialiteitsbeginsel. Daarnaast vormt reële tweetaligheid in Brussel, als hoofdstedelijk gewest, de laatste kans voor België om als confederale staat te overleven.

Als een consensus over deze basisbeginselen wordt afgewezen, is elke discussie over staatshervorming zinloos. Noodgedwongen moeten we dan de nodige stappen zetten om de regio’s als onafhankelijke staten deel te laten uitmaken van de Europese Unie. Overigens, in de post-Belgische context van de Europese samenwerking kan interregionale solidariteit maximaal spelen. Wij willen, als welvarende regio, zowel de interpersoonlijke als de interregionale solidariteit in stand houden. Met ons hoofd én met ons hart. Maar niet met een latent onbehagen omtrent cultuurimperialisme, ongezond parasitisme, en verborgen partijpolitieke agenda’s.

Dit België is zonder duidelijke, onherroepelijke afspraken niet werkbaar; wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat. In het verlengde van deze moderniseringsgedachte vragen wij transparante politieke structuren, responsabilisering van de regionale besturen, de toepassing van democratische grondrechten, en onschendbaarheid van taalgrenzen. Met onze Franstalige vrienden als het kan, zonder hen als het moet.

Meer autonomie zal eenieder tot voordeel strekken. Gelukkig groeit aan beide zijden van de taalgrens het besef dat ook Franstalig België zijn eigen groeikansen hypothekeert in de mate dat het zich laat gijzelen door politici die zweren bij de status-quo.

De oude vijandbeelden moeten vervangen worden door nieuwe samenwerkingsverbanden, gebaseerd op een evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid. Wallonië als bevriende partnernatie lijkt ons een aantrekkelijker perspectief dan een staatsbestel dat zich van de ene crisis naar de andere voortsleept.

Namens de Gravensteengroep,

Etienne Vermeersch
Jan Verheyen
Frans-Jos Verdoodt
Piet van Eeckhaut
Jef Turf
Bart Staes
Johan Sanctorum
Jean-Pierre Rondas
Yves Panneels

Chris Michel
Bart Maddens
Paul Ghijsels
Paul De Ridder
Dirk Denoyelle
Peter De Graeve
Eric Defoort
Jo de Caluwe
Ludo Abicht

*De groep kwam voor het eerst samen en stelde deze tekst op in de schaduw van het Gentse Gravensteen.

Archief

Peter De Graeve – Ons best bewaarde staatsgeheim: de democratie is dood!

20 februari 2008

De Standaard donderdag 14 februari 2008

Ons best bewaarde staatsgeheim: De democratie is dood

Claude Lefort is één van de belangrijkste Franse politieke filosofen van de voorbije decennia. Hij is weinig bekend bij het grote publiek, maar zijn invloed bij politieke filosofen in Vlaanderen en Nederland is niet gering. Zijn theorieën hebben de ideeën over democratisch bestuur bij een hele generatie intellectuelen gevormd.
Volgens Lefort onderscheidt de moderne democratie zich van het Ancien Régime enerzijds, het totalitarisme anderzijds, op een beslissend punt: in de democratie 'is de plaats van de macht leeg'. De toverformule van het Ancien Régime: 'Le Roi est mort, vive le Roi!' werd door de Franse Revolutie ontkracht. Maar ook het totalitaire geloof dat 'de wil van de Führer (Duce, Partijleider) wet is', staat volgens Lefort haaks op het moderne ideaal van een humane democratie. Reeds in de jaren '70 stelde hij dat het totalitarisme '? of het nu rechts of links is '? een historische uitzondering is die de democratische regel bevestigt. De onverwachte val van het sovjetregime in 1989 leek zijn these te bevestigen. De democratie is de menselijke '? en dus imperfecte '? verwezenlijking van een politiek Verlichtingsideaal: de macht bij het volk, voor het volk, door het volk. Groot is het gevaar, in dit politieke bestel, van ongecontroleerde volksmacht, van populisme en demagogie. Maar dit onvermijdelijke risico verdwijnt in het niets bij de praktijk die erin bestaat de controle op de macht, om wat voor reden ook, dan maar aan het volk te onttrekken. Op de plek waar vroeger een zonnekoning of keizer troonde, is nu een 'gat' geslagen. Onze politieke cultuur vult deze leegte om de paar jaar tijdelijk op met een verkozen president of premier, en met een representatief parlement: dat is democratie. Macht wordt niet langer belichaamd, ze wordt ontleend, gehuurd. Regeren bij de gratie Gods, of ver weg van de stem en het oog van het volk kan niet meer. De minotaurus is geslacht. Ariadne gaat op vrije voeten, geëmancipeerd. Het labyrint staat leeg.
'De plaats van de macht is leeg.' Leforts mysterieuze formule spreekt een ijzeren wet uit: wie vandaag, op welke wijze ook, alleen wil heersen, doet afbreuk aan het wezen van het democratische. De macht willen uitoefenen zonder door het volk bekeken, beluisterd en beoordeeld te worden, getuigt van een autoritaire mentaliteit. Wie ervan uitgaat dat hij het recht heeft beslissingen te nemen voor de gemeenschap van de burgers ('We, the people'?'), zonder hiervoor verantwoording af te leggen of die burgers er rechtstreeks bij te betrekken, is fundamenteel ondemocratisch. Ons dierbaar België is van top tot teen doorgedrongen van een dergelijk autoritaire, antidemocratische geest. Naar aanleiding van het uitlekken van zogezegd vertrouwelijke gesprekken met de vorst doen sommige vazallen nu alsof ze 'erg verontwaardigd' zijn. Ze verkondigen dat de spelregels zijn vervalst. Maar dat diezelfde monarch lobbyt voor een 'federale kieskring', een partijdig electoraal systeem, dat als belangrijkste effect zal hebben dat de democratische macht van een deel van zijn bevolking (nog meer) wordt ingesnoerd, is ronduit autocratisch. Dat hijzelf de vertrouwelijkheid misbruikt om aan te sturen op een breuk binnen een democratisch verkozen politieke formatie (het 'kartel'), en dus op het ongedaan maken van een verkiezingsuitslag, is niets minder dan verraad aan de democratie. Met gespeelde verontwaardiging verheffen de hovelingen dit koningshuis tot 'morele macht' en tot 'bindend element' in de chaos van centrifugale krachten. Tegelijk steunen ze het in zijn autoritarisme en zijn voortdurende blijken van minachting voor de democratie. Zij zijn de echte valsspelers. Zij fluisteren ons voortdurend in dat de wij, het volk, moeten wijken voor de vorst. Dat de verkiezingen onderdoen voor de gevestigde machten, voor de elites en de troon. Dat niet de staat hervormd moet worden, maar de hervormingsgezinde partij, het kartel. Dat niet het regime plaats moet maken, maar het volk. Hoelang nog, Catilina? Men zeurt ons de oren van het hoofd over een bedreigde solidariteit. Maar dat de democratie zelf wordt vertrapt door hen die er hun carrière, hun buitenlandse reisjes en hun bodemloze rijkdom aan te danken hebben, mag niet meer gezegd? Dat de voorbije acht maanden de trouw aan de federatie, of tenminste aan de numerieke meerderheid ervan, in de feiten is geridiculiseerd, mag geen voorwerp van discussie meer zijn? Hoelang nog?
Het wordt steeds duidelijker dat in deze crisis van het regime sommigen er niet langer voor terug schrikken de democratie zelf op het spel te zetten, in dubbel opzicht. Ten eerste wordt nu alles in het werk gesteld om de 'instellingen' (in feite: de belangen van de monarchie, van enkele hovelingen en van een francofone kaste) tegen de logica van de verkiezingsuitslag in Vlaanderen te beschermen. Zo wordt een oligarchie gevestigd, of in zijn bestaan bévestigd, waarvan de mentaliteit steeds meer aanleunt bij de standenmaatschappij van 1788. Want de federale kieskring wordt een electoraal wapen in de handen van een elite. Het tweede effect is fundamenteler. De democratische stem zelf is nu al maandenlang vakkundig gesmoord, afgeklemd, uitgeschakeld. De voedingsbodem van de politieke solidariteit in dit land is daardoor vergiftigd. Velen die op 10 juni hun stem uitbrachten, leren nu te leven met de wetenschap dat die geen gewicht heeft gehad, zich niet 'leent' tot de macht. Dat in de geheime praatjes met de vorst keer op keer de democratie wordt verkracht, vindt blijkbaar niemand 'erg'. Op de troon zit een geslacht dat zijn zin doordrijft, tegen de wil van het volk in. In België is de plaats van de macht nooit leeg gemaakt. Hier is de democratie zelf leeg. Dat is ons best bewaarde geheim. Elk colloque singulier mag gaan over wat je maar wil '? de kwaliteit van een porto of de meubelen van Napoleon '? één waarheid hangt als een devies boven dit geniepige onderonsje: de democratie is dood, leve de monarchie.

Peter De Graeve doceert filosofie aan de UA

Archief

Dave Eggers, Wat is de Wat? De autobiografie van Valentino Achak Deng. Uitg. Rotschild&Bach 2007

18 februari 2008

Dave Eggers, Wat is de Wat? De autobiografie van Valentino Achak Deng. Uitg. Rotschild&Bach 2007

Dit is geen literair werk, maar een geromantiseerd verhaal volgens de voorschriften van Amerikaanse schrijfscholen: het leest lekker griezelend en verleidelijk weg maar daar blijft het bij.

Nochtans is het verhaal van Vanetino Achak Deng , als één van de meer dan 20.000 'Lost Boys' uit Zuid Soedan behoorlijk beklijvend. Na de gewapende overvallen van de Arabische noorderburen om China's oliebelangen veilig te stellen voor de islamitische heersers van Soedan (1983 '? 2005) is de exodus van Valentino verbijsterend.

Het boek is anderzijds wel een uitzonderlijk werkstuk omdat het veel verder gaat dan de meelijwekkende tranenverhalen over gruwel, verlatenheid, oorlog, verlies, lijden en pijn.

Het verhaal van Valentino Achak Deng wordt door de Amerikaanse successchrijver Dave Eggers opgetekend in een raamvertelling nadat hij in Atlanta overvallen en gefolterd wordt door Amerikaanse Zwarte Broeders die zijn moeizaam gespaarde studio leegroven. Amerikaanse zwarten plegen volgens Valentino nogal eens fors tekeer te gaan tegen Afrikaanse inwijkelingen omdat zij in hun mythologie plegen af te stammen van de machthebbers die hun eigen voorouders als slaven hebben verkocht aan de blanken.
Het leven op de vlucht, het verraad van de volks- en stamgenoten, het misbruik van de lost boys als slaven door de beter begoede Soedanese vluchtelingen met familie en connecties, de georganiseerde oplichterij tegenover de hulpverleningsorganisaties en de VN, de ronselpraktijken van het SPLA '? dat zich in de grote traditie bevrijdingsleger noemt – niets wordt de lezer bespaard. Ook de onderlinge vetes en ruzies, maar ook de KZ syndroom '? vriendschappen voor het leven van de finaal naar Amerika geà?mporteerde 'lost boys' worden niet vergeten.

'Ik ben in mijn leven op vele manie- ren geslagen, maar nooit met de loop van een geweer. Ik heb het geluk dat ik vaker heb zien lijden dan dat ik zelf heb geleden, maar toch: ik ben uitgehongerd, ik ben geslagen met stokken, met kabels, met bezems en stenen en speren. Ik heb vijf mijl gereden in de laadbak van vrachtwagen die vol lag met lijken. Ik heb te veel kleine jongens zien sterven in de woestijn, bij sommigen was het alsof ze gingen zitten om te slapen, anderen stierven na dagen van waanzin. Ik heb drie keer gezien hoe jongens werden gegrepen door een leeuw en achteloos werden opgegeten. Ik zag hoe ze van hun voeten werden getild, weg werden gedragen in de kaken van zon beest en werden verslonden in het hoge gras, zo dichtbij dat ik de natte, knappende geluiden en het scheuren van hun vlees kon horen. Ik heb een goede vriend van mij zien sterven, naast me in een verongelukte truck, zijn ogen open en zijn blik op mij gericht, zijn leven weglekkend uit een holte die ik niet kon zien. En toch, nu ik uitgestrekt over de bank lig en mijn hand nat is van het bloed, merk ik dat ik Afrika mis. Ik mis Soedan, ik mis de brullende grijze woestijn van noordwest Kenia. Ik mis het gele niets van Ethiopië.

412. Velen hebben ons afgeschreven als een mislukt experiment. Wij waren de model-Afrikanen. Dat was heel lang de benaming. We kregen uitbundige complimenten voor onze ijver en onze goede manieren , en vooral voor onze toewijding aan ons geloof. De kerken waren dol op ons en de door hen betaalde en gecontroleerde leiders wilden ons allemaal hebben. Maar dat enthousiasme is inmiddels bekoeld. We hebben veel gastgezinnen uitgeput. We zijn jonge mannen, en jonge mannen hebben de neiging het slechte pad op te gaan. Van de vierduizend vluchtelingen ging er een aantal naar prostituees of verspilde weken, maanden aan drugs, nog meer raakten er uitgeblust door de drank en tientallen zijn slechte gokkers of geweldplegers geworden.'

De fondsen die met het boek worden ingezameld vormen de basis voor de Valentino Achak Deng Foundation, de hulporganisatie met zijn naam die nu fors investeert in zijn geboortedorp en -streek in Zuid Soedan.

Velen van de uitgezonden Lost Boys blijken intussen een bron van geld en investeringen voor de Zuid Soedanese regering, die er ook in geslaagd is de aandacht van de Chinese volksrepubliek te trekken.
Jane Fonda en de Amerikaanse pleeghulp van Valentino zijn erin geslaagd Steven Spielberg te overtuigen dat hij zijn Chinese opdrachtgevers voor de regie van de Olympische Spelen diende te confronteren met hun beleid in Soedan. Chinese oliebelangen liggen mee aan de basis van de genocide op de niet islamitische zwarten in het zuiden.
Spielberg wou de geschiedenis niet ingaan als de Leni Riefenstahl van 2008 en heeft zich teruggetrokken uit de regie van de Spelen in Beijing. De Chinese overheid blijft ontkennen enige invloed te kunnen uitoefenen op het ìnterne conflict in Darfur waar de regering van Khartoum vandaag nog Chinese wapens bedeelt aan de Arabische milities die het zuiden terroriseren.

Na het schrijven van 'Wat is de Wat' is Valentino internationale diplomatie en politieke wetenschappen gaan studeren. Hij wil zich via zijn ‘Valentino Achak Deng Foundation’ blijven inzetten voor Zuid Soedan en eindelijk aan echte trouwplannen werken.

Dave Eggers is begonnen met een reeks 'Voices of witness', orale getuigenissen in monoloogvorm door mensen die hun rechten geschonden zagen: onterecht opgesloten gevangenen, slachtoffers van de orkaan Katerina en nu ook andere slachtoffers van de oorlog in Soedan.

Dave Eggers: ‘De murahaleen en de janjaweed, die vandaag in Darfour opereren, vallen dorpen aan en nemen kinderen en vrouwen mee. Ze maken ze tot slaaf of tot concubine. Die slachtoffers durven niet goed te praten over wat hen overkomen is, ze schamen zich te veel. In 2003 heb ik al vrouwen proberen te interviewen maar dat was heel pijnlijk voor hen omdat ik een man ben. Nu nemen we vriendinnen mee van Valentino die zowel Engels als Dinka praten en met wie we hopelijk meer kunnen bereiken. We zouden graag twee boeken per jaar publiceren in Voice of witness. We plannen nog een boek over arbeiders zonder papieren in de VS en een over vrouwenhandel en de seksindustrie wereldwijd.’

Archief

Matthias Schulz: En toen was er kunst – vert. W.Hansen HP/De Tijd – Der Spiegel

17 februari 2008

HP/De Tijd 01022008 Cultuur : En toen was er kunst. Matthias Schulz – vert. W.Hansen – Der Spiegel

Een bijzonder boeiend artikel in HP/De Tijd van 01022008 naar aanleiding van de nieuwste intrepretatie van recente vondsten omheen de grotten van Vogelherd in de buurt van het Duitse Ulm.
Ook de anatomisch moderne mens, die ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika opdook, bleef heel lang een oncreatieve hannes. Pas toen hij Europa introk, ruim 40.000 jaar geleden, kuste de barbaar uit de steentijd plotseling de muze.

De theorie van de zich langzaam ontwikkelende kunst was een vergissing, zegt Jean Clottes, hoogste custos van de grot van Chauvet. Het menselijk voorstellingsvermogen heeft zich schoksgewijs ontwikkeld – en meteen op zeer hoog niveau.

Volgens Nietzsche’s kunstfilosofie is kunst een soort esthetische surrogaatreligie.

Bij alle postmoderne verwarring wordt vergeten dat zelfs de kunstenaars van de oude Grieken helemaal geen kunstenaars waren: ze deden aan godsdienst. Het Griekse theater was geen amusementsfabriek, maar behandelde in de tragedie het lijden en sterven van Dionysus. Ter ere van hem traden de toneelspelers aan.

Pas in de moderne tijd kennen we de 'cultus van het genie'. Eenzaam en los van alle bindingen, helemaal op zichzelf teruggeworpen, omgeven door een ingestorte hemel, 'transcendentaal dakloos', maar tegelijk met een scherpe niets ontziende blik '? zo trad de kunstenaar nu naar voren. Het Italië van de renaissance heeft dat idee van de eenzame, esthetische strijder ontwikkeld.

Een van de meest verspreide magische handelswijze om een vijand schade toe te brengen is een evenbeeld van hem te maken, noteerde de zielkundige Sigmund Freud al, die met een grote aandacht het vroege werk van de volkenkundigen volgde.

Daarom zocht hij met magische middelen naar wegen om invloed uit te oefenen en zich een troostende wereld volgens eigen regels te scheppen. De prehistorische kunst is een poging geweest 'de mensen van hun angsten te bevrijden en hun hoop en vertrouwen te geven', zegt de Britse etnoloog Edward Evans-Pritchard.

Alle kunst, zegt Nietzsche, welt op uit een verborgen wereld van leed.

Die opeenhoping en opstuwing van mensen is volgens de prehistoricus Floss voor de mens de belangrijkste aanleiding geweest om tot estheet te muteren. '?Hij zonderde zich van de natuur af en leefde volgens eigen regels'?.

'Het oppervlak van het lichaam werd een symbolische toneel waarop het drama van de socialisatie zich afspeelde', aldus Terence Turner, een antropoloog van de universiteit van Chicago

Er is veel voor te zeggen dat de in adrenaline gedoopte olifantenjacht diepe sporen heeft nagelaten in de fantasie en de verbeeldingskracht van de vroege mens. De jacht ging gepaard met een groot risico gewond te geraken, en er vielen veel dodelijke slachtoffers. De prehistorische jager zocht daarom naar oplossingen om de verschrikking draaglijker te maken – met behulp van de magie.

In de jaren 90 was het Joachim Hahn, prehistoricus in Tübingen, al opgevallen dat de kunstenaars van de ijstijd vooral 'agressieve en sterke dieren' afbeelden.

Psychoanalytische gezien droegen de eerste schepselen zich getraumatiseerd; ze bootsten na waarvoor ze het bangst waren.
De dichter Rainer Maria Rilke heeft het zo uitgedrukt:
‘Want het schone is niets dan het juist nog door te verdragen begin der verschrikking,
en wij bewonderen het zo, omdat het, onaangedaan, versmaadt ons te vernietigen.’
(Eligieën van Duino)

Maar toen, rond 28.000 jaar geleden, gingen de Michelangelo’s van de prehistorie zich wijden aan een nieuw onderwerp. De naaktheid en de lichtzinnige tentoonspreiding van de geslachtelijkheid kwamen in de mode. De tijd van de wonderlijke 'Venusbeelden' begon.

De mensen uit de ijstijd konden van alles gebruiken – alleen geen vruchtbaarheidsgodin.

Het is veeleer denkbaar dat de forse Venussculpturen in het middelpunt stonden van een streng geregeld en zelden plaatsvindende sekscultus. Bijna alle volkeren uit de oudheid kennen de gecontroleerde uitleving van de drift door een sacrale orgie. Het carnaval ter ere van Ishtar duurde dagenlang '? alle remmingen gingen los. De rest van het jaar moest het volk weer zedig zijn.

Zoiets kan ook in het stenen tijdperk hebben bestaan. Toen al waren als gevolg van een steeds gecompliceerder sociaal leven de boeien van Eros zo knellend dat ze kennelijk amper meer te verdragen waren. Daarom zette de homo sapiens zijn hartstochten en hormonale opwellingen om in kleine sekspoppen

Archief

Ignaas Devisch en Marc De Kesel (red.) Fundamentalisme – Face tot Face – uitg. Klement/Pelckmans

12 februari 2008

Ignaas Devisch en Marc De Kesel (red.) Fundamentalisme – Face tot Face – uitg. Klement/Pelckmans

Deze essaybundel is zeer de moeite om te spellen, te overdenken en zo onszelf schuin in de spiegel te herkennen '? van aangezicht tot aangezicht.

Marc De Kesel weet achter de baard en de tulband van Osama Bin Laden c.s. de basis van diens cartesiaanse denken te onthullen:

' Bin Ladens fundamentalisme zit niet in de inhoud van zijn ideeën, maar in het feit dat hij de vrijheid waarop die ideeën 'rusten', hardnekkig negeert. En dat doet hij als iemand die niet op de traditie steunt, maar er zelf het steun- en draagvlak van wil zijn. Daarin rust de moderniteit van Bin Laden, en daarin is hij formeel onze 'gelijke'. Als het Westen dus één ding moet begrijpen, dan wel het feit dat Bin Laden niet de vreemde eend in de bijt van onze vrije, gemondialiseerde wereld is. Hij is tegelijk exponent en symptoom van onze wereld. En wie zich blind staart op symptomen, werkt die juist in de hand. '(23)

Ignaas Devisch wijst op de verblinding van wie in de schijnwerpers kijkt van wat zich als 'fundamentalisme' aan ons wil opdringen. Maar wanneer we naast de stralenbundels durven kijken, zullen we zien:

' wie de onaangetaste heiligheid van zijn zaak wil behouden, wil zich én immuniseren tegenover de buitenwereld die de heiligheid ervan bedreigt, én kan dit enkel door ook die immuniteit deels tegen te werken en dus de heiligheid te laten contamineren, wil hij de heiligheid überhaupt het daglicht gunnen.'(33)

Op termijn wordt het dus nooit wat met de 'zuiveren van geest' en hun 'maakbaarheidsidealen', zij het dat er in hun naam en voor hun idealen nog stromen bloed vergoten zullen worden.

Sami Zemni & Marlies Casier herkennen treffend:

'Waar de communistische en socialistische gewapende groepen een bewijs van onsterfelijkheid vonden in de ultieme en totale bevrijding van de mens (die God is geworden), zoeken religieus geà?nspireerde groepen een bewijs in de 'Goddelijke Wet'. Jihadmilitanten gaan 'heen en weer' tussen de verafgoding van een tot fetisj gemaakt verleden en de noodzaak om deze in de (nabije) toekomst opnieuw te vestigen.'(59)

Met 'Bidden is goed, verzekeren beter' levert Marc Schuilenburg een originele invalshoek:

'Welbeschouwd bewijst het religieuze fundamentalisme het huidige veiligheidsprogramma daarmee eerder een dienst dan dat het kwaad doet. '(92)

' Bij benadering kunnen we deze logica (van het verzekeringswezen) herleiden tot drie technieken: herverdeling van risico’s, preventie en selectieve uitsluiting. Deze zekerheidstechnieken onderscheiden zich van de verfijnde technieken van disciplinering, zoals die door Michel Foucault zijn beschreven als de methoden die de verrichtingen van het lichaam aan een minutieuze controle onderwerpen en die worden toegepast in de gevangenissen, de kloosters, de scholen en de werkplaatsen. De reden is hierin gelegen dat ze vanwege hun reflexieve aard naar de toekomst wijzen, het mogelijk maken gebeurtenissen te 'voorspellen' of 'zeker te stellen'. In een hang naar zekerheid beroven ze de risicomaatschappij van precies dat gedrag waaraan ze haar naam ontleent: een risicosamenleving is een samenleving waarin in het geval van schade geen aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding (Sloterdijk, 2006:103). Daarom is het beter te spreken van een verzekeringsmaatschappij, de actuariële reconstructie van een maatschappij waarin niet God, maar ‘veilig’ heilig is verklaard. In een verzekeringsmaatschappij geldt de wet dat alle risico’s zijn gedekt door een verzekering.
In de overgang van een maatschappij op basis van een goddelijk oordeel naar een maatschappij gebaseerd op verzekeringsinzichten, vervaagt strikte scheiding tussen het publieke strafrecht en het private domein van het verzekeringswezen.'(96)

Patrick Loobuyck legt de vinger op de fundamentalistische wonde van het monotheà?stische godsgeloof :

'Tolerantie is een belangrijke mate een manier van omgaan met opvattingen die men als onwaar of minderwaardig beschouwt. Voorzover de opvatting van tolerantie niet alleen van de overheid, maar ook op het terrein neutraliteit vereist, en voorzover tolerantie impliceert dat mensen expliciet afstand nemen van de eigen (absolute) waarheidsaanspraken, is religieuze tolerantie een mythe.'(145)

Wat ik mis in deze essaybundel is de kracht van de overtuiging.
Er worden haarfijne, subtiele en dodende analyses gemaakt van de gelijkenissen tussen moslimfundamentalistische woede-uitingen en de moderniteit, maar de vraag blijft of de hanen uit het Midden Oosten wanneer ze in de spiegel kijken, wel zullen beseffen dat hun westerse vijanden geen smakelijke hapklare wormen zijn.
Tenslotte gaat het hier om een machtsstrijd die verstikken zal in een tsunami aan slachtpartijen en ellende, vooral in de regio die geklemd zal worden tussen de machtig nieuwe draken uit het verre oosten en de moderniteit van het westen. De nieuwe heersers uit het Verre Oosten wortelen in een nietsontziende traditie van het evidente Rijk van het Midden waaraan alle barbaren nederig tribuut mogen betalen. De westerse grootmachten haasten zich om hun olieverslaving te ontwennen, waarna het hele Midden Oosten behoudens artificiële ‘toeristische toppers als Dubai’ onder het stuifzand van de geschiedenis zal dreigen te verdwijnen.
De moderniteit van de renaissance steunde misschien op vergelijkbare filosofische uitgangspunten tegenover het immanente middeleeuwse godsbeeld, maar die leidde wel tot een formidabele ontwikkeling van wetenschap, handel, economie, kunst en de (nietsontziende) globalisering van het westerse wereldbeeld.
Van de hedendaagse fundamentalistische gods- en wereldbeelden en maakbaarheidideologieën is in dat opzicht niets te verwachten dan obscurantisme en hemeltergende ellende, zeker als we er met een schuin oog naar kijken, al dan niet doorheen een Venetiaanse spiegel.

Lees verder »

Archief

Knack duo interview: ‘Wij moesten de wereld proletariseren’

3 februari 2008

‘Wij moesten de wereld proletariseren’
DOOR JOëL DE CEULAER / FOTO’S FILIP NAUDTS
KNACK 17102007

Ze werden samen communist, maar groeiden gaandeweg uiteen. Ze zijn al jaren niet meer on speaking terms. Voor Knack wilden ze nog eens grondig en heftig van mening verschillen. De gebroeders Jan en Dirk Van Duppen over verleden, heden en toekomst van links.

DIRK VAN DUPPEN (51)
Nam als jongeman, onder invloed van Marx en van zijn broer Jan, de beslissing om als arbeider te gaan werken. Ging later, in navolging van Kris Merckx, alsnog geneeskunde studeren. Maakt nog altijd deel uit van de communistische Partij van de Arbeid. Werd vorig jaar verkozen in het Antwerpse district Deurne. Trad op de voorgrond doordat hij de strijd aanbond met de farmaceutische industrie. Publiceerde daarover De cholesteroloorlog. Werkt nog altijd in een groepspraktijk van Geneeskunde voor het volk.

JAN VAN DUPPEN (54)
Zette als jongeman, onder invloed van Marx, zijn studies stop om te gaan werken als arbeider. Ging later, onder invloed van Amada-boegbeeld Kris Merckx, geneeskunde studeren. Rekende af met het communisme en vond aansluiting bij de SP.A. Was lid van het Vlaams Parlement (1999-2004) en van de Senaat (2003-2004). Stapte, onder meer uit ongenoegen met het autoritaire beleid van toenmalig voorzitter Steve Stevaert, in 2004 uit de partij. Werkt vandaag als huisarts in een groepspraktijk in een multiculturele achterstandswijk, Rotterdam-Zuid.

Een verzoeningsgesprek? Nee, zo zouden ze het niet willen noemen. Daarvoor zijn de meningsverschillen te groot, is de afstand te onoverbrugbaar. Maar een gesprek over hun politieke verleden en de toekomst van links? Daartoe zijn Jan en Dirk Van Duppen wel bereid. De twee felle en gedreven Kempenzonen zijn allebei arts, een vak dat ze kozen in navolging van Kris Merckx, stichter van Geneeskunde voor het Volk en jarenlang boegbeeld van Amada, de communistische partij die inmiddels is uitgemond in de Partij van de Arbeid. Dirk is nog altijd lid van de PVDA. Jan heeft zich na een lange omweg via de SP.A uit de politiek teruggetrokken. Het verhaal begint, hoe kan het anders, eind jaren zestig.

Jan Van Duppen: ‘Het was een periode waarin je de tegenstellingen in de wereld duidelijk begon te zien. De rijken waren rijk, de armen waren arm – en men ging er toen in de Kempen nog van uit dat het best zo kon blijven. Wij zagen elke avond de Vietnamoorlog op de televisie, de ene gruwel na de andere. Wij waren bij de Chiro en hadden ook een jeugdclub opgericht, waarmee we in de bossen van Gierle het zwerfvuil gingen opruimen. Met Kerstmis 1968 hebben wij de stal in het dorp nog vol gehangen met affiches tegen de bombardementen op Hanoi. Wij waren, kortom, zeer actief, wij hadden contact met de derdewereldbeweging en organiseerden zelf ook actie- en discussiegroepen. In Leuven, waar ik twee jaar psychologie heb gestudeerd, maakte ik kennis met de marxistisch-leninistische beweging. Ik studeerde mij te pletter op Marx en Lenin, en bracht dat allemaal mee naar de discussiegroepen in Gierle.’

In de tweede kandidatuur stopte u plotseling met studeren. Waarom?

JAN VAN DUPPEN: Voor mij bood het alomvattende en sluitende, maar ook geslà?ten denksysteem van het marxisme een fantastisch antwoord op alle vragen. Ik denk dat je dat kunt vergelijken met het moslimfundamentalisme. Een hele ontdekking, op die leeftijd. Ik begreep dat ik door psychologie te studeren de wereld niet zou veranderen. Wij moesten de wereld proletariseren. Dus stopte ik met studeren en werd ik arbeider. Ik heb in de mijnen gewerkt, in een asbestfabriek, als trambestuurder… Later zijn mijn broer en ik allebei geneeskunde gaan studeren.

DIRK VAN DUPPEN: Jan was mijn grote broer en grote voorbeeld. Wij voerden een gemeenschappelijke strijd om los te komen van de waardepatronen van onze ouders. Vader was onderwijzer en had nooit aan de universiteit kunnen studeren. Daarom wilde hij dat zijn kinderen dat zeker wel zouden doen. Dat de oudste zijn studie stopzette, was een verschrikkelijke klap. En zijn derde zoon, ik dus, begon zelfs niet aan die studies. Ik besliste om na de middelbare school onmiddellijk in een leerlooierij te gaan werken. Ik had op mijn vijftiende Het Kapitaal van Marx al gelezen.

Wat ontdekte u in Marx?

Lees verder »

Archief

Nationale Gedichtendag 2008

31 januari 2008


Het geeft niet of de ouderdom komt, wat is ouderdom?
Je hebt je schouders onder de wereld gezet
en die weegt niet meer dan een kinderhand.
Oorlogen, honger, vergaderingen in gebouwen
bewijzen enkel dat het leven doorgaat
en dat nog lang niet iedereen zich heeft bevrijd.
Sommigen vinden de aanblik barbaars
En zouden (gevoelige zielen) liever sterven.
De tijd is gekomen dat sterven niet helpt.
De tijd is gekomen dat leven verplicht is.
Leven zonder meer, zonder mystificatie.

Carlos Drummond de Andrade (1902 '? 1987)
Geciteerd in Cees Nooteboom, 'Tumbas', graven van dichters en denkers.
Uitg. Atlas.

Archief

Geert Mareels, Plan B, een politieke satire gebaseerd op nog niet echt gebeurde feiten. uitg.Manteau

10 januari 2008

Geert Mareels, Plan B, een politieke satire gebaseerd op nog niet echt gebeurde feiten. uitg.Manteau

Geert Mareels was adjunct kabinetschef van Norbert De Batselier, kabinetschef van de vice-ministers- presidenten Luc Van den Bossche, Steve Stevaert en Renaat Landuyt.
Geert Mareels was niet op zijn kop gevallen en hij heeft meer dan 15 jaar lang zijn ogen en oren de kost gegeven op de socialistische kabinetten in de opeenvolgende Vlaamse regeringen.
Geert Mareels was niet dom, eerder zeer verstandig, geslepen en goedlachs, anders had hij zo'n carrière nooit overleefd, laat staan dat hij finaal toch nog een beetje goed terecht gekomen is als E-government manager bij Corve '? de coà?rdinatiecel Vlaams E-government, van de ijzermolen tot ijzervijlsel.

Geert Mareels heeft het verstand en de moed gehad om zijn ervaringen te archiveren en te bewerken in een politieke satire die misschien gebaseerd is op nog niet echt gebeurde feiten, maar die toch bijzonder nauw langsheen het barre leven achter de coulissen van de ondraaglijke lichtheid van het politieke bestaan scheert.

Ik kan mij niet ontdoen van het gevoel dat ieder voorstel, iedere bedenking, ieder manoeuvre, iedere strategie die in ' Plan B ' wordt vermeld, ooit ergens door een bekend politicus '? niet alleen van socialistische huize – werd geopperd, overwogen, geproefd en voorlopig nog te moeilijk bevonden.

Met de ontwikkelingen in zijn 'Plan B' krijgt Geert Mareels de lachers makkelijk op zijn hand, zeker zij die via het ambtenarenapparaat, dan wel de partijhofhoudingen ooit mochten snuiven van de politieke kookkunsten in de verboden keuken van de macht of wat er in Vlaanderen voor wil doorgaan. Om van de smeuà?ge roddels en nog schonere ware feiten nog maar te zwijgen.
Maar het lachen vergaat de lezer, wanneer de satire al te herkenbaar wordt, zeker vandaag met een noodregering.

Geert Mareels mag dan bij het schrijven van 'Plan B' wel niet op zijn hoofd gevallen zijn, de partij '? indeling van zijn boek is dat zeker wel. Van de sociaaldemocratische eminenties rest vandaag enkel nog een nare nasmaak. De echte spelers uit die hoek hebben zich vandaag veilig teruggetrokken op lucratieve posten in de periferie van het oosten tot het westen, van het noorden tot het zuiden, van zenit tot nadir.
Hij situeert het hele verhaal van een machtsgreep door technocraten achter een populistische BV uit een soap zoals 'Thuis tussen Paleis en Park' of 'Het leven zoals het is in en om de Wetstraat' binnen de sociaaldemocratische entourage. Zijn spiegeltechniek tussen de politieke realiteit en de tv-soap is een mooie en intelligente vondst. Het theater van de macht eist goeie lange-adem-acteurs en waar vind je die beter dan in succesvolle tv-series. Het loopt uiteraard mis wanneer de acteurs vergeten dat het maar een spel is en zij de spelers. Wanneer een politicus of een acteur zijn of haar rol te zeer als echt beleeft, ook thuis en in bed, voltrekt zich een ramp aan de democratie.

Het is evident dat de scenario's die Geert Mareels schetst veeleer geproefd en beproefd werden en worden in de blauwe familie, wegens de christendemocraten in die periode nog op apegapen.
Vandaag zijn de 'nog niet gebeurde feiten' van Mareels' 'Plan B' al een ferm stuk dichter bij de realiteit, zeker binnen het cd&v-NVA kartel in het nieuwe regeringsamalgaam.

Hij moet nog laden vol achter de hand hebben, om een 'Plan C' te schrijven.
Maar ik vrees dat met 'Plan B' het onderste uit de kast werd gehaald.
Geert Mareels kan niet tippen aan Hanne-Vibeke Holst die met 'Kroonprinses' en 'Koningsmoord' twee universele kanjers schreef over de machtstrijd binnen de sociaal democratie in Denemarken, en de positie van vrouwen binnen de machtstrijd.
Zijn boek is een verdienstelijk 'Plan B', maar dat is de Vlaamse sociaal democratie natuurlijk ook, om van de Vlaamse politiek nog maar te zwijgen.

Politics is not a bad profession, If you succeed there are many rewards, if you disgrace yourself you can always write a book.(Ronald Reagan) – geciteerd in ‘Plan B’

19. De groene voorzitster opperde dat als ze extreem rechts nog één legislatuur in oppositie konden duwen, de afkalving wel vanzelf zou beginnen. ” Hun kiezers willen immers toch vroeg of laat resultaten zien.”
“Citeer er mij niet op”, repliceerde de socialistische voorzitter, ” maar mij lijkt het redelijk ijdele hoop. De Belgische werknemer partij heeft 24 jaar moeten wachten op zijn eerste schepenambt en nog eens 10 jaar op de eerste ministerpost. En daar was eerst een wereldoorlog voor nodig. De gevestigde bourgeois partijen van toen bekeken de socialisten niet zoveel anders als wij de Blokkers vandaag. En toch hebben de socialisten dat uit idealisme 35 jaar lang volgehouden. Het is pas na de eerste keer van de macht geproefd te hebben dat een partij geen 10 jaar oppositie meer overleeft.”

46. De dag dat de bevolking iemand verkiest als vertegenwoordiger van de maatschappij, stelt men hem vrij van de menselijke verplichting om nog deel uit te maken van die samenleving. Een soort burgerlijke dood. Gelukkig voor de stakkers beseffen ze dat niet.

290. (Uit de toespraak van de nieuwe zelfbenoemde minister-president)
De democratie is verloren gegaan toen regeringen volmachten vroegen, niet omdat het parlement hun drastische ingrepen niet zouden stemmen, maar omdat die regering vooraf niet wist wat ze precies wou doen.
De democratie ging verloren toen partijen hun ideologische overtuiging inruilden voor marketingtechnieken.
De democratie ging verloren zodra partij voorzitters bepaalden wie er verkozen mocht worden en iedereen eruit gooiden hier niet met hen eens was.
Ze ging verloren toen een paar parlementszetel van vader op zoon, van vader op dochter, van moeder op dochter werd doorgegeven. Alsof politiek talent en ideologische overtuiging erfelijk zijn.
Onze democratie ging verloren toen het bestuur van het land een mediashow werd om u zoet te houden. Brood en spelen voor het volk. En met de clowns centraal in de ring. U weet dat ik een acteur ben. Maar onderschat niet in welke mate uw politici komedianten zijn.
Maar de democratie ging vooral verloren toen ze het volk verloren had. Toen de democratische instellingen uw belangstelling, steun en engagement verloren hebben.
Vandaag zetten we de eerste stap om u de macht terug te geven. De democratie, de regering van, voor en door het volk. Maar eerst moeten we de stal uitmesten. Ik beloof u nieuwe verkiezingen voor een nieuw sterk parlement en een nieuwe sterke regering zodra de tijd daar rijp voor is. Op korte termijn zal ik ons land moeten besturen zonder volksvertegenwoordiging. Ik zal hierbij uitsluitend de belangen van het volk en onze samenleving voor ogen hebben. Dat zweer ik u plechtig.
Tijdens de voorbereiding van deze machtsovername heb ik een volledig plan opgesteld met een precies programma van de maatregelen die we zullen nemen. U kunt dit plan vanavond al lezen in de speciale edities van de kranten die momenteel overal verspreid worden. Uiteraard vindt u het ook op teletekst en Internet. Hiermee willen we zeer open zijn over onze intenties. Geen lijst van losse beloftes, leuke dingen voor de mensen of sublieme stunts. Niet iedereen zal er zijn eigen verlanglijstje terugvinden. Omdat we zullen doen wat gedaan moet worden en niet wat de ene of de andere lobbyist graag zal hebben. Geen zoutloze compromissen die door de mallemolen van het parlement aanvaard moet worden. Wij stellen u concrete, betaalbare, effectieve maatregelen voor. We willen het best mogelijke onderwijs, een sterke economie, een radicaal milieubeleid, een resultaatgericht zorg voor de zwakkeren. Ik heb de beste experts geconsulteerd om op alle beleidsdomeinen het best mogelijke beleid uitstippelen. Het zijn die deskundigen die mijn regering zullen vormen. Maar ze zullen onder mijn leiding werken. Ik ben dan ook de enige die aan u verantwoording kan en zal afleggen.
Ik besef dat het voor velen onder u vandaag een zware en emotionele dag geweest is. Maar het is een dag die een lange periode van onrust en onzekerheid afsluit. Deze dag vormt de breuk tussen het oude regime dat met zichzelf bezig was en mijn regering die voor u zal werken. Vanaf morgen gaan we allen opnieuw aan de slag om ons Vlaanderen weer de plaats te geven in de wereld die het verdient. Ik wens u een goedenacht.

314. Eigenlijk hebben we met het managementteam al een eerste stap gezet om de Singaporese vormen over te nemen. Wat we nu moeten doen is ons middenkader even professioneel uitbreiden met mensen die uitsluitend aangeworven worden op basis van hun capaciteiten. In plaats van verkiezingen organiseren we tweejaarlijkse evaluaties. Wie niet voldoende presteert, ligt er onverbiddelijk uit. Als er al eens iemand door politiek dienstbetoon topmanager wordt, houdt die het dan toch niet langer dan twee jaar uit.

315. We hadden een ideaal nodig om aan de macht gekomen, maar als je daar wil blijven, zul je het met iets minder idealen moeten doen.

Democratie is niet alleen een regering van het volk, het is vooral een regering voor het volk. En als wij hier iets goeds doen voor ons volk, dan zijn we meer dan democratisch genoeg.

343. Elk politiek feit begint als een gerucht. Elk gerucht wordt vroeg of laat een politiek feit. Een woordje hier, een toespeling daar, meestal nog toe te schrijven aan een ontevreden klant.

349. In politiek sterven de idealen snel, of de idealisten.

Archief

Malcolm Kendrick, De cholesterolhype: De cholesteroloorlog en de strategie van de angst.

6 januari 2008

Malcolm Kendrick, De cholesterolhype. Cholesterol en de strategie van de angst.

‘Als je te veel voedingsmiddelen met cholesterol en/of verzadigd vet eet, zal het cholesterolgehalte in je bloed stijgen. Het teveel aan cholesterol slaat neer in de vaatwanden, waardoor de slagaderen dikker en nauwer worden. Op termijn blokkeert dit de bloedvoorziening van het hart (of van andere organen), met als resultaat een hartinfarct of
beroerte. Levenslang cholesterolverlagende pillen( statines) kunnen je hiervoor behoeden ,’aldus de gangbare cholesterolhypothese die door de Britse huisarts en onderzoeker Malcolm Kendrick in ‘De Cholesterolhype’ met humor en gezond verstand vakkundig onderuit gehaald wordt.
Verplichte lectuur voor alle artsen en hun pati?nten, voor epidemiologen en gezondheidswetenschappers.
Lezen van Malcolm Kendrick lacht jezelf en de ziekteverzekering gezond.

Belgi? telde in 2006 928.000 statinegebruikers die met 200 miljoen euro 8% van het geneesmiddelenbudget wegkapen. Een kleine helft hiervan zou wegens eerdere hart- en vaatziekten baat kunnen hebben bij deze medicijnen. Voor de overigen ‘? vrouwen en mannen ouder dan 70 jaar – werd tot op heden geen enkel gunstig levensverlengend effect aangetoond.

Naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van het boek van Malcolm Kendrick presenteert redacteur Marcel Crock in het tijdschrift ‘natuurwetenschap&techniek’ van februari 2008 een stand van zaken in Nederland en Belgi?. Hoogtepunt van de discussie rond de cholesterolhype is ongetwijfeld de uitspraak over het effect van de cholesterolverlagende medicijnen door internist Smulders van de VU Amsterdam:’Afwezigheid van bewijs is niet hetzelfde als bewijs van afwezigheid’.

Mijn argwaan in de jaren ‘90 van de vorige eeuw tegen de onstuitbare cholesterolhype werd nieuw leven ingeblazen met Walter Van den Broeck die in zijn ‘Verdwaalde post’ (1998) een randbemerking plaatste over reclame voor plantaardige vetten. ( p. 293 e.v.)
Ik was na 20 jaar in de medische sector als student en huisarts al enige tijd klaar met de verhaaltjes over di?ten en preventie door dure medicijnen voor ziektebeelden die vooral lang dienden uit te blijven. Een half leven diende gedrild en geofferd om het verre doel van langer leven mogelijkerwijs ooit te kunnen bereiken.
De strategie van de angst als essentieel kenmerk van de farmaceutisch ondersteunde geneeskunst was me stilaan helder na diverse hypes van medicijnen die nadien van de markt verdwenen wegens ernstige nevenwerkingen.
Vaak vraagt het jaren ervaring en voldoende afstand om die strategie van de angst te durven erkennen. Zeker op het domein van ziekte en gezondheid is een kritische houding tegenover de paradigmata van de medisch-farmaceutische sector wezenlijk.
Het eist een grondige bezinning over Jules Romains’ toneelstuk uit 1923: ‘Knock ou le triomphe de la m?decine’, waarin de jonge energieke en hoogopgeleide Dr. Knock een hele dorpsgemeenschap preventief ziek maakt aan de angsten die hen tot dan bespaard waren gebleven door de oude huisarts die de zieken behandelde en de gezonden met rust liet.
Walter Van den Broeck had tijdens onderzoek voor zijn roman ‘Verdwaalde Post’ een boeiende breuk ontdekt in de reclame voor plantaardige vetten in de naoorlogse vrouwenbladen. Na een tijd van gedwongen soberheid werden deze aangeprezen als vernieuwend, proper, effici?nt en vooral goedkoop. Nauwelijks iemand wou nog weten van die ersatz troep. Hoe krijg je dan zo’n enorme ongewenste olie-overschotten ( bio-energetische calorie?n ) gesleten? Plantages produceren immers jarenlang hun plantaardige vetten.
En ziet, plots veranderde het verkoopsargument begin jaren ‘60 van ‘proper’ naar ‘gezond’ voor het hart, de bloedvaten en de lever, de botten, de huid en de haren.
En het grote publiek mocht de ‘Lever’- plantageproductie nuttigen in de jacht op een lang en gezond leven. Vandaag hengelen zelfs ziekenfondsen naar nieuwe leden door plantaardige vetten te vergoeden omdat ze de bloedcholesterolspiegel gunstig zouden be??nvloeden.

In 1976 reeds wees Ivan Illich op dit fenomeen in zijn Medical Nemesis – Grenzen aan de geneeskunde: het medisch bedrijf – een bedreiging voor de gezondheid?:
Naast een verbetering van leefomstandigheden krijg je b ij een technische evolutie ook een grotere afhankelijkheid van specialisten die dure kunsten bedrijven. Zo moet ook de gezondheidsindustrie zijn klanten verdienen door hen vooral van de onmisbaarheid van hun producten te overtuigen.
Dit fenomeen is niet nieuw. Wanneer cacao, koffie en tabak in Europa werden ge??ntroduceerd als genotsmiddel voor de superrijken, brak hun commerci?le succes pas echt door wanneer ze een gezondheidsverbeterend aureool kregen aangemeten en de prijzen werden gedemocratiseerd.
Een van de grootste hypes van de laatste halve eeuw is ongetwijfeld het vermeende verband tussen de cholesterolwaarde in het bloed en de kans op een hartziekte. De verkoop van vetverlagende medicijnen ‘? statines, initieel nog duurder dan goud (!), niet of weinig terugbetaald en dus voorbehouden aan rijk en beroemd – kende met dezelfde strategie een ongelooflijk succes.
Sociaal ge??nspireerde acties eisten een passende prijsverlaging voor deze dure pillen zodat eenieder er voldoende van slikken kan omwille van het democratisch recht op cholesterolverlagers!
Populaire cholesteroloorlogen ‘democratiseren’ de toegang tot dit soort specialiteiten wat uiteindelijk de commerci?le waarde ervan door stijgende omzetvolumes opdrijft.

Gezondheid op de vrije markt maakt van de geneeskunst dan ook een kostelijke illusie.
Dr. John Reckless, voorzitter van Heart UK en endocrinoloog aan Bath University, maakte tijdens een interview met de BBC over de vrije verkoop van statines in Engeland op 1 augustus 2004 duidelijk waar het om gaat. ‘Het belangrijkste is dat we duidelijk naar buiten brengen dat we momenteel onderbehandelen en dat veel meer mensen zouden kunnen profiteren. De gehele bevolking zou zijn voeding en leefstijl moeten aanpassen en gewicht moeten verliezen. Maar het is ook zo dat veel meer mensen statines nodig hebben. Lang niet iedereen die statines nodig heeft, krijgt ze ook. Alle mensen zouden hun statine moeten kunnen krijgen. Indien niet in hun drinkwater, dan wel bij hun drinkwater.’ http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/3931157.stm (Malcolm Kendrick, De Cholesterolhype p. 55)
Met steengoeie en brede marketingtechnieken werd jarenlang een virtuele angstdroom in mensenhoofden geplant om ze voor te bereiden op de tirannie van het gezonde leven.
In 1995 publiceerde The Lancet een enorme studie, waarin 450.000 mensen zestien jaar lang werden gevolgd. Er deden zich 13.000 beroertes voor. De studie representeerde 7,3 miljoen persoonjaren aan observatie. De conclusie: ‘Er was geen correlatie tussen bloed-cholesterol en beroerte.’ Meer recentelijk werd in een pan-Europees onderzoek, Eurostroke, gepubliceerd in 2002, dezelfde vraag opgeworpen. Het resultaat: ‘Deze analyse van het Eurostroke-project vond geen associatie tussen het totaal cholesterol en dodelijke en niet-dodelijke hersenbloedingen en ischemische beroertes. (p.99)
Een hele generatie is opgevoed met de waarschuwing: een te hoog cholesterolgehalte veroorzaakt hart- en vaatziekten. Wat blijkt nu? Het was een verkooppraatje. Statine, het medicijn dat het cholesterolgehalte in het bloed verlaagt, is het meest winstgevende product uit de geschiedenis van de geneeskunde. Jaarlijks verdient de farmaceutische industrie er miljarden aan.
Met wetenschappelijke precisie en een gezonde dosis humor verwijst de Britse huisarts en onderzoeker Malcolm Kendrick in ‘De cholesterolhype’ de publicaties die deze cholesterolhype ondersteunen naar de prullenbak: ‘Cholesterol is niet verantwoordelijk voor hartfalen, vet eten veroorzaakt geen hogere cholesterolspiegel en is ook niet slecht voor je hart (tenzij je zo ontzettend dik wordt dat je hart het niet meer aankan) en het idee dat er zoiets als ‘goede’ en ‘slechte’ cholesterol bestaat, is een verzinsel. ‘
Dr. Kendrick heeft de skeptische moed gehad om te argumenteren waarom er geen verband is tussen de hoeveelheid cholesterol in je bloed en de kans op een hartinfarct.
Als er al een verband is, dan eerder een omgekeerd verband: Australische aboriginals hebben de laagste cholesterolwaarden en het hoogste aantal hartinfarcten. Zwitsers hebben gemiddeld de hoogste cholesterolwaarde en het laagst aantal hartinfarcten.
Meer nog: grondig epidemiologisch onderzoek heeft aangetoond dat er een andere factor essentieel is voor het risico op hartinfarcten, nlk. langdurige stress door uitzichtloze leefsituaties.
Zo bleek het hoge risico op hartlijden in het naoorlogse Finland niet het gevolg van een hoge cholesterol maar wel van de etnische zuivering door de Sovjetunie in Kareli? die 400.000 Finnen over de grens had gedreven.
Zo hebben in de USA hechte gemeenschappen met sterke social binding & bridging een erg laag risico op hartlijden. Een mogelijk gunstig effect van cholesterolverlagers wordt enkel gezien bij mannen die reeds hart- en vaatziekten hadden, mogelijk door een bloedverdunnend effect. Zoals bij aspirine, maar dan veel duurder.
In de jaren ‘80 ontstond er in de medische wereld volgens de Engelse arts Michael Fitzpatrick in zijn schitterende analyse: ‘?The Tyranny of Health, doctors and the regulation of lifestyle’? een shift van de traditionele behandeling van ziekte naar ‘new welness interventions’, gekoppeld aan het ‘check up’ verhaal, de gezondheidsrisico’s, screeningtests en preventie adviezen op het vlak van de lifestyle, met als resultaat het promoten van forse restricties op het vlak van de individuele vrijheden.
Mensen beleden niet langer hun zonden in de biechtstoel waar hen de absolutie gegeven werd mits enige boetedoening. Vandaag leggen zij bij de huisarts, de cardioloog of de zelfhulpgroep getuigenis af van hun inbreuken op de codes voor een gezonde levensstijl en vragen ze vergiffenis door de cholesterolwaarde van hun bloed te laten bepalen en pillen te slikken voor de verlaging ervan.
In de jaren ‘70 was er reeds een eerste verschuiving waar te nemen naar de individuele verantwoordelijkheid voor ziekte en gezondheid en een toenemende stilte op het vlak van sociale oorzaken van ziekten in commerci?le en industri?le omgevingen. Wanneer gezondheid het doel geworden is van menselijk gedrag, krijgt het een onderdrukkende invloed op het individuele leven.
Michael Fitzpatrick formuleert het haarscherp: ‘The tyranny of health betekent het heersen van de biologische gebodsbepalingen over de verlangens van de menselijke geest. Het biedt de staat, via dokters en andere gezondheidsprofessionals, mechanismen om zijn autoriteit over de levens van iedere individuele burger uit te breiden en daardoor over heel de maatschappij.’
De grondlegger van de cellulaire pathologie en ontdekker van cholesterol in atheroomplaques bij konijnen, de Duitse arts, antropoloog en politicus Rudolf Virchow ‘? intussen ook al ruim 100 jaar overleden, heeft het ooit als volgt geformuleerd: ‘?Geneeskunde is een sociale wetenschap, en politiek is niet anders dan geneeskunde op een grotere schaal!’?

Geneeskunde is een klinische praktijk en evenzeer een sociale wetenschap.
Geneeskunde moet dan ook het belang van sociale factoren bij de oorzaken van ziekte en lijden erkennen, maar tegelijk voorrang geven aan de echte noden van een individu.
Politici daarentegen moeten de noden van een maatschappij als een geheel vooropstellen, waaraan de individuele noden ondergeschikt zijn.
De erosie tussen de openbare en de private sfeer is een van de meest bedreigende trends in onze moderne maatschappij, en bovendien ??n waarin de dokters met hun unieke toegang tot de meest intieme aspecten van het persoonlijke leven, een belangrijke rol spelen.
Geneeskunde moet dan ook opnieuw gedefinieerd worden in termen van ‘behandel de zieken en laat de gezonden met rust!’ .
Politiek moet gedefinieerd worden in termen van: versterk de social binding & social bridging, zorg voor een sociale economie waarbij mensen een voldoende grote mate van veiligheid en zekerheid krijgen, zeker wanneer ze ziek of invalide worden. Onzekerheid, angst voor werk, inkomen en geweld veroorzaken meer ziekte en dood dan alle andere parameters. Het procentueel hoogste aantal sterftegevallen aan hartlijden komt voor in die landen waar het sociale netwerk op grote schaal werd vernield: Oost Europa, de vroegere Sovjet Unie en bij de Aboriginals in Australi?.

Malcolm Kendrick geeft tot slot een paar makkelijke tips:

Rook niet. Kies voor een vorm van lichaamsbeweging waar u van geniet. Drink alcohol, maar met mate(n). Laat niemand over u heen lopen. Zorg dat u niet het gevoel heeft dat u in de val zit, ook op uw werk. Geniet van het gezelschap van anderen. (‘?) Mensen hebben altijd geweten dat stress dodelijk is.
De medische gemeenschap, die een verschrikkelijke aversie heeft tegen het idee dat er een verband is tussen de geest en het lichaam, heeft geprobeerd deze kennis te verpulveren, met de wetenschappelijke methode als wapen. ‘We kunnen het niet meten, dus bestaat het niet.’

 

 

Reactie op “Cholesterol veroorzaakt geen hartziektes” –

bespreking van voornoemd boek van Malcolm Kendrick in Knack

Knack – donderdag 27 maart 2008 om 16u00

Standpunt van de Belgische Cardiologische Liga / Cholesterol

Sedert enige tijd is er in de media voor het grote publiek een regelrecht offensief aan de gang tegen het gebruik van geneesmiddelen om het cholesterolgehalte en vooral het LDL-cholesterolgehalte (de ‘slechte’ cholesterol) in het bloed te verlagen. Artikels in de Engelstalige pers (Business Week, New-York Times) en in de Nederlandstalige (Knack) gaan zover vraagtekens te plaatsen bij de dubbele realiteit die in de wetenschappelijke wereld boven alle twijfel verheven staat: dat er wel degelijk een oorzakelijk verband is tussen hypercholesterolemie en hart- en vaatziekten (HVZ) en dat verlaging van het LDL-cholesterolgehalte de cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit kan verminderen. In Knack luidt de titel van het artikel van ene Jan Van Duppen zelfs onomwonden “Cholesterol veroorzaakt geen hartziektes”!

Uiteraard levert het uitroepen van zo’n onwaarheid, het ingaan tegen stevig gegrondveste wetenschappelijke stellingen de schrijver ervan automatisch een zekere bekendheid op en dat komt altijd van pas voor bladen die voortdurend op zoek zijn naar een smeu?ge scoop.

Jammer genoeg draagt het er ook toe bij dat lezers gaan twijfelen en kan het een aantal hartlijders zelfs zo ver brengen dat ze vraagtekens plaatsen bij de gegrondheid van de behandeling die men hun heeft voorgeschreven.

Laten we duidelijk zijn: dit is desinformatie van een gehalte waar een persorgaan met verantwoordelijkheidszin zich niet aan mag bezondigen!

Welk bewijs hebben we voor het oorzakelijk verband tussen LDL-cholesterol en HVZ enerzijds en voor de doeltreffendheid van behandelingen die bedoeld zijn om het LDL-cholesterolgehalte in het bloed te doen dalen anderzijds?

Het Framingham-onderzoek, het eerste grote epidemiologisch onderzoek dat sinds 1947 loopt in de stedelijke gemeenschap van het gelijknamige plaatsje in Massachusetts (VS), heeft duidelijk aangetoond dat cholesterol in het bloed een op zichzelf staande HVZ-risicofactor is, naast roken, hoge bloeddruk en diabetes. Hoe hoger het LDL-cholesterolgehalte in het bloed, des te vaker komen kransslagaderaccidenten (infarct en cardiovasculair overlijden) voor. Dit
betekent ook dat cholesterol niet de enige betrokken risicofactor is: men kan het slachtoffer worden van een infarct zonder een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed te hebben en omgekeerd. Anderzijds bestaat er een wisselwerking tussen de verschillende risicofactoren en is het gecumuleerde risico een stuk groter dan de som van de afzonderlijke risico’s. Vertoont men meerdere risico’s tegelijk, ook al zijn ze op zichzelf vrij gering, dan verhoogt dat op exponenti?le wijze de kans dat men het slachtoffer wordt van een HVZ. Ook andere onderzoeken hebben dit verband aangetoond tussen onevenwichtige voeding, cholesterolgehalte in het bloed en mortaliteit door HVZ ‘zevenlandenonderzoek’, Monica-onderzoek, enz.).

Het recentere Interheart-onderzoek in 52 landen over de hele wereld, heeft aangetoond dat men aan de hand van zes risicofactoren en drie beschermende factoren in meer dan 90% van de gevallen in staat is een hartinfarct te voorspellen. Bij die risicofactoren bekleedt de verhouding tussen ‘slechte’ en ‘goede’ cholesterol de eerste plaats.

Het tweede onweerlegbare bewijs voor het verband tussen cholesterol en HVZ kwam toen men kon aantonen dat een verlaging van het cholesterolgehalte in het bloed in staat is de morbiditeit (het aantal infarcten en cerebrovasculaire accidenten) en de mortaliteit door HVZ te doen dalen. Dat werd mogelijk gemaakt door de komst van een geneesmiddelenfamilie die men statines noemt en die de aanmaak van cholesterol in de lever afremt en op die manier het
LDL-cholesterolgehalte in het bloed sterk (met 30 ? 50 %) kan doen dalen. In 1994 toonde een Scandinavisch onderzoek aan dat het gebruik van een van die statines de cardiovasculaire mortaliteit en zelfs de totale mortaliteit bij kransslagaderpati?nten kon doen dalen (‘secundaire preventie’). Enkele jaren later toonde een (Schots) onderzoek aan dat men met behulp van een andere statine het aantal kransslagaderaccidenten kon doen dalen binnen een
populatie met een hoog cardiovasculair risico maar niet noodzakelijk met een
voorgeschiedenis van infarct(en) (‘primaire preventie’). Sedertdien hebben tal van onderzoeken hetzelfde verschijnsel aangetoond met alle op de markt beschikbare statines: hoe sterker men het LDL-cholesterolgehalte in het bloed kan doen dalen, des te kleiner wordt het aantal cardiovasculaire accidenten (infarct, CVA en overlijden). Een uitgebreid overzicht van die onderzoeken, slaande op in totaal meer dan 90.000 pati?nten, werd in 2005 gepubliceerd
in het Britse blad The Lancet, waarbij men besloot dat elke verlaging van het LDL-cholesterolgehalte met 1 mMol/l (40 mg/dl) 20% vermindering van het cardiovasculair risico oplevert.

Daarnaast hebben we uit andere onderzoeken geleerd dat grote dosissen van de krachtigste statines, die het LDL-cholesterolgehalte dus aanzienlijk verlagen, de voortgang van atheroomplaque in de slagaders niet alleen een halt kunnen toeroepen maar in sommige gevallen zelfs kunnen terugdringen. Precies dit anatomisch bewijs voor de doeltreffendheid van statines bevestigde de woorden die op LDL-cholesterol van toepassing zijn: the lower, the better – hoe lager hoe beter!

De huidige aanbevelingen van gezaghebbende wetenschappelijke instanties in Amerika (American Heart Association en American College of Cardiology) en Europa (European Society of Cardiology) gaan in dezelfde richting: als secundaire preventiemaatregel, d.w.z. bij pati?nten met een bekende HVZ (hartinfarct, CVA of arteriopathie in de onderste ledematen) en bij diabetici, is het voorschrijven van een statine een absolute noodzaak, ongeacht het
aanvankelijke LDL-cholesterolgehalte in het bloed. Momenteel worden nog niet voldoende pati?nten correct behandeld en inzake secundaire preventie is er geen sprake van een overmatig voorschrijven van statines, veeleer van een ontoereikend voorschrijven – al is die situatie de jongste jaren verbeterd.

En hoe staat het op het vlak van de primaire preventie, d.w.z. bij mensen met een te hoog cholesterolgehalte die (nog) niet het slachtoffer zijn geweest van een cardiovasculair accident en die niet aan diabetes lijden? Dat vraagt een genuanceerder antwoord. Louter op grond van het cholesterolgehalte een statine voorschrijven is niet verstandig. Men moet uiteraard rekening houden met het cholesterolgehalte, maar ook met de aanwezigheid van andere risicofactoren zoals geslacht, leeftijd, rookgedrag, bloeddruk. Er bestaan tabellen (SCORE)
om het globaal cardiovasculair risico te berekenen en ettelijke van die tabellen werden aangepast om de berekening nauwkeuriger te maken op basis van specifieke kenmerken van de bevolking in een bepaald land; voor Belgi? bestaan die aangepaste tabellen.

De beslissing om een statine toe te dienen moet gebeuren op grond van het cholesterolgehalte ?n van het globaal cardiovasculair risico. Met respect voor de regels die uitdrukkelijk vervat zijn in de internationale aanbevelingen zou men op die manier moeten voorkomen dat statines worden voorgeschreven aan mensen die ze niet echt nodig hebben.

Wat moet men denken van artikels die het verschil trachten uit te leggen tussen ‘relatief’ en ‘absoluut’ risico en termen proberen te verklaren zoals NNT of noodzakelijk aantal te behandelen mensen (d.w.z. het aantal dat men moet behandelen om ??n leven te redden)? Dat zijn begrippen die nuttig zijn voor statistici en voor mensen die zich met gezondheidseconomie bezighouden, maar ze zijn niet bestemd voor wie zich bekommert om het verzorgen en behandelen van mensen. Het is inderdaad zeker economisch interessanter een geneesmiddel A met een NNT van 25 te gebruiken (men moet 25 mensen behandelen om ??n leven te redden) dan een geneesmiddel B met een NNT van 100 (100 mensen behandelen
om ??n leven te kunnen redden). Maar mag men u daarom het recht op geneesmiddel B ontzeggen als precies u die 100ste pati?nt kunt zijn – die waarvan het leven zal worden gered?

Tot besluit meen ik dat men in deze opduikende controverse redelijk moet blijven. We moeten op onze hoede zijn voor onheilsprofeten die de middelen van de moderne geneeskunde willen bestrijden uit naam van een utopisch ‘terug naar de natuur’. En de idee?n van fanaten die achter elke hoek een groot complot van de farmaceutische industrie zien, moeten we tot hun ware proporties herleiden.

Als zij de offici?le aanbevelingen van wetenschappelijke instanties aandachtig herlezen, zullen zij vaststellen dat het eerste wapen tegen cardiovasculaire aandoeningen niet het gebruik van geneesmiddelen is maar wel degelijk het veranderen van leefgewoonten (niet roken, gezond eten en meer bewegen). En daarmee zullen ze het ongetwijfeld toch wel eens zijn?

 


Archief

Milos Crnjanski, Bij de Hyperboreeërs – Roman over Rome. Uitg. De Arbeiderspers.

5 januari 2008

Milos Crnjanski, Bij de Hyperboreeërs – Roman over Rome. Uitg. De Arbeiderspers.

‘Bij de Hyperboreeërs’ van de Servische schrijver Milos Crnjanski ( 1893 – 1977) behandelt zijn periode als persattaché van de Joegoslavische ambassade te Rome van 1938 tot 1941 waar hij zijn bureau in de kelder had van de Villa Borghese tussen keuken en toilet met zicht op de schoenen van de passanten. Zijn ‘Roman over Rome’ geeft een idee van de sfeer waarin hij dank zij zijn rantsoen van vele duizenden Amerikaanse sigaretten kon ronddwalen en blijven dromen van een vreedzaam geluk ver achter het noorden, hyperborea. Crnjanski’s ‘Roman over Rome’ is zeer de moeite om in Rome te lezen voor wie er naartoe reist en wie er verblijft. Maar ook boeiend voor wie er geweest is en voor wie er nooit naartoe wil reizen.
Het werd mooi vertaald door Guido Snel die met zijn nawoord veel vragen beantwoordt voor de Hyperboreeërs die zich herkennen in deze interpretatie van de Eeuwige Stad.

17. Als je jong bent, verlang je op reis naar interessante belevenissen. En naar romans. Maar als je ouder wordt, zie je in dat er in het leven geen andere roman is dan die ene, die over het ouder worden.
De hele reeks zelfportretten van Rembrandt vertelt alleen maar die ene roman, te lezen op het gezicht van een mens, over het ouder worden. Die roman hoeft niet eens geschreven te worden, ieder beleeft die, kent die, iedereen.

28. Voor iemand die jarenlang in Rome woont, opent de Eeuwige Stad zich als een onderbuik, als een ravijn, waar men slechts op één plek rust vindt. Er zijn meerdere Romes, om zo te zeggen, ze zijn gestapeld als geologische aardlagen, de een op de ander, in de buik van de aarde. De lagen worden onderscheiden aan de hand van fossielen, alsof je in een mijnschacht afdaalt. Voor degenen die in Rome wonen, zijn er daar enkele van.
Rome is een opeenstapeling van volkeren, eeuwen, barbaren, beeldhouwwerken, architectuurstijlen, de vergankelijkheid van het al. Je kunt onmogelijk al die Romes kennen, liefhebben. Doorgaans krijgt men er uiteindelijk maar één lief.
Sommigen houden van het antieke Rome, anderen van de catacomben, weer anderen alleen maar van het Rome van Michelangelo. Er is ook het Rome van de pausen, het Rome van Napoleon, het Rome van de romantiek, het Rome van de eenwording en vrij recent het Rome van koning Umberto I. Wat mij betreft, ik heb me ooit verdiept in het ronde van Tiberius (maar dat was een zonderlinge bevlieging).
Elk van die Romes is niet alleen maar een gelaagde hoop architectuur, gesteente, geschiedenis, tragedies, maar ook dode en vergaande ideeën. Als je van het gezicht van Rome het masker wegneemt, krijg je een afschuwwekkende stad. We weten dat het gezicht van ieder mens een masker is. Ook het gezicht van Tiberius.
De mens is van nature zo beperkt dat in Rome zelfs de grootste en beroemdste mensen van slechts één deel, wijk of hoek van Rome hielden. Die plek verlieten ze slechts met moeite, zoals het schimmen trouwens ook betaamt. Caesar, die de snelste mens van zijn tijd was, bracht hier de dag door tussen twee rijen cipressen. Keizer Augustus altijd in dezelfde tuin. Cicero ging altijd naar dezelfde villa in de bergen. Nero naar zijn terras. En in een vochtig, donker steegje brandt nog altijd het olielampje van de apostel Paulus.

171.
‘Plechtig staan op de top van Monte Mario
tegen een kalme lichte hemel de cipressen
schenk op de top van die verlichte heuvel,
schenk, vrienden, goudgele wijnen waarin de zon
weerkaatst: glimlach vandaag, schonen.
Morgen zullen we sterven.
Giosué Carducci 1867

177.
Morgen, zeg je, zul je beginnen met leven, oh Posthumius?
Morgen?
Zeg eens, Posthumius, wanneer breekt die morgen van jou nou eens aan?
Hoe ver weg ligt dat, dat morgen van jou? Waar ligt het? Waar vandaan moet het komen?
Verschuilt zich nog bij de Perzen, of is het in Armenië?
Dat morgen van jou is al zo oud als Priamus.
Zeg eens, hoeveel moet dat morgen van jou kosten?
Morgen ga je beginnen met leven?
Zelfs als je vandaag nog zou beginnen, Posthumius, ben je te laat.
Wijs is diegene die gisteren heeft geleefd.

190. Giordano Bruno (1548-1600)

‘De liefde opent een poort
die van diamant is,
en zwart!’

‘Voor zijn hart, zijn geest en zijn ziel
zijn het niet het genot of de vrijheid,
wel het leven die hem een glimlach geven,
die hem helpen, hem behagen,
die zoeter en mooier zijn dan het lijden,
dan zelfs het juk en de dood,
die zijn natuur, wil en lot zijn.’

207.
’ Ik ben een wandelend graf en in mij draag ik een dood man.’
Giacomo Leopardi (1798 – 1837)

253. Giuseppe Belli ( 1791 – 1863)

SPQR - Senatus PopulusQue Romanus
Soli Preti Qui Regnano – Alleen priesters regeren hier.

Rome is aan zes en niet aan vier letters ten onder gegaan:
aan de initialen van de zes woorden Papa, Preti, Principi, Putane, Pulci, Poveri.
Paus, Priesters, Prinsen, Prostituees, Platluizen en Paupers.

(...) De enige waarheid die de priesters in de kerk beweren. ligt volgens Belli. in wat ze mompelen: ‘Heer, ik ben u niet waardig!’

Giuseppe Belli – Verkeerd ingericht

‘t Is toch maar knudde met het beste stuk
dat Jezus Christus Vader Adam gaf,
het lijkt maar zelden op een toverstaf,
probeer het maar; haast nooit heb je geluk.

De ene wil niet, of je moet haar trouwen.
De andere wil wel, maar dan eerst betalen!
En als we ooit een buitenkansje halen
dan moet je ‘t in de biechtstoel weer berouwen.

Maar wat een heerlijk lot hebben de honden!
die hoeven er zo zwaar niet aan te tillen,
die gaan hun gang, waar en met wie ze willen;

de biechtstoel zelfs gebruiken zij er voor!
Ze zijn niet bang, als wìj voor onze zonden,
en hebben schijt aan hel en aan pastoor.

(Vertaling H.L.Prenen)

Het schandaal:

Verdomde kwezels, zwarte ouwe wijven!
zelfs jullie waren hoeren indertijd; – maar nu misgun je elke jonge meid
wat jullie zelf zo graag hadt willen blijven.

Jazeker: bij mìj woont een jonge man,
die slaapt met mij, dat doet hij elke nacht,
de bedstee kraakt ervan, en niet zo zacht,
en ik ben blij hoe zalig hij het kan!

Wat gaat ‘t je an? ‘t Blijft tussen hem en mij.
Door jullie wordt geen man meer opgejut,
dát is de oorzaak van je huichelarij.

Barst maar van nijd hoe wij hier samenleven; – want wie de kans krijgt en het niet benut
vindt nooit een biechtvaer die ‘t ons zal vergeven!

261. Mijn arts zegt tegen mij, terwijl we zitten te eten, dat Rome voor ons, buitenlanders, niet meer dan een bladzijde uit Andersen is, een episode uit een eeuwigdurend Romeins karnaval. Voor hen, Romeinen, ligt dit geheel anders. Het is een ernstige, bloederige aangelegenheid. Rome, zegt hij, is een doorlopend theater waarin zich drama’s afspelen waarvan wij vreemdelingen geen flauw benul hebben.

322. Kierkegaard ziet deze vermoeidheid – taedium vitae – als een eerste aankondiging van het stervensproces en als een voorwaarde voor de dood. Zolang deze vermoeidheid niet in de mens optreedt, is de dood zwakker dan wij en wacht af. En mens rijpt langzaam voor de dood, als een peer.

385. De tenor en de prima-donna zongen, schreeuwden vergenoegd.
Ze kregen vorstelijk betaald.
Het koor was zichtbaar uitgehongerd, versleten, afgestompt, het opende en sloot de mond alsof het een kikker doorslikte, telkens wanneer het dirigeerstokje dat wilde.
De ogen van die mannen en vrouwen zwierven wanhopig de hoogte in als ze even stopten, in de richting van het plafond, en staarden gehypnotiseerd naar het dirigeerstokje als men weer verderging. Het verschil tussen degenen die de rol van tenor en prima donna vervulden en degenen in het koor ( noi altri) was opvallend.
Dat verschil is waar dan ook ter wereld het voornaamste wat men in het oog dient te houden.

396. Waarom dacht Kierkegaard dat iemand die zich met politiek bezighoudt, die revolutionair is, een romanticus moet zijn?

Archief

Voor 2008 wensen wij eenzelfde lankmoedigheid en een warme waardigheid…

5 januari 2008

Rembrandt 1654 Jan Six

Jan Six (1618 '? 1700) door Rembrandt in 1654.

Vrijheid gaat in rood gekleed met gouden randen,

zacht gemzenleer schoeit vuile handen

om arbeid toch in mededogen te leiden

en de paarden van de macht te mennen;

de vuisten soepel en vingervlug gekoesterd

wanneer we weten hoe de wereld draait

en voor offers keert zodat we lankmoedig

en met warme waardigheid ons hullen

in de mantel die ons behoedt voor de hitte

van de passie en het vuur van de strijd

omdat alles van waarde zich moet verweren.

'Alles van waarde moet zich verweren'*

Daarom wensen

wij u en al wie u

lief is voor

2008

eenzelfde lankmoedigheid

en een warme waardigheid.

  • ' De gedachte was te veel dat de vrijheden zich als vanzelf zouden verdiepen, maar het lijkt erop dat de vrijheid in diskrediet aan het raken is en de roep om veiligheid steeds luider klinkt. Wanneer we de bekende dichtregel van Lucebert '? 'Alles van waarde is weerloos' '? op zijn kop zetten, kunnen we zeggen: 'Alles van waarde moet zich verweren.' – Paul Scheffer, Het land van aankomst. p.409

'Hollanders in beeld' nog tot 13 januari 2008 in het Mauritshuis, Den Haag

Archief

Malcolm Kendrick, De cholesterolhype: Cholesterol en de strategie van de angst.

27 december 2007
'Voor ieder gecompliceerd probleem bestaat een oplossing die eenvoudig is,
direct, begrijpelijk… en fout.' H. L. Mencken.

15. Vooral de medische wetenschap (een beter voorbeeld van een contradictio in terminis is nauwelijks denkbaar) heeft een lange en uitgesproken traditie van volstrekt de verkeerde conclusies trekken, de ogen stijf dichtknijpen, grimmig vasthouden aan een geliefd, maar belachelijk idee en vooral niet luisteren naar wie dan ook. Iemand nog een bloedzuiger? Of misschien een radicale mastectomie? Een tonsillectomie of een verwijdering van een
toxische dikke darm? Hoe lang geloofden we in het bakerpraatje 'geen bacterie overleeft in de menselijke maag'? Wat te denken van 'strikte bedrust na een hartinfarct'? Hoeveel miljoen levens heeft dat gekost? De lijst achterlijke, schadelijke, ronduit foute dingen die dokters door
de jaren hebben geleerd en gedoceerd, is tamelijk deprimerend. Het stemt mij in elk geval van tijd tot tijd somber. We maken allemaal fouten. Zelfs ik. Maar om de een of andere reden is de medische stand extreem ongenegen om fouten toe te geven. Ik vermoed dat het te maken
heeft met controledwang.

33. Want ik denk dat verzadigde vetten op geen enkele manier schadelijk of gevaarlijk zijn. Als ze dat waren, zouden ze niet zo verdomde goed smaken. De natuur heeft de gewoonte ons te waarschuwen voor gevaarlijk voedsel, door het een bittere of anderszins vieze smaak te geven. Of door het knalrood dan wel gifgroen te maken. Maar natuurlijk, ik ken het tegenargument in al
zijn Darwinistische glorie: het maakt de natuur geen bal uit wat er met ons gebeurt als we te oud zijn om ons voort te planten, dus dingen die ons na ons vijftigste de das om doen, die tellen niet. Ik weiger deze discussie aan te gaan, omdat je hem niet kunt winnen en niet kunt verliezen.
Je accepteert het of je verwerpt het, afhankelijk van je filosofische vooronderstellingen.

38. Er is geen enkel verband tussen cholesterol in de voeding en cholesterol in het bloed. Eigenlijk hebben we dat altijd geweten. Cholesterol in de voeding is volledig betekenisloos, tenzij je een kip of konijn bent. Ancel Keys, PhD, Emeritus Professor aan de University of Minnesota, 1997.

49. Als wie dan ook me nog één keer vertelt dat coronaire hartziekte multifactorieel is, ga ik gillen. Het is de ultieme dooddoener. Het stelt iedereen in staat alles te zeggen zonder zich eerst te hoeven bezighouden met zoiets vermoeiends als nadenken. 'Alle ziekten zijn in zekere
zin multifactorieel, dus laten we ophouden naar oorzaken te zoeken.' Ik dacht het niet.

55. Dr. John Reckless, voorzitter van Heart UK en endocrinoloog aan Bath University, maakte duidelijk waar het om gaat. 'Het belangrijkste is dat we duidelijk naar buiten brengen dat we momenteel onderbehandelen en dat veel meer mensen zouden kunnen profiteren.'
'De gehele bevolking zou zijn voeding en leefstijl moeten aanpassen en gewicht moeten verliezen. We zouden geen vette maaltijden en snacks meer moeten eten, we zou den niet meer in cafetaria's moeten komen, we zouden allemaal meer moeten bewegen, enzovoort.'
'Natuurlijk zouden we al die zaken moeten doen of laten. Maar het is ook zo dat veel meer mensen statines nodig hebben. Lang niet iedereen die statines nodig heeft, krijgt ze ook.'
'Alle mensen zouden hun statine moeten kunnen krijgen. Indien niet in hun drinkwater, dan wel bij hun drinkwater.' http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/3931157.stm Statines in het drinkwater?

62. Er is echter toenemend bewijs dat de effecten van statines verder gaan dan cholesterolverlaging. Veel van deze niet cholesterolgerelateerde ofwel 'pleiotrope'
effecten van statines lijken betrekking te hebben op herstel of verbetering van de endotheelfunctie, via verhoging van de biobeschikbaarheid van stikstofoxide, waardoor nieuwe endotheelcellen worden aangemaakt, de oxidatieve stress wordt verminderd en ontstekingsreacties worden geremd. Verondersteld wordt dat veel van de gunstige effecten van statinetherapie bij cardiovasculaire ziekten zijn terug te voeren op de werking die deze geneesmiddelen uitoefenen op het endotheel. http://atvb.ahajournals.org/cgi/content/full/23/5/729
Te veel wetenschappelijke abracadabra? Sorry, maar hier staat zwart op wit dat statines een scala van effecten op de bloedvaten hebben die kunnen beschermen tegen coronaire hartziekten. Bij mijn laatste eigen telling kwam ik tot 35 niet cholesterolgerelateerde effecten. U twijfelt nog? Welnu, verderop in dit boek hoop ik u ervan te overtuigen dat die 'niet cholesterolgerelateerde effecten' in feite de enige verklaring bieden voor hoe ze werken. Tenslotte werden voor de statines talloze effectieve cholesterolverlagende medicijnen ontdekt. Maar alleen de statines lieten enig significant voordeel zien bij de behandeling van hart- en vaatziekten.

76. Bill Harlan van het Overzichts Comité, Associate Director van het Office of Disease Prevention (Bureau voor Ziekte Preventie) van de NI H (Nationale Gezondheids Instituten), gaf als commentaar: 'Men begon aan het rapport met een reeds vastomlijnd idee van de conclusies, maar de wetenschap achter dat idee bleek duidelijk niet toereikend te zijn. Het was duidelijk dat de ideeën van gisteren ons niet veel verder zouden helpen.' Ik vertaal het even: 'We zaten ernaast. Het idee dat verzadigd vet hart- en vaatziekten veroorzaakt was fout. Alles wat we al die tijd dachten te weten over dit onderwerp was fout. Punt.' Maar niemand zal ooit zo duidelijk uit de pas lopen en gewoon zeggen waar het op staat. Aan de buitenkant lijkt de wereld van het medisch onderzoek kalm en plezierig en redelijk, als een goed onderhouden tuin vol vriendelijk lachende mensen die dingen zeggen als 'met respect nam ik kennis van' en soortgelijke oppervlakkige vleierij. Maar in werkelijkheid is de academische wereld een slangenkuil. Doe één stap buiten de lijnen en je bent nog niet jarig. Internationale opinieleiders bewaken hun keizerrijken met ijzeren hand. En reken maar dat je wordt verpletterd als je het
waagt hun argumenten in twijfel te trekken. Samenvattend, na elf jaar had het Bureau van de Surgeon General in de Verenigde Staten geen enkel bewijs gevonden voor de cholesterolhypothese. Neem van mij aan, als ze ook maar het kleinste splintertje
bewijs hadden gevonden, hadden we dat tot in lengte van dagen moeten horen. Wat mij betreft is het totale onvermogen van deze organisatie om de cholesterolhypothese te onderbouwen een overtuigend argument tegen die hypothese.

79. Genoeg over Law en Wald, ik ban ze uit mijn gedachten. Het enige in hun artikel dat het onthouden waard is, is de bewering: 'Een meta-analyse van gerandomiseerde onderzoeken suggereerde dat een lage inname van verzadigd vet weinig invloed had op het risico op ischemische hartziekten.'
Vervang 'suggereerde' door 'bewees' en je komt naar mijn mening een stuk dichter bij de waarheid. Voeg deze bewering bij de elf jaar lange vergeefse poging van de Surgeon General om een oorzakelijk verband aan te tonen tussen de inname van verzadigd vet en het risico op harten
vaatziekten en je hebt volgens mij een antwoord. Ook al is het een negatief antwoord.

80. dr. George Mann. In de jaren zeventig bestudeerde hij de Masaà? een nomadenvolk in Kenia. Hij stelde vast dat zij de hoogste inname van verzadigd vet en cholesterol hebben die ooit is waargenomen. Hun voeding bestaat praktisch uitsluitend uit melk, vlees en vet. Toch waren hart- en vaatziekten onder de Masaà? volledig afwezig. Op basis van deze en andere waarnemingen noemde dr. George Mann de cholesterolhypothese in het New England Journal of Medicine 'de grootste blunder in de geschiedenis van de geneeskunde'.

85. Zodra mensen hebben besloten dat verzadigd vet hart- en vaatziekten veroorzaakt,
is er niets meer dat hen op andere gedachten kan brengen. Er is geen enkele onverkwikkelijke waarneming die niet op de een of andere manier kan worden verworpen. En het aantal nieuwe ad hoc hypotheses dat je kunt ontwikkelen is onbegrensd. Je kunt ze eindeloos uit de lucht blijven plukken, bewijs is niet nodig.

86. Karl Popper herkende deze manier van redeneren. Hij noemde het cirkelredeneren. Zijn voorbeeld luidde als volgt:
Stel je de volgende dialoog voor: 'Waarom is de zee zo ruig vandaag?' -'Omdat Neptunus heel boos is.' '? 'Welk bewijs heb je om je bewering dat Neptunus erg boos is te onderbouwen?' '? 'Nou, zie je niet hoe ontzettend ruig de zee is? En de zee is altijd ruig als Neptunus boos is.'
Popper, K. Popper Selections
Nu vraag ik u om zich de volgende dialoog voor te stellen:
'Waarom heeft deze man, die geen risicofactoren voor hart- en vaatziekten had, een hartinfarct gekregen?' '?'Omdat hij genetisch vatbaar is.' '?'Welk bewijs heb je om je bewering dat hij genetisch vatbaar is te onderbouwen?' '? 'Nou, zie je niet dat hij een hartinfarct heeft gehad terwijl hij geen risicofactoren had? Hij moet dus genetisch vatbaar zijn.'

93. www.thincs.org
www.theomnivore.com
www.second-opinions.co.uk

Voor ik een streep onder dit hoofdstuk zet, moet ik iets bekennen. Ik heb alle ad hoc hypotheses neergesabeld, het flauwe gebruik ervan gehekeld, maar er zijn twee substanties in de voeding die wel degelijk, consistent, bescherming lijken te bieden tegen hart- en vaatziekten.
1: Omega-3-vetzuren
Deze vetzuren lijken op twee manieren te beschermen. Ten eerste hebben ze een tamelijk sterk antistollings-effect, een beetje als aspirine. Ten tweede lijken ze hartritmestoornissen te voorkomen. (omega-3-vetzuren hebben overigens geen effect op het ldl-gehalte). Omega-3-vetzuren komen vooral voor in vette vis. Hoewel ik het wat lastig uit mijn strot krijg, moet ik toegeven dat omega-3-vetzuren waarschijnlijk goed voor ons zijn.
2: Alcohol
Matige alcoholconsumptie lijkt het risico om te sterven aan hart- en vaatziekten met gemiddeld zo'n twintig procent te verminderen. Het soort alcohol is min of meer irrelevant, hoewel wijn en bier beter lijken te werken dan gedestilleerd. Overmatig drinken of weekend-drinken
lijkt daarentegen juist het tegenovergestelde effect te hebben. Dit zou kunnen komen doordat de bloedstolling na excessieve alcoholinname een 'rebound-reactie' vertoont, waardoor zich gemakkelijker bloedpropjes vormen.

95. Daar multifactoriële interventies tegen coronaire hartziekte in mannen van middelbare leeftijd met een matig risico tot nog toe hebben gefaald om zowel de morbiditeit (ziekte) als sterfte te verminderen, zijn zulke interventies steeds moeilijker te rechtvaardigen. Dit gaat lijnrecht in tegen de officiële aanbevelingen van veel nationale en internationale adviesorganen, die de
recente bevindingen in Finland ter harte zouden moeten nemen. Dit niet te doen, is mogelijk ethisch onacceptabel.
Dit is een citaat van professor Michael Oliver, naar aanleiding van een onderzoek in Finland. Uit een tien jaar lange follow-up van het aanvankelijke onderzoek (dat als een succes was onthaald) bleek dat de mensen die doorgingen met het strikt gecontroleerde cholesterolverlagende
dieet (dit werd aangemoedigd) twee keer zo'n grote kans hadden aan hart- en vaatziekten overlijden als de mensen die dit niet deden.

98. Deze feiten leken robuust en onaanvechtbaar. Telkens als ik een vakblad opensloeg, of een studie las, werden ze bevestigd. Week in, week uit, telkens opnieuw. Maar in werkelijkheid is dit alles slechts gedeeltelijk waar. Het beeld is vergelijkbaar met de faà?ades die worden gebruikt in spaghetti-westerns. Als je er recht tegenaan kijkt, heb je het idee dat er een complete
stad voor je ligt. Maar als je ook maar een beetje van het voor de camera's gebaande pad afwijkt, zie je dat de zogenaamd solide gebouwen in werkelijkheid slechts uit spaanplaat bestaan en dat daarachter helemaal niets is.
Vanuit één hoek bezien lijken de feiten achter het tweede deel van de cholesterolhypothese '? 'een verhoogd cholesterol/ldl veroorzaakt harten vaatziekten' '? robuust te zijn. Maar als je besluit de 'georganiseerde trip van de opinieleider' te verlaten, doemt er een volstrekt ander beeld
op. Dames en heren, tijd voor een blik achter de schermen van de cholesterolhypothese.

99. In 1995 publiceerde The Lancet een enorme studie, waarin 450.000 mensen zestien jaar lang werden gevolgd. Er deden zich 13.000 beroertes voor. De studie representeerde 7,3 miljoen persoonjaren aan observatie. Dat lijkt me lang genoeg. De conclusie: 'Er was geen correlatie
tussen bloed-cholesterol en beroerte.'
Meer recentelijk werd in een pan-Europees onderzoek, Eurostroke, gepubliceerd in 2002, dezelfde vraag opgeworpen. Het resultaat: 'Deze analyse van het Eurostroke-project vond geen associatie tussen het totaal cholesterol en dodelijke en niet-dodelijke hersenbloedingen en ischemische beroertes.'

101. Ik verkies het gezelschap van keuterboeren, omdat ze niet voldoende opleiding
hebben genoten om incorrect te redeneren. Michel de Montaigne
Overigens, Ik citeer anderen uitsluitend om mezelf beter te kunnen uitdrukken.
Michel de Montaigne

107. Nu we hebben gekeken naar beroertes en tot de conclusie zijn gekomen dat het grootste risico voor deze aandoening een láág cholesterolgehalte is, niet een hoog cholesterolgehalte, denk ik dat de tijd gekomen is om het concept 'totale mortaliteit' te introduceren.
Want hoewel je het als je cardiologen hoort praten soms niet zou geloven, het is volstrekt mogelijk om aan andere dingen dan aan hartkwalen dood te gaan. Cardiologen zijn compleet geobsedeerd door cardiovasculaire sterfte. Overwinningen op dat gebied worden met veel fanfare
gebracht. Maar de totale mortaliteit wordt vaak over het hoofd gezien; in sommige studies worden die gegevens niet eens gepubliceerd.

112. Deze studie bevestigde dat een laag cholesterolgehalte vanaf vijftig kaar (en beneden de vijftig voor mannen) significant is geassocieerd met de totale mortaliteit:
Een laag cholesterol is bij mannen van elke leeftijd en in vrouwen vanaf vijftig jaar significant geassocieerd met totale mortaliteit en vertoont een significant verband met overlijden als gevolg van kanker, leverziekten en psychische aandoeningen.
Helderder kun je het niet krijgen. Als je een laag cholesterolgehalte hebt, heb je een veel hoger risico om te overlijden. Misschien heeft u liever een Brits onderzoek? Dit komt uit het bmj (1995): Lage serumcholesterol-concentraties (<4.8 millimol per liter), die werden vastgesteld bij vijf procent van de mannen, waren geassocieerd met de hoogste sterfte door alle oorzaken, voornamelijk toe te schrijven aan een significante toename van het aantal doden aan kanker.

117. Een laag cholesterolgehalte verhoogt het risico op overlijden bij mannen en vrouwen. Dit is een van de weinige feiten die door geen enkel onderzoek zijn tegengesproken. Het is ook een feit dat zo goed is verborgen, dat ik nog nooit iemand ben tegengekomen die er van op de hoogte is.
Sterker nog, als ik er over begin, verklaart iedereen me voor gek. Het is niet bepaald een triviaal gegeven. Als je weet dat een laag cholesterolgehalte ongezond is, kijk je vermoedelijk iets anders tegen de uitslag van een cholesteroltest aan. Is het cholesterolgehalte rond de 5,5 millimol per liter of hoger? Prima. Lager dan vier? Kijk uit.

120. Hormoontherapie verhà?à?gt het risico op hart- en vaatziekten. Anno 2007 raadt de American Heart Association, een bastion van conventioneel denken, ten sterkste af hormoonbehandeling in te zetten ter preventie van hart- en vaatziekten.
Hoeveel vrouwen kregen extra oestrogeen en overleden vervolgens aan hart- en vaatziekten? Suggestieve vraag, ik weet het, maar ik bedoel er uiteraard niets mee. Ik zou het niet in mijn hoofd halen ook maar te suggereren dat het 'establishment' ooit gezondheidsschade zou kunnen
aanrichten. Nooit! De opinieleiders zijn onfeilbaar en ik ken mijn plaats.

125. U moet weten dat er in de wetenschap twee fundamentele gedachtescholen zijn.
Je hebt de 'weight of the evidence' mensen. Wanneer tien studies laten zien dat een hoog hdl samengaat met een laag risico op hartziekten en twee studies suggereren het omgekeerde, vinden zij dat die tien studies moeten worden geloofd. Ik zou hen wetenschappelijke 'democraten' willen noemen: de waarneming die het grootste aantal studies achter zich heeft, wint.
Mijn visie, en daarin ben ik een aanhanger van Karl Popper, is dat zulke mensen geen echte wetenschappers zijn. De ware wetenschappelijke methode dicteert om je hypothese zo te formuleren dat hij kan worden gefalsificeerd. Vervolgens zet je experimenten op die zijn ontworpen om je hypothese onderuit te halen. Als je alles probeert en daar niet in slaagt, is je hypothese waarschijnlijk correct. Lukt het je daarentegen je hypothese te falsificeren, dan is hij fout. Het maakt niet uit hoeveel positieve studies je al hebt, ze worden allemaal waardeloos door
één studie die het tegendeel vindt.

133. het cholesterolgehalte heeft geen effect op de prevalentie van hart- en vaatziekten onder vrouwen. Geen enkele andere verklaring is in overeenstemming met de feiten.

136. Maar de Aboriginals representeren voor zover ik weet de waanzinnigste cholesterolparadox
die je kunt vinden. Laagste cholesterolspiegels, hoogste sterfte aan hart- en vaatziekten. Vergelijk dat met de Zwitsers. Hoogste gemiddelde cholesterolspiegels, op een na laagste sterfte aan hart- en vaatziekten. Of neem de Russen. Op een na laagste cholesterolgehalte,
hoogste sterfte aan hart- en vaatziekten in Europa. Doe maar een gooi, het is altijd raak. Ieder afzonderlijk land vormt een 'paradox'.

140.
'? Een verhoogd cholesterolgehalte is gecorreleerd met hart- en vaatziekten in jonge mannen '? binnen afzonderlijke landen.
'? Er is geen enkele correlatie tussen gemiddelde cholesterolgehaltes en de prevalentie van hart- en vaatzieken tussen verschillende landen.
'? Na het vijftigste levensjaar verdwijnt het verband tussen het cholesterolgehalte en hart- en vaatziekten.
'? Een dalend cholesterolgehalte is gecorreleerd met een hoger risico op hart- en vaatziekten.

174. Ondanks het volstrekte gebrek aan bewijs voor enig voordelig effect op de sterfte, worden huisartsen in Engeland actief aangemoedigd om het cholesterolgehalte van vrouwen te meten en hun cholesterolgehalte beneden de 5,0 millimol per liter te brengen. Als ze dit bereiken bij
een voldoende percentage van de populatie van hun praktijk, krijgen ze grote geldbedragen uitgekeerd (in Nederland is dit niet het geval).
Als dit niet zo serieus was, zou het lachwekkend zijn. Maar eerlijk gezegd vertikken mijn lachspieren het hier even. Ik heb de neiging een aantal mensen bij hun kladden te grijpen en ze eens flink door elkaar te schudden. Hoe kun je het rechtvaardigen om miljoenen vrouwen
krachtige en potentieel erg schadelijke medicijnen voor te schrijven, wanneer ze geen enkel leven zullen redden? Deze vraag behoeft een antwoord.
Als dit boek niets anders teweeg brengt dan een debat over dit onderwerp, ben ik volkomen tevreden, want zo'n debat kan maar tot één conclusie leiden. Misschien denkt u dat statines ongevaarlijk zijn en dat het dus allemaal niet zo veel uitmaakt? Welnu, als je een foetus bent,
zijn statines helemaal niet ongevaarlijk.
Weinig vrouwen in de vruchtbare leeftijd slikken statines, maar het wordt langzamerhand gewoner. En nu statines in Engeland zonder recept verkrijgbaar zijn, is er een toenemend gevaar dat de waarschuwing om geen statines te gebruiken tijdens de zwangerschap niet wordt nageleefd.
Misschien vergeet de bediende in een supermarktapotheek het te zeggen als hij op een drukke namiddag een pakje statines verkoopt. Of een man neemt ze mee voor zijn vrouw, zonder te zeggen dat ze niet voor hem zijn.

178. Samengevat, statines hebben als ze worden gebruikt ter primaire preventie
nul invloed op de totale sterfte en ze hebben nul invloed op het aantal hartinfarcten bij vrouwen. Er is dus geen enkel voordeel. Ik neem aan dat dit u onmogelijk lijkt, gezien de absurde hype die rond statines is gecreëerd, maar het is waar.

181. Als statines het aantal sterfgevallen aan cardiovasculaire ziekten verminderen, maar geen invloed hebben op de totale sterfte (er gaan net zoveel mensen dood), dan moeten mensen die statines slikken vaker dood gaan aan iets anders. Waaraan?

183. Vandaag de dag worden klinische onderzoeken in buitengewone mate gestuurd en gecontroleerd door de farmaceutische industrie. dr. Marcia Angell, voormalig hoofdredactrice van het New England Journal of Medicine, één van de invloedrijkste medische tijdschriften ter wereld, schreef:
Vroeger was het zo dat geneesmiddelenfabrikanten eenvoudig geld gaven aan academische medische centra, zodat de klinische onderzoekers een studie konden uitvoeren, en dat was het. Er was grote afstand. De onderzoeker deed een studie en publiceerde zijn of haar resultaten,
wat die resultaten ook waren.
Tegenwoordig werkt het heel , heel anders. De farmaceutische bedrijven ontwerpen
de onderzoeken in toenemende mate zelf. Ze zijn eigenaar van de gegevens. Niet eens de onderzoekers krijgen inzage in de data. De bedrijven analyseren de data en ze bepalen of de data al of niet worden gepubliceerd. Ze laten onderzoekers en academische medische centra contracten tekenen waarin zij beloven hun werk niet te publiceren, tenzij er uitdrukkelijke
toestemming van het farmaceutische bedrijf is. De verdraaiing begint dus al và?à?r de publicatie. Het begint op het moment dat wordt bepaald wat wel en wat niet gepubliceerd zal worden.
Dit kun je geen gezonde afstand meer noemen. Onderzoekers en academische medische centra worden behandeld als willoze wapens, als technici die je kunt laten doen wat je wilt. Ze voeren hun werk uit en dat is het. Het farmaceutische bedrijf bepaalt wat de data laten zien, welke conclusies er worden getrokken en of het wel of niet wordt gepubliceerd.
Ofwel, de medische beroepsgroep werkt steeds nauwer samen met de farmaceutische bedrijven.
Als je geen rol speelt in grote, door de farmacie gesponsorde klinische onderzoeken, spreek je niet op belangrijke beleidsvergaderingen, publiceer je geen 'prestigieuze' onderzoeksrapporten in toonaangevende tijdschriften en breng je geen geld in het laatje van de universiteitskas.
Je hebt niets te vertellen op grote, internationale congressen. Je slijt je wetenschappelijke leven, zo te zeggen, op Urk.
Een zekere dr. John Kastelein uit Amsterdam raakte buiten zinnen van woede toen er vraagtekens werden geplaatst bij de potentiële belangenconflicten van de panelleden die de NCEP -richtlijnen bepaalden.
Volgens hem werd die hele zaak rond belangenverstrengeling geweldig overdreven. In zijn woorden:
Ik geloof geen woord van die verhalen over belangenverstrengeling, want er is op de hele wereld geen enkele opinieleider die geen onderzoek heeft verricht in opdracht van een farmaceutisch bedrijf. Kastelein wordt in zijn visie gesteund door Professor Daniel Simon van Harvard Medical School. Die noemt het een vergissing om de inzichten van opinieleiders met een potentieel belangenconflict voortaan met een korrel zout te nemen, omdat de farmaceutische industrie de
medische wetenschap vooruit helpt. 'De meeste onderzoekers zonder belangenconflict zijn geen echte experts,' aldus Simon.

189. Het grootste nadeel van statines is niet dat ze dagelijks hier en daar een paar honderd mensen doden, het probleem is dat ze een gigantische last aan verraderlijke bijwerkingen veroorzaken, die voor het merendeel niet worden herkend, of die hardnekkig worden ontkend. U
bent moe? Tja, u wordt een dagje ouder. Spier- en gewrichtspijn? Kom aan mevrouw Jansen, daar hebben we allemaal wel eens last van. Zelfs als je de waslijst inmiddels aardig gedocumenteerde bijwerkingen opsomt, zullen de meeste artsen weigeren te geloven dat ze ook maar iets te maken hebben met de statine die je slikt.
Laat mij u kennismaken met dr. Duane Graveline, een arts in de Verenigde Staten. Hij is huisarts, maar is ook opgeleid tot astronaut bij NASA en hij werkt nauw samen met de vliegmedische dienst die verkeers- en militaire vliegers keurt. Enige jaren geleden werd bij hem een
verhoogd cholesterolgehalte gemeten en hij kreeg een statine voorgeschreven. Hij had daar geen enkele moeite mee, want hij geloofde volledig in de cholesterolhypothese en in de voordelen van statines.
Na enkele weken werd hij verrast door een uitermate verontrustende episode van geheugenverlies, waarna hij intuà?tief stopte met de statine. Een jaar lang had hij verder geen problemen, maar toen zijn dokter ontdekte dat hij zijn statine niet meer nam, overtuigde hij hem ervan weer te gaan slikken en Graveline luisterde. Kort daarop kreeg hij opnieuw een episode van geheugenverlies, maar deze keer veel erger. Hij keerde terug naar zijn tienerjaren, niet in staat zich ook maar iets van zijn opleiding tot arts, astronaut en vlieger te herinneren. Toen zijn geheugen zich uiteindelijk herstelde, was hij ernstig ontdaan door hetgeen was voorgevallen en hij gooide zijn statines voorgoed weg.
De behandelend artsen stelden de diagnose transient global amnesia (voorbijgaand algeheel geheugenverlies), oorzaak onbekend. Geen collega was bereid de mogelijkheid te accepteren dat de statine de oorzaak zou kunnen zijn. Met het gevoel een eenzame roepende in de woestijn
te zijn, plaatste hij een brief op de website van People's Pharmacy, waarin hij vroeg of meer mensen die een statine slikten hetzelfde hadden meegemaakt. Hij werd onmiddellijk overspoeld met honderden brieven van hopeloze patiënten en hun familieleden. Ze beschreven een volledig spectrum van cognitieve bijwerkingen, van amnesie en ernstig geheugenverlies tot verwarring en desoriëntatie, allemaal geassocieerd met het gebruik van een statine, vooral Lipitor. Graveline trok aan de bel, maar de reactie van de mainstream medische gemeenschap kan als volgt worden samengevat: 'U weet niet waar u het over heeft. Statines zijn veilig en hebben erg weinig bijwerkingen.'
Hier is een brief van een patiënt aan Graveline, die hij afdrukte in zijn boek Lipitor, Thief of Memory:
Zo'n zes weken geleden verdubbelde de dokter mijn dosis Lipitor van twintig naar veertig milligram. De afgelopen vier weken heb ik een steeds erger wordend geheugenverlies ervaren. Ik kon me het telefoonnummer van mijn broer niet meer herinneren. Ik kon het bordje met voeding voor mijn baby niet meer vinden, net nadat ik het had klaargemaakt. Ik kon me niets herinneren
van recente uitstapjes. Ik kon me niet herinneren te hebben deelgenomen aan een vergadering. Ik kon me niet meer herinneren dat ik had gedineerd in een bepaald restaurant. Ik had talloze vergelijkbare episodes. Dit is volledig abnormaal voor mij. Ik heb mijn dokter gebeld en wacht op zijn telefoontje. Ter informatie, ik ben een 39-jarige vrouw en ik slik nu ongeveer
vier jaar Lipitor.
Zal dit geheugenverlies door de dokter worden genegeerd? Waarschijnlijk.
Zal dit worden gerapporteerd als bijwerking? Vrijwel zeker niet.
De ervaring van de vrouw zal als triviaal worden beschouwd. Ik denk echter dat de 'mentale' problemen die zijn geassocieerd met statinegebruik, verre van triviaal zijn. Al in 1960 was bekend dat mensen die de toen gangbare cholesterolverlagers gebruikten, vaker een gewelddadige dood stierven: aan ongelukken, zelfmoord, schietpartijen en dergelijke.
Dit werd universeel afgedaan als een toevallige waarneming (hoe vaak hij ook opdook), omdat niemand zich kon voorstellen hoe een laag cholesterolgehalte in hemelsnaam iets te maken zou kunnen hebben met een gewelddadige dood.
Ik las een 'post hoc analyse' van een modern cholesterolverlagend onderzoek waarbij de auteurs zo vastbesloten waren te bewijzen dat een laag cholesterolgehalte niets te maken kon hebben met overlijden aan een auto-ongeluk, dat ze de analytische grenzen in een volledig nieuwe
dimensie duwden. Ze argumenteerden dat verscheidene van de overledenen voetgangers waren, dus géén automobilisten. De statine kon dus nooit verantwoordelijk zijn geweest voor het auto-ongeluk. Ha! Probeer de logica maar eens uit die bewering te verwijderen.
Maar goed, dertig, twintig, zelfs vijf jaar geleden wist geen mens dat cholesterol iets te maken zou kunnen hebben met de hersenfunctie. Dit ondanks het feit dat het brein meer dan 25 procent van de totale lichaamsvoorraad cholesterol bevat en dat cholesterol voor meer dan twee procent van het totale hersengewicht staat. Waarschijnlijk werd gedacht dat al dat cholesterol puur toevallig in de hersenen rondhing. Echter, meer recentelijk is ontdekt dat cholesterol voor een functionerend brein volstrekt noodzakelijk is.
Een groep onderzoekers onder leiding van dr. Frank Pfrieger onderzocht de functie van de glia-cellen in de hersenen. Bekend was dat deze 'ondersteunende' cellen een kritieke rol spelen in het functioneren van de synapsen (de verbindingen tussen neuronen). Ook was bekend dat
glia-cellen een substantie afscheiden die nodig is om de synapsen te laten ontstaan en functioneren. Zonder deze substantie zouden hersenen volstrekt onbruikbaar zijn. En wat was deze fantastische, miraculeuze substantie?

192. Een laag cholesterolgehalte wordt ook in verband gebracht met geweld en agressie. En ook dat is beslist geen theoretische vinding. Een groep onderzoekers onder leiding van Jian Zhang bestudeerde het verband tussen een laag cholesterolgehalte en het risico van school te worden
geschorst. Ze concludeerden dat:
...een laag totaal cholesterolgehalte onder niet Afro-Amerikaanse kinderen gecorreleerd is met schorsing of verwijdering van school en dat een laag totaal cholesterol mogelijk een risicofactor is voor agressie en een risicomarker voor andere biologische variabelen die tot agressief gedrag kunnen voorbestemmen.
...de uitkomsten van het huidige onderzoek zijn in lijn met de meerderheid van de eerdere onderzoeken naar associaties tussen een laag serumcholesterol en diverse vormen van agressie bij volwassenen. Met slechts weinig uitzonderingen werden significante verbanden waargenomen in
cross-sectional studies, cohort monsters, algemene bevolkingsonderzoeken, psychiatrische patiënten en criminelen en in gecontroleerde voedingsexperimenten in non-humane primaten. Een laag cholesterol wordt in het bijzonder geassocieerd met het begin van affectieve gedragsstoornissen gedurende de jeugd onder mannelijke criminelen.
Het Royal College of Psychiatry publiceerde een studie waarin de rol van cholesterol bij depressie en zelfmutilatie werd onderzocht. De titel was 'Laag cholesterol kan zelfmoordrisico indiceren'. Ik toon enkele passages uit het persbericht:
Lagere cholesterolspiegels waren gerelateerd aan hogere niveaus van zelfgerapporteerde impulsiviteit. Het vinden van een lager gemiddeld cholesterolgehalte in de DSH-groep (Depression and Self Harm) bevestigt de uitkomsten van andere gepubliceerde studies.
De auteurs veronderstellen dat de verhoogde sterftecijfers in populaties met een laag cholesterol het gevolg kunnen zijn van meer zelfmoorden en ongelukken en een verhoogde tendens tot impulsiviteit.
Mogelijk beà?nvloedt een laag cholesterolgehalte de functie van het centraal zenuwstelsel of is het een marker voor factoren die predisponeren voor dood door trauma of zelfmoord.
Aangenomen wordt dat cholesterol invloed heeft op het serotoninegehalte, een neurotransmitter in de hersenen. Lage serotoninespiegels worden niet alleen met depressie en zelfmoord, maar ook met agressie en impulsiviteit in verband gebracht. Deze laatste twee spelen vaak een rol bij ongelukken, gewelddadig gedrag en zelfmoord.

203. We lopen ernstig gevaar de overgrote meerderheid van de gezonde volwassenen 'ziek' te verklaren. De oplossing voor uw 'ziekte'? Gebruik voor de rest van uw leven een statine en haal het niet in uw hoofd om te stoppen.
Kan het werkelijk zo zijn dat negentig procent van de bevolking levenslange medicatie nodig heeft? Dit is waanzin. Dit is Brave New World, een combinatie van alle dystopische nachtmerries van de toekomst, die plotseling werkelijkheid is geworden. Gezondheid is in die wereld niet langer een afwezigheid van ziekte, maar het niet hoeven nemen van de correcte medicijnen.
First, do no harm? Ik dacht het niet. Dit belangrijke medische adagium verliest rap aan betekenis.

(...)statines het risico om aan hart- en vaatziekten te overlijden in bepaalde groepen verlagen. Ze
verlagen de totale sterfte in mannen met vastgestelde hart- en vaatziekten.
Dus als u een man bent met een bestaande hartaandoening, kan het een goed idee zijn een statine te slikken. Voor we nagaan hoe statines dat voordeel teweeg brengen, wil ik nog iets gedetailleerder naar de cijfers kijken.

205. In werkelijkheid kan een statine de dood alleen uitstellen, niet voorkomen.
Hoe lang? Welnu, als na een jaar statines slikken van elke tweehonderd mensen er één extra nog in leven is (ten opzichte van de placebogroep), dan betekent dat de statinegroep na tweehonderdste van een jaar hetzelfde aantal doden heeft als de placebogroep. Dat komt neer
op een verhoging van de levensverwachting met iets minder dan twee dagen.
Als tien miljoen mensen met een erg hoog risico op hart- en vaatziekten een jaar lang een statine slikken, leven ze met z'n allen gemiddeld twee dagen langer. En als die tien miljoen mensen tweehonderd jaar lang een statine zouden slikken, zouden ze gemiddeld een jaar extra leven.
Als we aannemen dat de meeste mensen maximaal dertig jaar een statine slikken, dan leidt dat tot verlenging van de levensduur met gemiddeld twee maanden.

206. In secundaire preventiestudies verlagen statines de cardiovasculaire sterfte wel degelijk, genoeg zelfs om de toename van de sterfte door andere oorzaken te compenseren.
Maar doen ze dit door verlaging van het ldl-gehalte of via een ander mechanisme?
Deze vraag is niet eenvoudig met zekerheid te beantwoorden. Misschien heeft u inmiddels het gevoel dat het allemaal niet zoveel meer uitmaakt, gegeven de minuscule voordelen die statines zelfs de mensen met het hoogste risico bieden. Ik denk echter dat het belangrijk is
hiernaar te kijken en wel om twee redenen:
Als ik kan bewijzen dat statines niet werken door ldl-verlaging, dan valt de hele cholesterolhypothese uit elkaar.
De farmaceutische industrie en de opinieleiders pleiten momenteel agressief voor een steeds grotere ldl-verlaging en ze vertroebelen opzettelijk het verschil tussen primaire en secundaire preventie. Ik vind dat hiertegen verzet moet worden geboden. Het leidt ertoe dat meer en
meer mensen erg hoge doses statines gaan slikken, wat een totale ramp zou zijn.

212. Samenvatting
Ik zal pogen alle waarnemingen met betrekking tot het gebruik van statines bij elkaar te brengen. Eerst de positieve data:
Als je een man bent met vastgestelde hart- en vaatziekten, verlagen statines je risico om aan wat dan ook te overlijden met maximaal 0,66 procent per jaar. (Dit getal is gebaseerd op de gunstigste gegevens van de studie die het gunstigst uitpakte: 4S. 4S werd gedaan door Merck en de
data-analyse werd uitgevoerd door medewerkers van Merck.)
Als je een man bent zonder vastgestelde hart- en vaatziekten, kunnen statines je risico te overlijden aan een cardiovasculaire aandoening iets verlagen. Als je een vrouw bent met een erg hoog risico op hart- en vaatziekten, verlagen statines het risico op overlijden aan een hartinfarct of een beroerte.
Vervolgens de wat minder positieve data:
Als je een vrouw bent, ongeacht je risicofactoren, verlengen statines je levensverwachting geen enkele dag. Minder doden als gevolg van harten vaatziekten, meer doden ten gevolge van andere zaken.
Als je een man bent zonder hart- en vaatziekten, verlengen statines je levensverwachting
met geen enkele dag.
Dan de negatieve data:
'? Statines, cholesteroltests en doktersconsulten kosten de samenleving jaarlijks miljarden.
'? Statines veroorzaken spierpijn en spierzwakte bij meer dan twintig procent van de mensen die ze slikken.
'? Statines veroorzaken rhabdomyolyse, wat fataal kan aflopen.
'? Simvastatine veroorzaakte gedurende zes jaar 416 doden, alleen al in de Verenigde Staten.
'? Statines veroorzaken polyneuropathie.
'? Statines veroorzaken geheugenverlies, depressie, verwarring, geà?rriteerdheid en duizeligheid.
'? Statines veroorzaken ernstige geboorteafwijkingen.
En tenslotte een aantal verontrustende maar onbewezen bijwerkingen:
'? Statines verhogen eventueel het risico op kanker.
'? Statines veroorzaken mogelijk hartfalen.
Verder is het bij lange na niet bewezen dat statines tegen hart- en vaatziekten beschermen via hun ldl-verlagende effect. De huidige hype rond intenstieve ldl-verlaging wordt volledig gevoed door de farmaceutische industrie. Die claimt dat inmiddels boven elke twijfel is verheven dat hoe verder het ldl-gehalte wordt verlaagd, hoe beter de bescherming tegen hart- en vaatziekten zal zijn. Ze gebruikt dit 'feit' om te lobbyen voor alsmaar strengere richtlijnen voor cholesterolverlaging voor de gehele bevolking.

Archief

Leonardo '? expo Koekelberg versus Monaldi & Sorti, De twijfel van Salaì.

26 december 2007

Leonardo '? expo Koekelberg versus Monaldi & Sorti, De twijfel van Salaì.

Monaldi & Sorti, De twijfel van Salaì.
De onverbeterlijke leugenachtige en genotzuchtige dief, over de onderzoeken van Ser Lionardo de schilder, zijn leermeester en pleegvader. Gekruid met een pikante novelle van Boccaccio en een brief van Machiavelli die het geval briljant oplost.
Uitg. Cargo De Bezige Bij 2007

‘Talloze malen heb ik in de praktijk van het leven bevestigd gevonden dat antiquaren vaak meer van boeken weten dan deskundig geachte professoren, kunsthandelaren meer verstand hebben van kunst dan kunsthistorici, dat een groot deel van de wezenlijk nieuwe inzichten en ontdekkingen op alle gebieden te danken is aan buitenstaanders. Hoe praktisch, bruikbaar en heilzaam het academische bedrijf voor mensen met een doorsnee talent ook mag zijn, voor individueel productieve geesten lijkt mij overbodig, bij hen kan het zelfs een remmende invloed hebben.' Stefaan Zweig, De wereld van gisteren.

'Neem een leugen, een legende en een aannemelijk feit, en je hebt een traditie' Karl L.

Liefhebbers van gemeenplaatsen, flauwe kul en dure onbenulligheden onder patronage van zijne majesteit Albert II, voorzitter Pà?ttering van het Europees Parlement en Commissievoorzitter Barroso kunnen nog tot 15 maart 2008 terecht in de Basiliek van Koekelberg voor de expo Leonardo Da Vinci, the European Genius – www.expo-davinci.eu.

Reeds ettelijke zomers worden argeloze toeristen in Italiaanse kultuursteden gelokt om voor veel geld de 'originele kopieën' van de beroemde uitvindingen van Leonardo te bestuderen. Steevast ben je dan opgelicht door een stel mechano-friemelaars met houtje-touwtjes- constructies die kant nog wal raken maar vooral de illusie proberen te verkopen dat de ‘uitvinder’ hiervan originele ideeën lang voor de aangewezen tijd kon ontwikkelen. Vaak helpen 3D- modulaties op beeldscherm om de glans van genialiteit te versterken.
Pas veel later zou men het nut van een helikopter, een geniebrug, een tank, een machinegeweer kunnen begrijpen. Zo geniaal was die uitvinder dat hij dingen uitvond waaraan niemand wat had.
Het heeft iets van de Europese commissie die ook graag dingen uitvindt waaraan niemand wat heeft, behoudens de kassa van de tentoonstelling of verwante bedrijfsbelangen.
De roep van genialiteit die 'Leonardo' '? de voornaam volstaat als blijk van de eigen kennis in het armzalig milieu van navelstarende Brusselse bourgeoisie '? dient te dekken en te verkopen, is waarlijk hilarisch.

Vooral voor wie van Monaldi & Sorti 'De twijfel van Salaì ' heeft genoten:

351. De modernste inzichten van het wetenschappelijk onderzoek rekenen af met de figuur van Leonardo als de ‘visionaire’ geleerde, die in zijn projecten vage voorgevoelens aangaande toekomstige machines giet. Het genie uit Vinci was vaak op zoek naar Griekse handschriften waaraan hij grote waarde toekende. (...)
Onder de geleerden komt steeds duidelijker naar voren dat Leonardo niet de toekomst voorspelde, zoals hem vaak is toegedicht, maar het verleden registreerde en probeerde te doen herleven: zoals is aangetoond door de wiskundige Lucio Russo ( La rivoluzione dimenticata. Il pensiero scientifico greco e la scienza moderna, Milaan 1996), putte Leonardo evenals andere wetenschappers en ingenieurs uit de renaissance volop uit het rijke technologische erfgoed van het oude Griekenland, dat in het Romeinse en middeleeuwse tijdperk vergeten of overschaduwd was, maar terugreikt tot in oeroude tijden.

352. Leonardo pakte kortom het Griekse en hellenistische gedachtegoed weer op en ontwierp machines waarvan hij niet altijd het doel begreep, om welke reden ze niet konden werken, en niet omdat hij zijn tijd vooruit was. Om ze te bouwen was kennis nodig geweest die inmiddels verloren was gegaan.
‘De renaissancistische intellectuelen’, schrijft Lucio Russo verder, ‘waren niet in staat de hellenistische wetenschappelijke theorieën te begrijpen, maar als intelligente, nieuwsgierige kinderen die voor het eerst in een bibliotheek komen, werden ze aangelokt door de afzonderlijke resultaten en met name door die welke in handschriften verlucht waren met tekeningen: bijvoorbeeld in willekeurige volgorde: de anatomische ontledingen, het perspectief, de tandraderen, de pneumatische machines, het smelten van de grote werken in brons, de oorlogsmachines, de hydraulica, de automaten, de ‘psychologische’ portretkunst, de bouw van muziekinstrumenten (Russo, p. 112.)

Maar 'De twijfel van Salaì' heeft meer in petto dan een ontmaskering van de mythe rond Leonardo.

Monaldi & Sort hebben er met het zevendelig magnum opus 'Imprimatur '? Secretum '? Veritas' ( Mysterium- Unicum -'? volgen nog in het Nederlands) hun handelsmerk van gemaakt om aan te tonen dat niets is wat het lijkt: 'Neem een leugen, een legende en een aannemelijk feit, en je hebt een traditie'

En aan die wetenschappelijke, historische en politieke traditie sleutelen zij met brio en kunde, tot afgrijzen van de zelfbenoemde erflaters uit de academische hofhouding.
Hun ontdekkingstocht naar de lastercampagne rond Alexander VI, de roemruchte Borgiapaus, hebben ze verwerkt in een brievenboek van de aangenomen zoon en hulpje van Leonardo, Salaì.

10. De jonge en weinig onderlegde, maar gewiekste Salaì is een volmaakte vertegenwoordiger van onze 'popolino scarpe grosse cervello fino' ( de kleine man op grove schoenen, maar met een fijn verstand), die buiten de grenzen van ons Schiereiland zo moeilijk tegen te komen is en misschien in hoofdzakelijk niet katholieke landen ook niet te begrijpen valt: een babbelzieke en toch eeuwig sceptische individualist, zonder vetes en hiërarchieën in zijn hoofd, een onbevooroordeelde waarnemer en daarom scherp van geest.

Door de ogen en de volkse intelligentie van Salaì demonstreren Monaldi & Sorti het Rome van die tijd, de zwendelaars in macht en waarheid, de menselijke kanten van 'Ser Lionardo' en zijn speciale en geniale voorkeuren, de manier waarop de wereld gedreven wordt door de zoektocht naar de drie 'G'-s : Gat, Geld en God '? zij het dat die in Rome in tijd, plaats en ruimte samenvielen.
De rol van de Borgia paus bij een ultieme poging om de Roomse Kerk in rustiger water te krijgen wanneer de golven van de reformatie aan kracht wonnen, de betekenis van de Elzasser humanisten en hun geschiedvervalsing met ‘De Germanen’ van Tacitus als ideologisch manifest voor de historische rol van het zuivere en krachtige, onbezoedelde Duitse volk'?het passeert allemaal langs het nietsontziende oog van Salaì. En passant maken de auteurs onderbouwd komaf met het zootje Da Vinci Code – aanhangers en fezelaars in demarge van de postmoderne mythevorming.

342. Als de leenman zijn hofnar in het openbaar aan het woord laat en hem toejuicht als een redenaar, dan zijn alle redenaars gedwongen een ander beroep te kiezen.
De enige manier om tegen de overheersende pulp in te gaan was dus door dezelfde wapens te gebruiken, maar dan omgekeerd: de hofnar aan het woord laten, maar met de argumenten van een redenaar. Als elke domoor die maar even zijn mond opendoet wordt toegejuicht, dan heeft de simpele salaris ook het recht om tussen kwajongensstreken en kromde zinnen door iets serieus te vertellen. Aan de andere kant is die omkering van rollen typerend voor onze tijd: heeft de serie romans met het grootste wereldsucces van de laatste tijd, geschreven door een bekende Engelse schrijfster voor de hersens van twaalfjarigen, geen miljoenen volwassenen lezers veroverd?

Lees verder »

« Volgende berichten